Het Schilt van Mechelen, Hoogstraat 17[1]

Terug naar het overzicht van de huizen

  

Vooraleer het ‘Schilt van Mechelen’ (Hoogstraat 17) die naam kreeg, heette het resp. ‘den Cleynen gulden Schilt’, ‘Lintworm’ en, nog later, 'Wapen van Mechelen'[2]. We moeten er de geschiedenis van ‘den Grooten gulden Schilt’ (nr. 15) - dat ondanks het huisnummer toch niet de onmiddellijke buurman is want nr. 15A: ‘den Wolsack’ en ‘de Gulden Osch’ zit er nog tussen - bij betrekken want beide panden hadden ooit dezelfde eigenaar. Merken we hier meteen op dat de naam ‘Lyntworm’ niet exclusief aan het ‘Schilt van Mechelen’ heeft toebehoord maar ook is toegewezen geweest in de XVIIde eeuw aan een zeer imposant pand verder naar de Reyndersstraat toe. Dergelijke fenomenen van naamsverwarring zijn legio in de Hoogstraat, men bekijke terzake de geschiedenis van de ‘Halle van Armentičres’ of die van de ‘Halle van Nieukercken’ of die van het ‘Sarazijnshoofd’.

 

Het schrijven van de vroegste geschiedenis van de huizen tussen de Hoogstraat 11: de huidige Fonteyne, in de XVde eeuw gekend als de Wijngaert en de Hoogstraat 19A: het Bonte Calff, in de XVde eeuw ook wel gekend als de Cleyne Bonte Coe, is geen eenvoudige zaak.  Tot rond 1450 waren al deze huizen n.l. de eigendom van de familie vander Taneriën, een aanzienlijk geslacht dat zowel aan het Bourgondische hof als in de stad zelf belangrijke funkties kon uitoefenen (zie de Gulden Schilt).

 

In een akte over de Cardinael (Hoogstraat 19) uit 1452 lezen we dat wijlen Joes vander Taneriën eigenaar was van een poort en een plaats van de Gulden Schilt “.. en[de] daer nu ter tyt een huys en[de] eenen doerganc getym[m]ert syn geheeten den schilt van vranckryc...”[3]

 

Op 11 december 1453 verkoopt Willem vander Taneriën aan Ma­theeus Thomaessone alias van Steenberge: “1 huysinge met plaetsen coeken acht[er] metten gronde...” geheeten den Gulden Schilt, gesitueerd tussen het erf van Jan van Urssel en de eigendom van Jan vander Sluys.  Langs achter heeft Claus Roecock (beter gekend als Rockox) van Willem een huisinge gekocht.  Matheeus Thomaess koopt ook nog de Lintworm die we moeten situeren ter hoogte van Hoogstraat 17, het latere Cleyne Gulden Schilt, dus voorbij en achter Hoogstraat 15A dat de eigendom was van Jan vander Sluys[4].

 

In een akte van 12 mei 1462[5] treft de eigenaar van de Gulden Schilt, Matheeus van Steenberg, met zijn buurman Jan van der Sluys, bakker, de eigenaar van wat later de 'Wolsack' en de 'Gulden Osch' zal worden, een overeenkomst i.v.m. lichtschep­ping.

 

