De Grooten Gulden Schilt, Hoogstraat 15 

Boedel van Elisabeth Coenen, 25 november 1642

Terug naar het overzicht van de huizen

 

 

Het schrijven van de vroegste geschiedenis van de huizen tussen de Hoogstraat 11: de huidige Fonteyne, in de XVde eeuw gekend als de Wijngaert en de Hoogstraat 19A: het Bonte Calff, in de XVde eeuw ook wel gekend als de Cleyne Bonte Coe, is geen eenvoudige zaak.  Tot rond 1450 waren al deze huizen n.l. de eigendom van de familie vander Taneriën, een aanzienlijk geslacht dat zowel aan het Bourgondische hof als in de stad zelf belangrijke funkties kon uitoefenen.  In 1454 nog lost Willem vander Taneriën een rente af die zijn ouders Joes vander Taneriën en Allyt Merckinx hadden laten drukken op huizinge met stallen, plaatsen en huizen daarnaast, geheten de Gulden Schilt[1]

 

Zo weten wij

1° dat op 4 juni 1445 Gielis van Pulle de Oude en Joes vander Tanerien een rente op twee eigendommen verkopen, waarvan het tweede het eigendom van Joes is. Het is een “huysinge metter plaetsen stalle...”, gesitueerd in de Hoogstraat tussen Peter Wielanck, kuiper en Claus Colezoens.

2° dat op 12 juni 1447 Joes vander Taneriën twee stallen van de Gulden Schild, gesitueerd achter de Rooden Schild op de Oude Koornmarkt, verhuurde aan Jan vande Laer of Lare, die in diverse akten 'inden Roeden Schilt' genoemd wordt[2].

 

Op 11 december 1453 verkoopt Willem vander Taneriën aan Matheeus Thomaessone alias van Steenberge: “1 huysinge met plaetsen coeken acht[er] metten gronde...” geheeten den Gulden Schilt, gesitueerd tussen het erf van Jan van Urssel en de eigendom van Jan vander Sluys.  Langs achter heeft Claus Roecock (beter gekend als Rockox) van Willem een huisinge gekocht.  Matheeus Thomaess koopt ook nog de Lintworm die we moeten situeren ter hoogte van Hoogstraat 17, het latere Cleyne Gulden Schilt, dus voorbij en achter Hoogstraat 15A dat de eigendom was van Jan vander Sluys[3].

 

Uit een akte van 12 mei 1462[4] weten we dat Matheeus van Steen­berg met zijn buurman Jan vander Sluys, bakker, de eigenaar van wat later de ‘Wol­sack’ en de ‘Gulden Osch’ zal worden, een over­eenkomst sluit i.v.m. lichtschepping.

 

Op 30 december 1475 draagt Matheeus Thomaess alias van Steen­bergen stukken van de Gulden Schilt over aan de gebroeders Peter en Jan van Meerle.  In een rentebrief d.d. 13 juli 1478 wordt dit deeltje beschreven als “... een huys, mett[en] plaetsen, cokenen, achtergange, pishuyskene daer inne en[de] aen staende, halven borneputte, gr. en[de] toebeh. geheeten den gulden schilt, gestaen inde hoochstrate... en[de]... noch een came[r], geh[ee­ten] de rooscame[r] met eene[n] stalle,... achter en[de] neffens de voers. cokene gestaen...”[5].  Op 12 oktober 1478 verkoopt Matheeus van Steenbergen hun ook nog: “... Een huys mett[en] plaets borneputte, mett[en] poorte t[er] straten vytcomen[de] metten gange vry zynde...”, genaamd de Lintworm, gesitueerd tussen Jan vander Sluys, bakker (dit werd later de Wolsack en de Gulden Osch), en Claus Segers, schoenmaker (eigenaar van de latere Cardinael).  Deze Lint­worm, volgens een rentebrief gelegen achter de Gulden Schilt, wordt aldus verenigd met de Gulden Schilt[6] en vormt één geheel dat achter de Wolsack en de Gulden Osch doorliep. 

 

In een processtuk van 28 november 1491 vernemen we de namen van de toenmalige eigenaars, Pauwels van Meerle en zijn broer Jan, en een huurder, Meester Peeter Willemssen[7].

