Geschiedenis van de Halle van Armentières, Hoogstraat 35

 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

1. De voorloper: Hof van Berchem, alias Halle van Hasselt, alias Halle van Nieukercken, alias Sarazijnshoofd

 

Wanneer we bij Asaert p. 80 zijn plan van het huizenblok Hoogstraat - Koornmarkt - Haagsteeg rond 1400 bekijken dan zien wij een nr. 34 met de naam de Moerboom, een nr. 35 dat naamloos is en via een gang uitgeeft op de Haagsteeg, een enorme witte vlek, en een huis nr. 36 dat in de Haagsteeg stond en in de loop van de XIVde eeuw werd afgebroken.  In die witte vlek moeten minstens twee eigendommen gesitueerd worden: de Griffoen, die hoekhuis wordt Hoogstraat - Reyndersstraat, en de Halle van Armentières.  De geschiedenis van de panden Noor­delijk van de Grifoen, die toch wel altijd als aparte entiteit herkenbaar is, is hoogst problematisch.  Er is daar ontstellend veel verbouwd en bepaalde eigenaars hebben een aantal panden als geheel gebruikt met alle naamsverwarring die dat met zich heeft meegebracht.  De naam 'Halle van Armentières' verwijst naar de kooplui van die stad die er in de XVIde eeuw (1533 - 1586) eigenaars van waren.  Bij hun aankoop van 1533 (cfr. infra) noemt men het pand 'Halle van Nyeukercken' dat vroeger 'Hof van Berchem' heette. In de wijkboeken is er evenwel in dezelfde Hoogstraat een 'Halle van Nyeukercken' die slechts een paar huizen verder naar de Grote Markt toe, n.l. Hoogstraat 27, gelegen is!  Om de zaak nog complexer te maken: in 1519 wordt datzelfde Hof van Berchem en het gaat duidelijk over de voorganger van de Halle, ook 'Sarasijnshoot' genoemd terwijl dit juist de naam is die men gaf in 1542 aan het pand Hoogstraat 31.  Zowel de Halle als het Sar­azijns­hoofd hebben dezelfde buurman: Chri­stoffel Stijnen, maar hij is telkens anders gesitueerd!

 

Hoe dan ook, we moeten de wortels van de de geschiedenis van de Halle van Armentières zoeken bij de stinkrijke adellijke familie van Berchem die in Antwerpen, vooral in de XVde eeuw maar ook daarna, een flinke vinger in de pap had.

 

Op basis van vergelijking van eigenaars van buurhuizen kom ik tot volgende akten die twijfelloos de voorloper van de Halle van Armentières behandelen, waarbij we wel moeten vermelden dat in 1443 zowat alle huizen van de Hoogstraat bij een brand werden verwoest.  Wat de periode daarvoor betreft verwijzen we naar de geschiedenis van het Sarazijnshoofd dat toen nog zeker tot tegen de Griffoen liep[i].

 

1) In akten van 16 juni 1449 en 6 september 1449 worden Costen van Berchem en Margriete van Coelput vermeld in akten rond een pand in de Hoogstraat, gesitueerd tussen Willem vande Werve en Janne vanden Broeke.  In de laatste akte verwerft Costen van Laureys de Coster een hof met een halve muur in de Haagsteeg gesitueerd tussen Jan vanden Broeke en Steven inde Gans, d.i. Steven van Oerle, waard van de Gans op de Oude Koornmarkt 38-40[ii].

 

2) Op 10 oktober 1450 is er een regeling tussen Heer Ridder Costen van Berchem en zijn vrouw Margriete van Coelputte.  Ze "... maken malcande[re]n haer huyssinge met hove stalle... geheeten de halle van hasselt gest[aen] en[de] gel[egen] inde hoechstrate tuss[en] willems vande werve ex u[n]a en[de] Jan[n]is[sen] vand[en] broecke ex alt[era]...".  J. vanden Broecke was de eigenaar van De Griffoen en Willem vande Werve, burgemeester in 1455, gehuwd met Katlyne van Coelputte, waren de eigenaars van wat we gemakkelijkheidshalve de voorloper van het 'echte' Sarazijnshoofd, Hoogstraat 31, zullen noemen[iii].

