De Griffoen, Hoogstraat 37[1]

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Wanneer we bij Asaert (Huizen en gronden...) p. 80 zijn plan van het huizenblok Hoogstraat - Koornmarkt - Haagsteeg rond 1400 bekijken dan zien wij een nr. 34 met de naam de Moerboom, een nr. 35 dat naamloos is en via een gang uitgeeft op de Haagsteeg, een enorme witte vlek, en een huis nr. 36 dat in de Haagsteeg stond en in de loop van de XIVde eeuw werd afgebroken. In die witte vlek moeten minstens twee eigendommen gesitueerd worden: de Griffoen, die hoekhuis wordt Hoogstraat - Reyndersstraat, en de Halle van Armentières. Het zou toch wel wat eigenaardig zijn dat er een huis in de XIVde eeuw dat overigens als weef­huis zou hebben dienstgedaan wordt afgebroken om een straat te verbreden terwijl het volledig vrijstond.

 

Een eerste aanknopingspunt vormt een daagseel van 23 oktober 1416: “Jannes vanden Broeck der stad clerc dede dagen totten 1/2 van eenre huysingen metten plaetsen borneputte stallinge hove gronde en[de] met al datt[er] toebehoirt...”. Hij heeft slechts rechten op 1/6 en 1/18 in die 1/2.  Het pand heet wel degelijk de Griphoen en het wordt gesitueerd in de Hoogstraat naast het huis van Costen Coelputs.  Merkwaardig is dat hij op 18 juni 1417 de volledige Griphoen daagt en deze gesitueerd wordt tussen de huizing van Costen Coelput en de huizing van Jan van Veltham.

 

Verder is er een rentenbrief van 18 november 1424[2], waarbij  Jan vanden Broecke, een jaarlijkse erfe­lijke rente op dit eigendom schenkt aan de Heilige Geesttafel. In 1443 verbrandt waar­schijnlijk de Griffoen mee in de grote brand van de Hoogstraat, een gevolg van het feit dat de meeste huizen toen nog in hout waren. Op 23 januari 1459 o.s. (1460 n.s.) schenkt de nieuwe eigenaar(?) Jan de Bock een rente aan de Heilige Geesttafels[3].

 

Een merkwaardige akte is die van 19 april 1463[4] waarbij de Griffoen opgenomen wordt in de huwelijksvoorwaarden van Rom­bout vander Berct en Mechteld, natuurlijke dochter van Willem vande Werve en Katline van Coelputte, eigenaars van het Sa-razijshoofd twee huizen verder naar de Grote Markt toe. Be­lang­rijk is dat men bij de situering vermeldt dat het ach­teraan aangrenst aan het huizinge van Jan vanden Broeck wat erop wijst dat de eerst bekende eigenaar van de Griffoen blijkbaar al een deel van zijn perceel had afgesplitst vooral­eer de Griffoen te verkopen. Er bestond dus al een aparte entiteit op de Reyndersstraat tussen de acheruitgang van het erf van Costen van Berchem, de latere Halle van Armentières, en de Griffoen. Volgens de hogergenoemde huwelijksvoorwaarden bezit­ten de kinderen van Rombout vander Berct de helft van het huis en Mechteld de andere helft.

 

Op 7 april 1472 verkoopt de zoon van deze inmiddels overleden Rombout Jan vander Berct, woonachtig in Herentals, voor een erfrente van 4 pond groten per jaar aan Jacob van Leden, staafmaker “... Een huys[inge] met plaetsen... geh[eeten] tgriffoen, gest[aen] inde hoochstrate opten hoec vand[en] Reyneersstrate[n], tuss[chen] de selve Reyneerstrate ex u[n]a zuytw[aer]t, ende costens van berchem ex alt[er]a comen[de] achter oostwaert inde voirs. Reyneer­strate met noch eenen huyse, aender wedewen en[de] erfgenamen Jans vand[en] broecke erve...”[5]. De akte zegt verder dat de comparant het huis deels heeft verkregen na het overlijden van Amelbergen Vlegels zijn moeder en voor de andere helft na een verdeling met zijn broeders en zusters. Hieruit kunnen we dus afleiden dat Rom­bout vander Berct, vooraleer te huwen met Mechteld vande Werve, weduwnaar was van Amelbergen Vlegels die hem al kinde­ren had bezorgt en die dus in 1463 al hun helft bezaten. Melden we ook dat er in deze akte sprake is van een apart huis dat tussen het erf van de opvolgers van Jan vanden Broecke en de eigenlijke Griffoen in de Reyndersstraat moet gesitueerd worden. Deze situatie wordt ons bevestigd in een akte d.d. 20 januari 1480 n.s.[6] wanneer Jan van Leden een rente op zijn 'huysinge' verkoopt[7].