Op 19 augustus 1524 greep er met de Gulden Schild en het bijhuis het Cleyne Gulden Schilt, later Schilt van Mechelen, een transaktie plaats in Keulen waarnaar we het raden hebben[8]. We beschikken wel over de akte van 30 juli 1561 waarbij Gereon en Everaerdt Hardenraidt voor zichzelf en als vertegenwoordi­gers van de andere kinderen van Jan Hardenraidt de Oude, in erfelijk recht geven aan Jan Anthoenis, zijn zoon Rombout en Mathys Hulsbosch, zwager van Rombout: “... een huysinghe metter plaetse coeckenen achter metten gronde ende allen den toebe­hoirten geheeten de guldenen schilt...”, gesitueerd tussen het huis van de erfgenamen van Jan vander Sluys (dit is het perceel waarop later de Wolsack en de Gulden Osch zullen ontstaan) en het Paradys.  Daarnaast is er in de verhandeling ook het huis ‘De Lyntworm’, ook ‘Cleynen Guldens Schilt’ genoemd, begrepen dat overigens, met de Wolsack, de Gulden Osch en het Grooten Gulden Schilt één geheel heeft gevormd[9].

 

De familie Anthoenis- Hulsbosch was vrij ambitieus wat hun nieuwe eigendom betrof. Op 15 januari 1562 kopen ze van Jan van Tricht de Jonge en Jasperyne vande Wyngaerde, de eigenaars van de Rooden Schilt aan de Oude Koornmarkt 14: “... drie stallingen oft wooninghen metten geheelen muer recht oppe soo breet deselve drie wooningen zyn, neffens de gange oft plaetse van huerlie­den huyse geheeten den rooden schiltop­de oude coren­merct alhier gestaen daer zy erfgeveren de voors. drie stallingen oft wooningen nu aff vercoopende ende splytende zyn gelyck zy malcanderen dat bewesen hebben met oick tgebruyck vanden vrynen deurgange vanden selven stallingen deur eene deure oft poorte die de voirs erfnemeren daer selen mogen maken ende hebben tallen dagen over den gange ende plaetse vander voirs. huyse vanden rooden schilt voer deur de poorte vander zelve huyse te strate waerts vuyte op te oude coren­merckt voirsomme daer vuyte ende inne te gane ende oick met sledden, cordenwagenen, rollenwagenen ende perden te ryden ende te varen ende dat tusschen den twee poortdoeren ende anderssints nyet...”[10]. Er volgen nog een aantal bepalingen inzake lichtschepping en de ozydrup maar die doen verder weinig ter zake. Belangrijk is dat de eigenaars en bewoners van de Grooten Gulden Schilt dus rechten hadden om via de Rooden Schilt naar de Oude Koornmarkt te gaan en deze rechten vindt men in alle volgende akten van de Grooten Gulden Schilt terug.

 

Op 8 juli 1577 wordt Jaspar Anthoenis, de zoon van Jan, de nieuwe eigenaar van 1/3 van het pand in opvolging van zijn vader. Op 26 januari 1579 verkopen Mathys Hulsbosch, Jaspar Anthoenis en de erfgenamen van Rombout Anthoenis (waaronder zijn echtgenote Catharina Hulsbosch) aan Loys Delbecque, koopman van laken, de Lyntworm, die daarmee zijn eigen gang gaat los van de Groote Gulden Schilt waaraan hij achteraan bleef aanpalen. De Grooten Gulden Schilt liep namelijk achter de Wolsack en de Gulden Osch door[11]. Er volgen weer een aan­tal bepalingen om de privacy van de verkopers te garanderen.

Uit een akte van 1581 waarbij het gilde van de lakenhandelaars dumpingpraktijken inzake het verven van laken aanklaagt weten we dat Jaspar Anthoenis en Matthys Hulsbosch lakenhandelaars waren[12].

 

Op 26 mei 1582 verkopen Mathys Hulsbosch en de erfgenamen Anthoenis aan de lakenkoopman Jan Ghenaert “...eene grootte huysinge daer nu ter tyt twee wooninghen zyn met vloeren oft winckels, neercameren, plaetsen, pompen, regenback met eenen grootten packhuyse daer achteren geheeten dese huysinge de grootten gulden schilt...”. Achter het pakhuis vertrekt de gang naar de Oude Koornarkt en is er tussen de het Paradys en de Wolsack de uitgang in de Hoogstraat. Een keldertrapje van 1 voet diep, waarvoor men de stad 3 groten per jaar betaald, zit voor het huis.  Men meldt ons dat Mathys Huls­bosch en Walraven Haeck de huurders zijn[13]. De cohieren voor de periode 1579 - 1586 zijn wat dit pand aangaat een beetje verwarrend maar met wat goede wil kan men daar het volgende uit afleiden:

er zijn zoals de akte zegt twee woningen

1) naast het Paradys: huurwaarde 230 gulden, en de hele tijd gehuurd door de lakenkoopman Walraven Haeck

2) Naast de Wolsack: huurwaarde 200 gulden, telkens door de eigenaars (Matthys Hulsbosch zeker tot 1582, Jan Ghenaert, die kapitein was daarna) bewoond, in 1586 verhuurd aan Melchior Christoffel.

