Het  Groot Sarazijnshoofd, Hoogstraat 31[1] 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Wanneer we bij Asaert (Huizen en gronden...) p. 80 zijn plan van het huizenblok Hoogstraat - Koornmarkt - Haagsteeg rond 1400 bekijken dan zien wij een nr. 34 met de naam de Moerboom, een nr. 35 dat naamloos is en via een gang uitgeeft op de Haagsteeg, een enorme witte vlek, en een huis nr. 36 dat in de Haagsteeg stond en in de loop van de XIVde eeuw werd afgebroken. In die witte vlek moeten minstens twee eigendommen gesitueerd worden: de Griffoen, die hoekhuis wordt Hoogstraat - Reyndersstraat, en de Halle van Armentičres, Hoogstraat 35. In de huidige stand van het onderzoek zou ik onder het Asaert's nummer 35 het ‘Sar­azijns­hoofd’ willen situeren.  Merken we op dat er wat betreft namen men aan die kant van de Hoogstraat voorzichtig moet zijn.  Zo heeft de ‘Halle van Armentičres’ ooit ook 'Sarazijnshoofd' geheten hoewel het duidelijk een ander pand was.  Het Cleyn Sarazijns­hoofd, Hoogstraat 33, is m.i. daarvan afgesplitst alhoewel zekerheid hierover ontbreekt.

 

De benaming Sarazijnshoofd heeft alles te maken met de familie van Berchem die in ons verhaal zal opduiken.  In hun wapen staat er boven de helm een gebaarde figuur met een muts die in de heraldiek als ‘Sarazijns hoofd’ wordt betiteld.  Ook hun huis in Hoboken kreeg die naam[2].

 

De eerste eigenaar die als buurman van de Moerboom (nu Hoog­straat 25-29) wordt opgegeven is de cantor van het kapittel van de O.-L.-Vrouwekerk Heer Rogier Daen.  We vinden hem in een document van 13 februari 1388 en in een schepenbrief van 3 augustus 1396[3].  Een daagseel van 1399 vermeldt ene Juffrouw van Coel­putte, daagselen van 1416, 1417 en 1423 spreken over resp. het huis, de huizing en het erf van Costen Coelput[4].  Bijzonder belangrijk is ook een akte van 21/02/1424 n.s. waarbij Costen Coelputte aan de vertegenwoordigers van de Hasseltse lakenhandelaars het gebruik toestaat van de vloeren en de meetkamer, de zolders, borneput, enz... alsook toestaat dat er gelogeerd wordt.  Men zegt dat het wel degelijk over de woning van Costen gaat en men situeert deze naast De Grif­foen.  De Hasseltse kooplui behouden overigens hun eigen banken om laken over te leggen die ze al een tijdje zouden gebruikt hebben[5].

 

Met Costen Coelput(te) bevinden we ons bij het Antwerp­se toppatriciaat.  Hij zetelde regelmatig in de schepenbank (1426, 1429, 1431, 1432 (burgemeester), 1434, 1435).  Hij was gehuwd met Maria Boods, een dochter van Ridder Peter Bode.  Samen hadden ze twee dochters, Katli­ne, die in 1437 huwde met Willem vande Werve, en Margrie­te[6].

 

Op 23 mei 1461 werden de eigendommen van Willem vande Werve en Katline van Coelputte verdeeld, wellicht naar aanleiding van het overlijden van Willem.  Katline behield voor zichzelf naast een hele reeks eigendommen in Kontich, Mortsel, Edegem, Hemiksem en Hoboken “... Een huysinge met plaetse hove gr[on­de] en[de] met al datter toebehoort gestaen inde hoechstrate tussen Costens van Berchem huysinge aen deen zide en[de] Wouter Pots huysinge geheeten tpoortken aen dander zyde...”[7]. De akte stipuleert verder dat Katline in principe gedurende de rest van haar leven haar door deze akte verkregen eigendommen niet mag verdelen of verkopen behalve juist het pand in de Hoog­straat. 

