Den Wolsack en den Gulden Osch, Hoogstraat 15A[1]

Terug naar het overzicht van de huizen

  

Den Wolsack en de Gulden Osch vormen op dit ogenblik met het Schilt van Mechelen één geheel met als huisnummers Hoog­straat 15A en 17. Dit is, zoals wij uit de volgende geschiede­nis gaan merken, al vrij lang zo, n.l. sedert 1646. Dit sluit zeker niet uit dat de huizen veel vroeger tijdelijk nog een eenheid hebben gevormd. Overigens zijn de Gulden Osch en de Wolsack bijna altijd tesamen ge­weest.

 

Tot 1450 waren deze pand samen met de omliggende huizen de eigendom van de voorname familie vander Taneriën (zie de Gulden Schilt).  Op 13 augustus 1450 verkoopt Willem vander Taneriën  aan de bakker Jan vander Sluys: “... een huys metter looven plaetsen gr. ...” gesitueerd tussen de Gulden Schilt (Hoog­straat 15) en de nieuwe loeve van Willem (d.i. het Schilt van Mechelen, Hoog­straat 17).  Jan moet een nieuwe muur maken tussen zijn woning en de loeve.  Een andere regeling bepaalt dat als de huidige huurder Willem Berchmans opgezegd is, dat indien Willem of zijn nakomelingen dat vragen, Jan verplicht is de deur die vanuit de bakkerij uitgeeft op de borneput binnen de zes maanden toe te metselen[2].  En vander Sluys bouwt verder aan zijn domein want volgens akte d.d. 7/4/1450 (1451) verkoopt Willem vander Tanerien aan hem nog een “... loeve metter poerten boven metten kelder daer onder”, gesitueerd tussen het vorige pand dat hij hem verkocht heeft en Peter Wielant de kuiper[3].

 

In een akte van 12 mei 1462[4] treft de eigenaar van de ‘Gulden Schilt’ Matheeus van Steenberg, met zijn buurman Jan van der Sluys, bakker, de eigenaar van wat later de ‘Wolsack’ en de ‘Gulden Osch’ zal worden, een overeenkomst i.v.m. lichtschep­ping.

 

Nog in 1561 in een akte van 30 juli, noemt men de latere Wol­sack en de Gulden Osch gewoonweg ‘Jan van der Sluys erfge­namen huys’[5]. Inderdaad, gedurende 146 jaar (vanaf 1450 tot 1596) blijven zowel de Wolsack als de Gulden Osch in het bezit van de familie van der Sluys.

 

In de jaren 1579 - 1585 waren er volgende huurders:

de Wolsack, huurwaarde 92 gulden werd door Rochtus vander Smissen of zijn erfgenamen in 1579 verhuurd aan Jan Rupens, in 1584 en 1585 aan Michiel de Vos, lakenkoopman; de Gulden Os, huurwaarde 112 gulden, werd de hele tijd bewoond door de pasteibakker Christiaen van Grimmen. In 1586 stonden beide panden volgens het cohier leeg[6].

 

In feite blijven zelfs na 1596, wanneer op 28 juli[7] de nala­ten­schap van Margareta van der Sluys en haar man Rochus van der Smissen verdeeld wordt, de eigendommen in handen van -weliswaar aangetrouwde- familie. De nieuwe eigenaars worden dan enerzijds hun kinderen: Meester Jan, Rochus en Meester Philip, anderzijds de kinderen van Godevaert Reynen en Catlyne van der Smis­sen: Godevaert, Jaspar, Petronella en Jehanne. Deze laat­ste groep wordt eigenaar van de Wolsack en de Gulden Osch. Jeremias Persoons, stoeldraaier, blijkt volgens de verkoopakte de Wolsack te huren terwijl de weduwe van Adam Voest de Gulden Osch huurt.  In het stadskeldercijns­boek van 1570-1610 vermeldt men de Wolsack vanwege zijn kel­dertrap van 2 voeten diep waarop 4 groten per jaar worden betaald en als eigenaar noteert men Mr. Govaert Reynen[8].

 

Wanneer in 1599 voor de schepenen van Brussel de kinderen van Godevaert Reynen en Catlyne van der Smissen op hun beurt overeenstemming bereiken over de verdeling van de goederen, wordt één onder hen, namelijk Godevaert, eigenaar van de Wolsack en de Gulden Osch[9]. We weten dat hij gesworen loter der stadt Brussel , d.i. beëdigd erfscheider, was en dat hij gehuwd was met Catherina van Heymbeke.

