De huizen tussen de Lintworm en het Groot Sarazijnshoofd: Hoogstraat 25 - 29

1. De gemeenschappelijke voorgeschiedenis tot 1584
2. De Walvisch, Hoogstraat 25
3. De Halle van Nieuwkercke, Hoogstraat 27
4. Den Eenhoren, Hoogstraat 29
Boedel van Jan Hugo, eigenaar van de Walvisch en groothandelaar in laken en carseye, 1649

 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

1. De gemeenschappelijke voorgeschiedenis tot 1584

 

De huizen waarover het hier gaat hebben een langdurige gemeenschappelijke voorgeschiedenis gekent en zijn bovendien in de loop van de XVIde eeuw voortdurend van naam veranderd. Grosso-modo kennen we nu volgende panden:

nr. 25: Walvisch

nr. 27: Halle van Nieukercke

nr. 29: Eenhoorn

Tot in het begin van de XVIde eeuw noemde men het geheel ook wel de Moerboom maar die naam werd wat later gegeven aan een bijhuis van het Groot Sarazijnshoofd, Hoogstraat 31. De naam ‘Halle van Nieukercke’ werd in het begin van de XVIde eeuw ook gegeven aan de latere ‘Halle van Armentières’, Hoogstraat 35!  We zullen de benaming ‘Moerboom’ gebruiken bij het beschrijven van de voorgeschiede­nis van dit pand maar ook de naam ‘Poertken’ komt voor in enkele akten.

 

Zo vinden we bij Prims de vermelding van een akte d.d. 13 februari 1388 n.s. waarbij Jan Zymaer aan Paridaen Daen te erve geeft een huis geheeten den Moerboom gesitueerd tussen het huis van cantor Rogier Daen en de huizing van Jan van der Elst[1].  In 1399 laat Wouter vanden Broeck dit huis dagen en op 30 april 1423 doet Claus vander Elst hetzelfde.  Deze was al een tijdje eigenaar van de latere Lintworm, Hoogstraat 23, zodanig dat een vereniging en een herparcellering niet uit te sluiten zijn.  In een rentenbrief uit 1431 lezen we dat Claus twee huizen in de Hoogstaat bezit die gesitueerd worden tussen de Bonte Coe (Hoogstraat 21) en het eigendom van Costen van Coelputte (Hoogstraat 31: het Groot Sarazijnshoofd)[2].  Hij geeft dit huis in erfelijk recht aan Wouter Pot op 30 juni 1444 en de beschrijving situeert het tussen Costen van Coelputte en Willem Douwe. Er is een achteruitgang naar de Haagsteeg[3]

 

Op 22 april 1449 ruilt Wouter Pot met zijn broer Jacob het huis, dat dan beschreven staat als de Moerboom, en gesitueerd wordt tussen het huis van Willem Douwen en dat van Costen van Coelputte[4].

 

Merkwaardig is dan dat op 3 augustus 1450 Jacop Pot aan zijn broer Wouter zijn huis 'tPoortken' met alle inboedel verkoopt.  Het wordt gesitueerd tussen Willem vande Werve en Willem Douwe en het komt uit aan de achterkant met een gemene gang in de Reynderssteeg[5].

 

In een tekst uit 1461 over het Sarazijnshoofd wordt het buurhuis naar de Oude Koornmarkt benoemd, nog een beetje ouderwets weliswaar, als zijnde ‘Wouter Pots huysinge geheeten tpoortken’, in 1465 en 1469 is dit pand dan van Jacop Pot, die we ook van de Bonte Coe en de Lintworm kennen en hij en zijn echtgenote Gheertruyt Reynier laten volgens akte d.d. 19 oktober 1479 vastleggen dat de helft van het huis na de dood van Jacob aan broeders Jacob van Borssele en Lambrecht Cree­mers van het St.- Salvatorsgodshuis moeten overgedragen worden.  Noteren we de beschrijving: “... de helft vanden huyse metter helft vanden cleynen huysken[s] vanden gange plaetse hove gr. et pts...” gesitueerd tussen de eigendommen van Jan Chermoeys en Michiel Knobbaert[6]

 

Tussen 1486 en 1500 vormde de Moerboom min of meer een eenheid met de Lintworm en zelfs met de Bonte Coe omdat dezelfde familie Vileyn of Vilain ook deze panden bezat.

Op 16 februari 1494 n.s. geeft Marie van Ieteghem, weduwe van Jan Vileyn, samen met de voogden van haar kinderen, in erfe­lijk recht aan Michiel Knobbaert, eigenaar van het Groot Sarazijnshoofd, “... Een stuck erven.... inde erve vander huysinge geheeten den moerboom die nu afgebroken is...”, gesitueerd naast het Groot Sarazijnshoofd[7]. We vernemen dat Jan Vileyn de Moerboom op 19 augustus 1484 van het Godshuis van St. Salvator (De Pieter Pot Stichting) heeft verworven.

 

Op 14 december 1500 verkoopt de familie de Lintworm aan Thomas Grammaye. Een kleine drie jaar later, op 17 november 1503 verkoopt Marie Vilain, gehuwd met Godevaert Houtappel, en de voogden van haar zuster Jehanne Vilain aan niemand minder dan de toenmalige amman Gheerd vanden Werve: “... Een huysinge metten cleynen huyse voir metten plaetsen, hove, stallen, halven borneput­te fundo et pert. geheeten den Moerboom...”, gesitueerd in de Hoogstraat tussen het Groot Sarzijnshoofd en de Lintworm en met een achteruitgang via een gemene gang naar de Reynders­straat toe[8]. Deze uitgang is twijfelloos de gang waar ook de panden de Halle van Armentières en het Groot Sarazijnshoofd in de Hoogstraat, en de Cluyse, de Ooievaar, de Pelgrim, de Kevye en de Grote Gans aan de Oude Koornmarkt gebruik van maakten en die gedeeltelijk zal gebruikt worden om er de Pelgrimsstraat op te trekken.

 

Op 7 november 1523 verkoopt Geert vande Werve, inmiddels ridder en schepen geworden, aan de welbekende Spaanse koopman Fernando de Bernuy: “... Een huysinge metten cleynen huyse voere plaets­sen stalle halven borneputte metten achterhuyskene ende plaetssen achter den stal alsoe groot ende cleyne als partyen malcande­ren dat bewesen ende beteekent hebben, aldaer de selve fernan­do op zynen cost ter stont schuldich sal zyn te maken eenen dweerschen muer anderhalven steen dicke ende welcke muer gemeyn zyn sal ende bliven tallen daghen, behoude­lic dien dat soe wanneer de voers. h[eer] gheert ant sui opten voers. muer sal willen metssen oft tymmeren dat hy dat (beta­lende de helft vanden selven muer) sal moegen doen nader stadt recht van Antwerpen cum fundo et pert. geheeten den Moer­boom...”, gesitueerd in de Hoogstraat tussen de Lintworm en het Groot Sarazijnshoofd, en achteraan aangrenzend aan de Cluyse[9].

