De Bonte Coe, Hoogstraat 21 en de Lintworm, Hoogstraat 23

1. De Bonte Coe in de XVde eeuw
2. De Lintworm tot aan Fernando de Bernuy
3. De verdere geschiedenis van Bonte Coe en Lintworm
Inventaris Wouter Bosschaert 1657

 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

1. De Bonte Coe in de XVde eeuw

 

Op 28 februari 1386 geeft Roelof Taye en zijn echtgenote Lysbet vande Werve, Jan's dochter, aan Peter Cloet, wisselaar, hun huizing de Bonte Coe[1].  Deze verkoopt op 7 september 1402 de helft van zijn huis aan zijn schoonzoon Jan van den Hoeghen weghe[2]

 

Jan vanden Hoegerenweghe naast volgens een akte d.d. 18 december 1409 een rente van 18 Rijns­gulden erfelijk, die drukte op zijn huis de Bonte Coe[3].  Op 12 mei 1430 laat E.H. Jan van Hoegewege zijn huis, voorzien van een plaats en een borneput, dagen.  Deze man komt ook nog voor in akten over het Bonte Calf (Kleine Bonte Coe) uit 1437 en 1439[4].  Eigenaardig is wel dat volgens akte van 6 maart 1428 (1429) de kinderen van Hendrik Adelyen hun aandelen in het huis aan hun neef Augustine Adelyen laten[5].  Men situeert het pand tussen Claus vander Elst en Joos vander Tanerien.

 

Op 18 december 1443 verkrijgt Jacop vander Heyden, Janszoon, het pand van Peter Kempe.  In een niet verleden akte van 1446 zou Jacop vander Heyden het pand gelaten hebben aan Meester Roegier van Eeghem.  De Bonte Coe wordt in deze akte gesitu­eerd tussen het Bonte Calf, dat Meester Roegier al toebehoort en Willem Douwe, die zoals al in de akte van 1443 te lezen viel, Claus vander Elst was opgevolgd[6].

 

We beschikken ook over een contract d.d. 21 mei 1449 waarbij Meester Rogier van Eeghem aan Jannes Rombouts verhuurt: “... Een hoechcame[r] met eenen cleynen camerken, daer aen staende, bynnen sinen huyse geheeten de bonte koe, inde hoechstrate boven de cokene als boven de eetcame[r] gestaen te hebbe­ne...”. Het contract gaat in op St. Jan de Doper, de huurwaar­de bedraagt 2 pond 13 st. 9 d gr. brabants. De huurtermijn is zes jaar. Jan, zijn echtgenote en hun dienstboden mogen water halen door de keuken aan de borneput en vuur halen en op de plaats mag hun maart wassen en plassen zoveel en op elk uur van de dag als nodig en redelijk is en zoals ook de maart van Meester Rogier dit doet. Iedereen mag ook binnen en buiten op elk uur van de dag. Jan mag met zijn paard door het huis gaan of via het Bont Calf binnen- en buitengaan. De knaap of de maart van Jan mogen blijven slapen “buyten uytte, opte hoech­ste came[r] gestaen boven dese came[re]n, voers. oft op een ander camer...”. De huurders mogen ook onderverhuren[7].  Rogier van Eeghem kennen wij al als eigenaar van het Bonte Calf, Hoogstraat 19A sedert 1439.

 

Op 4 mei 1507 verklaren Arnout en zijn neef Mattheeus Mees­sens, tesch­makers, Lysbeth Meessens, zuster van Mattheeus en gehuwd met de droogscheerder Adriaen vanden Veken, e.a. voldaan te zijn wat betreft de erfenis van Jan Meessens t.o.v. zijn weduwe Marie van Eelen[8]. Op 10 februari 1514 verkopen bovengenoemden en nog enkele andere verwanten het pand voor 394 pond aan de Spaanse koopman Fernando de Vernoye of de Bernuy die in die periode zowat de hele buurt aan het opkopen was. De beschrijving is vrij sumier: “... Een huys metten stalle plaetsen halven borneputte...”, gesitueerd tussen het Bonte Calff, met een gemene muur, en de Lintworm, die al in het bezit was van Fernando de Bernuy[9].

 

2. De Lintworm tot aan Fernando de Bernuy

 

De eerste eigenaars die we kennen zijn de kinderen van der Elst in 1386, Jan van der Elst in 1388 die dan eigenaar is van een huizing (groot huis).  In 1399 spreekt men over Claus en Matheus vander Elst en in 1402 wordt ons Jan weer gesigna­leerd[10].  Op 30 april 1423 laat Claus vander Elst de Moerboom (Hoogstraat 25-29) dagen­ en een herparcellering in die periode is dan ook niet uit te sluiten[11].  In de erfregeling van 1429 en de daag­seel van 1430 over de Bonte Coe vermeldt men als buurman (d.i. de Lintworm) Claus vander Elst, in een akte van 1443 over de Bonte Coe zegt men dat Willem Ouwen wijlen Claus vander Elst vervangen heeft.  Op 11 november 1445 verklaren Schepen Willem Douwe en zijn echtgenote Adriane vander Elst dat hun huizinge gesitu­eerd tussen de Bonte Coe en de Moerboom hun gemeenschap­pelijk bezit is wat kan wijzen op bewoning door hen beiden.  Er is overigens sprake van een achteruitgang via de Rooden Schild naar de Oude Koornmarkt toe[12].  Volgens een akte d.d. 9/05/1449 verkoopt onze Willem Douwe nog een rente op “... syn huysinge met plaetsen stallen hove gr. [et] p[er]tinen[tys] gest[aen] in de hoechstrate...”, tussen Wouter Pots huis het Poertken en de Bonte Koe[13].

 

In 1449 werd Jacop Pot eigenaar van de Moer­boom, een eigendom dat zijn broer Wouter ook van Claus vander Elst had verworven.

 

Op 30 december 1478 geeft ridder Jacop Pot in erfelijk recht aan Jan de Purefite alias Chermoys "... Een huysinge mett[en] hove plaetse[n] stallinge[n] gr[onde]...", genaamd de Lintworm en gesitueerd tussen de Bonte Coe en de Moerboom en met een achteruitgang via de Roden Schild naar de Oude Koornmarkt[14].

 

In de jaren 1480 moeten inzake de Lintworm volgende eigendoms­veranderingen hebben plaatsgehad[15]:

11/02/1481 n.s.: Jan de Purefite geeft het huis in erfelijk recht aan ridder Jacob Pot.

11/07/1482: Jacob Pot geeft het huis in erfelijk recht aan Dierick Gruwel.

23/07/1484: De schuldenaren van Dierick Gruwel geven het huis in erfelijk recht aan Pauwels van Meerle.

23/12/1487: Pauwels van Meerle en Geertruyt Salins dragen het pand over aan Jan Vileyn. Er is een voorwaarde: Pauwels heeft vensters gemaakt in de muur van de Lintworm en die moeten na

zijn dood worden dichtgemetst. We vernemen tevens dat Pauwels op dat ogenblik in de Gulden Schilt woonde, eigendom van zijn familie sedert 1475.

 

We schrijven 16 november 1493:

1° De stad koopt van de erfgenamen van Jan Vileyn de Lint­worm.

2° De stad schenkt, in ruil voor een huis in Brugge, het huis 'De Lintworm' gesitueerd tussen de Bonte Koe en de Moerboom aan de Spaanse resident Janne de Contreros met de bedoeling dat er een 'Spaans huis' zou gevestigd worden wat echter niet lukt.  De Spanjaarden keren terug naar Brugge.  We krijgen echter een gedetailleerde beschrijving: “... Een huysinge metten hove, plaetsen, borneputte, stallingen, duergange, gronde, metter galeryen en[de] sitsteden vander weerdribben over derve vanden moerboom nabescreven hangende...”, gesitu­eerd tussen de Bonte Coe enerzijds en de Moerboom, “der wedewen en[de] kin[der]en Jan Vileyns, met eenen nyeuwen huyse achter, eensdeels op derve vanden lyndworm voirgh. gestaen toebehoorende aen dande[r] zyde comende achter uite metten voirs. duergange op de corenmerct, over de plaetse vander huysingen geheeten den rooden schilt...”[16]

 

Op 14 december 1500 kopen Thomas Grammaye, 'muntmeester parti­culier in de munt van Brabant', en zijn echtgenote Katline Sneven, van de voogden van Marie en Jehanne Vileyn, dochters van Jan Vileyn, de Lintworm die daarmee heel even een eigen leven gaat lijden. Voor de beschrijving verwijs ik naar de volgende akte. Het huis wordt blijkbaar verhuurd en de verbin­dingspoorten en -deuren naar het erf en de plaats van de Moerboom toe moeten toegemetst worden. Men voorziet ook dat het water mag afgevoerd worden via de Moerboom maar er moeten wel “gekruiste yzeren traelyen” komen omdat er geen “... vuylnisse oft ontamelyc water dore en mach”[17].