 

Op 11 juni 1646 koopt Michiel van den Kerckhoven, gehuwd met Anna Lambrechts van de kinderen van Godevaert Reynen en Catha­rina van Heymbeke “... twee huysen metten gronde ende toebe­hooorten, daeraf deen is ge­naempt den Wollensack ende dander den Gulden Os, beyde gestaen ende gelegen neffens malcanderen inde Hooch­strate alhier, commende metter eender zijde aen de goede der erfge­naemen... Verhaegen ende metter andere sijde ende oock achter aen de goeden des voors. van den Kerckho­ve..­.”[10]. Deze Michiel van den Kerckhoven was n.l. reeds sedert 13 december 1638 ook eigenaar van het ‘Schilt van Mechelen’[11].

 

                    

                                                           

 

Schema van de huizen volgens G. Degueldre met aanduiding van huidige huisnummers en kadasternummers 1823

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Grooten Gulden

Schilt

 

 

 

308                   15

 

 

Wolsack

 

 

 

 

307                  15A

 

 

Gulden Osch

 

 

 

 

307      15A

 

 

Cleynen Gulden Schilt alias Schilt van Mechelen

 

 

 

307                        17

 

 

Cardinael

 

 

 

 

306        19

             

                                                          

                         HOOGSTRAAT                                                          

 

Als koopman was Michiel van de Kerckhoven niet onbemiddeld zoals hoger gebleken is[12]. Bovendien bestemt hij bij testament d.d. 18 juli 1668 (verleden voor notaris Pauwels)[13], voor ieder van zijn twee dochters, Anna en Maria, de niet geringe som van 13.000 Carolusgulden, waarin begrepen 1.000 gulden voor uitzet en kleren. Zijn zoon François heeft eerder, bij zijn huwelijk, een zelfde bedrag ontvangen, voortkomend uit het moederlijk goed. Anna en Maria zijn nog ongetrouwd en de jongste is zelfs nog geen 25, wat toen als minderjarig gold. Beide zusters zullen daarenboven nog hebben: “... syn huysinge met alle de meubelen daerinne wesende (die sullen moeten worden geinventa­rieert)... ende dat totter tyt ende wylen toe de ionxte der selver sal gecomen wesen tot haren vollen ouder­domme van vyffentwintch iaeren oftwel tot eenigen geapprobeer­den staet gedurende welcken tyt de voors. syne huysinge onver­cocht sal blyven...”.

 

Bij codicille d.d. 23 juni 1670[14] preciseert hij nogmaals dat: “... syne huysinge... gestaen in de Hoochstraete... zoals hy tselve iegenwoordich is bewoonende... “ na zijn overlijden gedurende vier jaar onverkocht moet blijven, alsmede de “... twee huysen voor aen de strate, overmits den codicillateur der pant niet en wilt gesepareerthebben...”. Bovendien krijgen Anna en Maria 240 gulden per jaar, dienend voor gebruik en onderhoud van huis en meubelen. Mocht één van beiden ondertus­sen huwen, dan mogen zij overgaan tot scheiding en deling van goederen. Voor wat het deel van zoon François betreft, moest hij overlijden zonder wettige nakomelingen, dan moet dit deel terugkeren naar zijn zusters. Michiel vanden Kerckhoven

s­chijnt wel erg te waken over de familiegoederen. Wij vermoe­den dat hij tussen 23 juni en 14 december 1670 is overleden. Op die laatste datum vermaken beide zusters bij testament mekaar hun goederen “... soo rurende als onrurende, haeffelyc­ke ende erffelycke, gout, silver, gemunt ende ongemunt ende alle andere... ende dit alles ter seclusie van Fran­chois...”[15].

 

Op 16 november 1671 beslissen Franchois van den Kerckhoven, Anne van den Kerckhoven, gehuwd met de koopman Benedictus Lenaerts, en Maria van den Kerckhoven in de geest van het testament van hun vader de huizen als één lot op de vrijdag­markt te laten verkopen[16]. Het komt de zusters evenwel ter ore dat Franchois de “... huysen in drye distincte coopen wilt laten vercoopen, directer tegens de ordonnantie van witterste wille des voors. vaders ende tot hen comparanten overgrooten intrest, preiudici ende schade...”. De huizen werden tot dan toen als drie aparte woningen gebruikt en zullen nu leeg komen te staan, vooral het 'Schilt van Mechelen', waar Michiel van den Kerckhoven is overleden. Aan de andere twee, tegen de straat aan, moeten herstellingswerken gedaan worden. Tot zolang weigeren de huurders hun huur te betalen. Deze akte wordt de volgende dag aan Franchois betekend, die “... antwoorde protesterende zyn broot eten is niemant verboden...”.

Op 17 juli 1672 verklaren de erfgenamen van den Kerchoven “... met malcanderen wel ende int minnelyck gepaert, gescheyden ende gedeylt te syn, rakende de meubelen, goederen, contanten, actien, crediten ende gerechticheden achtergelaten byden voors. wijlen Michiel van den Kerchoven...”[17]. De gezusters en hun echtgenoten Benedictus Lenaerts en Joannes van den Broeck, ook weer een koopman, kopen voor zichzelf voor 15.500 gulden elk de helft van het Schilt van Mechelen, de Wolsack en de Gulden Osch. Dit bedrag was inbegrepen in de gehele erfenis met als  totale waarde 52.562 gulden 5 stuivers.