Op 30 december 1475 draagt Matheeus Thomaess alias van Steen­bergen stukken van de Gulden Schilt over aan de gebroeders Peter en Jan van Meerle. In een rentebrief d.d. 13 juli 1478 wordt dit deeltje beschreven als “... een huys, mett[en] plaetsen, cokenen, achtergange, pishuyskene daer inne en[de] aen staende, halven borneputte, gr. en[de] toebeh. geheeten den gulden schilt, gestaen inde hoochstrate... en[de]... noch een came[r], geh[ee­ten] de rooscame[r] met eene[n] stalle,... achter en[de] neffens de voers. cokene gestaen...”[6]. Op 12 oktober 1478 verkoopt Matheeus van Steenbergen hun ook nog: “... Een huys mett[en] plaets borneputte, mett[en] poorte t[er] straten vytcomen[de] metten gange vry zynde...”, genaamd de Lintworm, gesitueerd tussen Jan vander Sluys, bakker (dit werd later de Wolsack en de Gulden Osch), en Claus Segers, schoenmaker (eigenaar van de latere Cardinael). Deze situering is dus de plaats waar zich nu het Schilt van Mechelen bevindt. Deze Lintworm, volgens een rentebrief gelegen achter de Gulden Schilt, wordt aldus verenigd met de Gulden Schilt en zal later Cleynen Gulden Schilt of Schilt van Mechelen genoemd worden[7]. In zijn geheel genomen liepen Cleyne en Grote Gulden Schilt in elkaar over achter de Wolsack en de Gulden Osch.

 

In een processtuk van 28 november 1491 vernemen we de namen van de toenmalige eigenaars, Pauwels van Meerle en zijn broer Jan, en een huurder, Meester Peeter Willemssen[8].

Op 19 augustus 1524 greep er met de Gulden Schild en het bijhuis het Cleyne Gulden Schilt, later Schilt van Mechelen, een transaktie plaats in Keulen waarnaar we het raden hebben maar waarbij de Gulden Schilt in de handen kwam van Jan Har­denraidt en Neesken door toedoen van ene Adolf Rinck[9]. We beschikken wel over de akte van 30 juli 1561 waarbij Gereon en Everaerdt Hardenraidt voor zichzelf en als vertegen­woordi­gers van de andere kinderen van Jan Hardenraidt de Oude, in erfe­lijk recht geven aan Jan Anthoenis, zijn zoon Rombout en Mathys Hulsbosch, zwager van Rombout: “... een huysinghe metter plaetse coeckenen achter metten gronde ende allen den toebe­hoirten geheeten de guldenen schilt...”, gesi­tueerd tussen het huis van de erfgenamen van Jan vander Sluys (dit is het perceel waarop later de Wolsack en de Gulden Osch zullen ontstaan) en het Paradys. Daarnaast is er in de verhan­deling ook het huis ‘De Lyntworm’, ook ‘Cleynen Guldens Schilt’ genoemd, begrepen dat overigens, met de Wolsack, de Gulden Osch en het Grooten Gulden Schilt één geheel heeft gevormd[10].

 

Een duidelijk onderscheid tussen de Grooten Gulden Schilt en de Cleynen Gulden Schilt maar men spreekt over de ‘Lyntworm’ wordt er gemaakt in 1561 wanneer de kleinkinderen van Jan Hairdenraidt en diens vrouw Neesken op resp. 15 mei 1561 aan Mathijs Hulsbosch en op 30 juli 1561 aan Jan en Rombout An­thoenis in erfelijke rechten, d.i. mits jaarlijke aflossingen, geven[11]. De Lyntworm wordt beschreven als  “... een huysinge met plaetse, borneputte, metter poorte ter straten wtcomende, metten gronde ende allen den toebehoirten...”. Op 26 januari 1579 geeft de familie Anthoenis of Anthonis de ‘Cley­nen gulden Schilt’, nu expliciet zo genoemd, en wel degelijk gesitueerd tussen den Gulden Os en de Cardinaal, aan Loys del Becque, lakenkoop­man[12]. De beschrijving is gewijzigd en wijst erop dat de Gul­den Schilt als geheel doorliep achter de Gulden Osch en de Wolsack: “... eenen huysssinge met plaetse, keuckene, neerca­mere, stove, twee regenbacken, pompe, metter poorter ter straeten vuytcomende... comende achter ende ter zyden aende huysinge gen[aempt] den Grooten gulden Schilt, alwaer de mueren tusschen beyde gestaen van achter tot aen den huyse van den erfgenaemen heer Jan Versluys, achter comende aende plaet­se van de voirs. huyssinge gemeyn zyn ende blyven se­len...”. Daarmee gaat het pand nu eindelijk, zij het tijde­lijk, zijn eigen gang.  In de beschrijving is er nergens sprake van kelders.  Nochtans werd ons door Georges Troupin[13] een straat­kelder gesignaleerd.