 

Op 10 oktober 1509 verkopen Thomas Grammaye en zijn echtgenote Catline, het pand aan Fernando de Bernuy en het wordt dan als volgt beschreven: “... een huysinge metten hove plaetsen borneputte stallingen doergange metter galeryen ende sitsteden vander weerdribben over derve vanden moerboom hangende fundo et pertinen. omnibus met oic alle tghene datter eertvast ende naegelvast inne is geheeten den lyndworm gestaen inde hooch­strate tusschen thuys geheeten de bonte coe ex una ende thuys geheeten den moerboom dwelck inden muer van desen huysinge varen mach ende dien gebruycken alsoo verre ende breet als de voirpoirte vanden selven huyse vanden Moerboom, dat oic zyne balcken dair inne liggende heeft gefundeert ende gemetst ende nyet voirdere achterwaert inne ende oic metten achterhuyse vanden selven huyse vanden Moerboom dat oic zyne balcken dair inne liggende heeft gefondeert is ende gemetst ende anders sal den muer vanden lyndworm den selven lyndworme alleen toebe­hoor­ende bliven... comende achter vute metten voirs. duergange opte corenmerct over de plaetse vander huysinge geheeten den rooden schilt aende selver corenmerct gestaen...”[18].  Op 7 november 1523 verwerft de Bernuy ook nog buurpand de Moerboom zodanig dat enige grenzen mogelijk zijn verlegd.  In de stadsrekening van 1538 vermeldt men de aanleg van eens straat­kelder waarvoor aan de stad 6 pond, 14 stuivers en 6 denieren worden betaald en een jaarlijkse cijns van een 1/2 oude groot[19].

 

3. De verdere geschiedenis van Bonte Coe en Lintworm

 

Op 14 oktober 1562 verkoopt Fernando's zoon, ook Fernando de Bernuy geheeten, de Bonte Coe samen met de Lintworm aan de lakenkoop­man Andries Snel­linck die juist zijn andere eigendom, het Bont Calff, had verkocht.

 

We noteren hier integraal de volledige beschrijving omdat het duidelijk is dat de de Bernuys en hun opvolgers ongetwijfeld van het bezit van de twee huizen hebben geprofiteerd om een herverkaveling en gedeeltelijke herbebouwing door te voeren: “... twee huysen neffens een gestaen ende daer aff deene genaempt is de bonte Coe ende dandere den lindtworm met packhuysen, cameren, keuckenen, borneputte, regenbacke, kelderen, stalle...”, met servituden t.o.v. de Moerboom die nog eigendom was van Fernando de Bernuy, “... met oick den vuytgange achter lanckx ende over derve ende huysinge genaemt den rooden Schilt, opde oude Corenmerckt alhier gestaen gelyck dyen by hem erfgeveren ende zijne ouders gebruyckt is geweest met noch eenen grooten ende langen gange, ende der poorten vander voirs. huysinge genaempt den lintworm inde hoochstrate alhier vuytcomende, ende  van welcke gange men dlicht dwelckmen aldaer nu ter tyt ter ervewaerts des voirs. hier neffens westwaert gelegen scheppende is, tot egheene daghen betimmeren, bemetsen verdonckeren oft benemen en sal moegen in eeniger manieren...”, gesitueerd in de Hoogstraat tussen het Bonte Calff en een ander huis dat de Bernuy nog behoudt en dat hij van de Lintworm heeft afgespleten en dat hij nu verhuurt aan Joris Deyns. Ook hier is er bijgevolg sprake van gemeen­schappelijke muren. Het huis dat de Bernuy jr. dus van de Lintworm heeft afgesplitst is de Walvisch, het huidige nummer 25[20].

 

Op 1 oktober 1580 verkoopt Andries Snellinck aan de koopman  Abraham vander Veken en Anna Faus de twee huizen (Bonte Coe en Lintworm) met alle servituden zoals voorzien in de vorige akte[21]. Volgens de cohieren van 1579 tot 1585 werd de Bonte Coe, huurwaarde 150 gulden, verhuurt in 1579, na tijde­lijke leegstand, aan Aert Raesen, vanaf 1584 zeker aan de bereider Peeter van Ophem alhoewel in 1584 ook de naam van de laken­koopman Wouter Reyns valt. Vast staat dat zowel Andries Snellinck als Abraham vander Veken de Lintworm, huurwaarde 300 gulden, zelf bewoond hebben. We vernemen trouwens op die wijze dat vander Veken 'sargie ende tyck vercoopere' was. In het cohier van 1586 zijn er noch in de Lindtworm, noch in de Bonte Coe, huurders ingevuld[22].

 

Op 22 november 1600 doet de inmiddels weduwe geworden Anna Faus samen met haar kinderen en haar tweede man Dierick de Moy afstand van haar huizen ten voordele van de schuldeisers. Dezen verkopen ze op 3 augustus 1601 voor een erfrente van 637 gulden per jaar aan de lakenkoopman Cornelis Bosschaert. Dit bedrag kwam overeen met de renten die erop drukten. In de beschrijving is er één bijzonderheid: de Lintworm grenst aan de Walvisch met gemene muren “... totten waschkeuckenen toe vanden voors. Lintworm dwelck eertyden eenen stal is geweest...”[23].

 

De kinderen van Cornelis Bosschaert en Clara van Valckenborch: Adriaen, Anna, de weduwnaar van Clara, Wouter, Cornelis en Peeter Bosschaert verdelen de erfenis op 16 april 1635 zodanig dat Wouter 5/6 van de twee huizen die gezamenlijk geschat worden op 22.975 gulden kan aankopen. Het overige zesde had hij al. Men voorziet dat Adriaen tot St. Jansmis 1637 de Lintworm mag blijven huren en dat hij bij zijn vertrek zal “... mogen vutbreken ende naer hem nemen het coperen forneys inde achterceucken alhier staende, dwelck hy becostigt heeft, maer de gereetschappen vanden winckel en[de] alle tgene inde voors. huyssinge eertvast nagelvast ende wortelvast is mette twee yseren latten inde schouwe staende, sullen de voors. cooper volgen...”[24].

 

Wouter Bosschaert heeft zijn reeds uitgebreide eigendom nog verder kunnen vergroten door op 5 april 1642 van Notaris Louis vanden Berghe, eigenaar van den Rooden Schilt op de Oude Koornmarkt te kopen: “Eene groote achterhuy­singe eertyts eene stal­linge geweest hebbende, metten cleynen stalle oft huyskene ende plaetse, hem bestrec­kende ende com­mende tot op thien voeten naer binnen smuers aldaer te trecken (in gevolge vanden accorde tusschen partyen gemaect) aende huysingen die den voors. vercooper alnoch behoudende blyft, ende waervan dese vs. v[er]cochten huysingen ende plaetse op nu gespleten wor­den...”.  Het verkochte wordt gesitueerd achter de Rooden Schilt, tussen de Cluyse en de eigendommen van Wouter Bos­schaert en van de weduwe van Michiel Verhagen (d.i. de eige­naar van het Gulden Schilt)[25]. Dat in dit mooie pand Wouter Bosschaert overleden is staat wel vast. Zijn boedel werd er in februari 1657 opgemaakt (zie bijlage).

 

In het belastingcohier van 1659 worden de Bonte Coe en de Lintworm ondergebracht in één rubriek zij het met twee aparte woningen: naast het Bont Calff is er dus de Bonte Coe, huur­waarde 300 gulden, voorzien van zes schoorstenen, daarnaast de Lintworm, huurwaarde 400 gulden, voorzien van zes schoorste­nen. Met die 400 gulden staat de Lintworm in het stuk Hoog­straat dat wij hier beschou­wen samen met de Halle van Armen­tières aan kop. Huurders zijn Guilliam en Hendrik Mols[26].