Bovendien was er tot rond 1579 nog een kelder, huurwaarde 60 gulden, die apart werd verhuurd aan Abraham vander Veeken[14].

 

Op 7 december 1594 geeft de koopman Nicolaes Sterck, gemach­tigd door Jan Ghenaert die inmiddels zijn biezen heeft moeten pakken naar Frankfurt-am-Main, het pand in erfelijk recht aan zijn voornaamste huurder, Walraven Haeck en Maria Betten[15]. De familie Haeck kent een stijle opgang want als op 17 decem­ber 1633 de Grooten Gulden Schilt wordt verkocht door zijn zoon Peeter Haeck, die ook optreedt voor zijn moeder, blijkt deze Peeter Haeck de titel ‘Heer van Hoogerheyden’ te dragen. In de akte duikt er voor het eerst een kleine bepaling op inzake het de uitgang naar de Oude Koornmarkt: deze mag nog maar gebruikt worden “... by daghe tusschen het luyden vande stadt poort­clocke die soo smorgens als tegen avent ofte nacht luydende is...”[16]. Dat deze bepaling nu opduikt is des te merkwaardiger omdat Walraven Haeck sedert 1620 ook in het bezit was van de Rooden Schilt aan de Oude Koornmarkt (zie aldaar). Misschien wilde Peeter Haeck die dit pand nog tot 1636 zal behouden de rust van zijn huurders verzekeren.

 

Dat de gang via de Rooden Schilt wel degelijk werd gebruikt om met karren goederen te leveren voor het pakhuis van de Gulden Schilt blijkt uit een getuigenis van de bewoners van rond 1621 van het poorthuis van de Rooden Schilt, Jan Kemp en Maria Oeyens. Op 22 februari 1643 verklaren dezen dat ze toen hebben gezien dat “... soe wanneer datter eenige rolwagens quamen met eeniger goeden geladen in[den] ganck van[den] voors. huyse den rooden schilt om ontladen te worden int packhuys van thuys den gulden schilt... [ende] wtcomen[de] inden vs. ganck, dat de selve rolwagens eerteyt achterwaarts vuyte gedrongen werden soo wanneer sy henne goeden overladen hadden ende als van noode was int voors. packhuys eenige goeden te laden hebben sy affirmanten altyt gesien datmen de selve rolwagens achter­waarts in dronge om aldaer geladen te mogen worden...”[17].  Het feit dat men het werkwoord ‘uitdringen’ gebruikt lijkt erop te wijzen dat het laden en lossen via de gang een vrij hachelijke onderneming was.

 

Kopers in 1633 van de Grooten Gulden Schilt zijn de welvarende lakenkoop­man Michiel Verhagen, opperdeken van ‘De Olyftak’, en zijn vrouw Elisabeth Coene. De koopsom bedraagt 2000 gulden en 187 g. 12 st. erfelijk (in totaal dus 5000 gulden). Zij bewonen het huis effektief maar verhuren wel een gedeelte in de jaren 1640 aan de koffermaker Henrick Goetseels terwijl een ander deel leeg blijft staan. Elisabeth overlijdt er als weduwe op 16 oktober 1642[18]. In 1644 werd een deel van het pand verhuurd aan de lakenbereider Peeter Vinck de Jonge en zijn echtgenote Maria Smits die er op 4 augustus hun testament laten opmaken[19]. Daar­na ver­kla­ren de voogden van de vier kinderen Verhagen Michiel II, Jan Baptiste, Anna en Catharina volgens een akte d.d. 20 februari 1654 deze kinderen als bevoorrech­te schuldei­sers inzake het Gulden Schilt[20]. Volgens het co­hier van 1657 wer­den beide wonin­gen ver­huurd: naast het Paradys situeerde zich de meest bescheiden van de twee, huurwaarde 250 gulden, 2 schoorsteen­pijpen, gehuurd door Jan Battista Oor­schot; daar­naast was de huurwaar­de 300 gulden, waren er 7 schouwen en huurde Theodor Roosen­dael. Oorschot huurde volgens zijn huurceel tot St. Jansmis 1663 en Roosen­dael tot halfmaart 1666[21]