 

Deze tekst lokt twee opmerkingen uit:

1) Fernando de Bernuy bezat de Lintworm al enige jaren en hij of zijn zoon heeft met enige zekerheid weer enige herparcelle­ring doorge­voerd, zoals blijkt in 1562 wanneer zijn zoon de Lintworm verkoopt en deze gesitueerd wordt naast het pand dat hij behoudt “ende vande voirs. huyse geheeten de lindtworm gespleten zynde, ende dat Joris Deyns nu ter tyt in huere is gebruyckende ende daeraff de mueren tusschen beyde staende insgelicx gemeyn zyn halff ende halff...” tot aan de stal van de Lintworm[10].

2) Geert vande Werve blijft, zoals de slotformule ook nog eens duidelijk stelt: “... met meer andere parcheelen van erven daer af gespleten zynde ende die hy behouden blyft...”, eigenaar van een stukje van de Moerboom dat hij door de Bernuy door een muur laat afscheiden. Over dit stukje heb ik nooit meer iets gevonden maar we kunnen het toch proberen te situe­ren: het is niet aan de voorkant want men situeert wat ver­kocht is tussen het Sarazijnshoofd en de Lintworm, dus moet het aan de achterkant zijn, maar daar geeft men als buurman de Cluyse aan. Wat overblijft is een heel beperkte ruimte die via de gemene gang uitgaf op de Reyndersstraat. Deze gemene gang komt in de beschrijving van het verkochte niet meer voor! is het dan mogelijk dat dit het perceeltje grond is dat volgens de beginselverklaring tot het trekken van de Pelgrimsstraat (zie de tekst over het ontstaan) reeds door de stad was verworven?

 

Op 19 november 1573 verkrijgt Geeraert Grammaye de huizen van Fernando de Bernuy wanneer diens goederen worden geconfis­ceerd. Op 3 september 1575 verkoopt Grammaye de huizen aan Jan Jacomo Scharamutza. Op 10 april 1579 verkoopt de amman ze aan Jan Pieters die optreedt voor de kinderen van Fernando de Bernuy: Ferdinando, Anna, Catharina en Elisabeth de Bernuy. Op 12 november 1582 verkoopt hij in hun opdracht de Walvisch aan David Meircant, koopman uit Avesnes.

 

Op 14 december 1582 worden de twee andere huizen verkocht door diezelfde Jan Pieters: lakenkoopman Arnoulde Boudewyns, ook wel Aerde van Belicom genoemd, ver­werft aldus “Een huysinghe metten winckele, cameren, kelderen, halven borneputte, pompe, regenbacke, plaetsse... den Eenhoorn...”, gesitueerd tussen de Moerboom (dit is dus het bijhuis van het Groot Sarazijnshoofd) en de Halle van Nieuw­kercke. Men meldt ons dat Anthoni Boots het pand huurt. Deze laatste koopt op zijn beurt “... Den huys[ing]e metten wincke­le, cameren, kelderen, borneputte.... de Halle van Nyeukercke...” aanpalende aan de Eenhoorn en de Walvis en op dat ogenblik gehuurd door Olivier vanden Meer­sche[11]. Al deze verko­pen worden, gezien de dubieuze situatie van de verkopers, bevestigd bij ammansgoedenis d.d. 14 januari 1584 en nog eens door de erfgenamen van Fernado de Bernuy op 25 oktober 1613[12].

 

Vooraleer de huizen apart te bespreken geven we nog even de mogelijke bewoners voor de periode 1579 - 1585/86:

Voor de Walvisch, huurwaarde 200 gulden, is dat Wouter Reyns, volgens de cohieren van 1579 tot 1585, volgens het ‘Register houdende huysen’ stond het in 1584 leeg.

In de Halle van Nieukercke, huurwaarde 200 gulden, huisde in 1579 (en 1582) Olevier vanden Meersche, daarna kwam lakenkoop­man Anthony Boots er zelf wonen maar in 1586 verhuurde hij het weer aan Guilliam de Grande.

In den Eenhoren, huurwaarde 300 gulden, woonde in 1579 Pauwels Rutal, in 1582 Anthony Boots en daarna, terwijl de huurwaarde herschat werd op 200 gulden, in 1584 en 1585 Arnout Boudewyns zelf[13].

 

 

2. De Walvisch, Hoogstraat 25

 

Reeds op 11 oktober 1586 wijst de amman de Walvisch toe aan Jan Pieters die optreedt ten voordele van Juffrouw Ellis Becanus, dochter van Jan en van Catharina de Cordes[14].  Zij waren samen met ene Jaspar van Sierck afstammelingen van de Bernuy.  Noteren we de beschrijving: “... Een huysinge metten winckele, camere, kelderen, borneputte, gronde ende allen den toebehoorten...” genoemd de Walvisch en gesitueerd tussen de Lintworm en de Halle van Nieuwkerken.  Georges Troupin[15] heeft vastgesteld dat één van de kelders uit de beschrijving een straatkelder moet zijn.  Volgens het cohier ver­huur­de ze het nog dat jaar aan Merten Boots[16]. Op 8 april 1621 verkopen de van Siercks de Walvis aan de toenmalige bewoners: Jan Hugo, “coopman van lakenen en[de] carseyen”, en Barbara Mennens[17]. Later her­trouwt Hugo nog met Anna Cour­tois. Weer weduwnaar overlijdt hij op 27 september 1649 nadat hij zijn testament op 18 september had laten opmaken in zijn huis in de Hoogstraat. Hij wordt daarbij gesitueerd als koopman en grossier van laken. Blijkens zijn boedelinventaris (zie bijlage) behoorde hij als dusdanig wel tot de begoede klassen. Zijn oudste dienstmaart, Anna, laat hij wegens haar jarenlange dienst 300 gulden na. Hij heeft uit zijn huwelijk met Anna Courtois één zoon van tien jaar met name Jan Baptist Hugo die hij wil laten inwonen bij zijn zuster Cornelia[18].

 

In 1659 wordt er ver­huurd aan Joris Jorissen. Er zijn 6 schoor­steenpijpen en de huur­waarde bedraagt 180 gul­den[19].  Er is een contract van 9 september 1665 waarbij Jan Baptist Hugo de Walvisch voor 207 gulden per jaar en dit gedurende een termijn van zes jaar die al beginnen lopen was op 24 juni verhuurt aan de gebroeders Peeter en Jan vander Willigen, meerseniers[20]. In 1667 huurt Peeter vande Willigen aan 200 gul­den; in 1672 aan 162 gulden.  Daarna verhuisde de familie naar de Grooten Baers, Hoogstraat 9[21]. In 1682 huurde Jan Pauwels voor nog maar 150 gul­den[22].

 

Volgens een verdeling op 12 augustus 1687 krijgen twee nicht­jes van Jan Baptiste Hugo n.l. Maria Cornelia Mennens en haar man Andries Frans vander Donck, een bekend notaris maar op dat ogenblik griffier op het leenhof van de burggraaf, en Isabella Mennens, begijn te Antwerpen, de Walvisch. Op 27 september 1687 wordt er tussen beiden verder verdeeld en wordt Isabella enige bezitster[23]. Men vermeldt in vanaf 1689 af als bewoners Jan Pauwels, Thomas Pauwels, in 1704 Franchois de Coninck, een zijdekoopman, die waarschijnlijk in de Eenho­ren waar een zijdeatelier was zijn zaak had, vervolgens diens weduwe en in 1708 als betaler van het huishuurgeld niemand minder dan notaris van Paesschen[24].