 

Volgens de cohieren bewoonden zowel Jaspar Antheunis als Loys Delbecque en zijn gelijknamige het huis, dat tot de halvering van de huurwaarde in 1586 op 250 gulden per jaar werd geschat[14].  Loys del Beque sterft in Keulen en zijn weduwe Maria Tacquet geeft machtiging aan haar broer Michiel om de ‘Cleynen gulden Schilt’ te verkopen. Op 7 januari 1595 worden aldus Joos van Surck, lakenverkoper, en zijn vrouw Anne van Honssem de nieuwe eigenaars[15]. Zij krijgen acht kinderen: 7 jongens, die allen pater Jezuďet worden, en één meisje. Uiter­aard worden de Jezuďeten later de eigenaars van het huis en Pater Conradus de Gavre, rector, treedt als hun gevolmachtigde op wanneer ‘den Schilt van Mechelen’ op 13 december 1638 wordt verkocht aan Michiel van den Kerck­hoven en zijn echtgenote Anna Lam­brechts[16]. Kort daarna is het reeds gedaan met het eigen leven van het Schilt van Mechelen. Op 11 juni 1646 koopt Michiel van de kinderen van Godevaert Reynen en Cathari­na van Heymbeke “... twee huysen metten gronde ende toebehoo­orten, daeraf deen is genaempt den Wollensack ende dander den Gulden Os, beyde gestaen ende gelegen neffens malcanderen inde Hoochstrate alhier, commende metter eender zijde aen de goede der erfge­naemen... Verhaegen... ende metter andere sijde ende oock achter aen de goeden des voors. van den Kerckhove...”[17].

 

Het is duidelijk dat vande Kerckhoven reeds rond 1658 in de Hoogstraat heeft gewoond[18] en op basis van de cohieren komt de Schilt van Meche­len in aanmerking (cfr.infra).

 

Schema van de huizen volgens G. Degueldre met aanduiding van huidige huisnummers en kadasternummers 1823

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grooten Gulden

Schilt

 

 

 

308                  15

 

 

Wolsack

 

 

 

 

307                 15A

 

 

Gulden Osch

 

 

 

307     15A

 

 

Cleynen Gulden Schilt alias Schilt van Mechelen

 

 

307                      17

 

 

Cardinael

 

 

 

 

306        19

             

                                                          

                         HOOGSTRAAT

 

Als koopman was Michiel van de Kerckhoven niet onbemiddeld zoals hoger gebleken is[19]. Bovendien bestemt hij bij testament d.d. 18 juli 1668 (verleden voor notaris Pauwels)[20], voor ieder van zijn twee dochters, Anna en Maria, de niet geringe som van 13.000 Carolusgulden, waarin begrepen 1.000 gulden voor uitzet en kleren. Zijn zoon François heeft eerder, bij zijn huwelijk, een zelfde bedrag ontvangen, voortkomend uit het moederlijk goed. Anna en Maria zijn nog ongetrouwd en de jongste is zelfs nog geen 25, wat toen als minderjarig gold. Beide zusters zullen daarenboven nog hebben: “... syn huysinge met alle de meubelen daerinne wesende (die sullen moeten worden geinventa­rieert)... ende dat totter tyt ende wylen toe de ionxte der selver sal gecomen wesen tot haren vollen ouder­domme van vyffentwintch iaeren oftwel tot eenigen geapprobeer­den staet gedurende welcken tyt de voors. syne huysinge onver­cocht sal blyven...”.