 

Op 31 juli 1660 verkopen de overblijvende kinderen van Michiel Verhagen: Jan Baptiste, Elisabeth (wie dat ook moge wezen!) en Anna Verhagen, aan de zijdekoopman Abraham Hennekin het pand[22]. Dezen zouden volgens het cohier van 1667 het gehele pand, huurwaarde 320 gulden, zelf bewoond hebben.  Het cohier van 1672 noteert als inwonende eigenares Vidua Gimmekens.  De huurwaarde bedroeg toen 300 gulden[23]. Als Abra­ham gestorven is moet zijn vrouw Elisabeth van Boesdonck afrekenen met zijn kinderen uit een eerder huwelijk met Josina Lemmens en haar eigen kinderen die zij van Abraham had. Dit gebeurt op 1 september 1677 en zij weet voor zichzelf de Grooten Gulden Schilt te behouden[24]. In 1682 verhuurt zij het echter aan de weduwe Borrekens[25]. De huurwaarde waarop men taxeert is nog 300 gulden. Op 27 juni 1687 wordt het huis bij een verdeling tussen de kinderen toegewezen aan Françoise Hennekin en Joannes Baptista Bosch[26]. Deze mensen hadden blijkbaar in 1686 de stad verla­ten en mochten hun huis niet verkopen omdat zij de belasting van de issuiemeesters niet betaalden. Dit verbod werd pas op 10 juni 1730 opgeheven omdat Françoise na het overlijden van haar man terug in de stad was komen wo­nen[27]. Bewoners vanaf 1689 waren in eerste instantie nog steeds de weduwe Borrekens, vervolgens Jan Baptista Bosch en zeker vanaf 1704 tot 1708 Benedictus vande Wal[28].

 

Op 20 februari 1751 verkoopt Magdalena Catharina Bosch, Vrouwe van Marselaer, Arbres, Neffe, etc., enige dochter van Vrouwe Françoise Hennekin en Jan Baptist Bosch het pand aan de koopman Guillielmus Frans. Le Grelle en Anna Maria Mertens. Men zegt dat het twee woningen geweest zijn[29]. In 1754 be­woon­de Le Grelle zijn huis samen met zijn twee zonen van resp. 16 en 20 jaar, zijn dochter van 15 jaar, één knecht en een dienst­maagd. Hij had er een lakenwinkel, was lid van de meerseniers en was ook lakenberei­der[30]. Onder de erfgenamen wordt Maria Isabella Le Grelle eigenares volgens akte d.d. 27 mei 1772 van “... Eene groote huysinge dat twee wooningen geweest sijn met vloeren oft winckels, neercameren, plaetsen, pompen, regenback met eenen grooten packhuysen daer achter...”, langswaar men via de Rooden Schild op de Oude Koornmarkt uitkomt[31]. Op 4 november 1777 verkopen Maria Isa­bel­la en haar echtgenoot de koopman Joannes Frederi­cus Melle­rys, het huis voor 10.000 gulden aan de koopman Emmanuel van Lancken die de koopsom via een erfren­te betaalt.  Uit het huwelijkscontract d.d. 1 juli 1777 van J.F. Mellerys en Maria Isabella Le Grelle blijkt dat Mellerys’ moeder beschikte over een “... waschblijkerije met huysingen en edificien...” in de Korte Vliersteeg en dat hij daar naar haar overlijden over kon beschikken[32].  Eens temeer blijkt dus hoe de textielbaronnen vaak huwelijken binnen hun eigen middens aangingen. 

 

Rond 1893 bevond er zich een rijstpelderij in het pand[33].  In 1898 een kantoor[34].

 


 

[1] SAA, SR 47, f° 363 r°.

[2] SAA, SR 34, f° 9 v°; SR 39, f° 129 v°; SR 40, f° 511 r°; SR 41, f° 372 v°, 424 r° en v°, 427 v°. Joes vander Tanerien moet eind 1447, begin 1448 gestorven zijn en hij liet drie kinderen na: Willem, Anthonys en Johanna, die huwde met Colaerde du Bos­quel.