 

Op 10 april 1673 wordt het Schilt van Mechelen door Benedic­tus Lenaerts en Joannes van den Broeck bepand met een erfrente van 150 gulden per jaar, die door Joannes van den Broeck op 11 december 1677 geheel op zich wordt genomen[18]. Nog op diezelfde 11 december verpand Benedictus Lenaerts zijn deel opnieuw en wel voor een erfrente van 375 gulden per jaar wat 6.000 gulden kapitaal vertegenwoordigt. Koper is Cornelis Bosschaert.

 

Anna van den Kerckhoven overlijdt voor 24 maart 1682[19] met achterlating van minderjarige kinderen. Benedictus Lenaerts schijnt in ernstige financiële moeilijkheden te zijn, van de 375 gulden die hij moet betalen betaalt hij er slechts 62,5 en dan nog vier maanden te laat. Ook Joannes van den Broeck gebruikt in die jaren zijn helft intensief als onderpand maar dan wel voor handels­transakties[20].

 

Op 20 mei 1689 verkrijgt Cornelis Bosschaert na wanbetaling van de renten uit handen van de amman de helft van de drie huizen van Benedictus Lenaerts voor de som van 4.300 gulden[21]. Aldus kan hij op 1 oktober 1695 samen met Joannes van den Broeck die steeds mede in de naam van zijn echtgenote Maria van den Kerckhoven optreedt, de drie huizen verkopen aan Jan Francisco Wellens, koopman, en diens vrouw Barbara Cuypers[22].

 

Nu de familie van den Kerckhoven uit ons gezichtveld gaat verdwijnen is het misschien nuttig de bewoners van de drie huizen hier even op een rijtje te zetten, we bespreken de huizen telkens van Grote Markt naar de Reyndersstraat toe en noemen ze dan telkens Wolsack, Gulden Osch en Schilt (van Mechelen): in 1659[23] huurt Anthoni Corpet de Wolsack, uitge­rust met 5 schouwen en met een huurwaarde van 120 gulden, Franchois van Bolderen zit in de Gulden Osch, uitgerust met drie schouwen en met een huurwaarde van 72 gulden terwijl het Schilt huurwaarde 200 gulden, voorzien van 7 schouwen, effec­tief door Michiel van den Kerckhoven wordt bewoond. In 1667[24] hebben Wolsack en Gulden Osch dezelfde huurwaarde: 120 gulden, huurders zijn resp. Pauwels van Ouythom en Juliaen van Mont­fort. Rond Kerstmis 1660 liet Juliaen van Montfort, gehuwd met Geertruyt Verwilligen, zijn testament aan het ziekbed van zijn vrouw in de Hoogstraat opmaken zodanig dat het niet onwaar­schijnlijk is dat ze toen al in de Gulden Osch woonden[25].  Van de Kerckhoven zijn woning heeft een huurwaarde van 300 gulden.

In 1672 wordt de Wolsack, huurwaarde 120 gulden, bewoond door Philips Durioux terwijl Giel. van Montfort voor 78 gulden de Gulden Os huurde[26].  In 1682 en 1689[27] wordt de Wol­sack be­woond door Jan Ver­hulst, de Gul­den Osch door de weduwe Grevu ­alhoe­wel ook haar naam doorge­haald is. Die weduwe Grevu is waar­schijnlijk de vrouw geweest van de tingieter Abraham Grevu die bij de meerseniers als dusdanig gekend was in 1677 en 1681.  In en na 1689 huurde ene Jan Meyers Bastiaens de Gulden Os.  De fami­lie van den Kerckhoven heeft rond 1682 plaatst ge­maakt in het Schilt voor ene Mens[ieu]r Ton­gerloo die ook nog in en na 1689 ter plekke bleef. De huur­waarden bedragen nu resp. 108, 96 en 240 gul­den. In de jaren 1704-1708 zijn de namen van Jan Verhulst, Jan Meyers en Menh[ee]r Ton­ger­loo doorge­haald en staat Jan Francis Wel­lens op alle panden, huurwaarde 444 gulden, genoteerd wat er dus op wijst dat hij kort na de aankoop er ging wonen[28]. Een accolade verbindt de drie panden en er staat een nota: ‘voort­daen 3 quitantien’.