Commentaar: ‘De huysinghe van Costen van Berchem’ is ook gekend als het ‘Hof van Berchem’, een aanzienlijke eigendom die de huidige Halle van Armentičres en een reeks bijgebouwen en percelen aan de Pelgrimsstraat en de Reyndersstraat omvat­te[8].

 

Op 14 juni 1465 gaat Katline dan ook over tot de verkoop. Voor een erfrente van 32 gouden Leeuwen per jaar wordt Ridder Olivier vander Maelstede van Everingen de nieuwe eigenaar[9]. Deze adelsborst verkocht zijn eigendom alweer op 4 juni 1469 aan koopman Aerde Janssone[10].  In een akte van 23 mei 1477 over de latere ‘Halle van Armentičres’ duikt in de situering voor het eerst de naam ‘Tsharasynshoot’ op[11].  Ridder Costen van Berchem had ondertussen het eigendom genaast en was daardoor eigenaar geworden van zowel het ‘Sar­azijnshoofd’ als de latere ‘Halle’, dat dus al geruime tijd familiebezit was; dit geeft een mogelijke verklaring voor de naamsverwarring die kort daarna zal ontstaan.  Op 14 oktober 1478 verkoopt zijn zoon Ridder Willem van Berchem aan Michiel Knobbaert: “Een huysinge van vo[r]e tot achter metten hove... met oic zyn vrye gebruyck te heb­ben[e] in en[de] ane den ganck, daer achter ane en[de] vut comende met eener poir­ten inde haechstede [bedoeld wordt haechsteghe = Reynders­straat], gelyc den ande[re]n die dien oic mede gebruyckende zijn[de], gestaen en[de] gel[egen] inde hoochstrate tusschen thuys geh[eten] tsarazijns hoot, den voirs. h[er] willeme aldaer noch toebeho[r]ende ex una, en[de] jacop pots huysinge en[de] erve geh[eten] den moerboom ex alt[er]a...”[12].  Op 14 november 1478 hypotheceert Michiel Knob­baert zijn huis met een rente van 2 Brabantse ponden per jaar[13].

 

In de loop van de volgende decennia gebeurt er een opsplit­sing: op 18 juni 1490 verkoopt Michiel Knobbaert een rente van 6 pond “op zijn huysinge metter plaetssen hove... gestaen inde hoochstrate tusschen thuys geheeten tsarasyns hoot [bedoeld is nog steeds de latere Halle van Armentičres] ex u[n]a en[de] des voors. Michiels ande[r] nyeu huys en[de] poorte ex alt[er]a comen[de] acht[er] aende erve vanden lyndworme...”[14]. Op 16 februari 1494 verwerft Michiel Knob­baert ook nog een stuk erf van de Moerboom (zie aldaar)[15].

 

In 1501 ondergaat zowel huis als bijhuis een aantal ingewik­kelde transakties die zich als volgt laten samenvatten.

Claus vander Heyden had van Michiel Knobbaert de helft van het geheel gekocht maar blijkbaar niet betaald. Er volgt een openbare verkoop en op 5 en 7 juni geeft Jan van Boechout, dienaar van de Corte Roede aan Claus toch de helft omdat hij het hoogste geboden heeft. Op 18 december 1501 verkopen Claus en een reeks erfgenamen van Michiel Knobbaert waaronder Mees­ter Jan Knobbaert voor de andere helft aan Jan van Papenvelt, koopman “... Een huysinge van vo[r]e tot achter mette[n] hove... met noch eenen cleyne[n] huyse neffens de voers. huysinge gesaen en[de] gelegen inde hoochstrate tusschen he[r]en willems van berchem ridders erve vo[r]e en[de] h[eren] costens van berchem syn broeders erve achter aen deen syde, en[de] de huysinge geheete[n] den moerboom ex altera...”[16]. Prijs: 27 Pond groten brabants per jaar. In één van de akten lezen we van een medepandschap met het huis daarnaast dat toebehoort aan de erfgenamen van Jan Vileyns en dit is de Moerboom.