 

Bij codicille d.d. 23 juni 1670[21] preciseert hij nogmaals dat: “... syne huysinge... gestaen in de Hoochstraete... zoals hy tselve iegenwoordich is bewoonende...”  na zijn overlijden gedurende vier jaar onverkocht moet blijven, alsmede de “... twee huysen voor aen de strate, overmits den codicillateur der pant niet en wilt gesepareerthebben...”. Bovendien krijgen Anna en Maria 240 gulden per jaar, dienend voor gebruik en onderhoud van huis en meubelen. Mocht één van beiden ondertus­sen huwen, dan mogen zij overgaan tot scheiding en deling van goederen. Voor wat het deel van zoon François betreft, moest hij overlijden zonder wettige nakomelingen, dan moet dit deel terugkeren naar zijn zusters. Michiel vanden Kerckhoven

s­chijnt wel erg te waken over de familiegoederen. Wij vermoe­den dat hij tussen 23 juni en 14 december 1670 is overleden. Op die laatste datum vermaken beide zusters bij testament mekaar hun goederen “... soo rurende als onrurende, haeffelyc­ke ende erffelycke, gout, silver, gemunt ende ongemunt ende alle andere... ende dit alles ter seclusie van Fran­chois...”[22].

 

Op 16 november 1671 beslissen Franchois van den Kerckhoven, Anne van den Kerckhoven, gehuwd met de koopman Benedictus Lenaerts, en Maria van den Kerckhoven in de geest van het testament van hun vader de huizen als één lot op de vrijdag­markt te laten verkopen[23]. Het komt de zusters evenwel ter ore dat Franchois de “... huysen in drye distincte coopen wilt laten vercoopen, directer tegens de ordonnantie van witterste wille des voors. vaders ende tot hen comparanten overgrooten intrest, preindici ende schade...”. De huizen werden tot dan toen als drie aparte woningen gebruikt en zullen nu leeg komen te staan, vooral het 'Schilt van Mechelen', waar Michiel van den Kerckhoven is overleden. Aan de andere twee, tegen de straat aan, moeten herstellingswerken gedaan worden. Tot zolang weigeren de huurders hun huur te betalen. Deze akte wordt de volgende dag aan Franchois betekend, die “... antwoorde protesterende zyn broot eten is niemant verboden...”.

Op 17 juli 1672 verklaren de erfgenamen van den Kerchoven “... met malcanderen wel ende int minnelyck gepaert, gescheyden ende gedeylt te syn, rakende de meubelen, goederen, contanten, actien, crediten ende gerechticheden achtergelaten byden voors. wijlen Michiel van den Kerchoven...”[24]. De gezusters en hun echtgenoten Benedictus Lenaerts en Joannes van den Broeck, ook weer een koopman, kopen voor zichzelf voor 15.500 gulden elk de helft van het Schilt van Mechelen, de Wolsack en de Gulden Osch. Dit bedrag was inbegrepen in de gehele erfenis met als  totale waarde 52.562 gulden 5 stuivers.

 

Op 10 april 1673 wordt het Schilt van Mechelen door Benedic­tus Lenaerts en Joannes van den Broeck bepand met een erfrente van 150 gulden per jaar, die door Joannes van den Broeck op 11 december 1677 geheel op zich wordt genomen[25]. Nog op diezelfde 11 december verpand Benedictus Lenaerts zijn deel opnieuw en wel voor een erfrente van 375 gulden per jaar wat 6.000 gulden kapitaal vertegenwoordigt. Koper is Cornelis Bosschaert.

 

Anna van den Kerckhoven overlijdt voor 24 maart 1682[26] met achterlating van minderjarige kinderen. Benedictus Lenaerts schijnt in ernstige financiële moeilijkheden te zijn, van de 375 gulden die hij moet betalen betaalt hij er slechts 62,5 en dan nog vier maanden te laat. Ook Joannes van den Broeck gebruikt in die jaren zijn helft intensief als onderpand maar dan wel voor handels­transakties[27].

