St. Christoffel of de Eland, Oude Koornmarkt 4

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Indien we er vanuit gaan dat tot ongeveer 1482 de huisnummers 6 tot 10 van de Oude Koornmarkt één geheel vormde dan kennen we één bewoner van de latere St. Christoffel uit 1397, n.l. Jan Vorspoel, een eigenaar rond 1407, Jan Spyc en één uit 1470 en 1478, Henric Loumans of Loemans.  Op 2 april 1453 (1454) is het Margarite sRoyen, weduwe Jan Loumans, die aan Henrick Janss. vande Ryt alias van Someren haar winkel vooraan in het huis, de opperkamer aan de straatzijde en de kelder verhuurd[1].  Men zegt ons dat op dat ogenblik Gheert Boel de schoenmaker nog huurder was.  Op 27 april bevestig haar zoon Henric Lou­mans deze akte.

 

Op 14 februari 1492 n.s. verkoopt Claus Staeck aan Cornelis van Bomberch de helft van “... eenen huyse met plaetsen...”, gesitueerd tussen het hoekhuis met de Hoogstraat en de Cleyn Jacht, de latere Swerten of Gulden Arent. De vroegere eigenaar was de weduwe van Henric Loemans die echter een schuld had t.o.v. Staeck. Al op 2 april 1493 n.s. verkoopt van Bomberch zijn helft aan Gielis Mussche[2]. Deze verkrijgt er van de testamentaire executeurs van Henric Loemans op 14 april de andere helft bij[3] en was ook eigenaar van de Grote en de Cleyn Jacht en de latere Swerten Arent op de Oude Koornmarkt en de Kriekboom, Hoogstraat 3. Bij een verdeling op 5 juli 1533 wordt St. Christoffel aan zijn oudste zoon Jan voor de som van 46 ponden toegekend[4]. Jan's zoon, weer een Gielis Mussche behoudt het tot 13 septem­ber 1546. Dan geeft hij, in de akte genoemd als ‘koopman van meede’ (een meekoper of samenkoper, een soort van makelaar), aan de koopman Willem vander Hoffstadt alias Boel, gehuwd met Katlyne Claes­sens, in erfe­lijk recht: “... Een huys genaemt sinte christof­fel, dwelck nu ter tyt twee wooningen zyn, met plaet­zen regenbacke halven borneputte dackhuyse oft camere...”, gesitu­eerd tussen St. Franciscus en de Gulden Arent. Achteraan grenst de Krie­kenboom van de Hoogstraat wiens water St. Christoffel moet afleiden. De kopers betalen een erfrente van 93 pond groten brabants per jaar[5]. Met de Kriekenboom komt het nog tot ruzies i.v.m. de parcellering die op 20 december 1578 door de kinde­ren van Willem Boel en Jacques le Pourre, eige­naar van de Kriekenboom, geregeld worden. Jacques le Pourre valt hierbij in kosten en met een strook grond van 6 voet breed aan St. Christoffel afstaan. Die dag worden zes kinde­ren van Willem Boel eige­naars[6]. Op 9 augustus 1579 verkoopt de oudste zoon, Augustijn, zijn zesde deel aan de lakenkoopman Daniel Haeck[7].

 

Het huis wordt in zijn geheel door David Haeck en de kinderen Boel verkocht op 23 augustus 1580 aan de zeemleerkoopman Aert Fabri en Stijnken Bitters voor 112 pond 10 schellingen bra­bants erfelijke rente. De beschrijving luidt als volgt: “... Eene groote huyssinghe met vloere ceucken neercamere plaetze diversche voor ende achtercameren solderen met diversche kelderen onder den selven huyse regenback halven borneput met eenen grooten steenen achterhuyse met kelders zoe wel onder de voors. achterhuyse als plaetze...”.  De toegankelijkheid van al die kelders, die zoals gezegd moesten dienen voor twee huizen, werd bevorderd door 2 kelderdeuren van elk twee voet diep waarvoor in totaal 2 groten aan de stad moesten betaald worden[8].

