Het Bont Calf, Hoogstraat 19 A[1]

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Volgens een akte van 28 februari 1386 was ene Jan Bernaerts de bezitter van een eigendom links van de Bonte Coe en in een akte van 7 september 1402 spreekt men in deze kontekst over Joes van der Taneriën, een telg uit een familie die tussen de de Baers en de Bonte Coe rond die tijd zowat alles bezat[2].  Ook in akten van 1429 en 1430 over de Bonte Coe wordt Joos vander Taneriën vermeld[3].

 

Cruciaal is de akte van 27 juni 1432:  “Peter vander Kelen wissel[er] dede dage[n] tot eene[n] huyse mett[en] plaetse gronde gedeele vand[en] borneputte halve[n] muere geheeten de cleyne bonte coe...” en gesitueerd in de Hoogstraat tussen de Bonte Coe en de Cardinael[4].

 

De naam ‘Bont Calf’ duikt op in een akte van 11 oktober 1437:  “Hellyn van Lopmes dede dagen tot eenen huyse metter plaetsen derdendeele vanden borneputte stalle gronde, gelyc dat nu getymmert is, geheeten tbonte calf...”, gesitueerd tussen het huis van Heer Jan van Hoegewegen, priester, en het erf van Peter Wielanx en Joos vander Tanerien.  In 1439 en 1442 eist Meester Rogier van Eeghem het Bonte Calf als zijn eigendom op.  Hij kan dit pas definitief doen in 1442 nadat hij aan Hellyn een rente afge­lost heeft[5].  Rogier van Eeghem geraakt ook in het bezit van de Bonte Koe en we zien hem op 21 mei 1449 in een huurcontract de toelating geven aan zijn huurder Janne Rom­bouts om met zijn paard door het Bonte Kalf te trekken[6].

 

Op 22 juni 1475 verkoopt Jan Meesens de Bonte Calf aan Peter Manacker.

 

Op 14 oktober 1478 verkoopt Peter Manacker, chirurgijn, aan zijn zwager Jan Thomaes en rente van 2 pond groten per jaar op het Bont Calf[7]. Op 18 december 1495 verkoopt deze Peter Manac­ker het Bont Calf, gesitueerd tussen de Bonte Koe, met gemeen­schappe­lijke muur, en de Cardinael, voor 4  gr. Bra­bants per jaar in erfelijke rente aan Henrick Augustijns, Henricussone, juwe­lier[8]. Deze verkoopt alweer op 19 februari 1505 n.s. aan de bontwerker Jan de Haze[9]. De volgende eigenaar vanaf 26 januari 1519 werd niemand minder dan de illustere Ferdinand de Bernuy, de Spaanse koopman die zowat alles in de Hoogstraat dat in die tijd te koop stond probeerde te verwer­ven. De beschrijving  van het huis is nog steeds zeer sumier: “Een huys metter plaetssen borneputte...”[10].

 

Ferdinand de Bernuy verkoopt op 5 augustus 1557 aan Andries Snellincx, koopman, die op 10 oktober 1562 het aan zijn collega Niclase Le Roseau overdraagt. We vernemen in deze akte dat Snellincx het op dat ogenblik bewoont maar hij wil blijk­baar verhuizen want hij bezit ook de Bonte Koe die in een akte van 14 oktober door Ferdinand de Bernuy effektief aan hem wordt overgedragen. Het is daarom dat Snellincx een aantal zeer specifieke voorwaarden laat opnemen wat betreft de nabuurschap met de Bonte Koe:

1) “Conditione aengaende den vier vensteren staende inden muer vanden voers. huysen geheeten de bonte Coe, daer mede men licht scheppende is ter plaetse waerts van desen huyse dat de voirs. erfgeveren gehouden sal zijn (gelyck hy midts desen beloefde) de twee middelste vensteren daer aff toe te stoppene ende te metsene te kersmis­se proximus ende dander twee venste­ren bynnen drie jaren daer naestvolgende...”

2) Het water van de Bonte Coe dat nu over het Bonte Calf geleid wordt zal voortaan over het eigen perceel afgeleid worden.

3) “... ende voorts dat in desen huyse sal blyven ende den voers. erfnemeren toebehoerende ierst een schappraye staende opte middelcamer van desen huyse tussen de schouwe ende de deure vander gallerye ald[aer] ende noch een schapprayken staende opden keldermont voere inden winckel vande selven huyse...”[11].