 

De familie Bosschaert woont er dus duidelijk niet meer en dit is niet onlogisch want op 7 september 1661 wordt de erfenis van Wouter Bosschaert verdeeld. Wat blijkt nu? Wouter heeft twee vrouwen gehad die allebei Maria de Groot heetten, de eerste was een dochter van ene Balthasar de Groot, de tweede dochter van Henrick de Groot. Van de eerste had hij drie kinderen: Maria, Wouter en Balthasar; van de tweede vijf: Sibilla, Jacques, Catherina Maria, Catherina en Marian­na. Het zijn deze laatsten die de nieuwe eigenaars van de huizen aan de Hoogstraat worden[27].

 

Bij het opmaken van het cohier van 1667 werden mogelijk de Lintworm en de Bonte Coe door elkaar gehaspeld. Naast het Bonte Calff bedraagt de huurwaarde nu 350 gulden, huurder is ene Balthasar Forment, terwijl naast de Walvis de huurwaarde plotseling nog maar 250 gulden is. Bewoner aldaar is een mysterieuze: ‘Den Broeder munter’.  In 1672 is er nog maar één huis ‘De Lintworm’ met een huurwaarde van 600 gulden (een topwoning dus!) en dat werd gehuurd door Bartholomeeus van Ceulen terwijl de naam van Sebastiaen Gysbert staat doorge­haald[28]

 

De vijf voornoemde kinderen van Wouter Bosschaert verkopen alles op 28 april 1681 aan de koopman Emanuel vande Kerckhove. In de beschrijving valt er één zaak op: zowel de Bonte Coe als het achterhuis dat werd afgesplitst van de Rooden Schilt zijn nu “... tsaemen tot de vs. huysinghe den lintworm geapprop­rieert...”[29]. Dit blijkt ook uit het cohier van 1682 waarin we nog maar één duidelijke rubriek voor de Bonte Coe en Lintworm aantreffen: De Lint­worm, huurwaarde 600 gulden, en bewoond door Heer Joannes Kerckhoven. Als dusdanig was de Lintworm nu veruit het duurste pand binnen het hele huizenblok geworden[30]. Bewoner in 1689 is nog steeds Joannes [vande] Kerckhoven en zeker in 1704 Franciscus van[de] Kerckhoven, maar er staat ook ‘modo den hr. priester’ en in 1708 is Emmanuel Kerckhoven, een pries­ter, de bewoner[31], twijfe­loos te vereenzel­vi­gen met E.H. Thomas Emanuel vande Kerckhoven wiens erfgena­men op 25 augus­tus 1723 het domein nog maar wat uit­breiden door er de Walvis (Hoog­straat 25) bij te kopen[32].

 

Onder die erfgenamen zijn er een paar zeker het vermelden waard: Ignatius Benedictus vanden Kerkhoven, die raad en auditeur van de rekenkamer in Brabant was, en Jonker Francis­cus Hyacinthus Schockaert, meier in Brussel. De laatste erfgenaam was Mijnheer Johannes Daniel Antonius Schockaert, Ridder van de Raad van Staet en kanselier van Brabant. Hij verkoopt alles op 17 augustus 1753 aan Maria Anna De Wilde, de weduwe van Henry Gysels die 18.000 gulden neertelt[33]. Zij gebruikt Lintworm en Bonte Coe volgens de volkstelling van 1754 om er een wijnhandel uit te baten. Er wonen ook nog Juffrouw Elisabeth Door, 2 knechten en één huismeisje[34].

 

Ook in haar testament d.d. 8 januari 1765 vinden we duidelijk de sporen van de aktiviteiten die ze in de Hoogstraat uitoe­fende en de redelijke weelde waarin ze zelfs op haar ziekbed leefde: naast een massa geld aan 3000 zielemissen geeft ze bij haar dood o.m. 50 pond aan Augustinus de kelderknecht, 25 pond aan haar dienstmaagd Thérèse, 25 pond aan Juffrouw Pezyn, wiens vader brouwer was in de ‘Half Maan’, 10 pond aan Pater de Dobber, s.j., haar biechtvader en 10 patacons aan de zwart­zuster die haar verzorgt. Bovendien moet ‘S[eigneu]r Jennie’ na haar dood de negocie blijven drijven en dit gedurende minstens één jaar en zes weken met het huispersoneel zoals het altijd geweest is. Voor zijn moeite wordt Seigneur Jennie bedacht met 50 pond[35].

 

De rest van de erfenis van Maria Anna de Wilde belandde na haar dood in de handen van haar nicht Maria Anna Clara de Wilde die gehuwd was met de steenrijke wijnkoopman Ferdinand van Pruyssen, eigenaar van de Grote Gans op de Oude Koornmarkt die op deze wijze zijn wijnhandel nog verder kon uitbouwen. Na de dood van het echtpaar van Pruyssen werd de oudste zoon Ferdi­nand Carolus op 2 september 1789 eigenaar van de Bonte Coe, de Lintworm en de Walvisch, die hij al een hele tijd bewoonde, terwijl de Grote Gans naar zijn broer en zusters ging[36].

 

 

Vanaf 1838 tot een heel eind in de 20ste eeuw werden de panden Hoogstraat 21 - 23 gebruikt door wijn- en likeurhandelaar Nihoul-Meugens en zijn opvolgers van de familie Vanden Bus­sche.  In 1898 vernemen we dat de gebouwen als volgt gebruikt worden: het pand nr. 21 vormde één geheel met het huidige nr. 19 A (Bont Calff).  Hier bevond zich effectief een likeurhan­del.  In het huidige nr. 23 en 25, bevond zich een beenhouwe­rij.  We weten echter uit een brochure van Mihoul-Meugens uit het begin van de XXste eeuw dat de hoofdgebouwen zich inder­daad in het pand Hoogstraat 21 bevonden maar dat zij over kelders beschik­ten in de onmiddellijke omgeving: Hoogstraat 23, 25, 31, 35 en 43, en ook elders in de stad: Grote Koraal­berg 6, Hofstraat 12 en Kaasstraat 8.  Zij konden er 3000 tonnen en 400.000 flessen wijn opslaan en er werden 25 arbei­ders tewerkgesteld.  Direc­tie en bedienden bestonden uit een tiental personen[37].

 


 

[1] F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 3, Antwerpen, 1977, p. 385.

[2] F. Prims, Op. cit., p. 426.

[3] SAA, SR 3, f° 48 v°; zie ook f° 35 v°.

[4] SAA, V 1981, f° 72 v°; f° 107 v°; f° 118 v°.

[5] SAA, Losse Schepenbrieven, kopie gepubliceerd in: F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 4, Antwerpen, 1980, afbeelding 590.

[6] SAA, Losse Schepenbrieven, kopie opgenomen in: F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 4, Antwerpen, 1980, afbeel­ding 596; SAA, SR 32, f° 616 v°; SR 37, f° 131 v° - 132 r°.

[7] SAA, SR 41, f° 72 r.

[8] SAA, SR 132, f° 5 r° - v°.

[9] SAA, SR 315, f° 145 r° - v°.

[10] F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 3, Antwerpen, 1977, p. 385, 389 en 426; SAA, V 1980, f° 45 v°.

[11] SAA, V 1981, f° 37 v°.  In een rentenbrief van 1431 blijkt Claus te beschikken over twee huizen tussen de Bonte Coe en het Sarazijnshoofd: SAA, SR 18, f° 337 r°.

[12] SAA, SR 32, f° 616 v°; S.R. 36, f° 120 r°.  Douwe is nog steeds eigenaar in 1449: SR 42, f° 6 r°; SR 33, f° 154 r°.

[13] SAA, SR 41, f° 36 r°.

[14] SAA, SR 94, f° 251 r°. Rentenbrieven (ook tussen de familie Pot) i.v.m. dit huis: SR 91, f° 29 r°; SR 93, f° 142 r°; SR 94, f° 29 v°; huwelijkscontract van Jan de Purefite en Katline Losquels van 10/08/1454: SR 48, f° 229 r°.