 

Volgens de cohieren van de jaren 1577-1586 werd St. Chri­stoffel in 1577 nog door de familie Boel voor het zeer ferme bedrag van 412 gulden per jaar verhuurd aan de kruidenier Loys Leerbils. Vanaf 1582 tot 1586 bewoonde de uit Tienen afkomsti­ge Aert Fabri zelf zijn pand. Vanaf 1583 noemt het volgens de cohieren 'De Gulden Elant'[9]. Op 17 juni 1586 laat Aert Fabri de koopman Marten della Faille het huis verkopen aan zijn dochter Sara Fabri en haar man Jan de Wale om zijn schulden t.o.v. haar af te betalen[10]. Op 17 augustus 1596 treedt Mer­ten della Faille weer op, maar nu in opdracht van zijn neef Jan de Wale, om het huis aan weer een zeemleerverkoper te doen gewor­den n.l. Andries Janssens en Dimpna Meeus[11]. Andries Janssens, lakenkoopman van beroep, heeft duidelijk iets gedaan met zijn huis want na wat geruzie komt het op 14 augustus 1598 tot een overeenkomst met zijn buurman apotheker Adriaen Beyerlincx, eigenaar van de Swerten Arent, i.v.m. een loeve die hij heeft en een loefke dat hij heeft afgebroken[12]. In 1617 voegt hij ook nog de Grote Jacht, Oude Koornmarkt 8, bij zijn patrimoni­um. De familie Janssens brengt het nog ver. Het is weer een Andries Janssens, zoon van hoger­genoem­de, die gehuwd was met Francina Haecx, koopman en schepen, en zijn broer Jan Jans­sens, rentmeester-generaal van Antwerpen, die op 28 mei 1643 het huis St. Christoffel en de Grote Jacht aan Jan van Boes­donck overdragen.  In het huwelijkscontract van zijn dochter Elisabeth met de zijdekoopman Abraham Hennekin d.d. 2 april 1644 vinden we dat Jan van Boesdonck op de Oude Koorn­markt woonde. Hij was van beroep zeemleerverkoper[13].  Ook het testa­ment van zijn echtgenote Magdalena Peeters d.d. 30 september 1656 situeert het woonhuis op de Oude Koornmarkt[14]

 

Ook als weduwnaar bewoonde Jan van Boesdonck St. Christoffel ook nog in 1659 zelf. De huur­waarde bedroeg toen 180 gulden en er waren zes schoor­steenpij­pen[15]. Waarschijn­lijk zal hij er dan ook zijn handel in huiden en afgeleide produkten (o.m. perkament) gedreven hebben. In 1657 moest hij een deel van zijn voorraden ter waarde van 11.425 gulden aan een schuldei­ser verkopen vanwege "... den quaden tydt, crancke neiringe ende overgeco­men verliesen...".  We beschikken ook nog over testamenten van hem opgemaakt op de Oude Koornmarkt uit 1662 waaruit blijkt dat hij ook een dienstbode had[16].  Op 4 maart 1664 wordt St. Christoffel door zijn kinderen voor 8300 gulden ver­kocht aan de chirurgijn Guilliam Wils en Maria Vervoort die meteen hypothe­keren voor 187 gulden 10 stuivers erfelijk[17]. G. Wils wordt wel degelijk weer als bewoner ge­sig­naleerd in het cohier van 1667 en 1672[18]. In 1682 en 1689 woont de 'weduwe Wils' er.  Daarna Franchoys Reyns, ijzerhandelaar, die ook op de Oude Koornmarkt 10 heeft gewoond[19]. Het is Peeter vande Cruys, die op 6 juni 1693 door de amman de nieuwe eigenaar wordt ver­klaard. Men schatte het pand toen op 5400 gulden[20]. Hij wordt ons gesignaleerd als hande­laar in kousen door de meerseniers in 1696 en 1700 en zijn weduwe komt voor in de cohieren van 1704 en 1708[21].  Bij het opma­ken van haar testa­ment op 8 december 1710 blijk zijn weduwe, Elisabeth Meyn­tiens, in de Elandt ziek in bed te liggen. Ze zit echter goed in de slappe was want ze heeft een dienstmaagd en kan royale legaten voor duizenden guldens doen[22]. Haar erfgenamen geven het huis in erfelijk recht aan Peeter's broer, Andreas vande Cruys, volgens akte d.d. 6 juni 1711[23]. Deze trouwde met Elisabet Meynders. Hun kleinkinderen verkopen het pand op 30 aril 1749 aan Philippus Herbrant en Catharina van Wyck voor 4667 gulden. De kopers hypothekeren meteen voor 2600 gul­den[24].