 

Jan van Papenvelt blijft maar tot 4 februari 1512 n.s. eige­naar en verkoopt de hele boel dan aan Ridder Rombout van Wachtendonc[17]. Die verkoopt alweer op 14 januari 1516 n.s. aan een zeer illuster persoon: “Baptisten de Tassis postmees­te[r] ons[er] aldergened[ichst]en he[r]e des keysers” die 31 Pond 10 schellingen groten brabants in erfrente moet beta­len[18]. Op 19 maart 1543 n.s. verkoopt zijn weduwe Vrouwe Cristyne van Wachtendonck, samen met hun kinderen Franchoys de Tassis, de nieuwe postmeester, en Margriete de Tassis, gehuwd met Charles Boisot, voor honderden Car.g. per jaar erfrenten op hun “... huysinge mett[en] plaetssen achterhuyse hove... tsarasynshoot met noch den cleynen huyse daer neffens gele­gen..." gesitueerd in de Hoogstraat tussen de eigendommen van Fernando Bernoye (Ferdinand de Bernuy) in de richting van de Merct, en het huis van Christoffel Stynen in de richting van St. Janspoort, ... comen[de] acht[er] vute met eenre poorten inde nyeuv pelgrom­strate”[19].

 

Opmerkingen

 

- De comparanten verbinden niet alleen het Sarazijnshoofd maar ook nog verschillende andere eigendommen o.m. het huis ‘Cleyn Brandenborch’ aan de Botermarkt en verschillende eigen­dommen in Hemiksem als onderpand.

- De kopers van de renten zijn o.m. de drukker Willem Vorster­man, wijntavernier Pauwels Smonincx en zijn vrouw Clara Vor­sterman, en Sebastiaen Gheens, viskoopman.

- Ik heb problemen met die buurman ‘Christoffel Stynen’die ook in een akte van 1518 over de Halle van Armentičres aan te treffen is als buurman. Het moet hier gaan over de toenma­lige eigenaar van het latere Cleyn Sarazynshoofd, dat waar­schijnlijk o.i.v. de van Berchems ergens kort daarvoor moet zijn afgespleten van de Halle van Armentičres.

- De gang naar de Reyndersstraat is vervangen door een poort op de zopas getrokken Pelgrimsstraat.

 

Op 14 juli 1558 verkoopt Jan de Fraye, zoon van wijlen Henrick de Fraye, in opdracht van:

1) Vrouwe Christina van Wachtendonck, weduwe van Ridder Jan Baptista de Taxis, postmeester van de keizer,

2) Ridder Leonardo de Taxis, postmeester van de koning van Spanje,

3) Meester Jacob Maes, lid van de Staten van Brabant en voogd over Aleidis de Taxis,

4) Vrouwe Margriete de Taxis, weduwe van Ridder Meester Char­les Boisot, 'raidt van State',

5) Marie de Taxis, weduwe van Meester Daniel vanden Berghe, lid van de Staten van Vlaanderen, e.v.a. leden van de familie de Taxis,

voor een erfrente van 750 Car.g. per jaar aan Aerdt de Laet, lakenkoopman, en Katline van Schorenborch: “Eenen huysinge genaempt tsarazynshooft met noch eenen huyse daer neffens oostwairts gestaen dwelck nu ter tyt een backerye is, met poorte ghange coecken[e] achterhuysinghe borneputte reegen­backe plaetse hove..., gestaen ende gelegen al neffens een ende by malckanderen inde hoochstrate alhier tusschen de huyse ende erve ghenaempt de halle van nyeukercke ex una oostwairts, ende thuys ende erve geheeten nu ter tyt tcleyn sarazynshooft ex altera westwairts, comende achte[r] zuytwairts vuyte met eenre poorten ende stalle inde pelgromstrate alhier...”[20]. Op basis van de beschrijving kan men afleiden dat in de koop ook het huis de Moerboom inbegrepen zou zijn. De akte voorziet ook een clausule ten voordele van de huidige huurder die echter niet met name wordt genoemd.