[15] SAA, PK 2263, f° 522 r°. Zie ook SR 125, f° 82 v°.

[16] F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol. VI A, Brussel, 1982, p. 319; SAA, SR 104, f° 204 r° - 206 r°.  Janne de Contre­res, ‘coopman vande natien van Spaengien’ kreeg het huis onder de voorwaarde dat het 10 jaar lang niet mocht verkocht of gehypotheceerd worden en indien de natie zou vertrekken neemt de stad het terug mits betaling van de onkosten die de Contre­res zou gedaan hebben.

[17] SAA, SR 118, f° 258 r° - v°.

[18] SAA, SR 135, f° 106 v°.

[19] SAA, R 10, f° 44 v°.  Deze straatkelder was ons ook al gesig­naleerd door Georges Troupin.

[20] SAA, SR 291, f° 281 r° - v°.

[21] SAA, SR 363, f° 244 r° - 245 r°.

[22] SAA, GA 4833, f° 107 v°; R 2330, f° 3 v° - 4 r°; R 2221, f° 2 r° - v°; R 2238, f° 2 v°; R 2498, f° 3 v°.

[23] SAA, SR 441, f° 160 r° - 161 v°.

[24] SAA, SR 628, f° 237 v° - 239 r°.

[25] SAA, SR 670, f° 324 r° - 325 r°.

[26] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­fo­lieerd.

[27] SAA, SR 762, f° 79 r° - 86 v°.

[28] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 44.

[29] SAA, SR 892, f° 222 r° - 223 v°.

[30] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 v°, nr. 43.

[31] SAA, GA 4832, f° 135 v°, nr. 43; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, 3de wijk, 2de kapitein, nr. 43.

[32] SAA, SR 1077, f° 74 r° - v°.

[33] SAA, SR 1184, f° 321 r° - 324 r°. Reciproque testament van het echtpaar Ghysels- de Wilde d.d. 11 december 1714: N 1918 (notaris J.J. Haeckx), jaar 1714, f° 187 r° - 188 v° en 197 r° - v°.

[34] SAA, PK 2561: Volkstelling 1755 Ie - 4e wijk, p. 441, nr. 36.  Hoewel de meerseniers haar nog in 1765 een theewinkel toedich­ten (GA 4220).

[35] SAA, N 641 (notaris C. Corvers), f° 2 r° - 5 v°.

[36] SAA, SR 1302, f° 204 v° - 211 v°. Het testament van zijn moeder d.d. 21 maart 1782 zegt overigens dat hij of zijn weduwe na de dood van zijn moeder nog minstens twee jaar in ‘het huis in de Hoogstraat’ zullen mogen blijven wonen. Over welk huis het juist gaat is onduidelijk maar gezien de levens­stijl van de familie van Pruyssen mag men veronderstellen dat Ferdi­nandus Carolus de drie huizen als één geheel bewoonde en gebruikte, mogelijk deels ook als werk- en stapelruimte van de wijnhandel. Bron: N 968 (notaris E. J. de Quertenmont), ongefolieerd, akte nr. 68.

[37] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 21-25); brochure firma Nihoul-Meugens, opvolgers: Van den Bussche & Fils, s.l.n.d. [na 1907].

 

Bijlage: Inventaris van de goederen van Wouter Bosschaert begonnen 7 februari 1657 en beëindigd 21 februari 1657

 

Bron: SAA, N 3017, ongefolieerd (in 7de bundel van 1657).

Reeds gedeeltelijk gepubliceerd in:

E. Duverger, Antwerpse kunstinventarissen uit de zeventiende eeuw, vol. 7, Brussel, 1993, p. 309 - 311 (nr. 2131)

Opgemaakt door 2 notarissen: G. Le Rousseau en A. Sebille

 

Personalia: Wouter Bosschaert was gehuwd met Maria de Groot en het is op haar verzoek dat de boedel werd beschreven.

 

Nota: gezien de grootte van de boedel werden afkortingen zondermeer opgelost zonder dit met vierkante haakjes [] aan te duiden.

 

Opde achterscheirsolder

 

Een partye oudt yser wat blecke buysen ende een wthangyser

dry ysere boghen van een yser, wthangbert met noch een yser,

een quaet vogelhuys

vier yseren latten ende vier vogelysers

twee heircleeden, canefas cleederen

twee schraege met een palleyseel,

 

Opde achter nedersolder

 

Twee wtslaentaeffels met twee herthoute schraegen,

een groote kiste

Twee rollen causbaeyen

een blauwe lynwaeten sack met een gordyne

een partye geverfde vellekens met een stucxken goude leider,

een kistken met wat pack cleedekens

een weeckhoute packkiste

een vaubert met een ront mandeken

een weeck tredeken met een deel pack cleedeeren ende wat rommelinghe,

eenen blauwen blauwelsteen

 

Opden corensolder

 

drye lynwaetbaelen

een partye coren van thien a elff viertelen

een herthoute bedtstede met eenen dryvoetstoel

twee corenschuppen ende drye berdekens met een wande

een bauwen wieltken, een deel cooren, twee siften

ende een deel canefassen packcleederen

 

opde boven camer aenden hoff

 

twee geslepen brantysers ende twee geslepen tuymelaers

een tanghe

een herthoute cleercasse met vier deuren,

een noteleire ledicant met een groen laecken behanghsel met groen frenien sargien ende taeffelcleedt van tselve

een bedde met een hooftpeluwe ende stroye matras,

een root stammette beddecleedt

een wttreckende taeffel met een schabelle ende schemelberdeken

Elf spaensche leire mansstoelen met twee kinderstoelen

een trype sittecussen

een spiegel met een ellelyste

een cleerbessen met een silvere plaete

een partye goude leider darmede de vs. camer behangen is

ses ysere gerden met geil saye gordynen

een manneken met plaester

een hollantsch buffet van ebbenhout met roosen houdt ingeleegt

twee abasten figuerkens ende een mandeken van geleys

 

een oorcussen ende vier lendencuskens

twee wolle oorcussens met twee lendencuskens

een groen stametten taeffelcleedt

een tapytten sittecussen

een roode spaensche sargie

een roode indiaensche culcke

een rood dammasten behangsel met syde freynien ende schoucleet I spreycleet ende taeffelcleedt vant selve

een root ende geil gesteken culcke

een tappytte schouwcleedt met syde freynien

vier groen armosyne gordynen

ende noch thien ellen vant selve

een groen fluweelen buffetcleeken

een goude laekene wambusch met sessendertich gegoten gouden cnoppen

eenen rooden fluweelen camcoker met silver geboiret

eenen cam met silver beslach

eenen cleerborstel met root fluweel becleet ende cant geboort

een spiegeltien vant selve

een roode fluweele muts met silvere gallen geboort

een spellecusken ende een baert borstelken vant selve

een pannen nacht packet

eenen cam borstel vant selve

twee muylen oick vant selve

een conterfeytseken vande prince cardinael van syde gemaeckt

een ammelaeken 2 1/2 ellen breet gesaeyde rooskens

drye dosyne servetten vant selve

vier dweylen vant selve met canten

een ammelaeken lanck acht ellen vant selve

noch een ammelaecken lanck seven ellen oock vant selve

ses dosyne servetten vant selve

naoch een dosyn wat grover,

drye ammelaekens panne, elck van vyff ellen

neghen ammelaekens van twee ende halff ellen panne

noch een ammelaecken gesaeyde rooskens van 2 1/2 ellen

drye dosyne servette pannen

noch drye dosyne panne servetten

noch een dosyn servette panne fyn

vier fyn servetten

drye dwelen met canten servet

een hantdoeck

 

een ammelaeken roosencrans lanck thien ellen

noch een ammelaeken roosecrans van bruxelle

noch twee ammelaekene roosecrans van 2 1/2 ellen

een dosyn fyn servetten

drye bruydegoms hemden met canten

noch drye bruydegoms hemden

eenen scheirmantel met canten

een spreycleecken van nyvels doeck

ses mans slaepmutsen met canten

noch vyff slaepmutsen

drye neusdoecken met canten

noch tweelff mans slaepmutsen

drye dwelen met cant gesaeyde rooskens

eenen dwel fyn panne

noch drye dwelen roosenhoet

noch drye graue dwelen

twee fyn nachtpacketten met canten

noch een panne

 