 

Op 5 juli 1578 verklaart Pieter Roseau, koopman, dat hij samen met Niclaes Roseau en Jehan Manuchet een handelscompagnie heeft gehad, dat zij gezamenlijk het huis in 1562 hadden gekocht en dat hij nu zijn deel afstaat aan Anna Manuchet, de echtgenote van Niclaes, en aan Jan Manuchet en dit voor een erfrente van 50 gulden per jaar[12].

 

Op 13 december 1580 verklaart de koopman Peeter van Baesrode dat het water van buurman De Cardinael mag afgeleid worden via een goot over het Bont Calff zolang de eigenaar van dit laatste pand zulks toestaat[13]. Vermelden we nog dat in het cijnsboek van de stadskeldercijnsen van 1570-1610 het Bonte Calff werd opgenomen vanwege een keldertrap van 2 voet diep waarop 2 stuivers groten werden betaald door de eigenaar die ‘Peeter de Zeeuw’ wordt genoemd[14].

 

Wat betreft de bewoners van het Bont Calff in de periode 1579 - 1586 laat zich het volgende vaststellen. In 1579 werd de huurwaarde voor de belastingen op basis van een verklaring van de toemalige huurder, Jan Bultgen, teruggebracht van 200 naar 180 gulden. Terwijl de huurwaarde verder daalde naar 170 gulden werd wellicht kort voor 1584 lakenverkoper Pauwels van Voort vervangen door zijn collega Jaspar du Vivier. In 1586 huurde ene Hans de Lichte. De huurwaarde waarop men taxeert is in dit cohier nog maar 85 gulden[15].

 

Op 30 januari 1613 maakt de amman de koopman Francisco Robiano tot nieuwe eigenaar. Deze verkoopt op 19 april 1618 het huis an de kousenmaker Augustyn Happaert en Cornelia de Roy. We vernemen dat men jaarlijks 12 groten kelderdeurenchijns moet betalen[16]. Op 22 juni 1643 verkoopt Michiel van Diest, koop­man, en kleinzoon van Cornelia van Roy, zijn rechten (1/20) op het huis aan zijn oom en zoon van Cornelia uit een eerder huwelijk met Jacques van Diest, Cornelis van Diest, lakenkoop­man. Deze verwerft het geheel op 16 november 1647 bij een defini­tieve verdeling. Het huis wordt als volgt beschreven: “... Een huys met winckel ceuckene twee hangende camers drij bovenca­mers twee solders vier kelders copere fourneys ende schouwe plaetse twee pompen deen van put ende dander van regenwater achterhuy­se hebbende neercamer bovencamer ende solder gronde ende toebehoirten...”[17]. Bij een schatting in 1643 berekende men de waarde van dit toch wel luxueuze pand op slechts 440 gulden, maar mogelijk heeft men van de totale waarde toen een erfrente van 100 gulden per jaar (= 1600 gulden kapitaal) eraf getrok­ken. Volgens het cohier van 1659 heeft Cornelis zijn pand, huurwaarde 180 gulden en uitgerust met 7 schoorsteenpijpen, wel degelijk bewoond[18]. Op 23 janua­ri 1663 verkoopt hij het dan aan de lakenkoopman Gillis van Diest, waarschijnlijk een familielid, en Catherina Rumme­niers[19]. In 1667 en 1672 woonde Gillis van Diest er zelf[20]- het huis draagt in het cohier van 1667 de naam ‘Biecorf’ en men schrijft ‘Dielis Verbiest!’-, in 1682 in de jaren 1704-1708 huurde voor 150 gulden Martinus van Overheyt[21].

 

O.i.v. Jan Tholincx verkoopt de amman het op 24 juli 1714 aan Hendrick en Catharina Ryckaert, die broer en zuster zijn. In de beschrijving komt het 'copere fourneys' niet meer voor[22]. Na de dood van Catharina wordt Hendrick enig eigenaar en zijn erfgenamen zijn de gebroeders Jacobus, Henricus Martinus en E.H. Joannes Josephus Verschuylen. De priester was al overle­den als ze op 17 juli 1742 de erfenis verdelen en Jacobus eigenaar wordt van een hof van Plaisantiën buiten de Keizer­s-poort en het Bont Calff[23]. Op 27 juli 1744 verkoopt Servanda Kirre­wan, weduwe van Jacobus Verschuylen het pand voor 2000 gulden aan Frans Mattheeus de Deckere en Maria Catharina Hachtjens[24]. Bij de volkstelling van 1754 worden dit echt­paar, hun zoon van 14, hun dochter van 7 en een Joanna, weduwe de Decker als bewoners vermeld. Frans was kleermaker van beroep[25].