 

De kinderen van Aerdt de Laet en Katline van Schorenborch als groep verkopen op 8 juli 1580 voor meer dan 1000 Car.g. erfe­lijke rente aan Catherina Clercx, weduwe van Jan Sniders, die als tussenpersoon op­treedt voor de twee oudste zonen: Jan de Laet, gehuwd met Johanna Sniders, en Denys de Laet, het Groot Sar­azijnshoofd dat, wegens allerlei veranderingen vooral ook aan de kant van de Pelgrimsstraat zeer uitgebreid beschreven wordt, samen met de Moerboom: “Eene groote huysinge geheeten tgroot sarazynshooft metten winckele oft packhuyse plaetse twee pompen wesende deen eenen borneputte ende dandere eenen regenback pompe ceucken neffens de voors. plaetsse eene groote neercamere eene stove oft camer daerneffens met noch eene plaetse wasch coeckene coeckene diversche kelderen commende onder de voors. huysing[e] van vorne tot achtere diversche hangende ende oppercameren gronde ende allen den toebehoorten gestaen ende gelegen inde hoochstrate alhier tusschen tcleyn sarazynshooft aen deen syde ende tnabescreven huys genaempt nu ter tyt den moerboom aen dander syde, commen[de] achte[r] aen het naergenaempt middelhuys, item noch een huys gestaen inde voors. hoochstrate neffens de voors. groote huysinge tsara­synshooft genae[m]pt geheeten dit huys nu ter tyt soo voors. is de moerboom met winckele voirceuckene plaetse pompe achter­ceuckene kelderen onder tvoors. huys ende wasch ende coeck ceuckene vande vs. groote huysinge tsarasynshooft gen[aempt] diversche hange en[de] oppercameren solders gronde ende toebe­hoorten gelegen tusschen thuys genae[m]pt den eenhoren aen deen syde ende de vs. huysinge tsarasyns[hooft] genae[m]pt aen dander syde. Item noch twee nieuwe huysen voor inde pel­grom­strate gestaen elck met eenen winckele ceuckene plaetse pompe kelde­ren opper ende hangende camers commen[de] boven de nabe­screven ganck solders van welcken twee huysen deen huys een ovenbuere* heeft gronde en[de] toebehoor­ten tusschen de nabe­screven poort[e] ende ganck commende onder deene vanden vs. twee huysen aen deen zyde ende de huysinge van[de] ooster­lingen aen dander syde ende daertoe noch de vs. poorte inde vs. pelgromstr gelegen metten gange hove packhuy­sen plaetse neercamere coeckene stove comptoire plaetse over de ceuckene halven borneputt[e] regen­backe kelderen diversche oppercameren gronde en[de] allen den toebehoorte[n] tusschen eensdeels de voorge­noempten twee voor huysen, ende eensdeels de vs. huysin­ge vanden oisterlingen aen deen zyde, en[de] de erve vander halle[n] van armentiers aen dandere zyde...”[21]. De tekst zegt nog eens expliciet dat hun ouders het lege erf aan de achter­kant bebouwd hebben.  Om de toegankelijkheid van het hele keldercomplex te optimaliseren was er een keldertrap van 2 voet diep waarvoor 4 groten cijns per jaar werden betaald[22].

 

Bekijken we nu even de cohieren uit de periode 1577 - 1586.

Aan de Hoogstraat maakte men in 1579 onderscheid tussen drie panden die allemaal van Aert of Jan en Denys de Laet waren:

- De Moerboom, huurwaarde 82 gulden, bewoond door Jan Vorster­man, kousenmaker van beroep, in 1584 en 1585 door Meester Jan Passchier en Joos vander Plaeten, lakenverkopers, in 1586 (huurwaarde 36 gulden) door Jeremias Persoons.

- Het Groot Sarazijnshoofd, huurwaarde 80 gulden, oorspronke­lijk bewoond door Aert de Laet en in 1579 door Jonker Jaspar vander Heyen. Dit pand komt niet voor in de cohieren van 1584 en 1585.