[3] SAA, SR 47, f° 336 r°;  f° 337 v° - 338 r°. Op 2 januari 1453 o.s. kon Meester Willem dan ook zijn renten afbetalen: SR 46, f° 149 v°.

[4] SAA, SR 62, f° 72 v°.

[5] SAA, SR 93, f° 130 r°.

[6] SAA, SR 93, f° 177 r°. Renten: SR 91, f° 76 v°; SR 93, f° 95 v°; SR 94, f° 23 v°; SR 96, f° 18 r° - v°.

[7] SAA, Processen Supplement, nr. 6400.

[8] Vermeld bij Ketgen: SAA, PK 2263, f° 529 r° en 530 r°.

[9] SAA, SR 282, f° 254 r° - 257 r°.

[10] SAA, SR 291, f° 59 v° - 61 r°.

[11] SAA, SR 356, f° 215 r° - 218 r°.

[12] SAA, GA 4020, p. 1-3.

[13] SAA, SR 368, f° 323 r° - 325 r°; T 167, f° 12 v°.

[14] SAA, GA 4833, f° 108 r°; R. 2330, f° 2 v°; R 2221 en 2238, f° 3 v°; R 2498, f° 4 v° - 5 r°. In 1586 werd de huurwaarde van de twee woningen gehalveerd tot telkens 100 gulden.

[15] SAA, SR 415, f° 79 v° - 83 r°.

[16] SAA, SR 616, f° 140 r° - 142 r°.

[17] SAA, N 3761 (1643), f° 161 r° - v°.

[18] Inventaris van Elisabeth Coenen d.d. 25/11/1642 zie bijla­ge.  Zie ook haar testament van dezelfde datum: SAA, N 3396, ongefolieerd.

[19] SAA, N 3761 (1644), f° 59 v° - 60 r°.

[20] SAA, SR 730, f° 585 v° - 588 v°.

[21] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­fo­lieerd; N 3778, f° 2 v°.

[22] SAA, SR 760, f° 95 r° - 96 v°. Prijs: 14.500 gulden. Notaris­akte d.d. 9 juli 1660: N 3777, f° 160 r°. Noteren we ook dat de samenwerking tussen de kooplui Jan Baptist Verhaegen en Nicolaes vander Borcht wordt opgeheven. Zij hadden samen een handel in zijden en saaien kousen, segen, saai, scharlaken en zwart laken: N 3777, f° 202 r° - 203 r° d.d. 2 augustus 1660.

[23] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 39.

[24] SAA, Collectanea 31, ongefolieerd.

[25] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 r°, nr. 37.

[26] SAA, SR 928, f° 499 v° - 506 v°.  Zie ook N 2720, vol. 1683, f° 61 r° - 63 v°.

[27] SAA, SR 924, f° 136 r° - v°; SR 1102, f° 164 r°.

[28] SAA, GA 4832, f° 135 r°, nr. 37; R 2516: Cohier vant huyshuer­gelt 1689, ongefolieerd, 3de wijk, 2de kapitein, nr. 37.

[29] SAA, SR 1187, f° 73 r° - 75 v°. In feite betreft het hier een vernieuwing van een akte van 22 augustus 1741.

[30] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 441, nr. 32; GA 4220 (naamlijst van 1765).

[31] SAA, SR 1245, f° 249 r° - 250 v°.

[32] SAA, N 2929, ongefolieerd, akte nr. 50; SR 1260, f° 157 r° - 158 r°. Er is nog een arrest i.v.m. Melleris: SR 1312, f° 808 r° - v°.

[33] A. Thys, Historiek der straten en openbare plaatsen van Antwerpen, Antwerpen, 1893, p. 560-567.

[34] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 15).

 

Bijlage: Inventaris van de goederen van Elisabeth Coenen, weduwe van Michiel I Verhaegen d.d. 25 november 1642

Bron: SAA, N 3396 (not. H. van Cantelbeck), ongefolieerd.

Reeds gedeeltelijk gepubliceerd in: E. Duverger, Antwerpse kunstinventarissen uit de zeventiende eeuw, vol. 5, Brussel, 1991, p. 47-49 (nr. 1218).

 

Personalia: zij laat volgende kinderen na:

Michiel, 23 jaar, Franchois, 21 jaar, Marie, 20 jaar, Anna, 14 jaar, Catharina, 13 jaar, Jan Baptist 9 jaar.

Test. voogden: Michiel Verhaegen junior en Peter Laureys, koopman.