 

Jan Frans Wellens was blijkbaar ook al verplicht om zijn eigen­dommen te hypothekeren: op 8 oktober 1695 verkoopt hij een erfrente van 500 gulden d.i. 8000 Carolusgulden kapitaal. Koper van de rente is zijn moeder Maria Anna Plisson, weduwe van François Wellens[29]. Wanneer zij in 1702 overleden is zon­der dat de rente is afgelost erkent Anthonius Gerardus Wel­lens, koopman, en haar tweede zoon op 18 oktober, dat hij van zijn broer Joannes Franciscus, de helft van de ‘capitaele pennin­gen’, d.i. de helft van de 8.000 gulden plus achterstal­lige intresten, ontvangen heeft[30]. De vijf kinderen van Joan­nes François Wellens en van Jacoba Barbara Cuypers, n.l. Joan François, koopman, Petrus Antonis, oud- burgemeester van Antwerpen en op dat ogenblik schepen, Jacobus Theodorus, koopman en oud- aalmoezenier, Maria Catherina, echtgenote van Engelbert Maria Joseph Borrekens, ridder, Anthonis Gerardus, koopman en op zijn beurt  aalmoezenier, verdelen op 17 septem­ber 1738 de nalatenschap van hun ouders: renten, huizen en andere goederen[31]. De nieuwe eigenaar wordt Jacobus Theodorus Wellens, koopman en oud- aalmoezenier. Volgens de volkstelling van 1754 bewoonde deze samen met zijn dochter van 23 jaar, twee dienstmeisjes en een knecht de panden tussen het nr. 15 en het nr. 19A[32]. Ook nog in 1800 was het huis in de handen van een telg van de familie Wellens[33].

 

In 1898 vormde dit pand samen met het complex De Lintworm of Cleynen Gulden Schilt, Hoogstraat 17, één groot geheel bestaande uit twee voorbouwen op de Hoogstraat waartussen zich een gang bevond.  Wat we het huidige nummer 15A noemen was een koperhandel of -fabriek[34].

 


 

[1] De meeste gegevens betreffende dit eigendom konden wij putten uit: G. Degueldre, “Wat archieven zeggen... Historische gegevens over de huizen 'Wolsack', 'Gulden Osch' en 'Schilt van Mechelen' (Hoogstraat 15A - 17)”, in: Bulletin van de Antwerpse Vereniging voor Bodem- en Grotonderzoek, jg. 1984, nr. 4, p. 32 - 47.

[2] SAA, SR 43, f° 335 r°.

[3] SAA, SR 43, f° 478 r°.

[4] SAA, SR 62, f° 72 v°.

[5] SAA, SR 282, f° 254 r° - 255 v°.

[6] SAA, GA 4833, f° 107 v° - 108 r°; R 2330, 2221, f° 3 r°; R 2238, f° 3 r° - v°; R 2498, f° 4 v°.

[7] SAA, SR 420, f° 335 r° - 344 v°.

[8] SAA, T 167, f° 12 v°.

[9] Cfr. SAA, SR 539, f° 76 r° - v°, d.d. 22 maart 1619.

[10] SAA, SR 694, f° 293 r° - 294 r°.

[11] SAA, SR 651, f° 54 r° - 55 v°.

[12] Hoewel hij op 16 maart 1651 een lening aangaat voor 20.000 Carolusgulden bij Cornelis Knijff, ook koopman. Bron: G. Degueldre, Op. cit., p. 35; SAA, SR 718, f° 252 r° - v°.

[13] SAA, N 2786, f° 239 r°.

[14] SAA, N 2787, f° 99 r° - v° (Not. Pauwels).

[15] SAA, N 2787, f° 196 r° (Not. Pauwels).

[16] SAA, N 2787, f° 182 r° - v°.

[17] SAA, SR 834, f° 144 r°.

[18] SAA, SR 843, f° 84 v° - 85 v°; SR 866, f° 71 r° - v° en f° 71 v° - 72 r°.

[19] SAA, SR 897, f° 45 r° - v°.

[20] G. Degueldre, Op. cit., p. 43.

[21] SAA, SR 942, f° 216 r° - 217 v°.

[22] SAA, SR 967, f° 246 v° - 248 v°.

[23] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,ongefo­lieerd.

[24] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[25] SAA, N 3777, f° 70 r° - 71 r°.

[26] SAA, GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 40 en 41.

[27] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 r° - v°; GA 4216-17.

[28] SAA, R 2516: Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, 3e wijk 2e kapitein (Troyen en De Conick), Hoogstraat Oostzijde nrs. 38 - 40.

[29] SAA, SR 967, f° 249 r° - 250 v°.

[30] SAA, SR 997, f° 460 v° - 461 r°.

[31] SAA, SR 1129, f° 177 r° - 190 r°.

[32] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 441, nr. 33 en 34.

[33] N.l. de weduwe Wellens: SAA, PK 2344/4, 4e wijk nr. 2541 (= Kadastrale Legger van rond 1800).

[34] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 17).