 

In 1754 kopen die er ook nog de Ackerman of Ploeghe bij. Ze bleven toch wonen in den Eland die de naam de 'Blouw Geyte' kreeg. Volgens de volkstelling was Philippus Herbrant hand­schoenmaker en zijn gezin bestond in 1754 verder nog uit zijn echtgenote, zijn twee dochtertjes van resp. 1 en 4 jaar en een dienstbode[25]. Bij de meerseniers was hij in 1768, 1773 en 1781 als handelaar in vellen gekend en in 1786 als handschoen­maker.  In uitvoering van het testament van Philippus, gewoon koopman genoemd, en Catharina d.d. 3 oktober 1781 opge­maakt in dit huis dat door hen op dat ogenblik werd bewoond wordt zijn zoon Jacobus Josep­hus op 11 juli 1789 de nieuwe eigenaar. Zijn moeder, Catharina van Wyck, bleef waarschijn­lijk het huis bewonen want haar testament van 4 februari 1790 spreekt over haar woonhuis op de Oude Koornmarkt. Ze hield er overigens op dat ogenblik twee 'dienstmaarten' op na. Voorzien in het testament van 1781 was dat één van de dochters, Catha­rina Maria Josepha, na de dood van haar vader ook nog zes maanden in het huis mocht blijven wonen zonder huur te beta­len. In beide akten staat volgende boeiende beschrij­ving van het interieur opgeno­men: “... Item ende daertoe alnog alle de camer behang­sels blaffons ende ingemaekte schilderyen, schab­ben, thoegen, comptoir inden winckel vastgemaekete kasse inden vloer agter ten winckel, hoekkasken ende oeuil de boeuf met toebehoorten in het cleyn camerken in de voors. huysinge de blouw gey­te...”[26]. Men schatte het pand toen op 10.000 gul­den. 

 

Na de dood van Philippus werd de zaak verdergezet door zijn weduwe en zijn zoon Jacques[27]. In 1796 zijn er volgende bewoners: Jacques Ebrand, 51, koopman, gehuwd met Claire Bosschaert, 50, en met als kinderen, Claire, 13; Catrine, 12 en Marie, onder 12 jaar.  Andere bewoners zijn Marie Antonio, 23 en huisperso­neel Catrina Lauwens, 30 en Cornielle Gevaerts, 25.  Waarde van het pand: 6000 gulden[28].

 

In 1898 bevond er zich in het pand een kaaswinkel[29].

 


 

[1] SAA, SR 1, f° 185 v°; V 1980, f° 82 r°; SR 47, f° 144 r° - v°; f° 232 v° en 242 v°; SR 93, f° 218 r° - v°. Merk op dat Margriete al weduwe was in 1445. Zij hadden een zoon die net als zijn vader Henric Loumans heette. Buren zijn Jacop Romans en Peter Broedeloes: zie SR 34, f° 118 r°; f° 125 r° en f° 140 r°.

[2] SAA, SR 100, f° 222 v°; SR 101, f° 265 r°.

[3] SAA, SR 111, f° 348 r° - v°.

[4] SAA, SR 184, f° 200 r° - v°.

[5] SAA, SR 221, f° 46 v° - 47 v°.

[6] SAA, SR 353, f° 132 r° - 133 r°; SR 354, f° 445 r° - 450 r°; f° 451 r° - 452 r°.

[7] SAA, SR 358, f° 516 v° - 517 r°.

[8] SAA, SR 360, f° 519 v° - 520 v°; T 167, f° 42 r°.

[9] SAA, GA 4833, f° 32 r°; R 2181, f° 105 r°; R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350, f° 1 r°.

[10] SAA, SR 386, f° 585 r° - v°.

[11] SAA, SR 420, f° 411 r° - v°.