 

3) Op 22 augustus 1455 kopen Costen van Berchem van Laureys de Coster, draeyseler, en Lysbeth vanden Houte twee kamers in de Haagsteeg gesitueerd tussen Jan vanden Broecke en de uitgang van Costen van Berchem en Steven van Oerle, eigenaar en waard van de Gans op de Oude Koornmarkt 38.  De akte zegt dat Costen de hof achter die kamers gelegen al eerder van Laureys heeft gekocht en dat Laureys kamers en hof heeft gekocht van Wouter van Espemde. Costen zal op 15 december 1478 die twee kamers terug verkopen aan Robrecht vanden Beemde.  Op deze grond bevinden zich nu o.a. de huizen De Blauw Hinne en de Mostaertmolen, resp. Reyndersstraat 25 en 27[iv].

 

4) Op 8 april 1458 gebruikt Costen zijn huis als onderpand voor een rente ten behoeve van Diericke, natuurlijke dochter van Adam van Berchem die ook 'natuurlijk' was.  De beschrijving is een 'huysinge met plaetsen stallen gronde...'[v] . Costen staat niet alleen in voor die rente.  Er is ook nog Jan de Hertoge die zijn huizinge 'De Valck' in de Cammerstrate tussen de doorgang van Walraven Draecx en het eigendom van Jan van Ranst mee hypothekeert.  Het zal wel geen toeval zijn dat al de personen die in deze akte voorkomen en zo in elkaars buurt woonden tot het stadspatricaat mogen gerekend worden.  Op 23 mei 1477 verkoopt Costens zoon, ook een Costen, een rente 'op zyn huysinge met hove stallen plaetsen gronde...' gesitueerd tussen het Sarazijnshoofd en de Griffoen[vi].

 

5) We weten dat Costen van Berchem nog zeker in 1495 zelf eigenaar was van het 'Hof van Berchem' want hij verkoopt op 4 september 1495 een deel van zijn recht op de scheidingsmuur met de Griffoen aan de toenmalige eigenares Lysbette vander Manden, de weduwe van de staafmaker Jacob vander Lyden of van Leden[vii].

 

6) Op 23 mei 1503 verkoopt Costen van Berchem, ridder en voorzien van de titel 'borchgreve vander vueren' aan de rent­meesters van de stad ten behoeve van de stad "... den hoek van syne stallen achter syn huysinge metten vutgange inde Reyner­strate, gestaen den selven stal omtrent der Reynersstrate voors. welcken hoeck de stad sal moeghen afbreken, te wetene vanden ouden scheymuere gestaen tusschen den gemeynen ganck, ende des voors. h[er] costens hof, linirecht totter voors. stad huyse toe, dat de voors stad huyse toe dat de voors. stad aldaer van te voren hadde, comende den voers. hoeck aen den voers. ganck ex u[n]a ende des voers. h[er] costens erve vanden selven stalle ex altera...".  Volgende servituden zijn voorzien: Costen en zijn nakomelingen moeten altijd via de poort naar de Reyndersstraat kunnen gaan en ze behouden het recht om licht te hebben en water langs achter af te voeren[viii].  Deze akte is uiterst belangrijk om het ontstaan van de Pelgrimsstraat, die inderdaad achteraan loopt op de voormalige perceelscheiding tussen het Hof van Berchem en de hogergenoemde Grote Gans, in de jaren 1530 mogelijk te maken.

 

Volgens de stadsrekeningen uit de jaren 1530 bezat de stad inderdaad in de Reyndersstraat een huisje waarop jaarlijks een huur van 4 pond Brabant werd betaald.  Huurder was in 1531-32 ene Jan Vondermans.  In de stadsrekening van 1536-37 lezen we: "Item het huys in de reyne[r]strate mets dat daer duere een strate begonst is te make[n] [ende] is nie v[er]huert..."[ix].