 

Isabella Mennens, inmiddels gepromoveerd tot 'dienende mees­tersse' in het Antwerpse begijnhof, laat het pand op 5 mei 1722 aan de herbergier Steven Carlier en Anna Sannen die meteen de Walvisch en een ander huis in de Jodenstraat gebrui­ken als onderpand voor een rente ter waarde van 2200 gul­den[25]. Op 25 augustus 1723 verkopen Carlier en zijn vrouw het al aan de erfgena­men van E.H. Thomas Emanuel vanden Kerckhoven[26]. De laatste descendent van die erfgenamen was niemand minder dan Johannes Daniel Antonius Schockaert, ridder van de Raad van Staten en kanselier van Brabant. Deze verwierf ook de huizen 'De Bonte Coe' en de 'Lintworm' en verkoopt voor 18000 gulden het hele boeltje aan Maria Anna de Wilde, de weduwe van Henry Ghysels op 17 augustus 1753[27]. Wat de eige­naars betreft en het verdere gebruik dat men van de Walvisch heeft gemaakt bekijke men de tekst over de 'Bonte Coe'. Signaleren we hier enkel nog dat in 1754 het pand bevolkt wordt door Meesterbakker Adriaen van Irschot, zijn echtgeno­te, één knecht en één dienstmeisje[28].

 

In 1898 bevond er zich in het pand een beenhouwerij die doorliep in de Hoogstraat 23.  Waarschijnlijk werden de kelders ook al gebruikt door wijnhandel Nihoul-Meugens, Hoogstraat 21[29].

 

 

3. De Halle van Nieuwkercke, Hoogstraat 27

 

De erfgenamen van Anthony Boots die ook in de lakenhandel bedrijvig waren verkopen op 9 augustus 1618 aan de lakenkoop­man Franchoys vander Meersch “... Een huysinge metten winckel ceuckene plaetse neercamer kelderen soo onder den huys als onder de straete borneputte gronde [ende] allen den toebehoir­ten genaempt de halle van Nieuwkercke [daer] de Roode Lelie wtgehangen heeft...”. Ter aanvulling van deze beschrijving kunnen we nog vermelden dat de straatkelder 14 voet diep en 18 voet breed was[30]. Franchoys vander Meersch huwde Johan­ne Prin­sens die hem echter zou overleven en hertrouwde met de koopman Niclaes Jacobs. Op 5 december 1631 ontdoen ze zich van het pand ten voordele van Elisabeth van Orley, weduwe van Frede­rick Huy­brechts voor een erfrente van 358 gulden (5.728 gulden kapi­taal)[31]. Op 1 april 1642 signaleert men ons dat haar zoon de Brusselse koopman Henrick Huybrechts, na een verdeling met zijn broer Jan in Brussel op 10 oktober 1633, de eigenaar van de Halle is[32]. Huurder in 1659, terwijl het pand een huur­waar­de van 200 gulden vertegenwoordigt en uitgerust is met vijf schouwen is Jan Heylvis[33].

 

Op 28 april 1663 verkoopt Jan Huybrechts, Janszone, in op­dracht van zijn broer Frederick Dominicus Huybrechts de Halle voor 7500 gulden aan de wasverkoper Jan de Winter en zijn echtgenote Mechtelt vande Wouwere. Ze hypothekeren meteen voor 125 gulden erfelijk[34].  Jan de Winter woont er ook volgens de cohieren van 1667 en 1672.  De huurwaarde bedroeg toen 160 gulden en men vermeldt als benaming ‘Biekorf’[35].

 

Op 18 juni 1676 rekent zijn tweede vrouw Maria Basyn af met de zes kinderen uit het huwelijk met Mechtelt en haar vier eigen kinde­ren en zij weet haar woning voor zichzelf te behouden. Men schat de waarde ervan op 6000 gulden en Maria neemt onmiddellijk een hypotheek.  De meerseniers noteren haar in de Hoogstraat in de naamlijst van 1677 als wasverkoopster[36]. In 1682 en 1689 wordt haar tweede man Rom­bout Cuylen aan 150 gulden als bewoner vermeld[37]; in 1708 de weduwe van Rombout Cuylen, m.a.w. Maria zelf[38]. In de loop van de jaren was de geeste­lij­ke gezondheid van Maria achteruit gegaan want haar zoon Francis­cus Cuylen verkoopt in haar naam omdat zij krank­zinnig is op 3 juli 1719 aan de wasverkoper Jan Baptiste Le Rosseau en Anna Catherina Hellekom het huis. Dezen kochten op 23 december 1719 nog een ander pand aan de Lombaer­denvest dat merkwaardig genoeg ook voorzien was van een straatkelder[39]. In 1754 hield Joseph van Merlen in de Halle een peperkoekbak­kerswinkel. Er woonden ook nog Anna Catharina Hellekom, de vrouw, de 2 zonen en 2 dochters van Joseph van Merlen resp. 19 en 8 jaar en 6 jaar en 18 maanden oud en één dienstmeisje[40].  Vanaf 1765 tot 1790 maken de meerseniers melding van Petrus en Joseph van Meirlen, wasmakers.  Vanaf 1791 was het de weduwe van Petrus die samen met Joseph was maakte. 

 

In 1898 werd er café gehouden in de Hoogstraat 27[41].

 

4. Den Eenhoren, Hoogstraat 29

 

Naar uitvoering van het testament van Aert Boudewijns belandt dit pand op 20 februari 1611 in de handen van Isabeau Stulen. Boudewijns had zijn testament in Amsterdam laten opmaken wat erop kan wijzen dat hij mogelijk kort na de val van de stad weggetrokken is. Merkwaardig is in deze context dat in het cohier van 1586 ene Lancelot Robbiaens als eigenaar zonder huurder staat aangegeven[42].

 

Op 9 maart 1617 verkoopt Anthonis van Sierck het pand aan Joos de Hondt, bij de meerseniers in 1636 gekend als sargiekoopman. Deze was gehuwd met Clara Bevers die na de dood van haar man op 28 maart 1658 afrekent met zijn kinderen uit een eerder huwelijk met Johanna van Triest. Zij weet voor zichzelf te behouden: “... Eene huysinge met winckele ceuckenen pack­huyse neercameren plaetsen diversche oppercamers solders kelders gronde ende allen den toebehoirten genaemt den Eenhoren...”[43]. Men schat het op 10.000 gulden en nog dezelf­de dag hypothekeert ze het voor 287 gulden per jaar. Niet alleen hierdoor kan men vermoeden dat Joos en Clara er ook gewoond hebben maar ook de cohier van 1659 en 1667 vermelden haar als bewoner. Er zijn 8 schouwen en de huurwaarde is 150 gulden in 1659, 180 gulden in 1667 waar het pand de naam 'Int Peert' meekrijgt.  In 1672 vermeldt men Jo de Hont, eigenaar, als bewoner van de Eenhoren, waarde 170 gulden[44].