[12] SAA, SR 430, f° 391 r° - v°.

[13] SAA, SR 680, f° 176 r° - 178 r°; N 3761 (1644), f° 133 r° - 134 r°. De totale bruidschat van Elisabeth bedroeg 3067 gulden 16 stuivers. Ze was de tweede vrouw van Abraham Hennekin die hiervoor met Josina Lemmens was gehuwd geweest (zie N 3761 (1644), f° 163 r°).  Hennekin moet ook een kleine reder ge­weest zijn want in 1667 verkoopt hij een fluitschip (N 3784, f° 53 r°). Op 7 augustus 1645 beklaagt van Boesdonck zich over een slechte partij zeemleer (zie N 3762, f° 192 r°).  De meerseniers namen Hans Boesdonck in 1636 in hun naamlijst op als handschoenmaker (GA 4215). Mogelijk verhuurde Van Boesdonck een deel van zijn huis.  Zo beschikken we over de boedel van Catharina de Vlieger die op 30 juni 1647 overleden is op de Oude Koornmarkt. Zij betaalde n.l. huur aan van Boesdonck: 120 gulden per jaar. Bron: N 3764, f° 44 r° - 47 r° (staat) en f° 71 r° - 74 r° (boedel). 

[14] SAA, N 3773, f° 99 r°.  Van Boesdonck staat als weduwnaar geno­teerd in akten van 23 en 30 juni 1657: N 3774, f° 91 r° en 189 r°.

[15] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­fo­lieerd.

[16] SAA, N 3774, f° 204 r° - 206 v°. Noteren we echter dat zijn zoon Nicolaes van Boesdonck dat jaar ook in de problemen zat met zijn huidenhandel en aan zijn crediteuren verkocht had: "... 31 wilde huyden, 91 banckhuyden, 2400 stucken parchemen­ten, een partye roode jeuchten, een partye grauw jeuchten, 448 meycaeseb, 191 frische caesen, 66 moscovi­sche huyden, een partye elants leder, 500 bandelierhuyden... ". Testamenten van Jan in zijn woonhuis opge­maakt van 12 september 1662: N 3779, f° 97 r° - v°; f° 171 r° en een regeling van een schuld van Nicolaes: f° 172 r° - v°.

[17] SAA, SR 789, f° 136 r° - v°. Van deze Guilleaume Wils weten we dat hij op 6 januari 1650 ene Joannes Sas in dienst nam die tegen kost en inwoon in zijn winkel werkte wat een merkwaardig licht laat schijnen op het beroep van chirurgyn: N. 3767, f° 159 r° - v°. In 1651 nam hij ene Philip Bunnens aan: N 3768, f° 207 r° - v°. Het reciprocque testament met zijn eerste echtgenote Brigitta Cognet d.d. 7/01/1651 situeert de woning al op de Oude Koornmarkt: N 3768, f° 219 r° - 220 r°.  De eigenlijke verkoopakte dateert van 14 februari 1664: N 3781, ongefolieerd blad tussen f° 191 v° en 192 r°.

[18] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier eerste wijk, nr. 140.

[19] GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 29 r°, nr. 137.  Giliiam Wils en zijn weduwe worden ons gesignaleerd als kre­mers in de naamlijsten van de meerseniers van resp. 1677 en 1681 (GA 4216 en 4217).

[20] SAA, SR 960, f° 154 r° - 155 r°.

[21] SAA, GA 4218 en 4219; GA 4832, f° 61 v°, nr. 137; R 2516, ongefolieerd, eerste wijk, tweede kapitein, nr. 137.

[22] SAA, N 662, ongefolieerd.

[23] SAA, SR 1031, f° 389 r° - 390 r°.

[24] SAA, SR 1168, f° 190 v° - 191 v°.

[25] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 27, nr. 102.

[26] SAA, SR 1302, f° 159 v° - 162 r°; N 967, ongefolieerd, akte nr. 144; RAA, N 1233, ongefolieerd, akte nr. 9.

[27] SAA, GA 4221, 4224, 4227, 4230, 4231, 4234, 4236, 4237, 4238, 4240.

[28] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 2476.

[29] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 4).