 

7) Op 8 oktober 1518 verkoopt Ridder Adriaen van Berchem, zoon van de voorgenoemde Costen aan koopman Jan de Haro het pand dat zowel 'Hof van Berchem' als 'Tsarasynshoot' wordt genoemd gelegen tussen de Griffoen en het huis van Christoffel Sty­nen.  Het kan geenszins gaan om een fusie met hogergenoemd Sarazijnshoofd want dat had toen onder zijn eigen naam een andere eigenaar. Er is in de akte ook weer sprake van een gang die uitkomt in de Reyndersstraat. Jan de Haro geeft reeds op 3 december 1519 zijn eigendom aan Franciso de Ricaldi, ook koopman[x].

 

8) Volgens een procuratie opgemaakt in Madrid gaf deze laat­ste, gehuwd met Anna de Vaille, opdracht aan de Spaanse koop­man Peter Loupez om op 21 november 1528 het huis te verko­pen.

Koper is Marten Loupes, ook Spaans koopman, gehuwd met Quinti­ne Esplices.  Ook hij blijft niet bijzonder lang eigenaar: hij verkoopt op 18 februari 1533 n.s. het huis aan: Henricke Padieu, Willem Hacquelt, Jacob Balde, Meester Noel de Lannoy, Jan de Blonde, Anthonis de Lattre, Gregory de Beauffort en Niclause Boullen, die allen kooplui en drapeniers van Armen­tières waren en die het pand in het bijzijn van de rentmeester van hun stad Joos de Hardewijn ten behoeve van alle kooplui van Armentières aanschaffen voor 350 Pond Vlaams (= 2100 Car.g) eens en een erfrente van nog eens 300 Car.g. per jaar. Volgens de beschrijving was deze dure eigendom inderdaad uitgegroeid tot iets imposants: "... Een huysinge van vore tot acht[er] met poorte plaetse hove packhuysen gronde en[de] allen den toebehoor[ten] geheeten de halle van nyeukercken, en[de] dwelck thoff van berchem te heeten plach..." in de Hoogstraat gelegen tussen het huis van Cristoffel Stijnen en de Griffoen[xi].

 

 

2. Eindelijk een Halle van Armentières[xii]

 

De Halle van Armentières is tot aan de verkoop van 1586 effec­tief gebruikt geweest voor dat waartoe ze moest dienen: het opslaan en verhandelen van laken of textiel waarmee werd aangesloten op de typische activiteiten van de Hoogstraat.  Een deeltje werd in 1584 gehuurd door Adriaen vanden Bossche, sargiekoopman[xiii]. Aan de achterzijde, op de Pelgrimsstraat bevonden er zich diverse stallingen en een huis 'Het Blauw Peert' dat zeker in de jaren 1577 - 1586 verhuurd werd aan Jan Picquart, uitspan­nings­houder[xiv].

 

Velen onder de kooplui van Amentières waren echter gerefor­meerden en waren financieel betrokken bij de bouw van een Clavinistische tempel op het einde van 1566, het jaar van de beeldenstorm.  Aldus hadden zij zich in de ogen van het Katho­lieke bewind dat na de kapitulatie van Antwerpen terug de plak zwaaide, onmogelijk gemaakt.  Het is daarom dat op 15 november 1586 Guillaume le Grand, oud- kapi­tein, en Josse vander Plaet­ten in opdracht van de kooplui en drapeniers van Armentières met goedkeuring van hun baljuw en schepen het pand verkopen aan de gebroeders Niclaes, Hans en Peeter Rampart.  De be­schrijving luidt nu: "... Une maison et halle située et gisen­te en ceste[dite] ville en la hoochstraet ansy quelle se comprend et extend p[rese]ntement, avecq les edifices jardin et aultres appartenances ensemble la maison demeure et estable scituée sur le derriere d'icelle halle que a occupe [par]cyde­vant Jehan picanet [bedoeld is Picquart], la[dite] maison et halle vulgairement no[m]mee la halle dar­mentieres tenant dune coste a la maison et heritage nom[m]ee malines [Mechelen was de nieuwe naam voor de Grif­foen], daul­tre coste a la maison et heritage de la petite teste sarrazine et p[ar[ deriere a la rue des pelerins..."[xv] . Het cohier van 1586 maakt ons duide­lijk dat Niclaes Rampaert het huis onmiddellijk is gaan bewo­nen[xvi].