Weduwnaar geworden verkoopt hij samen met zijn zoon, de Jesuiet Mr. Mattheeus Franciscus de Decker, op 19 maart 1767 zijn eigendom voor 3900 gulden aan meester Petrus Carolus Antoni, deken van het peltiersambacht[26]. Als weduwnaar van Anna Maria Aerts weet deze laatste bij een verdeling d.d. 18 maart 1769 het huis voor zichzelf te behouden[27]. Voor de tweede maal weduwnaar, nu van Maria Cornelia van Pelcom, weet hij bij afrekening met het minderjarig kind uit dit huwelijk het huis op 16 oktober 1780 voor zichzelf en zijn derde echtgenote, Catharina Ulen, te behouden. Hij hypothekeert het echter voor 2000 gulden. Dit alles wijst er toch wel op dat de deken van de peltiers wel degelijk het Bont Calff bewoond heeft[28].

 

In 1898 vormde Het Bont Calf een geheel met het buurpand Hoogstraat 21 (Bonte Koe).  Er was een zaak in likeuren gevestigd.  Ongetwijfeld betreft het hier de grote wijn- en likeur­handel Nihoul-Meugens, actief sedert 1838, toen reeds in handen van de opvolgers Van den Bussche & Fils[29].


 

[1] Wat betreft de geschiedenis van dit pand kon er eens temeer gebruik gemaakt worden van nota's van Jan Van Damme.

[2] F. Prims, Geschiedenis van Antwerpen, vol. 3, Antwerpen, 1977, p. 385 en 426.

[3] SAA, Losse Schepenbrieven, kopie in: F. Prims, Geschiede­nis van Antwerpen, Antwerpen, 1980, vol. 4, afbeelding 590; SAA, V 1981, f° 72 v°.

[4] SAA, V 1981, f° 77 v°.

[5] SAA, V 1981, f° 107 v° en 118 v°.

[6] SAA, SR 41, f° 72 r°.  Hij lost dat jaar ook nog een rente af van 6 pond groten erfelijk op de Bonte Coe aan Jan van der Heijden: SR 41, f° 29 r°.

[7] SAA, SR 94, f° 157 r°.

[8] SAA, SR 107, f° 144 v° - 145 r°.

[9] SAA, SR 125, f° 267 r°.

[10] SAA, SR 154, f° 188 r°.

[11] SAA, SR 291, f° 43 r° - 44 r°; wat betreft de Bonte Coe, zie SR 291, f° 281 r° - v°, waarin we vernemen dat Snellincx lakenkoopman was.

[12] SAA, Cert. 39, f° 310 r° - v°.

[13] SAA, SR 360, f° 527 v°.

[14] SAA, T 167, f° 12 v°.

[15] SAA, GA 4833, f° 107 v°; R 2330, f° 3 v°; R 2221 en 2238, f° 2 v°; R 2498, f° 4 r°.

[16] SAA, SR 529, f° 425 r°.

[17] SAA, SR 680, f° 115 v° - 116 r°; SR 698, f° 315 r° - 316 r°.

[18] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­folieerd.

[19] SAA, SR 781, f° 5 v° - 6 r°.

[20] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 43.

[21] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 v°, nr. 42; GA 4832, f° 135 r°, nr. 42; R 2516: Cohier vant huyshuurgelt 1689, ongefolieerd, 3de wijk, 2de kapitein, nr. 42.

[22] SAA, SR 1043, f° 68 v° - 69 r°; 70 r° - v° en 137 r° - 138 r°.

[23] SAA, SR 1145, f° 405 r° - 407 v°.

[24] SAA, SR 1153, f° 342 v° - 343 v°.

[25] SAA, PK 2561 : Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 441, nr. 35.

[26] SAA, SR 1232, f° 183 v° - 184 v°.

[27] SAA, SR 1237, f° 508 v° - 510 r°.

[28] SAA, SR 1270, f° 38 v° - 39 v°; f° 42 v° - 43 v°.  De meerse­niers kennen in de Hoogstraat een Petrus Jacobus Anthony die in vlas handelt in 1786, vervolgens noteren ze zijn oudste zoon in 1788 en 1790 en vanaf 1791 spreken ze over Petrus Carolus Anthony (GA 4230-31, 4234-35, 4237-38, 4240).

[29] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 21); brochure van de firma Nihoul-Meugens, s.l.n.d. [na 1907].