 

Op 20 mei 1689 verkrijgt Cornelis Bosschaert na wanbetaling van de renten uit handen van de amman de helft van de drie huizen van Benedictus Lenaerts voor de som van 4.300 gulden[28]. Aldus kan hij op 1 oktober 1695 samen met Joannes van den Broeck die steeds mede in de naam van zijn echtgenote Maria van den Kerckhoven optreedt, de drie huizen verkopen aan Jan Francisco Wellens, koopman, en diens vrouw Barbara Cuypers[29].

 

Nu de familie van den Kerckhoven uit ons gezichtveld gaat verdwijnen is het misschien nuttig de bewoners van de drie huizen hier even op een rijtje te zetten, we bespreken de huizen telkens van Grote Markt naar de Reyndersstraat toe en noemen ze dan telkens 'Wolsack', 'Gulden Osch' en 'Schilt (van Mechelen)': in 1659[30] huurt Anthoni Corpet de Wolsack, uitge­rust met 5 schouwen en met een huurwaarde van 120 gulden, Franchois van Bolderen zit in de Gulden Osch, uitgerust met drie schouwen en met een huurwaarde van 72 gulden terwijl het Schilt huurwaarde 200 gulden, voorzien van 7 schouwen, effec­tief door Michiel van den Kerckhoven wordt bewoond. In 1667[31] hebben Wolsack en Gulden Osch dezelfde huurwaarde: 120 gulden, huurders zijn resp. Pauwels van Ouythom en Juliaen van Mont­fort, van de Kerckhoven zijn woning heeft een huurwaarde van 300 gulden. In 1682[32] wordt de Wolsack bewoond door Jan Ver­hulst, de Gulden Osch door de weduwe Grenu, alhoewel ook haar naam doorgehaald is terwijl de familie van den Kerckhoven plaats heeft gemaakt in het Schilt voor ene Mens[ieu]r Ton­gerloo die ook in 1689 er nog woonde en de laatste bewoner van een apart Schilt was. De huurwaarden bedragen nu resp. 108, 96 en 240 gul­den. In de jaren 1704-1708 zijn de namen van Jan Verhults en Menh[ee]r Tongerloo doorgehaald en staat Jan Francis Wel­lens als bewoner van de drie panden genoteerd[33]. Een accolade verbindt de drie panden en er staat een nota: ‘voortdaen 3 quitantien’.

 

Jan Frans Wellens was blijkbaar ook al verplicht om zijn eigen­dommen te hypothekeren: op 8 oktober 1695 verkoopt hij een erfrente van 500 gulden d.i. 8000 Carolusgulden kapitaal. Koper van de rente is zijn moeder Maria Anna Plisson, weduwe van François Wellens[34]. Wanneer zij in 1702 overleden is zon­der dat de rente is afgelost erkent Anthonius Gerardus Wel­lens, koopman, en haar tweede zoon op 18 oktober, dat hij van zijn broer Joannes Franciscus, de helft van de ‘capitaele pennin­gen’, d.i. de helft van de 8.000 gulden plus achterstal­lige intresten, ontvangen heeft[35]. De vijf kinderen van Joan­nes François Wellens en van Jacoba Barbara Cuypers, n.l. Joan François, koopman, Petrus Antonis, oud- burgemeester van Antwerpen en op dat ogenblik schepen, Jacobus Theodorus, koopman en oud- aalmoezenier, Maria Catherina, echtgenote van Engelbert Maria Joseph Borrekens, ridder, Anthonis Gerardus, koopman en op zijn beurt  aalmoezenier, verdelen op 17 septem­ber 1738 de nalatenschap van hun ouders: renten, huizen en andere goederen[36]. De nieuwe eigenaar wordt Jacobus Theodorus Wellens, koopman en oud- aalmoezenier die volgens de volkstel­ling van 1754 zijn huizen samen met zijn dochter van 23 jaar, twee dienstmaagden en een knecht zou bewoond hebben[37]. Ook nog in 1800 was het huis in de handen van een telg van de familie Wellens[38].