Inde groote neercamer

 

twee tuymelaers met copere cnoppen

een copere schuppe ende tanghe

twee copere brantysers

een wttreckende taeffel met een trypen cleedt ende een leiren cleedt

een paryssche banck met een weeck banck

achthien spaensche stoelen met root laecken

neghen leunstoelen vant selve

een partye tappyten daer mede de vs. camer behanghen is lanck omtrent hondertvyffentsestich ellen

 

Int waschuys

 

een hanghyser met een deel ceuckengetuych

 

Int packhuys

 

een cleerschappraye met een deel packtonnen

een sledde, wecken backen ende andere prondelingen,

een partye packcleederen ende cooren

 

Inde stoffcamer

 

een partye goude leider daermede de camer behangen is,

een ronde taeffel met een leir cleedt,

een ysere stove, een rontvieryser

een spiegel

twee paryssche bancken

een hert schappraeyken

een claversimbel met den voet

vier spaensche stoelen ende ses houte stoelen

 

elff diversche schilderyen soo van momper als andere

drye lessenaers

vier gemeyne sittecussens

 

Int saeltken

 

een ysere vleescrone

twee capstocken ende eenen herten lichter

een bouchetsken ende vegerstock

 

Inde eetcamer

 

een mertyser twee cruycxkens

een blaesbalck schuppe ende tanghe

een blau stametten schutsel

een ront taeffeltken met een carpetten ende leiren cleedt

een spiegel met een swerte lyst

een schyfftaeffel met een blauw laecken ende een leiren cleedt

een paryssche banck met een wit bert

een partye goude leider daermede de vs. camer behanghen is

vyfthien parysche leiren stoelen soo voor mans als voor vrouwen met een een stroye

Tweelff sittecussens

een schencktaeffeltken

een schilderye voor de schauwe

een slaepbancke

twee hollantsche porsseleyne commen

 

Inde slaepcamer

 

twee geslepen brantysers ende twee tuymelaers

een copre blaker, ende een schuppe, eenen schauwdoeck

drye camer matten

een halff tresoir

een camerstoel met een tennen plecke

een schabelle met een schenckberdeken

een contoir I taeffel met een blauwcleedt

een noteleiren ledicant met een blauw stametten behanghsel ende spreycleed

een blauw ende twee witte spaensche sargien

drye oircussens

een bedde hooftpeluwe een wolle ende een stroye matras ende een bedde cleedt

een partye tapisserye daermede de vs. camer behangen is,

 

een trypen taeffelcleedt

een rolle coetsken

een witte ende blauwe sargie

een bedde twee hooftpeluwen ende stroye matras ende een beddecleedt

een yseren geltkiste

vyff spaensche stoelen met blauw laecken becleedt

een cleyn hollantsch cabinetken met een cleeken

een scribaentken met schiltbadden ingeleyt

een crucificx met een houte goyken

een schilderye voirde schauw van een blommencrans ende kinder­kens

noch een schilderye lantschap

noch een schilderye kinderdansken

noch een schilderye van eenen noot godts

een kinder beddeken twee witte sargien met een oorcussen

 

Int cleyn comptoirken

 

een partye venetsche gelaesen met wat porsheleyn

een steenen stoope met wat aerdewerck

2 blecke oblyecorfven met 2 copere ballansen

vierentwintich taeffelmesschen met silver bandekens wat doosen ende rommelinghe

 

Inde groote ceucken

 

een herte rechtbancke met een wecke

een herte potlyste

een cokenschappraye met vier sloten

een schabel taeffel

een servetpersse met de schappraye

eenen dwelier

negen houten soo stroye stoelen

een stametten schauwcleedt met een servette schutselken

een trommel spit

een latte twee hangels met twee forneysen

twee brantyserkens twee ceucken schuppe ende tanghe

drye roosters met twee potheysen

drye copere vierketels

eenen grooten hespketel met twee cauffoiren

een coperen watereemer ende een coperen mercteemer

twee coperen ketelkens

 

een coperen lanterne

een root coperen keteltken met noch een coperen cauffoir ende een candeler lichter

twee boter pannen van coper

noch eenen cleynen coperen hespketel

acht copere lichters

neghen coperen candelaers

eenen coperen mortier met stamper

een coperen lichterken

een coperen braetpanne

sesthien steene drinckpotten

vyff snutters

vyff blecke potschelen met een ysere druypelepel

twee tennen suypecroes mostaertpot ende soutvat

acht tennen waterpotten

drye tenne spauwbecxkens

een tenne lampet met de pot

twee tenne vischtailloiren

vier tenne commekens

vierenveertich tennen tailloiren wegende 11 ponden

ses tennen saucieren

ende vyftich tennen schotelen soo groote als cleyne wegende tsamen 165 1/2 ponden

een spiegeltken met een ebbenhoute lyste

een schilderye van een ceucken voor de schouwe

ses blecke schoteldecxels met een deel cleynicheyt

vyff stryckysers

 

opde plaetse

 

een partye aerdewerck

een partye bleckwerck

een tennen cnaep met twee houte eemers

wat mercktcorfven cherfbert ende wat cleynicheyt

vier cooperen ketels

drye vischpaenen met een eyerlepel

ses ysere potten soo groote als cleyne

een coperen vleeschpot ende panneken

twee copere vierteylen

een tenne tresoir ende wat hollantsch porsseleyn

een potlyst ende een druyplepel

 

een coperen toertpan terseypen ende een lanterentken

een tennen treft met een cleyn toertpanneken

 

Inden baeykelder

 

een herthouten tooch oft winckelcomptoir

twee weecke taeffels met wat berders

een houte ballans met eenen stoel

een partye gewicht van yser

 

Inden achter kelder

 

een aanguerende maillie ende syn gereetschap

seven wastobben soo groote als cleyne met twee stellingen

omtrent een meuke terwe

een ysere stove

een partye oude steen met een saghe en een yseren heurder met wat rommelingh

een lamoen boom ende wat rommelinghe

 

Inden  kelder aende straete

 

twee bordissen van taefels

een wiegschappraey

een santtonne met wat cleynicheyt van tobbekens

een raeprooster met een taertpanneken

twee ysere pannen ende twee stene pottekens

een partye aerdewerck

drye groote stellingen ende vyff ondervaeten

vyff olie oft wynpijpen

 

Inden wynkelder

 

twee botercuypen metten voeten

een weeckhoute casken met wat aerdewerck ende gelaesen fvlessen

twee bierstellingen ende twee quarteelen

een vultressoir

een herthoute schutsel ende een quade raem

 

Inden boterkelder

 

twee botercuyppen een kerskist een casken ende wat clynicheyt

 

Inden kelder onder de ganck

 

een partye tichelen met een astonne

 

Int comptoir

 

een yseren geltkiste

twee hooghe en twee leege spaensche stoelen

drye sittecussens

eenen inckcokers ende twee lessenaers

een briefcasken met wat clynicheyt

 

een hert comptoirken metden voet

een coperen sygeltschupken ende bluspot

ses goutgewichten

een yseren schuppe ende tanghe

twee groen gordynen met yseren geerden

 

Inde Ceucken bevonden het naevolgende lynwaet

 

