De Grote Jacht: Oude Koornmarkt 8

 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Met betrekking tot de Grote Jacht moet men aanstippen dat dit pand steeds als buurman minstens één ‘Cleyn Jacht’ heeft gehad. Die buurman situeerde zich tot en met de periode dat Gielis Musch eigenaar was (1533) op het nummer 6, dus rechts, de latere Swerten Arent. Tege­lijker situ­eerde een andere Cleyn Jacht zich links, op het nummer 10. Dit heeft alles te maken met de deels gemeenschap­pelijke ge­schiedenis van deze panden. Overlopen we de gebrekkige gegevens uit die voorgeschiedenis.

 

Op 14 november 1397 geeft Alyt van Coelne, weduwe van Meester Wouter Borduerwerker, haar huurcontract door aan Peeter Chase.  Ze zegt dat het huurcontract nog vijf jaar loopt vanaf kerst­avond en dat haar huisbaas Heer Jan van Sompeken is[1].  Buur­panden zijn de Rooden Schild, wat dus betekent dat de Ackerman (Oude Koornmarkt 12) nog niet bestond, en de woning van Jan Vorspoel.  Op 22 april 1407 laat Adriaen Broedeloes het “... huys mett[en] plaetsen borneputte...” als zijn eigendom note­ren.  Het pand wordt gesitueerd tussen het huis van Jan Spyc en de Rooden Schild.  Op 25 juli 1450 maken Peter Broedeloos en zijn echtgenote Lysbeth vander Heyden elkaar hun"huysinge met[ten] plaetsen stallen van vo[r]e tot achte[r] geh[eeten] de Jacht" gesitueerd tussen het kleine huiske van Peter Broe­deloes, waar nu Jannes de Mandemaker woont en Jan van Velthem. Peter had reeds in 1444 een rente afgelost op het pand, toen omschreven als een huizinge. Interessant is nog een akte van 18/02/1443 o.s. (1444): Jfr. Margriete Broedeloes X Anthonys Haeymans gaf terve aan haar broer Peter Broedeloes 1/3 “van den huyse met plaetsen, en[de] vierendeele van eenen borneputte...” geheeten De Jacht, Oude Koornmarkt,  tussen weduwe wijlen Henricx van Loe ex una en Jan van Veltham ex alt. strekkende achteraan tot de Baersch (Hoogstraat)[2].

 

Merkwaar­dig is ook dat uit een akte van 1451 blijkt dat een “camerken van wilen Adryaen Broedeloes” op dat ogen­blik deel uitmaakte van het patrimonium van de Rooden Schild[3].  Een ren­tenbrief van 9 januari 1454 o.s. waarbij Peter Brood­eloos aan zijn neef Michiele Mengiaert 2 pond groten jaarlijks verkoopt “... op zijn huysinghe metten plaet­se gronde metten vierendee­le van eenen borneputte ende met al datter toebehoort geheeten de Jacht” geeft aan dat het pand al hoger wordt ingeschat maar zijn borneput moet delen.  Het wordt nu gesitu­eerd tussen Jan van Veltham en de Rooden Schilt enerzijds en het kleine huis van Peter Broodeloos anderzijds.  Aan de achterzijde grenst de Jacht nog aan De Baers op de Hoog­straat[4].  In een renten­brief van 24/2/1469 (1470 n.s.) lezen we dat Lysbeth vander Heyden, weduwe van Peter Broedel­oes, en hun zoon Peter Broede­loos jr. zeker voor de helft eigenaar zijn van de Grote Jacht die overigens al naast de Cleyn Jacht ligt[5].

 

Op 6 juli 1482 verkoopt Dominicus Boudens, dokter in de medi­cijnen, zijn eigendom te situeren Oude Koornmarkt 6 - 10 aan de uitsnijder Jan van Lare die drie dagen later een deel hiervan te situeren Oude Koornmarkt 8 - 10 doorgeeft aan Aert Peter Nouts, een kleermaker. Op 29 mei 1489 wordt hiervan de huidige Cleyn Jacht, Oude Koornmarkt 10 definitief afgesplitst, door een overdracht in de handen van de kuiper Willem Denys. Nouts' erf­genamen geven op 26 juli 1504 in erfe­lijk recht aan diezelfde Willem Denys een huis met achterhuis, plaats, een kwart van een waterput, een gang en toebehoorten genaamd de Grote Jacht gesitueerd tussen de Cleyn Jacht, eigendom van Gielis Mussche (het nr. 6) en de andere eigendom van Willem Denys, de huidige Cleyn Jacht (nr. 10). De gang komt uit tussen de twee andere huizen van Willem Denys (de Ackerman en de Cleyn Jacht, nr 12 en 10). Diezelfde dag geeft Willem Denys het pand door aan Gielis Mussche die aldus ook een heel domein bij elkaar krijgt[6].