 

Op 4 september 1495 bekent Ridder en schepen Costen van Ber­chem dat hij aan Lysbette vander Manden, Anthonisdochter, en weduwe van Jacop vander Lyden, de staafmaker, verkocht heeft voor zestien pond groten brabants “... de helft ende tgebruyck vanden muere van zynre huysinge neffens ders voirs. wedewen huyse inde hoochstrate opten hoeck byde vlasmerct alhier gestaen, te wetene, van vore aende strate, tot omtrent drien­derticht oft vierendertich voeten achterwaert lanck, omme dien muer der selver wedewen, alsoe verre ende van onder tot boven gemeyn te zyne ende te blivene tallen dagen, en[de] dat de selve wedewen en[de] huer huys dat zy daer in meyningen is te settene dair inne ane en[de] op sal moegen varen metsen anc­ke[re]n ende tymmeren, gelyc dat behoort, ende men ane in en[de] op eenen gemeynen muer gewoenlic is van doene, en[de] dair toe oic hooger dan desen muer is moegen metsen en[de] tymmeren...”[8]. Er volgen dan nog een hele reeks voorwaarden i.v.m. het onderhoud van een loden goot, lichtschepping, enz... Feit is dat de weduwe blijkbaar plannen heeft om haar oude woning te veranderen door een grote woning en dat haar vroegere woning nog niet op die muur was gebouwd. P. Maclot leidt hieruit af dat de Griffoen tot dan toe nog grotendeels in hout moet geweest zijn en door een brandgang gescheiden was van het ‘Hof van Berchem’ dat wel in steen was[9]. Bovendien komen de bouwplannen van Lysbette grotendeels overeen met de afmetingen van het huidige gebouw.

 

Op 27 januari 1514 o.s. gaan Jacob de Rycke en zijn vrouw Clara van Leden, schoonzuster van Lysbette vander Manden, een lening aan op de Griffoen om het het op 9 februari daaropvol­gend aan te kopen. De beschrijving luidt als volgt: “... Een huysinge metter plaetsen borneputte met huyse acht[er] inde Reynerstrate aldaer gestaen...”[10]. In 1548[11] gaat de Griffoen door beërving over in de handen van hun vier kinderen en men ver­meldt dat de Griffoen twee derden van een borneput bezit. Die borneput moet gemeenschappelijk geweest zijn met die van het huis St. Christoffel, het fameuze ‘huysinge’ dat Jan vanden Broecke had behouden.

 

Op 19 mei 1548 verkopen de erfge­namen de Rycke aan de kruide­nier Jacob Boudaen de Griffoen die reeds op 31 december 1549 terug verkoopt aan de gebroeders Jacob, Medaert en Joos vander Moeren. Noteren we de beschrij­ving uit 1549: “Eene huysinghe genaempt den griffoen met plaetse en[de] twee derdendeelen van eenen borneputte met eenen huyse achter inde Reynerstrate gestaen geheeten tzelve huys den blauwen haen...”. Hier komt de naam ‘Blau­we Haen’ voor het achter­huis voor het eerst voor[12]. Ze verko­pen dit pand, duidelijk gesitueerd tussen St. Christoffel en de Griffoen op 16 december 1552 aan Jan Theyns, ‘schoteleir’ en zijn echt­genote[13]. De verbondenheid van die Blauwe Haen met zijn twee buren die er ooit één geheel mee vormden blijkt deels uit de beschrijving: “... Een huys metten gebruycke vand[en] borneputte...”, evenals uit een aantal speciale voorwaarden: gemeenschappelijke muren met de Griffoen, ver­plichting om zowel het water van St. Christoffel als van de Griffoen over zijn erf te laten lopen, en een paar bouwkundige items: “Item dat den solde[r] vanden zelven blauwen haen comen[de] over die voirs. huyse en[de] erve van[den] griffi­oen, nyet leege[r] en[de] den trap, insgelix comende over derve vand[en] voirs. griffioen, nyet voirder vuyte ter erven wairts van[den] zelven griffioen, respective en zal mogen gestelt oft gemaict worden, dan die beyde respective nu jege­woirdelicken gestelt en[de] gemaict zijn...”. Er is ook sprake over een blauwe pilaar die onder de scheidingsmuur mag gemetst worden maar hier komen we nog op terug.