 

De gebroeders Rampaert waren telgen uit een Brussels kooplie­dengeslacht.  Zij hadden verwanten die woonden in 'De Grooten Witten Arend' in de Reyndersstraat.  Rond 1610 sterft Hans Rampaert en al zijn eigendommen komen in de handen van zijn broer Peeter die op 4 juli 1616 in Brussel overlijdt.  Deze laatste liet alles na aan zijn neef Arnout, de zoon van de derde broer Niclaes.  Op 13 oktober 1623 laten de schepenen van Antwerpen weten dat deze Arnout Rampaert aan Simon de Heuvel verkocht heeft "... Een huysinghe ende halle met hove gronde ende alle syne toebe­hoor­ten gestaen ende ghelegen inde hooch­strate alhier met oock de huysinge ende stalle achter de voors. huysinghe ende hove ghestaen van outs ghe­naempt de halle van Armentiers tusschen de huysinghe gehee­ten Mechelen aen deen syde ende de huysinghe ghenaempt het cleyn sarasyns­hooft aen dander syde comende achter mete voors. huysinge ende stalle inde pelgromstrate..."[xvii] . De akte zegt expliciet dat er in de Pelgrimsstraat twee huurders zijn die tot het einde van de overeenkomst mogen blijven wonen.  Georges Troupin[xviii] heeft daar aan het huisnum­mer Pelgrimsstraat 32 een straatkelder vastgesteld met een ingang in de kelder van Pelgrimsstraat 30.

 

Gillis de Heuvel, zoon van Simon en zijn echtgenote Catherina Pelgroms, bekent op 12 maart 1649 aan zijn broer Peeter de Heuvel, koopman, de 'Halle van Armentières' verkocht te heb­ben. In de beschrijving is er één wijziging: "... commende achter mette voirs. huysinge ende stalle nu tot twee wooningen gebruyckt wordende vuyte inde Pelgrimstraete..."[xix].

 

In 1659 zou de Halle van Armentières, huurwaarde 400 gulden, en voorzien van 9 schoorsteenpijpen, bewoond zijn geweest door de koopman Roelant Hassincx. In de Pelgrimsstraat komt moge­lijk één huis in aanmerking: n.l. een huis voorzien van slechts één schoorsteenpijp, huurwaarde 48 gulden, gehuurd door ene Jan de Winter (zie ook Hoogstraat 27)[xx]. In 1667 staat de Halle, met als eigenaar een mijn­heer de Heuvel leeg. In de Pelgrimsstraat vinden we:

- een huis van 36 gulden, gehuurd door Jan van Houten

- een huis van 54 gulden, gehuurd door Andries Bom

- een huis, huurwaarde 37 gulden, bewoond nu door Peeter de Winter[xxi].

 

In 1672 huurde Gerard Bouwens de halle aan een huurwaarde van 500 gulden.  Zijn weduwe was als lid van de meerseniers woonachtig in de Hoogstraat in 1677 en 1681.  Zij handelde in laken.