 

Bij de verdeling van de eigendommen van Gielis Musch (5 juli 1533) belandt de Grote Jacht samen met een pakhuis gesitueert naast de Ackerman in de handen van Anna Musch en dit voor een erfrente van 47 pond Brabants per jaar. Op 29 maart 1539 n.s. behoudt ze haar deel dat als volgt beschreven wordt: “... Een huys... geheeten de groote jacht... metten huyse de Cleyn Jacht daer neffens... metten gange en[de] packhuysen daer achter, plaetsen, cokenen, toegange vande borneputte oic gronde...”[7]

 

Op 14 maart 1545 n.s. geeft de dochter van Gielis Musch, Anna, weduwe van Pauwels Denys, het grotendeels in erfelijk recht aan de lijndraaier Jan van Schooten en Johanna Claessens voor een 152 Car.g. erfelijk. In de beschrijving vernemen we dat een kamer van St. Christoffel (Oude Koornmarkt 4) achteraan aangrensde. Voor zichzelf behield Anna Musch echter een ach­terhuis en de gang langs de Ackerman die later in de handen komen van haar dochter Katlyne, eigenaars van de Cleyn Jacht[8].

 

De dochter van Jan van Schooten en Johanna Claessens, Digne, en de kinderen van hun andere dochter Johanna n.l. Hans en Johanna van Beringen, verkrijgen ieder de helft van het huis bij een verdeling op 9 mei 1581. Johanna van Beringen, krijgt volgens akte d.d. 14 december 1582, voor zichzelf een kwart van het huis. Dit kwart wordt door haar en haar echtgenoot Glaude Ophoogen verkocht aan Willem van Schooten op 7 november 1585 wiens weduwe Maria du Carné de helft van Dimpna van Schooten verwerft op 26 maart 1593[9]. Het overige kwart dat Hans bezat wordt door de amman na openbare verkoop overgedra­gen aan Jan van Schooten op 29 oktober 1597. Op 23 februari 1605 verwerft Maria du Carné van de kinderen van Jan van Schooten ook dit kwart[10].

 

De Grote Jacht, huurwaarde 112 gulden, heeft volgens de cohie­ren in de periode 1577 - 1586 nogal wat afwisseling van bewo­ners gekend: in 1577 Tobias van Hove, in 1582 Coenraet de By, in 1583 Franchoys Brentens samen met Reynier van Vlierden, daarna, zeemleerverkoper F. Brentens alleen[11].

 

De erfgenaam van Maria de Carné, Jan van Schooten, zijdenla­kenverkoper, verkoopt het huis op 5 mei 1617 aan de koopman Andries Janssens de Oude, al eigenaar van St. Christoffel sedert 1596[12]. Zijn zoon Andries weet op 26 juni 1631 het huis voor zichzelf te behouden na een verdeling[13]. Samen met zijn broer Jan dreef hij handel en we vonden toevallig een docu­ment waaruit blijkt dat het zelfs reders waren: “... Andries en Jan Jans­sens, cooplieden schepene en[de] rent[meestr]e generael respective deser stadt...” zweren dat ze voor 10280 gulden  aan Christiaen Horstman koopman te Danzig verkocht hebben: “ ... hun schip soo als het tegenwoordich tot Duyn­kercken is liggende met syn masten seylen taeckelingen anckers cabels cordagie ende alle de andere gereetschappen tot het voors. schip in eenige manieren belangende oft toebehoirende genaempt Sinte Peeter de Visscher alias de fortuyne groot omtrent hondert tsestich lasten...”[14]. Samen verkopen ze op 28 mei 1643 St. Christoffel en de Groote Jacht aan Jan van Boesdonck  die zich één dag later van het laatste ontdoet. Kopers zijn dan de kleermaker Jan Reers van Olffen en Cornelia van[den] Moeren die meteen hypothekeren. De akte spreekt ook nog van een huurder, een lijndraaier met de naam Hans, die tot St. Jansmis 1649 mocht blijven wonen aan 22 pond per jaar[15].