Vierentwintich ammelaekens lanck ider twee [ende] halff ellen

vier dosyn gemeyn servetten

tweelff richtbanck cleederen

eenen dweil ende een cleyn ammelaeken

vierthien hantdoecken

tweelff cleyn kinderservetten

noch tweelf servetten venetsch werck,

achthien grove ammelaekens,

achtentwintich grove servetten

veerthien dunne hantdoecken

ende noch acht grove

24 kinderhantdoecxkens

vierentwintich witte bedevoorschoyen

thien blauw bedevoorschoyen

drye swerte saye faillen

noch vier saye voirschoyen

een kinderbeddeken, een wieghcleedt

een oircussen ende twee cleyn sargien

 

boven het washuys

 

een wynkelderken ende eenen yseren mortier metten stamper

een tenne flessche ende een lanterne

ende eenen coperen vleespot

een coperen confituurbecken

een coperen stoelbecken

een ysere orlogie met syn toebehoorten

wat rommelingh vier tonnekens ende wat laeykens

 

opt schryffcamerken

 

een schryfftaeffeltken

een hert schutseleken ende een schabelleken

vyff stroye stoelen

een noteleiren cabinetken

een ledicant een wage schot met een indiaensch behanghsel

 

een roode sargie, een bedde cleedt

een bedde met den hooftpeluwe ende stroye matras

een rollecoetsken met een stroye matras

een schilderye lantschap van momper

een schilderye corven salieken

een blauw stanette schouwcleeken

 

opde camer vande sone

 

een herthouten tresoor

een herthouten ledicant met een groen sayen behangsel

drye sargien

een bedde met den hooftpeluwe ende stroye matras

een schyfftaeffel met een heurde ende twee borstels

twee schilderyen, eenen noot godts ende een mariebeldeken

een veltcoetsken

twee swette sargien ende een groen

een bedde met den hooftpeluwe ende een root beddecleedt ende stroye matras

twee stoelen met een camermatteken naymande ende doose

 

opt boeckcamerken

 

een leiren mael

twee sackpistolen ende twee rypistolen ende een rapier

twee roers snaphaenen

eenen herbarius twee legentboecken ende verscheyde andere leesboecken

twee globussen oft sphera mundi

een weecke casse

twee weecke kiste met een cofferken

eenen lessenaer ende een tonne met wat rommelingh

een partye ongebonde boecken in folio aende afflyvige in schult overgelaeten ende waer van authuer is pater elias de santa teresa ende heeft voor tytel legatio ecclesiae triumphantis etc

 

opde bovenste voorcamer

 

een herte cleercasse met twee deuren

een oorcussen

twee blauw lynwaete sacken

een partye goude leider

drye weecke cassen met wat meskens

een hertkistken

een coperen cauffoirken

 

een ledicant met een stroye matras

twee veltcoestkens met een stroye matras

een vier yser met twee camer mattekens,

een groen stannetten schutsel met vier deuren

een blauw stannetten schutsel met ses deuren

een tennen vierschutselken met een yseren spil

een kinderbedttaeffelken

een verkeerbert met syn stecken

twee geute stofkens met een casken

twee blecke seghen

een schilderye lantschap voorde schauwe

een weecke casse met een copere lanterne

een paer lerssen ende eenen capstock

een tenne wieghe I setel ende baeckelcorff met een sittecussen ende een cleecken

 

Opt cantcamerken

 

Elff sacken cochenille

niet geschat ten dese voor --------------- memorie

een schyfftafel met een cleeken ende eenen houten stoel

een weecklaeyken

 

opde voorcamer aende straet

 

een herthoute cleercasse met vier deuren

een coffer met yseren banden met syn voeten

een trypen taeffelcleedt

vyff spaensche stoelen

vier tapyten sitte cussens

een comptoirtaeffel met een carpetten cleedt

een spiegel met een fluweele caste

een borstel met een silvere plaete

een paryssche bancke

een schabelle met een schenckberdeken

een cofferken met vergulde banden

een noteleiren casken

een noteleiren ledicant

een bedde met de hooftpeluwe

een bedde cleedt

een stroye matras

een schilderye voorde schouwe vande vyff gerste broykens

twee abaste figuerkens

een leiren coffer met nageltkens

een camer matte

een camer tapisserye

noch een stucxken looffwerck tapyt met wat trype passtucken

 

een groen lynwate gordyne met een ysere geerde

een taffenellen mantel met pan gevoedert

een fluweelen cleedt met garnis[s]e[ment] geboort

een riesfluweelen cleedt vol garnis[s]e[ment] geboordt

seven paer mouwen soo geborduert, van pan sattyn als andere stoffe

een swerten laeckenen mantel met fluweel gevoedert

een swert sattyne cleedt met cant geboordt

twee swerte laeckene mantels met bay gevoedert

eenen swerten enckele laecken mantel

twee slechte mans swerte pannen cleederen

noch eenen swerten laecken mantel met pan gevoedert

drye paer roosen

een swerte caffa broeck

een blauw damaste ondercleedt met veertich gegoten gouden cnoppen

een kemels haeren mansbroeck met een justaccort

een mantel gevoedert met armosin tabin

eenen mantel van poil de soye

een coleuren kemels haeren cleedt met een ....

een mantel met noch een oudt wambois

een swerte laeckenen cappot met fluweel gevoedert

eenen dobbelen bayen mantel

een coleurlaeckenen cappot met een broeck ende wambois

een coleurlaeckenen cappot met pan gevoedert ende cnoppen van goudtdraet

drye baye rauw mantels met een baye cassacxken

een paer engelsche rycoussens

vyff paer witte ondercoussens

drye paer swerte ende twee paer coleure sydecoussens

een paer fyn slaeplaeckens van twee breeden

noch thien 1/2 paer fyn laeckens van twee breeden

noch seven paer laekens van twee breeden

noch vier paer laekens van twee breeden

noch drye paer laekens van twee breeden

ende twee paer laekens van twee breeden smal lynwaet

vier nachtpacketten oft dwelen met canten

twee paer flowynen

vyff cleyn flowynen

twee paer groote ende twee paer cleyn flowynen met tussenbet

noch neghen paer flowynen

 

vier paer cleyn flowynen

een paer laekens van twee breeden

ses witte voirschoyen

een blauw stammetten wieghcleedt met wat wulle lapkens van kintsdinghen

vyfthien vrouwe hemden

acht nachthalsdoecken

seven witte voorschoyen met canten

tweelff witte voorschoyen sonder canten

drye witte lyffkens met twee onderbroecken vant selve

achthien vrouwenondersten

negenthien vrouwen huyven

veerthien snutteldoecken met canten

een gesteken schaeldoeck met een partye kintsdinghen ende craghen

tweelff kinder garndekens, veerthien begyntkens

ses lynwate kintsdoecken, ende ander cleynicheyt van kintding­hen

een rol windel

omtrent derthien ellen swerten taff

een gebboirt tabbinen slaeplyff met een paer citroenen satty­nen mouwen

een nachtmantelken in geblomt tabbin met citroenen pan gevoe­dert

een geblomt sattynen kindermantelken met citroenen pan gevoe­dert

[doorgehaald: een wullen kintsdoeck met twee silveren gallen geboort

drye paer hantschoenen

een witte wulle kintsdoeck

23 kinderbedtservetten

24 groote kintsdoecken]

dryentwintich kinderservetten

tweelff groote kintsdoecken

 

opde camer boven het comptoir

 

een hert pickeltaeffel met een carpetten cleedt

een rol cammer matten

twee biese stoelen met een setelken

een rolle coetse

een bedde metden hooftpeluwe ende overtrecxsel

een blauwe sargie

een stroye matras, ende een wolle matras

een selert ledicant

een bedde met den hooftpeluwe ende overtrecxsel

 

noch een hooftpeluwe ende een stroye matras

een oorcussen

een lynwaete gordyne

een marienbeldeken

een kinderdonsbeddeken

 

opde kindercamer

 

een laeckenen nachttabbaert

een witte ende groen sargien

een bedde ende hooftpeluwe ende een beddecleedt

een stroye matras

een rolle coetsken met een stroye matras

een bedde ende hooftpeluwe met een wit bedde cleedt

een blauw ende witte sargien

een groote wiege

een kinderbeddeken ende een oorcussen

een blauw wiegcleedt

drye kinder sargien

twee brantysers een tanghe ende tenne cruxkens

een coperen blaecker

een kinder pixsken

een blaesbalck

een saye schouwcleedt

een weecken kackstoel

noch seven stoelen ende een keersback

 