In de Pelgrimsstraat bewonen Jan van Houten een huis van 42 gulden en Peeter de Winter een huis van 40 gulden[xxii]

 

In 1682 vinden we als huurder van de Halle in de Hoogstraat de kruidenier Jan Jacob Scheppers, als lid van de meerseniers ook wonende in de Hoogstraat in 1696 en 1700. Men schat de huurwaarde op 450 gul­den. In de Pelgrimsstraat kunnen we met zekerheid twee huizen toewijzen aan de Halle van Armentières: gezien vanaf de Oude Koornmarkt naar de Reyndersstraat toe krijgen we een woning, huurwaarde 36 gulden, bewoond door Jan van Houten, en een woning van 42 gulden bewoond door de mandenmaker Adriaen (H)Allebos, door de meerseniers gesitueerd in de Reyndersstraat van 1677 tot 1700[xxiii].

 

Wat betreft de periode 1689 tot 1708 beschikken we over volgende namen:

Wat de Hoogstraat betreft werd het huis bewoond door Jan Jacob Scheipers (zeker tot 1704), Joannes Ignatius van Diepenbeeck en Jan Carel van Heurck.

Wat de Pelgrimsstraat betreft woonde in het huis van 36 gulden achtereenvolgens Jan Van Houten, (Jan) Baptista Hurson (1704), Jacob Hurson, Hendrick Schapenborch en Peter van Rijn; in dat van 42 gulden huurden Adriaen Albos en zeker vanaf 1704 Jan de Vos[xxiv].

 

Ondertussen was het eigendom in de handen gebleven van de Familie de Heuvel. Op 22 september 1734 verkopen Jonker Joan Joseph de Heuvel, Heer van Calfenne, zijn echtgenote, en verschillende andere leden van de familie het pand voor 11.000 gulden aan de koopman Joan Stephano Grigis en zijn echtgenote Barbara Francisca Muytinckx[xxv]. Volgens de telling van 1754 woonde hij er samen met zijn dochter van 30, een knecht en een dienstmaagd[xxvi]. Zijn zoon, de koopman Joan Steffano, ons door de meerseniers opgegeven als bewoner van de Hoogstraat van 1765 tot 1781, verwerft het bij de verdeling van zijn erfenis op 24 juni 1756[xxvii]. Na diens dood verkopen zijn broer en twee zusters het volgens akte d.d. 24 maart 1786 voor 12.152 gulden aan Joannes Franciscus de Beu­nie. De beschrijving is sumier gehouden: "... eene groote schoone huysinge met differente beneden ende bovencamers, hove, plaetse, packhuys,..."[xxviii].

 

Op 3 juli 1793 verkoopt de Beunie, inmiddels oud-schepen, het pand voor 14.500 gulden aan Joannes Bernardus Leopoldus Mu­schen, koopman, en Maria Carolina Joanna Versluysen. De kopers hypothe­keren meteen voor 450 gulden erfelijk per jaar ten penning 20[xxix]. Hun twee kinderen, Henriette Françoise en Marie-Anne-Thérèse weten de Halle op 10 augustus 1830 aan de familie Guillaume Kempeneers-van Regemortel te verkopen voor 26.000 gulden die er ook gaan wonen. Hun jongste zoon, Gustave Albert Kempeneers, advokaat, was 23 jaar beheerder van de Academie voor Schone Kunsten. Hij sterft op 14 oktober 1889 nadat het pand met een oppervlakte van 789 m2 na een verkoop op 30 januari 1889 voor 77.000 BF verkocht wordt aan de architekt Henri Krekel. Het huis Pelgrimsstraat 28, oppervlakte 42 m2, werd toen apart toegewezen aan Mevrouw De Bel-Deckers voor 6900 BF[xxx]

 

In 1898 bevond er zich op de Halle van Armentières een groot café met feestzaal.  Dit sluit ook niet uit dat de kelders werden gebruikt door wijnhandel Nihoul-Meugens uit de Hoogstraat 21. In de woning op de Pelgrimsstraat 28 was een dokterskabinet[xxxi].