Op 13 juni 1679 wordt Jacobus Blommaert, koopman in garen, weduwnaar van Maria Anna Dhont, dochter van Joos en Clara Bevers, na afrekening met de broers en zusters van Maria Anna en met zijn eigen kinderen, de nieuwe eigenaar. De waarde bedraagt dan 7500 gulden[45]. Bij het opma­ken van zijn testa­ment op 1 augus­tus 1680 wordt zijn woning alwaar hij ziek op zijn bed ligt gesitueerd in de Hoogstraat. Merkwaardig is het belang dat hij daarbij hecht aan zijn kleding. Zijn broer Guilliam krijgt die maar niet: “... syns testateurs pannen cassack, gevoeyerde pannen mantel, besten kemelsheiren witten mantel ende syden fernandinen kleet...”[46]. In 1682 en 1689 vermeldt het cohier als bewoner Jan Baptis­ta de Hondt, een broer van Maria An­na[47]; daarna kwamen Jacobus Blommaert en de weduwe vanden Eynde en tot slot rond 1704-1708 Theo­dor Hendricx[48].

 

Twee kinderen van Jacobus Blommaerts en Maria Anna d'Hont: Maria Anna en Francisco Blommaert verkopen volgens akte d.d. 19 oktober 1713 aan Susanna Begode, weduwe van de voormalige zijdekoopman François de Coninck, die heeft gewoond in de Walvis[49]. Van haar erfgenamen is het Maria Theresia de Co­nick, gehuwd met de koopman Nicolaes van Veld­riel die na een verde­ling op 13 augustus 1732 de nieuwe eigenaars worden van den Eenhoren en daarbijhorend: “... met oock alle de gereet­schap­pen van den stiel der syde dependerende...”[50]. Weduwnaar geworden en kinderloos verkoopt Nicolaes zijn huis op 7 mei 1749 aan de koopman Adrianus Fiscé en Cecillia Haccinnié voor nog maar 4000 gulden maar het is mogelijk dat de rente van 187 gulden 10 stuivers per jaar (3000 gulden kapitaal) die erop drukt in de prijs niet inbe­grepen is. Er is geen sprake meer van materiaal voor zijdebe­werking[51]. In 1754 had Fiscé in den Eenhoren een kousenwin­kel. Hij bewoonde zijn pand samen met zijn vrouw, zijn dochter van 44 jaar oud en twee dienstmeisjes (mogelijk winkeldoch­ters)[52]. Zijn dochter Joanna Lucia Fiscé, ge­huwd met de koop­man Adrianus Petrus Maesmans, die volgens de meerseniers zeker vanaf 1765 tot 1773 in de Hoogstraat kousen handelde, ver­krijgt de Eenhoren bij de verdeling van de erfenis op 28 augustus 1772. Op dat moment drukte er op het pand een rente van 3000 gulden kapi­taal[53]. Weduwnaar geworden en kinderloos laat een zieke Adria­nus Maesmans zijn testament in zijn woonhuis in de Hoogstraat opmaken op 10 en 12 april 1777. De testamentaire executeur verkoopt volgens akte d.d. 28 septem­ber 1778 voor 4100 gulden het huis aan Antonius Josep­hus Corvers en Maria François Vervrangen[54].

 

In 1898 was er een laarzenmaker in de Hoogstraat 29[55].


 

[1] F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 3, Antwerpen, 1977, p. 389.

[2] SAA, V 1980, f° 45 v°; V 1981, f° 37 v°; SR 18, f° 337 r°.

[3] SAA, SR 33, f° 149 v°.

 

[4] SAA, SR 42, f° 6 r°. Willem Douwe, schepen, was gehuwd met Adriaene vander Elst, een zuster van Claus (SR 33, f° 154 r°).

[5] SAA, SR 43, f° 45 v°.

[6] SAA, SR 61, f° 61 r°; SR 69, f° 51 r°; SR 76 f° 26 v°; SR 96, f° 230 r° - v°.

[7] SAA, SR 103, f° 148 r° - v°.

[8] SAA, SR 123, f° 242 r°.

[9] SAA, SR 164, f° 215 r°.

[10] SAA, SR 291, f° 281 r° - v°.

[11] SAA, SR 369, f° 365 r°.

[12] SAA, SR 378, f° 291 r° - v°; SR 502, f° 335 r° - v°.

[13] SAA, GA 4833, f° 107 v°; R 2330, f° 4 r° - v°; R 2221 en 2238, f° 2 r°; R 2498, f° 3 r°.

[14] SAA, SR 386, f° 250 r° - 251 r°.

[15] Ambtenaar bij de Stad Antwerpen, Stedelijk Ontwikkelingsbedrijf, dienst Monumentenzorg.

[16] SAA, R 2498, f° 3 v°.

[17] SAA, SR 547, f° 184 r° - 186 r°.

[18] SAA, N 3766, ongefolieerd gedeelte na het gefolieerde gedeelte. Hier vindt men zowel de boedel als het testament na elkaar. Boedel: zie bijlage.

[19] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­fo­lieerd.

[20] SAA, N 3782, f° 74 r°.  De gebroeders Verwillighen, werden door de meerseniers in de lijsten opgenomen van 1677 en 1681, in 1696 en 1700 vermeldt men de weduwe van Peeter (GA 4216-4219).

[21] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier van kapitein Wans, nr. 45.

[22] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 v°, nr. 44.

[23] SAA, SR 931, f° 92 v° - 98 v°; f° 99 r° - 100 v°.

[24] SAA, GA 4832, f° 135 v°, nr. 44; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, 3de wijk, 2de kapitein, nr. 44.

[25] SAA, SR 1075, f° 49 v° - 50 r°.

[26] SAA, SR. 1077, f° 74 r° - v°.

[27] SAA, SR 1184, f° 321 r° - 324 r°.

[28] SAA, PK 2561 : Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 443, nr. 37.

[29] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 25); brochure firma Nihoul-Meugens, s.l.n.d. [na 1907].

[30] SAA, SR 534, f° 212 v° - 214 v°; T 166, f° 37 v° nr. 98; T 167, f° 12 v°.

[31] SAA, SR 608, f° 378 r° - 379 v°.

[32] SAA, SR 672, f° 57 v° - 58 v°.

[33] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­folieerd.

[34] SAA, SR 778, f° 92 r° - 93 r°.  De aankondiging van de verkoop bevindt zich achteraan in N. 3782.

[35] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 46.

[36] SAA, SR 858, f° 304 r° - 306 r°; GA 4217.

[37] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 v°, nr. 45.

[38] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, 3de wijk, 2de kapitein, nr. 45.  Het cohier van 1704 (1728) vult geen naam in: GA 4832, f° 135 v°, nr. 45.

[39] SAA, SR 1062, f° 355 v° - 357 r°; SR 1061, f° 115 v° - 116 v°.

[40] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 443, nr. 38.

[41] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 27).

[42] SAA, R 2498, f° 3 r°.