- ‘Een voirhuys’ (van het Groot Sarazijnshoofd), huurwaarde 300 gulden, dat door resp. Hans (1579) en Jan en Denys de Laet (1584 - 1586) wordt bewoond. Denys was kapitein van de wijk.

In de Pelgrimsstraat vinden we tussen het pakhuis van De Cluyse en het achterhuis van de Halle van Armentičres:

- een huis van 60 gulden, gehuurd in 1577 door de makelaar Jan vander Solen, vanaf kerstmis 1582 tot 1584 door Jan Bulteau, makelaar van Doornik, alhoewel men in 1583 eventjes de naam van Jacobus Paradys, bereider, laat vallen; in 1585 en 1586 staat het leeg.

- een huis van 72 gulden, in 1577 gehuurd door lijnwatier Gillis van Schelstraete, in 1582 door Jan vander Solen, in 1583 en 1584 door Jan Bulteau alhoewel het ‘Register inhouden­de de huysen...’ uit 1584 spreekt over de timmerman Carel de Backer ; in 1585 staat het leeg; in 1586 huurt Fransois vanden Berghe

- Het ‘Register...’ vermeldt in 1584 als laatste ook nog een poortgebouw maar dat stond leeg[23].

 

Om de sociale status van de familie de Laet nog eens extra te onder­lijnen valt de verkoop van nog een statig herenhuis, ‘De Ooievaar’ nu ‘Nieywport’genoemd, gelegen in de Engelse Beurs en met de achterzijde op de Kleine Goddaert aan ene François Bisschop te vermelden. We weten ook dat de gebroeders de Laet het Groot Sarazijnshoofd effectief bewoond hebben terwijl de Moerboom door hen werd verhuurd: in 1584 vermeldt het register inhoudende de huysen[24]: “Int groot Sarasynshooft”: “Jan de Laet lakencoopere selve bewoonen[de] met Denys de Laet zijn broeder lieutenant van dese quartiere”. “Inden Moerboom”: “als vore”, gehuurd door “Jan Pasquar lakencooper”.

 

De macht van deze familie moet aanzienlijk gedaald zijn toen het Calvinstische stadsbestuur, waar Denys, kapitein zijnde aan moet verknocht geweest zijn, kort daarna moest opkrassen. Op 5 en 6 augustus 1592 werden na openbare verkopen wegens wanbetaling van renten, hun eigendommen door de stadhouder in de handen van nieuwe eigenaars gegeven in twee loten: de huizen in de Hoogstraat werden losgekoppeld van de huizen in de Pelgrimsstraat maar de huizen in de Hoogstraat behielden wel hun achteruitgang door een poort in de Pelgrimsstraat. Andries Mertens, lakenkoopman, verwierf de huizen in de Hoog­straat rechtstreeks van de stadhouder voor een erfrente van 100 Pond 10 schellingen Brabants[25]. Vervolgens werden de hui­zen in de Pelgrimsstraat voor een erfrente van 19 Brabantse ponden aan Andries Mertens doorverkocht.

 

In zijn testament van 26 mei 1594 liet Andries Mertens alles na aan zijn echtgenote Elisabeth Kathelynens en die verkoopt op 22 november 1608 alles aan haar zoon Jan Mertens die het beroep van zijn vader heeft overgenomen[26]. Op 28 januari 1654 verde­len de kinderen van Jan Mertens en Catherina Hencssens de erfenis zodanig dat de zoon: Charles Aurelius Martens, eige­naar wordt van het geheel[27].

 

Volgens het cohier van 1659 waren er nog steeds twee huizen in de Hoogstraat. Van de Grote Markt naar de Reyndersstraat toe had men resp.:

- een huis, huurwaarde 108 gulden, voorzien van 2 schoorsteen­pijpen en gehuurd door Marten Mennens

- Carel Aurelius Mertens bewoonde het pand van 200 gulden, voorzien van 12 schoorsteenpijpen.