 

[i] SAA, PK 101, f° 10 r°: Kroniek van Vincent Verhoeven"Seer Oude Geschiedenissen tot Antwerpen voorgevallen (van 870 tot 1543)", Antwerpen, 1583. Zie: P. MACLOT, 'Archiefonderzoek', in: Den Gulden Greffoen, de renovatie van een 500 jaar oud pand, (= Bulletin van de Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek, jg. 1983, p. 2 - 25.

[ii] SAA, SR 41, f° 285 v° en 317 r°.

[iii] P. MACLOT, Op.cit., p. 6;  SAA, SR 43, f° 359 r°; S.R. 49, f° 26 r°; F. PRIMS, Geschiedenis van Antwerpen, dl. IV, Brussel, 1980, p. 134.

[iv] SAA, SR 50, f° 252 v°; SR 94, f° 241 r°.  Zie ook: I. DERYCKE, Drie panden aan de hoek Reyndersstraat-Pelgrimsstraat... in: 10 jaar De Vagant.  Tentoonstelling van historische documenten..., Antwerpen, 1995, p. 5-15.

[v] SAA, SR 55, f° 155 r°.

[vi] SAA, SR 91, f° 14 v°.

[vii] SAA, SR 108, f° 123 v° - 124 r°. Zie P. MACLOT, Op. cit., p. 8 - 11. De schrijfster is van mening dat we uit die tekst kunnen afleiden dat de het huis van Costen reeds grotendeels in steen was terwijl de Griffoen nog een houten bovenbouw had en door een brandgang van de latere Halle v. Armentières gescheiden was.

[viii] SAA, SR 123, f° 282 v°.

[ix] SAA, R 8, f° 28 v°; R 9, f° 54 v°.

[x] SAA, SR 153, f° 21 v°; SR 155, f° 280 r°.

[xi] SAA, SR 173, f° 341 r° - v°; SR 182, f° 177 r° - 178 r°.

[xii] Een groot deel van wat nu volgt kan men lezen in: [A. THIJS] Recueil des Bulletins de la Propriété, jg. XXI (1889), p. 23 en 26 - 30.

[xiii] SAA, GA 4833, f° 107 r°.

[xiv] SAA, GA 4833, f° 34 v°; R 2181, f° 100 v°, R 2286, 2213, 2317, 2237, 2350 telkens f° 5 r°.

[xv] SAA, SR 386, f° 51 r° - v°.

[xvi] SAA, R 2498, f° 2 v°.

[xvii] SAA, SR 557, f° 409 v° - 411 v°. Zie ook de bijlagen bij 'De Ooievaar' op de Oude Koornmarkt betreffende de familie de Heuvel.

[xviii] Ambtenaar bij de Stad Antwerpen.

[xix] SAA, SR 707, f° 94 r° - v°.

[xx] SAA, N 3776, f° 4 r°; R 2502 : Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­folieerd.

[xxi] SAA; R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­folieerd.

[xxii] SAA, GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 51; cohier eerste wijk nr. 172 en 173; GA 4216-17.

[xxiii] SAA, GA 4831 : Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 30 r°, nr. 168 en 169; f° 56 v°, nr. 50; GA 4216-19.

[xxiv] SAA, GA 4832, f° 135 v°, nr. 50 en f° 63 r°, nr. 168 en 169; R 2516 : Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd.

[xxv] SAA, SR 1113, f° 112 v° - 114 r°.

[xxvi]  SAA, PK. 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 443, nr. 43.

[xxvii] SAA, SR 1198, f° 257 r° - 258 v°; GA 4220-21, 4224 °n 4227.

[xxviii] SAA, SR 1292, f° 12 v° - 14 r°.

[xxix] SAA, SR 1316, f° 271 r° - 272 r°.

[xxx] A. THYS, Recueil des Bulletins de la Propriété, (1889), p. 23 - 30.

[xxxi] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. Hoogstraat 35 en Pelgrimsstraat 28); brochure firma Nihoul-Meugens, s.l.n.d. [na 1907].