Opden ganck

 

een schilderye bancket ende een vogelhuys

een hert halff casse met twee sloten ende een carpetten cleeken

een paryssche bancken

een stroyen stoel

twee ende een stramyne huycken met een grove taffe voirschoyt

een wecke kist, mande ende een veiger

ses nieuw gemeyn hemden

noch tweelff mans hemden wat beter

noch tweelff nieuwe mans hemden

acht witte slaeplyven ende acht onderbroecken

thien nieuw lynwaete slaepmutsen met canten

ende ses dobbel witte ende ses gebreyde slaepmutsen

achthien neusdoecken met eeckelen

twee groote ende drye cleyn scheirdoecken

elff mans kraegen sonder canten

acht paer spunele? ondercoussen

een paer lynwaete socken

 

seven camerycxe craegen met canten ende vyff sonder canten

met 24 paer poignetten soo met als sonder canten

een paer slaeplaeckens de opslach met cant

vyer ammelaekens gesaeyde rooskens, drye van drye ellen ende een van vier ellen

twee ammelaeckens gemeyn venetsch

drye ammelaekens van drye ende halff ellen

noch een van drye ellen met een oudt ammelaexken

dryeendertich servette panne

tweelff lange hantdoecken

drye ammelaekens gemeyn met eenen langen hantdoeck

een nachtpacket met spickens ende drye gemeyne servetten

een rechtbanckcleedt met eenen dweil met canten

noch drye dweilen met canten

een groen stanetten behanghsel met syde frenien ende drye vergulde toppen ende een taeffelcleedt

een blauw stametten taeffelcleedt met een syde cantken

een root gewatert armosynen behanghsel

een carpetten taeffelcleedt

een paer syde ende twee paer saye coussens

een paer gespen met silver beslaghen

een wieghcleedt met een schauwcleedt

drye trype lappen met twee carpette cleekens

een blauw schauwcleedt met noch een gestreept

een blauw stammetten behanghsel met syde frenien met een blauw spaensche sargie

een groot oorcussen met ses lendecuskens

drye sargien een roode witte ende groen

een coperen becxken

een tennen croesken met wat tenne forchetten ende lepels

een raspe

een partye porsselyn te weten lampet schotelen ende tailloiren

een rolle stramyn

eenen lap root vriesch

eenen lap swerten baey overhuycken

noch twee lapkens vaeyer baey

drye lappen root carsey

 

eenen lap blauw ende eenen lap groen carseye

noch drye lapkens diversche wulle stoffe

een halff stuck witte Ipersche saey

twee lappen geil voeder saey met een lapken groen carsey

eenen lap root laecken

noch eenen lap root laecken

twee lappen swert laecken

eenen lap blauw laecken

eenen lap groen laecken

eenen lap wit dobbel stamet

eenen lap groenen vriesch

noch vyff lapkens van verscheyden baey

noch drye lapkens laeken

twee swerte poil de soye cassacken I broeck ende wat panne ende fluwelen lapstucken ende eenen onterden armosynen rock

 

opde groote solder aende hoff

 

twee wtslaende taeffels

een ammelaeken persse met berdders ende seven diversche stoelen

eenen cackstoel

een quaet coffer ende wat rommeling

 

opde lynwaetsolder

 

een weecke kist met wat manden ende rommelinge

 

noch inden ganck bevonden

 

acht paer laekens dobbel breedde ende smal lynwaet

noch acht paer diergelycke laeckens

ses paer clootlaeckens

noch twee paer laekens van twee breedde

noch drye paer van ander halff breedde

noch drye paer trillaekens

derthien paer oude laekens

ses paer kinderlaekens

ses bedde witte voorschoyen

tweelf paer flowynen soo groote als cleyne

 

boven het packhuys

 

een bordistaeffel met eenen stoel ende bacxken

een schilderye St Jans doopinge

een schilderye bancketken

een geblomt lynwaete behanghsel

 

opt saeltken aenden trap

 

twee weecke packkisten

ses voetschabellen

een hollantsch cleerschappraey

een mande ende wat rommelinghe

4 copere norenborsche candelaers

een coperen blaecker

een tenne wynpint met twee soutvaten

twee tenne stoelteylen met een kinderbecken ende een tennen watervlesch

169 tenne schotelen soo groote als cleyne

144 tenne tailloiren

eenen onterden geilen sattynen rock met drye poil de soye cassacken

eenen pannen casack ende eenige andere oude voderyn

een blauw stammetten wieghcleedt

een kinder sargieken ende drye wullen kintsdoecken,

een gestickt lyff, ende eenen wullen voorschoot

vier rode stammetten onderbroecken met twee hemtrocken met vyftich gegoten goude cnoppen

eenen swerten sattynen schoot

een frans armoisyne schorsse

srye lappen wit armosyn

een oorcussen

eenen lap lynwaet lanck 25 ellen

noch een stuck lynwaet lanck 70 ellen

noch een stuck van 67 ellen

noch eenen lap lynwaet lanck omtrent de 23 ellen

noch een stuck gewert lynwaet lanck 60 ellen

noch een stuck fyn lynwaet lanck 53 ellen

noch eenen lap lynwaet lanck 19 ellen

noch eenen lap fyn lynwaet lanck 15 ellen

noch eenen lap smal lynwaet lanck 28 ellen

noch eenen lap ceuls lynwaet lanck 19 ellen

noch eenen lap smal lynwaet lanck 29 ellen

noch twee stucxkens ceuls lynwaet, elck lanck 24 ellen

noch een lapken fyn smal lynwaet lanck 13 1/2 ellen

noch een lapken turnhouts lynwaet lanck 15 ellen

noch eenen lap servet roosencrans lanck 29 1/2 ellen

noch eenen lap servet gesaeyde rooskens lanck 37 1/2 ellen

noch eenen lap servet panne lanck 30 ellen

eenen lap ammelaeken gesaeyde rooskens breedt 3 ellen ebde lanck 12 1/2 ellen

noch eenen lap lynwaet lanck 43 1/2 ellen

een stuck tril lanck 48 ellen

 

twee lappen gansenooghen lanck tsaemen 27 ellen

vyff lapkens bombasyn ende fusteyn lanck tsaemen 30 ellen

drye lapkens fyn lynwaet tsaemen lanck 15 ellen

twee lapkens cattoen lanck tsaemen 22 1/2 ellen

drye lapkens cattoene lynwaet beschadicht lanck omtrent 18 ellen

een lapke servet van 2 1/2 ellen

een lapken tyck lanck 10 ellen

twee lappen bombasyn lanck 14 ellen

eenen lap blauw lynwaet lanck 14 ellen

een stucxken teirlinck lynwaet lanck 26 ellen

twee lappen teirlinck lynwaet lanck 27 ellen

twee lapkens rauw lynwaet lanck 14 ellen

drye lapkens tyck

een boeckleiren ondercleedt

een partye gesoden garen van acht ponden

een partyeke werck garen omtrent seven ponden

een deel vodderye

 

opde achterste camer aen[den] hoff

 

een schouwstuck schilderye vande vier elementen

een schilderye marien beeldt ende noch 8 verscheyden schilde­ryen

noch een marien beldeken ende een schilderyken vanden prins cardinael

een cabinetken met eenen cleerborstel

twee leire coffers met den voeten een carpetten cleeken

ende twee coffers met wolle becleedt

een cleerschappraye met 4 sloten

vier mandekens

een pack mande ende wiltken ende windel

een schuppe tange ende mertyser

een paryssche bancke

een wttreckende taeffel met een cleedt

een lessenaer met schiltbadde ingeleght

noch een cleerborstel met een keesmandeken ende laeyken, twee stoelen

noch een cleerschappraeye met 4 sloten

een noteleiren ledicant

een bedde hooftpeluwe ende stroy matras

een groen gordyne

een schauwdoeck

een partye goudeleider daerde vs. camer mede behangen is

een trype schouwcleedt

een layken met garnis[s]e[menten] ponnetten ende passementen

noch een layken met diversche linten syde ende andere cleynicheyt

 

noch een layken met verschede lapkens lynwaet daer onder eenen lap camerycx lanck 16 ellen

noch een layken met lappen van verscheyde syde stoffen

noch een layken met garen

noch een layken met fyne goude [ende] silveren canten cnoppen [ende] linten

noch een layken met vyff witte [ende] ses blauw voorschoyen [ende] verscheyde vodderye