 

Op 13 november 1553 verkopen de gebroeder vanden Moere aan de lakenkooplui Henricke Moons en Baptista Daniels de Griffoen: “Eene huysinghe... metten plaetskene een[en] derdendeele van een[en] borneputte...”. Met het ‘plaetskene’ paalt de Griffoen aan Sinte Christof­fel aan[14]. Dat men voorzienig was na al twee afsplitsingen blijkt uit de volgende voorwaarde: “... Dat de proprietaris vand[en] vs. huyse genae[m]pt den blauwen haen (dwelck alle dwater van dese huysinghe geheeten den griffoen (al weert dat de selve in twee oft meer deelen gespleten werde) teeuwigen dagen leyden moet) onder den balck daer oppe den achtermuur vand[en] selven blauwen haen gemetst is, mach doen stellen eenen pileer van eenen voet int Ronde, buyten der eerden opwaerts, op derve van des vs. huysinghe, en[de] oick den selven achtermuer (die telcker zyden gemeyn is) opvueren alsoe hooghe alst hem gelieft...”.

 

Op 8 oktober 1577 verdelen Henrick Moons en zijn echtgenote Anna Snellincx enerzijds, en Baptista Daniels en zijn kinde­ren anderzijds, een aantal eigendommen waaronder het hoekhuis Hoogstraat- Reyndersstraat aan de overzijde ‘De Vergulden Bot’ en het huis daarachter in de Reyndersstraat gestaan genaamd ‘De Grauwen Bot’, en de Griffoen, zodanig dat Daniels de Griffoen, “... Daer nu tet tyt vuythang[ende] is mechelen...”, krijgt[15]. Het bizarre is nu dat de akte zegt dat Moons de Griffoen, nu ‘Mechelen’ genoemd bewoonde en gebruikte terwijl de twee ‘Botten’ aan de overzijde juist door Daniels werden gebruikt. In 1579 verlaat Henrick Moons Mechelen om plaats te maken voor de weduwe van Hendrick van Roy. De huurwaarde wordt geschat op 236 gulden. In 1584 en 1585 zijn de erfgenamen van Baptis­ta Daniels eigenaars van Mechelen en huurt de lakenkoop­man Jan de Pape (een deel van) het pand. In 1586 huurt Hendrik Moons de Jonge[16].

 

Op 21 januari 1594 geven de Danielsen aan Henrick Moens de Jonge, wettige zoon van de voornoemden Henrick Moens en Anna Snellincx, en zelf gehuwd met Constantia Bonamoni, de Grif­foen/Mechelen in erfelijk recht. Er wordt gezegd dat de ‘nemers’ er al woonden[17]. Op 27 november 1642 overlijdt Con­stantia Bonamoni. Zij is dan al een rijke weduwe blijkens de inventaris van het goud en zilver die wordt opgemaakt op 12 januari 1643[18].

 

Op 4 maart 1643 erft Adriaen Moens, 'priester ende Licentiaat Inder Godtheyt', van zijn moeder Constantia Bonanomi “... Een huys metten gronde ende toebe­hoorten nu ter tyt twee wooningen synde genaemt Meche­len”[19]. In 1659 noemt men die twee woningen apart ‘Griffioen’, huur­waarde 120 gul­den, voorzien van vier schou­wen, gehuurd door de apotheker Peeter Wande­maecker, terwijl de weduwe Volders op de hoek in ‘Meche­len’ woont, huurwaarde 150 gulden en voorzien van drie schou­wen[20]. Deze weduwe Volders is de weduwe van de tijkkoopman Cornelis Vol­ders, lid van de meerseniers van de Hoogstraat in 1636, en we be­schikken over een testa­ment van haar dienstmaart Maeyken Fierens d.d. 4 septem­ber 1658[21].