[43] SAA, SR 750, f° 356 r° - 357 v°; f° 359 r°; GA 4215.

[44] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­fo­lieerd;  R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd, 3de wijk, 2de kapi­tein; GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 47.

[45] SAA, SR 877, f° 461 r° - v°.

[46] SAA, N 515, ongefolieerd.

[47] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 v°, nr. 46.

[48] SAA, GA 4832, f° 135 v°, nr. 46; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, 3de wijk, 2de kapitein, nr. 46.  In de naamlijsten van de meerse­niers komt Jacobus Blommaert in de Hoogstraat voor als garen­koopman in 1677 en 1681 en als handelaar in zijde in 1696.  Bij deze laatste vermelding kan men natuurlijk twijfelen of het nog over dezelfde persoon gaat (GA 4216-18).

[49] SAA, SR 1038, f° 147 v° - 148 v°. De andere dochter van Jacobus Blommaert, Clara Maria, laat op dertienjarige leeftijd op 27 mei 1684 haar testament opmaken. Onderaan dat testament lezen we dat de testatrice “midts haere debiliteyt” niet kan schrijven: N 201, f° 59 r° - v°.  Francis de Coninck was als zijdekoopman in de Hoogstraat lid van de meerseniers in 1696 en 1700.  Daarom is het niet onwaarschijnlijk dat hij samen met (een) Jacobus Blommaert waarvan we weten dat hij in 1696 in zijde handelde in de Eenhoren de zaken heeft verderge­zet (GA 4218-19).

[50] SAA, SR 1108, f° 100 r° - 101 r°. Zie ook hun reciprocque testament d.d. 30 oktober 1732 waarbij het echtpaar zichzelf opgeeft als ‘cooplieden in syden’: N 775, f° 150 r° - 154 r°.

[51] SAA, SR 1168, f° 193 v° - 194 v°.

[52] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 443, nr. 39.

[53] SAA, SR 1246, f° 232 r° - 234 v°; GA 4220-21 en 4224.

[54] SAA, SR 1264, f° 440 r° - 440 v°. Deze akte volgt na een reeks arresten wegens betalingsproblemen van renten die mogelijk met het overlijden van het echtpaar Maesmans te maken hebben: SR 1260, f° 76 r° - v°; f° 76 v°; f° 93 r° - v°; f° 93 v°; f° 227 r° - 228 r°. Testament: N 715, ongefolieerd, akte nr. 14.

[55] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 29).

 

Bijlage: Inventaris van de nagelaten goederen van Jan Hugo, eigenaar van de Walvisch en grossier in laken en carseye d.d. 1 oktober 1649.
Bron: SAA, N 3766, ongefo­lieerd (na de gefolieerde gedeelten).

Reeds gedeeltelijk gepubliceerd in:

E. Duverger, Antwerpse kunstinventarissen uit de zeventiende eeuw, vol. 6, Brussel, 1992, p. 59 - 60 (nr. 1583).

 

 

Inde Ceucken

 

opt opperste tennebert thien groote tenne schotelen

opt tweede tennebert twelff tenne schotelen cleynder soorte,

I tennen lampet schotel met tennen waterpot

vijff groote tenne schotelen op de rechtbancke,

III tenne candelaers,

drye dosynen tenne teljooren

I tennen suypencroes

elff steene drinckpotten al met tennedecxels waer onder een met silveren scheel

een herthoute rechtbancke met drye deuren

vyff tenne commekens,

drye coope[ren] ketels

drye coopere potten

I cooperen water eemer,

I coope[ren] boterpanneken

II coope[ren] conffoiren

I coope[ren] toertpanneken

I coope[ren] mortier metten stamper [daer]toe,

I coope[ren] bedtpanne,

neg[en] coope[ren] candelaeren,

II coopere pan candelaerkens,

I herthoute coeckerschappraeye [daer] inne derthien tenne schotelen soo groote als cleyne,

twee tennnenggaette teljooren

I coope[ren] blaecker, I yseren latte, IIII yse[ren] han­gels,

 

I herthoute wttrecken[de] taeffel

I taeffelcleedt

drye mans spaens leere taeffelstoelen I herthoute spaens leeren leen stoel I yseren spit wesende een trommelspete,

I herthouten servet persse

II cleyn houtestoelen

I rout taeffellien,

I spiegel in een [ver]gulde lyste

I rooster I tange I tennen mostaert[pot]

 

Opdeplaetse

 

I coope[ren] hespketel I coope[ren] mercteemer,

I weeckhouten rechtbancke met twee deuren, I rooster

negh[en] tenne schotelen soo groote als cleyne

seven tenne teljooren

I groote coope[ren] siepot

I cleyn coope[ren] ketelken

I coope[ren] waeter eemer

twee toertpannen I cleyn XI(?) groote

I blecken braetpanne

II ysere potten

II tenne waterpotten

I tennen spouwbecxken

vyff steene drinckpotten cleyne [ende] groote

II coope[ren] vierketels

II yse[ren] backpannen

II coope[ren] vischpan[n]en

I eyerdoylepel

 

Opde camer boven de ceucken

 

I herthoute wttrecken[de] taeffel

I carpetten taeffelcleedt

II coope[ren] brantysers

I tapyten schouwcleedt

I herthouten ledicant

I groen laeckenen behangssel met syde frennen

 

I groen [ende] een witte saergie I bedde met hooftpeulne

het contrefeytsel [vanden] affl[yvige] [ende] den soone in desen

vyff mans spaensche leere taeffel stoelen I vr[ouw]e spaens leeren stoel, degoude leere rontomme de camer

I wiege

I schilderye wes[end]e het vonnis van Salomon

I schilderye affdoeninge vant cruys

II schilderyen wes[ende] bancketkens

I schilderye wes[ende] St. Annen geslacht

III schilderyen wes[ende] contrefeytsels

een schilderye gesta[e]n achtert contrefeytsel [vanden] affl[yvigen] in desen

I schilderye wes[ende] flora

I herthoute cleerschappraeye [daer]inne

I pannen mantel I pannen cleedt

I oude wambeys met pannen mouwen

II paeren cattyne cleederen

I lakenen mantel met cafta gevoedert

I swertten laeckenen mantel

I swert lakenen tabbaert met cattyne vent[en]

I couleuren lakenen mantel met cnoppen

II saeynen mantelkens

I heel stuck nieuw lynwaet

I groen lakene sittencussen

I herthouten buffet metten trap [daer]toe [daer]inne

noch inde vs. cleerschappraeye bevonden

I syde huycke I roode laecken[en] siele met een[en] silve[ren] cant geboort

I rooden laeckenen siele met silve[ren] galon geboort

I mockenen rock met sattyne banden

I tabmen geblomd[en] rock,

I gruenen damasten rock,

I roode armosynen rock

 

II mouffels

I kinder mantelken v[an] cattynpasse

I tabmen vlieger

I cattynen lyff v[an] een[en] vlieger [ende] voorts een deelprondelrye

een engels rocxken

 

Int vs. herthouten buffet

 

I carseyen kintsdoeck met een gouden galon

I yse[re] schup [ende] tange met coopere cnoppen

 