In de Pelgrimsstraat worden er vier huizen opgenomen: van de Oude Koornmarkt naar de Reyndersstraat toe zijn dat:

- eeh huis, huurwaarde 36 gulden, voorzien van twee schoor­steenpijpen, bewoond door Jan van Wesemael

- een huis, huurwaarde 84 gulden, ook met twee schouwen, gehuurd door Adriaen Verspecken

- een huis, huurwaarde 42 gulden, met twee schouwen, gehuurd door Peeter Thomas

- een huis, huurwaarde 48 gulden, met één schoorsteenpijp, gehuurd door de weduwe Vermoulen[28].

Het is niet zeker of al die huizen wel aan het Groot Sarazijnshoofd moeten toegewezen worden. Mogelijk behoort het laatste tot de Halle van Armentičres. Anderzijds is het niet uit te sluiten dat we ook met een paar woningen in de gang te maken hebben die niet op de gronden van het Sarazijnshoofd zelf gelegen zijn.

 

Meer twijfels over al die huizen in de Pelgrimsstraat krijgen we als we de verkoopakte van 15 december 1664 moeten citeren. Op die dag geeft de stadhouder van de amman aan koopman en oud- aalmoezenier Guillielmo Lunden die de voornaamste schuld­eiser is het pand: “Eene groote huysinge metten plaetse hove gronde [ende] allen den toebehoirten gen[aempt] het groot Sarasynshooft, metten huyse daer neffens gestaen ende gelegen inde hooch­straete alhier, wtcomende met eender poorten in[de] pelgrims­trate aldaer, ende noch twee huysen oock metten gronde ende toebehoirten gestaen ende gelegen neffens malcanderen inde voors. pelgrimstrate, neffens de voors. poorte oft wtganck van[den] voors. huysinge gen[aempt] als voore t'groot Sara­synshooft...”[29]. Dezelfde beschrijving komt terug op 27 juni 1665 als Guillielmo Lunden het pand voor 6000 gulden en een erfrente van 1125 Car.g. erfelijk (in totaal dus 24.000 gulden) doorgeeft aan de zijdekoopman Jan Verdonck en zijn echtgenote Margriete opde Laey.  De meerseniers signaleren hem in 1677 en 1681 in de Hoogstraat[30].

 

Volgens het cohier van 1667 moeten we volgende woningen en bewoners vermelden:

In de Hoogstraat:

- een huis van 90 gulden, bewoond door de weduwe Putgou

- een huis van 300 gulden, door Jan Verdonck zelf bewoond.

In de Pelgrimsstraat:

- een huis van 39 gulden bewoond door Daniel Diepmans, een kleermaker die ook nog aan de overkant gewoond heeft

- een huis van 150 gulden gehuurd door Martinus Heckelbout[31].

 

In 1672 worden ons volgende bewoners opgegeven:

In de Hoogstraat:

- een huis van 84 gulden, bewoond door Jacob Verhulst

- een huis van 260 gulden, bewoond door Jan Verdonck zelf

In de Pelgrimsstraat:

- een huis van 72 gulden, bewoond door Daniel Diepmans

- een huis van 150 gulden, bewoond door Peeter Heckelbout[32]

 

In 1682 krijgen we volgende gegevens:

In de Hoogstraat:

- een huis van 90 gulden, bewoond door de weduwe van Paes­schen, lid van de meerseniers en als woonachtig in de Hoog­straat aangewezen in 1681 en 1696[33]

- een huis van 300 gulden, bewoond door Jan Verdonck zelf

In de Pelgrimsstraat:

- een huis van 48 gulden, gehuurd door Peeter Campiaert

- een huis van 42 gulden, gehuurd door Jan Batt[ist]a Beeck­mans

- een huis van 150 gulden, gehuurd door Anna Fruyteniers[34]

 

In jaren 1689 tot 1708 tot slot:

In de Hoogstraat:

- een huis van 90 gulden, bewoond door de weduwe van Paesschen

- een huis van 300 gulden, eerst bewoond door Jan Verdonck, kaarsengieter en zeker vanaf 1704 door Peeter Verschilden