 

Op 10 februari 1661 weet hogergenoemde Meester Peeter de Wanne­ma­ker, apotheker, samen met zijn vrouw Elisabeth Anthe­mus voor 4000 gulden “Eene huysinge nu ter tyt tot twee woon­ingen gebruyckt wordende met plaetse derdendeele vanden borne­putte gronde ende allen den toebehoirten eertyts genaempt den grif­foen daer nu ter tyt Mechelen vuythangt...”[22] te verwerven van E.H. Adriaen Moons, priester en zoon van Hendrik Moons en Constantia Bona­moni. De bewoners van de Griffoen en Meche­len blijven in 1667 dezelfden terwijl Peeter Wannemaker nog eens apart door de meerseniers wordt opgemerkt in 1677 en 1681.  In 1672 blijft Wannemaker in de Griffoen maar wordt Mechelen gehuurd door Adam van Diest[23]. In 1682 is Peeter Wanne­maker nog steeds bewoner van de Griff­oen maar moet Egidius Meert de belastin­gen van de bur­gerwacht voor Meche­len beta­len[24] en in de periode 1689-1708 wordt de Griffi­oen be­woond door Albertus de Keisgieter, vervolgens diens weduwe en tot slot Peeter van Spitdael en Meche­len door (de hoedenma­ker) Egidius Meert en al zeker in 1704 diens weduwe[25].

 

Dit zou erop kunnen wijzen dat Peeter de Wannema­ker en zijn vrouw overleden zijn en dit verklaart meteen waarom de amman in opdracht van leden van de familie Moens, aan wie de Wanne­maker nog renten moest betalen, op 14 oktober 1690 voor 6000 gulden Mechelen en de Griffoen aan Hendrik François en Con­stantia Moens, die bevoogd werden door Michiel Moens, openbaar doet verkopen[26].

 

Dat de Moensen tot de ‘high society’ waren opgeklommen blijkt wel als op 19 juli 1735 de panden verkocht worden voor 4481 gulden. Comparanten zijn de Jonkers Franciscus en Albertus vander Borght, zonen van Jonker Francisco vander Borght en Vrouwe Maria Anna Moens. Kopers zijn Egidius van Heurck en Maria Theresia Crugher[27]. Bij de Volkstelling van 1754 blijkt Egidius van Heurck als lakenkoopman samen met zijn echtgenote en een dienstmeisje op de hoek in Mechelen te huizen, ter­wijl de Griffoen verhuurd wordt aan Philips van Craesbeeck, die er samen met zijn vrouw, zijn dochtertje van één jaar en een dienstmeisje woont. Hij baat er een snuif- en garenwinkel uit en Jan Frans Ferret, snuifrasper van beroep, woonde mee in.  Volgens de meerseniers verkocht van Craesbeeck van 1765 tot 1773 thee in de Hoogstraat[28].

 

De erfgenamen van Egidius van Heurck verkopen op 1 april 1778 voor 6375 gulden aan Nicolaus Jorens of Joris en Cornelia Biemans die meteen voor 3000 gulden hypothekeren.  De weduwe van Nicolaus Joris werd in de straatnaamlijst van de meerse­niers opgenomen in 1781.  Zij handelde in katoen[29]. Hun zoon Cornelius komt in de jaren 1795 in slechte papieren en ver­koopt op 27 september 1796 zijn deel in de Griffoen en twee andere huizen voor 2315 gulden aan zijn stiefvader Adrianus Mortelmans, die volgens de meerseniers vanaf 1781 in de Hoog­straat bedrijvig was als handelaar in pluimen[30].

Volgens de volkstelling dat jaar was deze negociant 50 jaar en het pand, waarde 6000 gulden, werd tevens bewoond door There­sia Jorens, 19 jaar, en Cathe­rina Bastiaensens, 26.  In de rand vinden we de vermel­ding ‘bon fortune et bon pour loge­ment’[31].