Opde middelbovencamer

 

I herthouten coetse [daer]op een bedde met hooftpeulne II gordynen [ende] valle v[an] groen carseye [ende] syde groene frennen I carseye groen schouwcleedt

de goude leeren rontomme de camer

I herthouten cleerschappraeye [daer]inne bevonden

vyff silve[ren] beckers

I pluymen waeyer met een silve[ren] steel

II [ver]gulde silve[ren] schroeven

I silve[ren] [ver]gulden cop met scheel

II silve[ren] schaelen

II silver[en] getrapte soutvaten

noch een silve[ren] soutvat

I silve[ren] mostaertpot

I silve[ren] dienteljoor,

I silve[ren] peperbusse

vyff silve[ren] lepels

vyff silve[ren] fourketten

II messen met silve[ren] hechten gesneden wes[ende], I sil­ve[ren] agnus dei

I peerlemoeyer schelp in [ver]gult silver beslaegen

34 silve[ren] cnoppen

I kerckboeck met silve[ren] sloten

I silve[ren] eyerlepelken I silve[ren] mostaertlepelken

I silve[ren] hooftyserken

I coope[ren] wywaetervaetken

I tapyten saergie

 

ses tapyte bladeren v[an] sittecussens

I groen carseyen nachtmantelken

II caffa broecken [ende] dry caffaen casacken

I frisaerden mantel

I miserassen cleedt met de capote [daer]toe,

I swert laeckenen broecke met casack [daer]toe

I swertte laken casack

I kemelhaeren wambeys

I couleursaeyen reyscleedt

I root stametten taeffelcleedt

II carseyen kintsdoecken

I schilderye wes[ende] een marienbeeldt

II geplaesterde engels hooffden

I schilderye wes[ende] de dwase maechden

I schilderye wes[ende] een marienbeeldt

I schilderye wes[ende] het hangen v[an] eenen osch

I schilderye wes[ende] ons L[ieve]vr[ouw]e

I schilderye wes[ende] Adam [ende] Eva

acht herthoute taeffels voet schabelleken

I herthoute wttreckende taeffel,

I vrouwen stoel

II coope[ren] brantysers

tweelff schilderyenen wes[ende] de tweelff maenden des jaers

 

Opde voorcamer

 

de goude leeren rontomme de camer

tweelff roode laeckene taeffelstoelen met [ver]gulde nagels

ses vr[ouw]en roode laeckenen taeffelstoelen met [ver]gulde nagels,

I leen stoel vant selve,

alle de vs. stoelen met groen lynwate overtrecxsels

I notenboomen ledicant [daer]op een bedde met hooftpeulne

II witte saergien I roode saergie

I stroeyen [ende] een wolle matrasse

I root stametten behangsel [ende] I

 

schouwcleedt I root laeckenen taeffelcleedt

I schilderye wes[ende] Salomon

I lanckwerpige schilderye wes[ende] holofernes, acht schilde­ryen wes[ende] rondeelkens,

II herthouten parysche bancken

I herthoute wttreckende taeffel,

I coope[ren] schup [ende] tange,

II coope[ren] brantysers,

II yse[ren] brantysers

I weeckhouten voetbancxen

I comptoirken in ebbenhout [daer]inne bevonden...

[voor 136 gulden 14 stuivers liggende geld en...]

I diamant roosrinck met seven diamant[en], I gouden ronden trouwrinck, I grooten diamantrinck wes[ende] een taeffel, noch een diamant rinck wes[ende] een taeffel, I bagge met vyffentwintich diamanten, I paer diamant pendanten, I paleersel met diamanten consisterende in derthien stucken, I heylich geest­ken in diamanten met een cleyn roosken [daer]toe, I pretador in peerlen [ende] diamanten consisterende in vyfthien stucken I agaten paleersel

II toeren peerlen in 114 stucken

I silve[ren] [ver]gulde bruytsket[en]

I silve[ren] sleutelriem met een silveren lyffriem [daer]toe, IIII silve[ren] mes [ende] bors ketenkens, I toer in peerlen [daer]aene 265 peerlen I toer in peerlen [daer] aene 267 peerlen

 

I paternoster in amber, I silve[ren] vingerhoet, acht goude borstecnoppen

I gouden ringesken,

I silve[ren] tongschrabber [ende] oorlepel

I kerckboeck met goude sloten

III paeren bruyts geborduerde hantschoenen

I silve[ren] [ver]guldt cruysken met peerlen,

 

Opden voorsolder

 

6 oorcussens I lendecusken

4 sittecussens

I weeckhouten veltcoetsken

 

Opde achtersolder

 

I querne I kiecken renne

I herthouten veltcoetsken een teenen setel, I yser om rontomme d[en] eerdt te setten [ende] voorts een deel prondelrye, I herthouten bancke

 

Opder maertencamer

 

I herthouten ledicant met een behangsel, I herthouten slaepbancke I weeckhouten amarisken, I bedde met hooftpeulne, II saergien

II yse[ren] brantysers II groene taeffelcleeden, III groen lakene sittecussens

 

Int comptoir

 

I ysere kiste [daer]inne bevonden het navolg[ende] inden eersten eenen silveren vingerhoet, ...

[liggend geld ong. 340 pond]

 

Int packhuys

 

II sacken silvesters coetsenillie weg[ende] te saemen 107 Lb gewicht

noch 2 sacken silvesters coetsenillie weg[ende] tesaemen 142 Lb.

I sacxken coetsenillie weg[ende] 48 Lb [ende] ten desen genombreert met Roode aerde no primo

Item een sacxken coetsenillie weg[ende] 44 Lb [ende] ten desen met Roode aerde genombreert no secundo

Item een sacxken coetsenillie weg[ende] LXXIX Lb [ende] genombreert no tertio

Item een sacxken coetsenillie weg[ende] 88 Lb [ende] genombreert no quarto

Item een sacxken coetsenillie weg[ende] 73 Lb [ende] genombreert no quinto

Item een sacxken coetsenillie weg[ende] 99 Lb [ende] genombreert no sexto

Item een sacxken coetsenillie weg[ende] 70 Lb [ende] genombreert no septimo

Item een sacxken coetsenillie weg[ende] 43 Lb [ende] genombreert no octavo

Item een sacxken coetsenillie weg[ende] 34 Lb [ende] genombreert no nono

 

Een sacxken coetsenillie weg[ende] 60 Lb genombreert no decimo

Item een sacxken coetsenillie weg[ende] 7O Lb genombreert no undecimo

I sacxken met een cletsken coetsenillie weg[ende] 11 Lb genombreert no duodecimo

 

Inden winckel

 

drye heel stucken dobbel stameeten carmosyn

vier encke seelstucken stanetten carmosyn

eenentwintich noortsche craproyen seelstucken carseyen

seven witte noortsche seelstucken carseye

II halff inlantsche roode carmosyn laeckene

Negen halff pack laeckenen roode carmosyn [daer]onder een seel­stuck

Sesse halve spaensche laeckenen root carmosyn

drye quaert [van] een engels laecken oosters carmosyn root

I halff opelens laecken purper sonder weedt

III halff inlantsche laecken[en] purper sonder weedt

een halff bruyn purper stuck laecken

vier halve purper packlaeckens

een halff coetsenillie grauw pack laecken

 