 

We beperken ons zoals steeds tot de beschrijving van meubi­lair, gebruiks- en kunstvoorwerpen en laten papieren buiten beschouwing.

 

(f° 1 v°)

Ende eerst inde grootte ceucken

 

Een herthouten wttrecken[de] taeffel metten carpette taeffel­cleet [daer]op I spaensche armsstoel met leeuen inde zyde I herthoute zitbancke I nootboomhouten [ver]keerbert met zyn stecken vier spaensche mans met dry vrouwen stoelen vier gruen laeckene zittcussens, I spiegel in een swertte casse een herthouten gelaesbert met vyff posteleyne schotelekens [en­de] een commeken, dry cleyn posteleyne commekens wat verschey­den drinckgelas[en] [daer]onder een schoon biergelas I kinder­hooffde­ken van plaester, II steene peerdekens een [paer] geslepen brantysers I blauw stannetter schoucleet II coop[e­ren] ringen II coop[eren] kerssnutters I coope[ren] armcande­laer, twee grootte posteleyne schotelen een stuck schildery op paneel olie [ver]ve in [ver]gulde lyste [daer] onsen salich maeker met syn disciplen in Emaus is, I schoudoeck I clavesim­bel op haeren herthouten voet I rooden coperen coelbanck I coop[eren] vierclock, I cooperen

(f° 2 r°)

eemer, I cooperen root panneken, een cleyn cooperen ketelken I cop[eren] vischpaen I coop[eren] [ver]tenden podt, IIII coop[eren] zieketels I cleyn cop[eren] coelbacxken een cop[e­ren] hesenbecxken I gegoten ziepotteken nocheen cleyn cop[e­ren] ketelken, noch II coop[e­ren] [ver]tenden ziepotten vier coop[eren] candelaers II coop[eren] lampen XX grootte tenne schotelen XXIX cleyn tenne schotelen vier tenne cande­laers I tennen spoubecken vier dosyn  tenne teljoeren I tenne wynpint I tennen lampetpot II tenne blompotten twee tennen sousierkens I botercroes II tenne rechauffoirs I coop[e­ren] bedtpanne noch II geslepen brantyser­kens noch twee cop[eren] candelaers I cop[eren] mortier metten stamper, I tennen lavoirken oft fontyntken acht steene wynpotten soo groot als cleyn vier bierpotten soo groot als cleyn I witte steenen wynpint met een silveren scheel I herthoute cleer­schappray met dry sloten [daer]inne bevonden tnaevolgende een violet fluwee­le bruyts cofferken met een slote  [daer]inne bevonden tnavol­gen[de] I roosen hoyken van ammeren I yvoi­re tobbeken met een yvoiren zoutvaetken, I ebbenhouten Agnus dei van [ver]scheyd[en] heylichdom, I zilvere naelde een geboren duert flouweele riemken I gouden met een zilvere

(f° 2 v°)

laecke spellecuskens I gouden laecken met een silvere laecken [ende] een effen zattynen borsse acht ronde goude cnopkens I gouden haecxkens met 2 gouden oogen twee cleyn parelkens een p[aer] goude seserande braseletten met perelen geschockeert, I gouden pretador met perelen [ende] dia­man­ten [daer]ane I goude ketenken met een diamanten cruys [daer]aen I snoer perelen van ses dick I gouden met een zilveren cluter I gouden naelde twee gouden cruyskens I silver[en] belleken I gouden trourinck I coleur tafte sluyer­ken I herthouten layken oft schuyffk[en] [daer]inne zyn[de]...

 

[voor meer dan 150 gulden liggend geld]

 

(f° 3 r°)

twee perelen met gouden efkens [daer]ane drye cleyn goude cruyskens I cornele snoer I silvere peperbus zes zilvere lepels noch I silveren lepel met een silvere wttrecken[de] fourquet [daer]ane, I silvere sleutelriem met een zilveren lystenen vier silvere ketenkens twee zilver beckers een liekens boeck in wit zattyn gebonden I boek van meditatien van pater scribanus in rood leere coffitorie wat eckelkens tot snutdoecken een silver ringesken een silvere medalie I blauwen gelaesen roosen hoyken I kerkboeck I groen flouweelen hertte­ken I hertteken van zilveren laecken twee quade quinfette vrouwevliegers

(f° 3 v°)