In de Pelgrimsstraat:

- een huis van 48 gulden: Peeter Campioen, Anna Cammes, Jan Baptist Beeckmans, Clara Maria Nestelroy, in 1704 de weduwe Maessluys, Jan Cannu en rond 1708 leeg;

- een huis van 42 gulden: Jan Baptista Beeckmans, in 1704 Susanna Maria Janssens, Jan de Wilde, Reynier Taech en in 1708 mogelijk gehuurd door de Juffrouw vanden Broeck;

- een huis van 150 gulden: Geeraert Charlier, Philippus Verdonck, Heer van Stegen, Balthasar Guilliam Heirincx en met in 1704 en 1708 de verwijzing Peeter Verschil­den in de Hoog­straat[35].

 

Op 7 februari 1692, na het overlijden van Jan Verdonck en Margriete Opdelaey doet één van de kinderen: Jan Francisco Verdonck, koopman, afstand van zijn rechten ten voordele van de drie andere: Philippo, Jan Paulo en Anna Maria Verdonck.

Op 8 november van datzelfde jaar doet ook Jan Paulo afstand van zijn rechten ten voordele van Anne Marie[36]. Op 22 mei 1694 verkopen Anne Marie en Cornelia le Felon, erfgename van Phi­lippus Verdonck, vanwege een schuld van 12.000 gulden die Philippus had een Meester Eduard Emptinck, het pand voor 15.560 gulden aan lakenkoopman Peeter, of modieuzer: Pedro Verschilden en Catherina Charles of Charlé die daarmee van huurders tot eigenaars evolueren[37].  Hun enige zoon en erfge­naam, E.H. Pedro Verschilden, priester en kanunnik van de St. Jacobskerk verkoopt het Groot Sarazijnshoofd met ales erop en eraan aan de koopman Emanuel Joseph Mertens en Joanna du Bois. De koopsom bedraagt 12.300 gulden, d.i. 11.000 voor de huizen (2 in de Hoogstraat, poort en 2 huizen in de Pelgrimsstraat), en 1300 gulden voor “ciraeten ende emblissementen, soo van spigels, schilderyen als anderssints inden selven huyse synde ende existerende...”[38].  Wij schrijven 21 november 1742.

 

Bewoners in 1754 waren toch niet de eigenaars:

Het Groot Sarazijnshoofd werd bewoond door de weduwe van Jan Baptista van Heuvel, Anna Maria en Isabella van Doren, alle drie lakenverkoopsters, die er twee meisjes dienstpersoneel op nahielden[39].

 

Bij een verdeling d.d. 4 december 1779 wordt voor de som van 15.000 gulden Emanuel Petrus Hiacinthus Mertens, gehuwd met Theresia Barbara Catharina Le Grelle eigenaar van het com­plex[40]. En dezen hebben er waarschijnlijk wel gewoond: Emmanu­el Petrus Mer­tens was bij de meerseniers als koopman in de Hoogstraat bekend van 1781 tot 1792[41].

 

In 1898 noteert Gervais op zijn plan voor dit pand ‘negoci­ant’.  Dit sluit zeker niet uit dat de kelders door wijnhandel Nihoul-Meugens, Hoogstraat 21, werden gebruikt[42].

           


 

[1] Ik heb mij wat betreft het onderzoek rond dit pand gedeelte­lijk kunnen baseren op een aantal nota's van Jan Van Damme waarvoor mijn oprechte dank.

[2] R. Corremans, “Het huis het Sarazijns Hoofd te Hoboken”, in: Antwerpen, tijdschrift der Stad Antwerpen, jg. XXXIII (1987), nr. 3, p. 115-119.

[3] F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 3, Antwerpen, 1977, p. 389; SAA, SR 2, f° 109 r°.

[4] SAA, V 1980, f° 45 v°; V 1981, f° 12 r°, 14 v° en 37 v°.