Inden hoff Inde Rochusstraete alhier gestaen

 

I herthouten dwelier, I herthouten schyfftaeffel, twee hert­houten bancken, I herthouten capstocken

 

tween, I herthouten schappraeyken met twee deuren, III groen houte geschilderde mans taeffelstoelen, II vrouwe spaens leere stoelen I spaensch leeren mans taeffelstoel, I slecht schouw­cleedt, I tange II ysere brantysers, I deel rommelrye [van] yserwerck drye leeren,

 

Inde v[er]verye

 

Int glorietteken

 

I schilderye [van] boeren [ende] boerinnen

II spaensche leeremans taeffelstoelen

III herthoute bancken

 

Opde solder vant packhuys

 

een hoopken wouw

 

Int packhuys

 

vier baelen mee

I halff groote tonne roomsch alluyn

I groote tonne luycxsche alluyn

II cleyn tonnekens luycxsche alluyn

I tonneken bycans vol silvesterschen coetsenillie

een sacke met silvesterschen coetsenillie

drye tonnen mekyn

I tonne mee

II cleyn tonnekens mee

I balck met II houte schaelen

[aenden] venster staet geschreven met de handt van den affl[y­vigen] dat hy in roomsche alluyn gecompeteert hebb[ende] J[uffr]o[uw]e Cornelia Hugo syn sustere [ende] besicht heeft 298 Lb roomsch alluyn

een deel yse[ren] gewichten

I bael seer naet vol mee

I vrouwen spaens leeren stoel

 

Opde plaetse

 

Een grooten hoop branthoudt

een herthoute bancken

 

Opt comptoir

 

I tennen becken

 

Opden solder boven tcomptoir

 

Eenen hoop mee

een steertken alluyn

een halff tonne arsenicum ongestampt

I half tonne gebroecken of gemalen arsenicum

II halff tonnen gestampt mekyn

I tonne poeder van wynsteen

I tonne gebroecken wynsteen

I sacxken met coetsenillie weg[ende] 21 ponden 1

I cletsken coetsenillie in een cleyn tonneken weg[ende] I Lb een onche

IIII cooper[en] schalen metten balck

een deel gewichten

eenen steert agaricus

I coope[ren] aecker

 

I stuck wit frisaert lanck 21 ellen

I stuck wit frisaert lanck 11 3/4 ellen

I stuck wit frisaert lanck 15 3/4 ellen

I stuck breet root frisaert lanck 36 3/4 ellen

I stuck breet root frisaert lanck 23 1/4 ellen

I stuck breet root frisaert lanck 37 ellen

I stuck breet root frisaert lanck 51 1/2 ellen

I stuck breet root frisaert lanck 32 ellen

I stuck breet root frisaert lanck 27 ellen

I stuck breet root frisaert lanck 15 ellen

I stuck breet root frisaert lanck 37 1/4 ellen

 

 

I stuck root smal frisaert lanck 24 1/2 ellen

I stuck root smal frisaert lanck 23 1/2 ellen

I stuck smal root frisaert lanck 22 1/2 ellen

I stuck smal root frisaert lanck 22 1/4 ellen

I stuck root smal frisaert lanck 23 3/4 ellen

I stuck root smal frisaert lanck 23 1/4 ellen

I stuck root smal frisaert lanck 10 1/2 ellen

I stuck root smal frisaert lanck 21 3/4 ellen

I stuck root smal frisaert lanck 22 ellen

I stuck root smal frisaert lanck 21 1/4 ellen

I stuck root smal frisaert lanck 24 ellen

I stuck root noorts carseye lanck 19 1/4 ellen

I stuck root noorts carseye lanck 7 1/4 ellen

I lapken craproot carseye lanck 5 1/4 ellen

I lapken ditto van 2 1/4 ellen

I lapken ditto van 5 3/4 ellen

I lapken ditto van 4 ellen

XXXII stucken root carmosynen carseyen

dryenviertich stucken roode carmosyne carseyen

acht stucken geel carseyen

sevenentseventich swertte stucken carseyen

dry blauw seel stucken carseyen

acht stucken dobbelstael swertte carseyen ten huyse van bartholomeeus de bie inde persse, Item syn alnoch ten huyse [ende] inde persse [vanden] selven debie

twee gruen seelstucken carseyen

negen stucken seelgruene carseyen

drye stucken seelseeputten carseyen

noch een seel stuck seeput carseyen

een stuck wit frisaerden lanck 47 1/4 ellen

dry seelstucken Incaruate carseyen

II seelstucken craproode carseyen

III seelstucken swertte carseyen

III [seel]stucken root deventers baeye

 

I lap root deventers baeye lanck 10 3/4 ellen

I lap root carmosyn dobbelstamet lanck 3 ellen

I lap root carmosyn dobbelstamet lanck 12 1/2 ellen

I lap purper packlaecken lanck 3 1/4 ellen

I lap purper packlaecken sonder weet lanck 6 3/4 ellen

I lap purper packlaecken lanck 7 3/4 ellen

I lap purper packlaecken lanck 2 3/4 ellen

I lap purper packlaecken lanck 1 3/4 ellen

I lap purper packlaecken lanck 9 ellen

I lap root carmosyn packlaecken lanck 4 1/4 ellen

I lap root carmosyn packlaecken lanck 5 3/4 ellen

I lap root carmosyn packlaecken lanck 11 1/2 ellen

I halff stuck root carmosyn packlaecken lanck 22 ellen

III halff packlaeckens carmosyn grauw lanck elck 21 ellen

I laproot carmosyn packlaken lanck 1 7/8 ellen

I lap root carmosyn spaens laecken lanck negen ellen

I lap root carmosyn spaens laken lanck 2 3/4 ellen

I lapken root carmosyn spaens laken lanck 1 1/2 elle

I lap root carmosyn frisart lanck 8 1/4 ellen

I lap root carmosyn stuck engels laecken lanck 11 1/4 ellen

I lap root carmosyn inlants laecken lanck 7 3/4 ellen

I lap root carmosyn dobbel stamet lanck 12 1/2 ellen

I lap root carmosyn dobbel stamet lanck 10 1/4 ellen

I lap root enckel carmosyn stamet lanck 7 3/4 ellen

I lap swert inlants lanck 10 1/4 ellen

 

I lap swert inlants laecken lanck 2 1/4 ellen

I lap swert inlants laecken lanck 4 [ellen]