 

In 1659 huurde een zekere ‘Juffrou Boutens’ aan 102 gulden het huis dat voorzien was van drie schoorsteenpijpen[16].  Ik denk dat de Juffrouw Boutens in kwestie één van de gezusters Cathérina of Magdalena Boutens is.  We beschikken n.l. over het testament van de eerstgenoemde, genoteerd als 'geestelijke dochter' en we weten dat ze alles aan haar zuster Magdalena liet[17].  In 1667 en 1672 was minstens één van beiden er nog altijd.  De huurwaarde was wel al gezakt naar 84 gulden, d.w.z. onder het peil van de Cleyne Jacht[18]. In 1682 huurde een zekere Jan vanden Broeck van de erfgenamen van Jan van Holten (Olffen)[19]. Op 19 april 1683 draagt de stadhou­der na een openbare verkoop het huis over aan de voornaamste schuld­ei­sers: de kinderen van Jacques van Gryspere. Men schatte het huis toen op 1800 gulden[20].   In 1689 huurde Jan vanden Broeck.  Rond 1704-1708 huurde Jan Anthoni van Rossem, mis­schien gekend als de vettewarier Antonis van Rossen in 1700[21] wiens wedu­we, Maria Cautreels, het huis van de doch­ter van Isabella Jacoba van Gryspere kan kopen volgens akte van 8 augustus 1724[22].

 

De erfgename van Maria Cautreels was Elisabeth Belderbosch, gehuwd met Jan Possemiers. Dit echtpaar vinden we terug als bewoners, samen met hun zoon van 14 jaar in 1754. Jan Posse­miers was natiegast en er werd een kaarsenwinkel uitgebaat. Op de kamer woonde een meisje[23]. Op 23 augustus 1765 weet Elisa­beth, na de dood van haar man, het huis voor zichzelf te behouden.  Zij verdiende geld met een handel in potten[24].  In 1796 wonen er Jean Posseniers, 52, schrijver (griffier) van de Vrijdagmarkt, Joseph Cousyns, 70, weduwnaar en kleermaker, en Joanne Cousyns, naaister.  Waarde van het pand: 2000 gul­den[25].

 

In 1898 was er in het pand een wolwinkel[26].

 

                                                                          

 


 

[1] SAA, SR 1, f° 185 v°.  Merk ook nog volgende enigmatische clausule op: “... alsoe dat hi [Peeter Chase] in haer stede [daer]af staen[de] sal en[de] gheve[n] de huer daer af die sy daer af gheloest heeft...”.  Wordt hiermee bedoeld dat Alyt op het perceel nog een stede bleef bewonen?

[2] SAA, SR 32, f° 442 v° en  f° 465 v°; SR 43, f° 204 r°.

[3] SAA, V 1980, f° 82 r°; SR 44, f° 23 r°.

[4] In een rentenbrief van 18 april 1447 liet de begaard broeder Jan vanden Broecke Peter Broedeloes een rente afbetalen van 9 Rijnsgulden erfelijk die hij nog van Peter's vader, Adriaen Broedeloes had gekocht.  Men situeert het pand ‘De Jacht’ tussen Peter Broedeloes en Jan van Velthem: SAA, SR 39, f° 103 r°; SR 46, f° 234 v°, 417 r° en 418 r°; SR 48, f° 126 v°.

[5] SAA, SR 47, f° 144 r° - v° (is speciale katern uit 1470 n.s. dat in dit register van 1453 is geslopen).

[6] SAA, SR 102, f°  229 v°; SR 125, f° 40 r° - 41 r°.

[7] SAA, SR 184, f° 200 r° - v°; SR 193, f° 501 r° - 504 v°.

[8] SAA, SR 212, f° 144 r° - v°; SR 271, f° 183 r° - 184 r°.

[9] SAA, Cert 42, f° 480 r° - 482 v°; SR 369, f° 56 v° - 59 r°; SR 384, f° 308 r° - v°; SR 410, f° 424 r°.

[10] SAA, SR 425, f° 281 v° - 282 r°; SR 459, f° 134 r°.

[11] SAA, GA 4833, f° 32 r°; R 2181, f° 104 v°; R 2286 en 2213, f° 1 r°; R. 2317, 2237, 2350, f° 1 v°.

[12] SAA, SR 526, f° 125 r° - v°.

[13] SAA, SR 606, f° 25 r° - v°.

[14] SAA, SR 680, f° 48 r°, akte van 10 februari 1643.

[15] SAA, SR 680, f° 176 r° - 178 r°; f° 178 v°.

[16] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd.

[17] SAA, N 3790, f° 36 r° - v°.

[18] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, eerste wijk, nr. 142.

[19] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 29 r°, nr. 139.

[20] SAA, SR 902, f° 125 r° - 126 r°.

[21] SAA, GA 4832, f° 61 v°, nr. 139; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, eerste wijk, 2de kapitein, nr. 139; GA 4219.

[22] SAA, SR 1079, f° 27 r° - 28 r°, dit nadat Isabella Jacoba van Gryspere eigenaar was verklaard op 3 augustus 1724, na een arrest veroorzaakt door Johanna Francisco van Olffen in 1680 (SR 884, f° 238 v°; SR 1081, f° 196 r° - 197 r°).

[23] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 27, nr. 104.

[24] SAA, SR 1225, f° 306 v° - 307 v°; GA 4221 en 4224.

[25] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2475.

[26] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 8).