[5] SAA, Charters, Chronologisch Supplement.  Kopie van deze tekst is afgedrukt in F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 4, Antwerpen, 1980, afbeelding 579.

[6] SAA, SR 23, f° 118 v° en f° 119 r°.

[7] SAA, SR 61, f° 61 r° - 62 v°.

[8]..Voor meer details dienaangaande zie: I. Derycke, “Het ont­staan van de Pelgrimsstraat”, in: Cornelis Floris. Jaarboek 1992, p. 92 en 93; I. Derycke, “Drie panden aan de Hoek Reyn­dersstraat-Pelgrimsstraat”. In: 10 Jaar de Vagant, catalogus, Antwerpen, 1995, p. 9 en 10.

[9] SAA, SR 69, f° 51 r°.

[10] SAA, SR 76, f° 26 r°.

[11] SAA, SR 91, f° 14 v°.

[12] SAA, SR 93, f° 211 v° - 212 r°.

[13] SAA, SR 93, f° 191 r°.

[14] SAA, SR 97, f° 25 v°.

[15] SAA, SR 103, f° 148 r° - v°.

[16] SAA, SR 120, f° 57 r° - v°; 57 v°; 15 v°; 279 v°.

[17] SAA, SR 140, f° 131 r°.

[18] SAA, SR 148, f° 285 v° - 286 r°.

[19] SAA, SR 206, f° 324 r° - 326 v°.

[20] SAA, SR 268, f° 360 r° - 369 r°.

     *bakoven

[21] SAA, SR 361, f° 557 v° - 559 r°.

[22] SAA, T 167, f° 12 v°.

[23] SAA, GA 4833, f° 34 v° en 107 r°; R 2330, f° 4 v° - 5 r°; R 2221, f° 1 v°; R 2181, f° 100 v°; 2286 en 2213, f° 5 r°; 2317; 2237; 2350 f° 5 r° - v°; R 2498, f° 2 v° - 3 r°.

[24] SAA, GA 4833, f° 107 r° - v°.

[25] SAA, SR 405, f° 70 r° - 71 r° en 71 r° - 72 r°.

[26] SAA, SR 473, f° 123 v° - 124 r°. Het is merkwaardig dat in de twee laatst vermelde akten de naam ‘Moerboom’ niet voorkomt en dat men beschrijvingen overneemt die behalve wat de achterzij­de betreft, erg lijken op die van 1542.

[27] SAA, SR 732, f° 114 r° - v°.

[28] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­folieerd.

[29] SAA, SR 784, f° 21 r° - 22 v°.

[30] SAA, SR 792, f° 67 v° - 68 v°; GA 4216-17.

[31] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[32] SAA, GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 48 en 49; cohier eerste wijk, nr. 170 en 171.

[33] SAA, GA 4217-18.

[34] SAA, GA.4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 v°, nr. 47 - 48; f° 29 v°, nr. 165 - 167.

[35] SAA, GA 4832, f° 135 v°, nr. 47 en 48; f° 63 r°, nr. 165 tot 167; R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd.

[36] SAA, SR 956, f° 300 r° - 302 r°; f° 396 v° - 398 v°. Deze akten worden voorafgegaan op 5 oktober 1688 door een verkoops­verbod op het pand. Men mag alleen verkopen als er met de weduwe en de erfgenamen van Jan Verschilden een overeenkmst is gesloten. Op 3 oktober 1691 verklaart Helena de Vliegher, de bewuste weduwe, voldaan te zijn en casseert zij het verbod. Bronnen: SR 934, f° 118 r° - v°; SR 949, f° 156 r°.

[37] SAA, SR 966, f° 167 r° - 168 r°.

[38] SAA, SR 1145, f° 424 v° - 425 r°.

[39] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 443, nr. 40 en 41.

[40] SAA, SR 1266, f° 422 r° - 423 r°.

[41] SAA, GA 4227, 4230-31, 4234-35, 4237.

[42] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 31); brochure firma Nihoul-Meugens, s.l.n.d. [na 1907].