I lap swert inlants laecken lanck 3 ellen

I lap swert inlants laecken lanck 5 1/4 ellen

I lap swert inlants laecken lanck 4 3/4 ellen

I lap grauw coetsenillie inlants laken lanck 13 1/4 ellen

I lap purper inlants laecken lanck 9 1/2 ellen

I seelstuck blauw noorts carseye

I seelstuck dobbelroot carmosyn stamet

I laproot dobbel carmosyn stamet lanck 5 3/4 ellen

I lap root carmosyn dobbel stamet lanck 6 1/4 ellen

I laproot carmosyn dobbelstamet lanck 23 1/4 ellen

I lap coetsenillie grauw laecken lanck 5 3/4 ellen

I lap purper inlants laecken lanck 7 3/4 ellen

I lap purper inlants laecken lanck 7 1/4 ellen

II seelstucken roode rock carseyen

XVII seelstucken rock carseyen [van] [ver]scheyden couleuren

I lap swert stael carseye lanck 11 ellen

I lap swert stael carseye lanck 4 3/4 ellen

I lap swert stael carseye lanck 5 ellen

I lap swert stael carseye lanck 4 ellen

I lapken swert stael carseye lanck 1 1/2 ellen

I lapken carseye lanck 3 ellen

I lap root carmosyn lanck 5 3/4 ellen

I lap papegaeyen gruen carseye lanck 5 1/4 ellen

I lap gruen carseye lanck 5 1/4 ellen

I lap geel carseye lanck 2 1/4 ellen

 

I lap doncker taneyt carseye lanck 7 3/4 ellen

I lap purper carseye lanck 12 1/2 ellen

I lap purper carseye lanck 8 ellen

I lap gruen rock carseye lanck 10 3/4 ellen

I lap gruen rock carseye lanck 14 ellen

I lap gruen rock carseye lanck 10 ellen

I lap gruen rock carseye lanck 6 1/4 ellen

I lap carseye lanck 4 ellen

I lap root carseye lanck 2 ellen

I lap swert laecken lanck 1/2 ellen

I lap swert dobbelstael carseye lanck 7 1/4 ellen

I lap gruen carseye lanck 3 ellen

I lap swert dobbelstael carseye lanck 9 1/4 ellen

I lap swert dobbelstael carseye lanck 9 1/2 ellen

I lap swert carseye lanck 5 3/4 ellen

I lap swert carseye lanck 7 3/4 ellen

I lap blauw carseye lanck 7 1/4 ellen

I lap root carmosyn carseye lanck 4 ellen

I lap swert carseye lanck 2 3/4 ellen

I lapken root carmosyn carseye lanck 2 ellen

I lap craproot carseye lanck 13 ellen

I stuck swert dobbel stael carseye

I lap swert carseye lanck 5 1/4 ellen

I lap swert carseye lanck 9 ellen

I lap swert carseye lanck 7 1/4 ellen

I lap blauw carseye lanck 7 1/2 ellen

I lap carmosyn root carseye lanck 8 1/4 ellen

 

I lap wit carseye lanck 9 ellen

II seelstucken wittenoortsche carseyen

I lap wittenoortsche carseyen lanck 14 ellen

II seelstucken witte engelsche carseyen

 

Bartholomeeus de Bie [ver]claert tot synen huyse te wesen twee osestersche witte seel stucken laeckenen, Item een fyn spaensch laecken wit,

IIII halve stucken witte inlantsche laeckenen

I lapken wit frisaert lanck 1 1/4 elle

I lapken quaet carseye

 

Inden winckel een schilderye een marien beeldt

I roe, twee pistolen,

 

Lynwaet deses sterfhuys

 

1 paer fyne slaeplaeckenen

XII paeren slaeplaeckenen

seven paeren bode slaeplaeckenen

een enckel slaeplaecken waer aff de weder is geweest het doodt cleedt [vanden] affl[yvigen]

dryenviertich ammelaeckenen

I ammelaecken panne lanck 3 3/4 deelen

I groot ammelaecken perckwerk lanck omtrent ses ellen,

I ammelaecken lanck seven ellen

I fyn ammelaecken lanck seven ellen

XXXIIII dunne servetten

XXXIIII fyn servetten

 

 

XLVI middelbaere servetten

XLII mans hempden [waer]onder eenige dunne

XII kinder begynkens

X kinder flebbekens

twee fyn vrouwen hempden

noch ses fyn vrouwen hempden

XIII vrouwen hempden

XXI fluwynen

drye cleyne fluwynen

ses fyne groote, [ende] ses fyne cleyne kintsdoecken

tweelf vierhempden [ende] kintsdoecken door malcanderen

negen fyne witte lynwaete [voor]schoeyen

XXIIIItich witte lynwaete grove voorschoeyen

XVI ondersten [van] halsdoecken

XXIX mans slaepmutsen soo goede als quaede

een fluwyne vol alderleye cleyne camericxe dingen

sesthien soo coenen als slaephuyven

negen kinderhalff fyn hempdekens

drye nopkens witte vrouwen slaephuyven

sevenendertich soo goede als quaede neusdoecken

ses cleyne kinder neusdoecxkens

III cleyne kinder slaeplyffkens

7 wittenopkens

I camericx spreycleet met canten [ende] tusschen naet

II camdoecken met canten [ende] tusschen naet

IIII rechtbanckcleederen

I damasten hantdoeck

I fynen lynwaeten rechtbanckcleedt

 

twee schaeldocken gebreyt [ende] geborduert

I fynen lynwaten neusdoeck met canten

XXIIII lange handtdoecken

XLIII vrouwen ondersten [van] halsdoecken

vyff dunne servetten

XXIX droochdoecken

IIII camericxe snutdoecken met canten

XXI kinder voorschoeykens

II kinder witte nopkens slaeplyffkens

XXXVIIII mans craegen soo goede als quade

XIII paeren ponjetten

negen memoriedoecxkens

XXIII mans [ende] vrouwen lobben onder malcanderen,

ses paeren lynwaete ondercoussens met canten [ende] sonder canten

negenthien kinderhempdekens

twee nieuwe tycken met een tycke [van] eenen hooftpeulinck

een lappeken nieuw servet lanck 13 ellen

een lapken nieuw handt doeck lanck tweendertich ellen

vier paeren slaeplaeckenen

I fyn damaste ammelaecken lanck omtrent ses ellen

I fyn damasten ammelaecken lanck seven ellen [ende] drye vierendeelen

I fyn damasten ammelaecken lanck omtrent ses ellen

I herthouten schutsel [van] 4 deuren van groen carseye

II baeyen rouwpollacken I baeyen rouw mantel

4 mans vilten hoeden

I herthouten kiste

negen mans quade wambuysen

acht mans broecken

I couleuren reysmantel

I blauw carseyen wieghcleedt

 

In de inventaris vinden we ook nog de brieven van de eigendom­men: een aanzien­lijk pand, beschreven als een bakkerij, in de Huidevetters­straat en de Walvisch in de Hoogstraat. Tot slot komen dan de boekhouding en de waardepapieren.

 

 

 

 

                                                                          

 


 

carsey = kersey: soort wollen stof, grof gekeperd laken, karsaai.

panne: doek. Het betreft hier kleding gemaakt uit doek.

coetsenillie: cochenille: rode kleurstof.

wouw: gele kleurstof.

mee: te interpreteren als meekrap.

In de marge volgende vermelding: dese 2 partykens coet­senillie syn by sr. Jan Mennens doen draegen int sterf­huys.

agaricus (agarium): plant om witte kleurstof mee te maken.  De term 'steert' moet dan begrepen worden als een bussel.