een[en] baeyen schoot met 12 gegoten goude cnoppen

4 ellen groen aeckens saye

blauw saye voeder wt een[en] rock

een partye geverfde lynwaet

9 ellen dornicxsche stoffe oft smallekens

een partye lapkens engelsche saye

2 paer saye coussens [ende] een paer socken

een[en] lap blauwen moolen lanck 9 ellen

een lapken kemels hair

een lapken argentinen mool lanck 5 ellen

noch een groen voyer wt eenen rock met wat lapstucken,

een wulle mutse [ende] een paer gebreyde engelssche hantschoe­nen

een[en] lap sargie de chalon lanck 4 1/4 ellen

een lapken carmosyn perpetua met een lapken carle [ende] wat lapstucken

een[en] lap Indiaens damast coleur de rose lanck 14 ellen

een partye geil [ende] groen syde fregnen tot een ledicant

een lapken groen Indiaens sattyn omtrent 5 ellen

een paer witte coussens met een paer swerte taffa cousseban­den,

een mandeken met wat geweven canten [ende] tussennaet [ende] noch een layken met [ver]scheyde endekens gewerckte canten

noch een layken met diergelycken cant [ende] prondeling[en]

een doose met differente syde [ende] silveren lint[en]

noch differente dooskens met diverse clynicheyt van linten

3 kerckboecken de 2 daeraff met silver beslaegen

4 silvere hooftysers met 2 peirlen

1 silveren belleken

eenen spiegel

een partye paternosters

drye reyssacken met wat cleynicheyt

een partye vodderye

wat piet

een partye oudt lynwaet bestaende in onderbroecken ende anderssints

ses hemden voor vrouwen

 

twee paer spinaele coussens

noch een partye oudt lynwaet bestaende in diversche stucken

verscheyde lapstucken soo van laeken als anderssints

een carosse

een back was

 

Inde stalle

 

twee peerden ende twee leeren daertoe dienende met hun getuych

een ledicantken

een bedde twee hooftpeluwen ende stroye matras

drye sargien

drye stoelen

eenen coperen gieter

drye houte eemers

een haver kiste

een rieck

een schuppe ende vyff leeren

een partye dole met een deel houte schutsels

 

hierna volcht het silverwerck ende juweelen

 

een groot silveren lampet met de pot

eenen silveren blaecker met het wywatervaetken ende candelaers daer aen, gedreven

een groote silveren fruytschotel gedreven

noch een silveren fruytschotel cleynder oock gedreven

eenen grooten silveren wynpot

noch eenen minder silveren wynpot

twee silvere broeckcandelaers met cneurren

een silveren servitie met ses stucken daerop

drye paer silveren flambeeuw candelaers gegeven voor een gifte aan anna maria bosschaert nu overleden synde

twee paer silveren broeckcandelaers effen

twee silvere fleschen om rueckwater in te doen

drye silvere schencktailloiren sonder voeten

noch vier silveren schenctailloiren met voeten

twee silvere soutvaten met bollekens

een silvere schaele

twee silvere commekens

een silvere lampken met syn ketentkens ende decksel

drye silvere bekerkens

een silveren cauffoir

eenen siveren snutter

ander halff dosyn nieuwe silvere forchetten

ander halff dosyn nieuwe silvere lepels

een silvere belleken

een ront silvere drinckschaeltken

noch acht silvere lepels

drye silvere mostaertlepeltkens

noch neghen silvere forchetten van diversche sorten daer aff een gebroken is

een silvere poeyer doos

 

een partye van 34 silvere penningen

een silvere sleutelketenen met den haeck

een cleyn silvere soutvaetken

twee silvere stelen tot wayers

twee borstels tot silvere stelen

een silvere rueckdoose lanckwerpich

twee silvere lepels in leire custodien

een silvere wywatervaetken op fluweel in ebbe lyste

noch drye silvere poeyerdoosen ende een cleyn doosken

twee silvere tonghschrabbers

eenen silvere lyffriem met diversche ketentkens ende medaille­kens

achtentwintich silvere cnoppen van diversche soorten

twee silvere agnus dei

noch drye stucxkens gebroken silvere

twee drinckpottekens met silvere schelen

eenen grooten silvere vergulden cop

noch eenen groote silvere vergulden op de vunte gegeven aen maria catharina bosschaert1,

een copken van silvere gesneden ende de garnituren vergult

twee silvere ende vergulde drinckkelcxkens

twee silvere vergulde schroeven

twee silvere commekens de rande ende de ooren dair aff vergult

twee silvere vergulde suyppecroesen

eenen silveren beker, den rant dair aff vergult,

een silvere vergulde schaele gedreven

een ront vergult silvere copken mettet scheel,

twee groote silvere soutvaten gedreven met vergulde randen ende bollekens

twee drinckpottekens met silvere scheele de randen ende voet daer aff vergult

een silvere plaete om lint op te winden

een agaten paternoster,

twee coraele snoeren

drye paer goude braseletten

een gouden aprettador aent eynde met slote

vyff enckel ciferandtketentkens van goudt

een gouden brilketentken

een paer agaete braseletten

tweelff goude bruyloftrincxkens

eenen gouden rinck met eenen agaet

 

een halff gouden agnus dei met eenen gouden oorrinck ende trouwrinck,

vyff agaete tecken met drye stucxkens christal,

twee kerckboeken met gouden slotkens,

een hondert ende vyff goude cnoppen soo groote als cleyn

eenen silvere cant met twee silvere gespkens ende een teutken oick van silver

twee goude wayerstelen

drye goude koorketens met eenen gouden claeter

een paer diamanten pendanten

een boite met diamanten

eenen grooten diamantrinck

een pinsoen

een ront rincxken met diamanten

een cruys met diamanten

een middelstuck van een apretador met diamanten

tweelff groote diamanten met achtenveertich cleyne geweest synde de twee eynde van tselve apretador

eenen diamantrinck

een puntken oft croontken met vier diamanten dwelck op een boite heeft gestaen

een partye van diamanterye gedient geweest om opde mouwe te speten tweelff stucxkens,

sesse diamanten int goudt synde twee schuyverkens

twee goude stucken bestaende in vyffenvyftich diamanten

een dobbel colier peirlen beslagen in hondert stucken

dryehondert tachentich peirlen tot een paer braseletten

vierhondert vyffenveertich stucken peirlen

een partye peirle naelden twintich stucken

Item bevonden drye dooskens met rauwe diamanten innehoudende respective, volgens de inliggende billetten 104 1/2 carraet, 75 carraet van 2 1/2 greyn, ende 66 1/2 carraet van 3 1/4 greyn ende alsoo de selve diamanten bevonden syn volgens des afflyvigens boeck aen synen voorkinderen te competeren hier alleenlyck voor ------------------ memorie

 

 

 


 

heircleed: heir, here, hare: kan pij betekenen, heircleed is dan mogelijk een kleed in dezelfde ruwe stof als een pij?  Anders een haardkleed?

palleyseel, pallijsse: pallissade.

vaubert: vouwplank.

wiel: hoofddoek voor vrouwen.

culcke, culcte: matras of sprei (gestikte deken).

dwele: dwale: heeft twee betekenissen: dweil of servet. In dit geval lijkt mij de tweede betekenis het meest voor de hand te liggen.

wecke: week: in de betekenis van weekhout, zoals elders herthout wordt verkort tot hert.

Joost de Momper: schilder (1564-1635)

lichter: kandelaar of luchter.

scribaen: schrijfbank.

lamoen: disselboom met twee armen.

richtbanck cleederen: vaatdoeken en ander textiel dat men in de buurt van het aanrecht kan aantreffen.

snaphaen: wapen dat wat lijkt op een geweer.

cauffoirken: komfoortje.

garnissement: garnituur, versiering.

kemels haeren: kameelharen

justaccort, juste-au-corps: geklede mansrok.

poil de soie: draad van zijde

cappot: kappoot: mantel

begyntken: klein kapje met twee linten.

onterden, onterdden?: aan iemand ontgaan, in de beteke­nis dat die rok hier niet op zijn plaats is en iemand die in een andere kamer gevonden heeft?

cassack, cajacke: overkleed met wijde mouwen, mantel, ook rok met panden.

ponnet, poignette: manchet.

cneurren: knorren: gewaaierd motief.

bedoeld wordt dat Maria Catharina Bosschaert dit bij haar doopsel kreeg.

teck: stuk van een armband.

claeter: (meestal religieus geïnspireerd) medaillon.

pendant: oorbel.

boite: schuifmedaillon, oorspronkelijk doosvormig, waarin een miniatuur kon zitten.

pinsoen: gesneden merkteken, of lakzegel.

diamanterye: nepdiamanten, meestal uit geslepen glas of bergkristal ter versiering van kleding.