 

In 1898 vormde dit pand een geheel met Hoogstraat 15A.  Het bestond uit twee voorbouwen waartussen een gang liep.  Gervais zegt over het huidige nr. 17 dat dit een woonhuis was zonder meer[39].

 

 


 

[1] Gegevens over dit pand zijn al eerder verschenen in: G. Degueldre, “Wat archieven zeggen... Historische gegevens over de huizen 'Wolsack', 'Gulden Osch' en 'Schilt van Mechelen' (Hoogstraat 15A - 17)”, in: Bulletin van de Antwerpse Vereni­ging voor Bodem- en Grotonderzoek, jg. 1984, nr. 4, p. 32 - 47.

[2] SAA, SR 651, f° 45 r°.

[3] SAA, SR 45, f° 335 r°.

[4] SAA, SR 47, f° 336 r°; f° 337 v° - 338 r°.

[5] SAA, SR 62, f° 72 v°.

[6] SAA, SR 93, f° 130 r°.

[7] SAA, SR 93, f° 177 r°. Renten: SR 91, f° 76 v°; SR 93, f° 95 v°; SR 94, f° 23 v°; SR 96, f° 18 r° - v°.

[8] SAA, Processen Supplement, nr. 6400.

[9] Vermeld bij Ketgen: SAA, PK 2263, f° 529 r° en 530 r°.

[10] SAA, SR 282, f° 254 r° - 257 r°.

[11] SAA, SR 282, f° 254 r° - 255 v°.

[12] SAA, SR 356, f° 215 r° - 218 r°.

[13] Ambtenaar bij de Stad Antwerpen, Stedelijk Ontwikkelingsbedrijf, dienst monumentenzorg.

[14] SAA, GA 4833, f° 107 v°; R 2330, 2221, 2238, f° 3 r°; R 2498, f° 4 r°.

[15] SAA, Collectanea 20, f° 43 r° - 44 v°.

[16] SAA, SR 651, f° 54 r° - 55 v°.

[17] SAA, SR 694, f° 293 r° - 294 r°.

[18] SAA, N 3790, f° 55 r° - v°.

[19] Hoewel hij op 16 maart 1651 een lening aangaat voor 20.000 Carolusgulden bij Cornelis Knijff, ook koopman. Bron: G. Degueldre, Op. cit., p. 35; SAA, SR 718, f° 252 r° - v°.

[20] SAA, N 2786, f° 239 r°.

[21] SAA, N 2787, f° 99 r° - v° (Not. Pauwels).

[22] SAA, N 2787, f° 196 r° .

[23] SAA, N 2787, f° 182 r° - v°.

[24] SAA, SR 834, f° 144 r°.

[25] SAA, SR 843, f° 84 v° - 85 v°; SR 866, f° 71 r° - v° en f° 71 v° - 72 r°.

[26] SAA, SR 897, f° 45 r° - v°.

[27].G. Degueldre, Op. cit., p. 43.

[28] SAA, SR 942, f° 216 r° - 217 v°.

[29] SAA, SR 967, f° 246 v° - 248 v°.

[30] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., ongefo­lieerd.

[31] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[32] SAA, GA 4831 : Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 r° - v°.

[33] SAA, GA 4832, f° 135 r°, nrs. 38-40; R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, 3e wijk 2e kapitein (Troyen en De Conick), Hoogstraat Oostzijde nrs. 38 - 40.

[34] SAA, SR 967, f° 249 r° - 250 v°.

[35] SAA, SR 997, f° 460 v° - 461 r°.

[36] SAA, SR 1129, f° 177 r° - 190 r°.

[37] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 441, nr. 33.

[38] N.l. de weduwe Wellens: SAA, PK 2344/4, 4e wijk nr. 2541 (= Kadastrale Legger van rond 1800).

[39] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 17).