 

In 1898 was er een café in het pand[32].


 

[1] We baseren ons wat betreft de geschiedenis van dit pand hoofdzakelijk op P. Maclot, “Archiefonderzoek”, in: Den Gulden Greffoen, de renovatie van een 500 jaar oud pand, dat ver­scheen als Bulletin van de Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek, jg. 1983, nr. 6, p. 2-25.

[2] Archief OCMW, HG 153, f° 62, art. 648.

[3] Archief OCMW, HG 153, f° 28 v°, art. 385.

[4] SAA, SR 65, f° 130 r°.

[5] SAA, SR 81, f° 256 v°.

[6] SAA, SR 95, f° 330 r°.

[7] Merken we op dat ik in deze akte zonder twijfel ‘huysinge’ kan lezen. Dit is een argument om de afkorting die een soort van sz is in de tekst van 1472 in te vullen als [inge]. Hier­mee moet ik de stelling van P. MACLOT inzake een omwisseling van terminologie betreffende de Griffoen voor en na 1495 tegenspreken alhoewel het in de lijn van de verwachting ligt dat het nieuwe stenen huis na 1495 groter zal geweest zijn.

[8] SAA, SR 108, f° 123 v° - 124 r°.

[9] P. Maclot, Op. cit., p. 10-11.

[10] SAA, SR 145, f° 182 r° en 312 r° - 313 r°.

[11] SAA, SR 232, f° 127 v°.

[12] SAA, SR 234, f° 120 r°.

[13] SAA, SR 245, f° 460 r° - v°.

[14] SAA, SR 246, f° 237 v°  - 238 r°.

[15] SAA, SR 348, f° 195 r°.

[16] SAA, GA 4833, f° 107 r°; R 2330, f° 5 v °; R 2221 en 2238, f° 1 r°; R 2498, f° 2 r°.

[17] SAA, SR 414, f° 284 v° - 285 v°.

[18] SAA, N. 1892, p. 9-11; gepubliceerd in: E. Duverger, Antwerpse kunstinventarissen uit de zeventiende eeuw, vol. 5, Brussel, 1991, p. 62-63 (nr. 1226).

[19] SAA, SR 676, f° 342 v° - 345 r°. Noteren we dat er in de familie een aantal invloedrijke personen zaten, o.m. worden in de akte de kinderen van wijlen Hendrick Moens, die schepene was te Antwerpen, opgenomen. Die Hendrick was overigens gehuwd met ene Maria Fourment. In essentie waren de Moensen vooral kooplui. Eén ervan, Marcus, liet zich via een volmacht vervan­gen omdat hij in Venetië woonde.

[20] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd.

[21] SAA, N 3790, f° 95 r° - v°; GA 4215.

[22] SAA, SR 763, f° 62 r° - 63 r°.

[23] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier van kapitein Wans, nr. 52 en 53.  We kennen een lakenkoopman in de Hoogstraat in 1677 en 1681 met de naam Abraham van Diest: GA 4216-17.

[24] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 v°.

[25] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd; GA 4832, f° 56 v°, nr. 51 en 52.  De meerseniers kennen in de Hoogstraat een Gillis Meerts, hoeden­maker van beroep, die werd opgenomen in hun register van 1696 en 1700 (GA 4218-19).

[26] SAA, SR 945, f° 160 r° - 161 r°.

[27] SAA, SR 1118, f° 466 v° - 468 r°. Moens is een B-fortuin en vander Borcht een A-fortuin in het werk van K. Degryse, De Antwerpse fortuinen....

[28] SAA, PK 2561 : Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 443, nr. 44 en 45; GA 4220-4221 en 4224.

[29] SAA, SR 1265, f° 165 r° - 168 v°.

[30] SAA, SR 1321, f° 170 r°; SR 1322, f° 421 v° - 422 r°; SR 1324, f° 154 r° - 155 r°. De Rooden Schilt op de Oude Koorn­markt was in deze transakties en arresten betrokken (zie aldaar).  GA 4227, 4230-31, 4234-35, 4237-38, 4240.

[31] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 250.

[32] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 37).