I geelen rysselse vrouwen rock geboort met cleyn zyde passe­mentkens I tanneryten laeken vrouwen rock geboort als bo­ven I swertten rasilierock geboort met een cantken onder I swert­ten cafta vrouwenrock oick onder met I swertten cant I quade coleuren carmosynen vrouwen rock met linten geboirt I zwert quinfetters vrouwe lyfken noch een zwertten cafta vrouwen rock met passementen geboort I zwertten bayen vrouwen rock I aeckense zaye vrouwe schorssel I quinfette vliger met cant geboirt

 

Inden vloer

 

Een herthoute cantoir met II sloten ende wat prendel [daer]in­ne de stadt van ceulen pampiere caert in lyst I groot weeck­houte tre II herthoute mans stoelen met 2 vrouwe stoelen met biese zitplaets I herthouten zitbanck, een stuck schildery van schevelinge op doeck en lyste I schip aen[den] balck han­gen[de] I spicie II carbynen I musket I snaphaen I pam­pie­ren caerte van Ostende in lyste

 

Inden ganck

 

I herthouten capstock noch een stuck schildery va[n] Schevelingen op doeck een[en] doeck van[den] v[er]looren zoon I gelasen lanterne

 

Inder neercaemer

(f° 4 r°)

 

Een herthoute wtt[r]eckende taeffel met een root gedruct leeren taeffelcleet [daer]op I grooten spiegel met sreven [daer]aene II grootte mans spaensche stoelen met leerne vyfthien ander spaensche mans stoelen VI vrouwe spaensche stoelen I vrouwen kerckstoel met zwert laecken becleed een dozyn zittecussens die ses gestecken [ende] dander ses van blauw laeken I p[aer] grootte copere brantysers I garen damasten schoucleet I herthouten gesierden tresoir met twee sloten een schuyve [daer]inne bevonden tnaevolgende, dry silveren [ver]gulde coppen elck met een manneken [daer]op een grootte zilveren [ver]gulde schroeff I silvere wynpint twee silveren schaelen dry silvere [ver]gulde beckers I silvere schaele [daer]inne gesneden staen[de] een schip, I groot viercan­tich soutvat I drycantich zoutvat aen[de] canten [ver]gult een zilveren lampetpot I silveren commeken I zilve­ren rechangtoir zes zilveren fourquetten I silver mostaertpot mett[en] lepel noch een ander zilvere lepelken twee zilvere aendien oft schenckteljooren deen aen[de] canten [ver]gult I rooden flouwee­len kerckboeck met zilvere sleutel een[en] cleynen zilveren beker zy[nde] int clooster op de schuere

(f° 4 v°)

dry tacxkens met [ver]scheyden kintsdingen [daer]inne een ebbenhouten cruyceficx met een[en] coperen Godt [daer]aen twee conterfeytsels op doeck olie [ver]ve in lyste een van[de] vader [ende] moeder in desen I posteleyne schotel met bloemen geschildert op paneel in een ebbenhoute lyste I stuck schilde­ry van moyses op doeck olie [ver]ve in lyste een offerande van[de] dry cooninge op paneel olie [ver]ve I tennen schotel met fruytagie op paneel in ebbenhoute lyste I posteleyne schotel met aerdtbesien op een copere plaet in lyste I marie­belt op doeck olie [ver]ve in [ver]gulde lyste I cleynen sint Jan op paneel in letterhoute lyst, I brandeken van mostaert in ebbenhout lyste twee cleyn conterfeytselkens man en vrouw op paneel in ebbenhoute lyste I sint Jan int ront in ebbenhoute lyste I groot schoustuck wesende een bancquet der Goden op paneel in lyste Een schilderyken van 2 deurkens deen van onsen salichmaeker op steen [ende] dander van sint Jeronimus I mandeken met fruyte op paneel in lyst, eenen ontbyt op paneel in ebbenhoute lyste Vier grootte stucken tapyt met dry cleyn ouwenaerts werck Jaegery, de zeven vry consten [ende] de zeven deugden

(f° 5 r°)

respective op paneel in lyste dry biese caemermatten

 

Opde eerste plaetse

 

Een herthoute sitbanck I lantschap op doeck water[ver]ve dry grote waterverfdoecken van plaisantie in lyste een[en] hert­houten dwelier I borstele camerbessem met wat ander borstels [ende] vegers I lanteren I ysere vleeschcroon

 

Inde cleyn neercaemer

 

Een herthoute wttreckende taeffel met een geel gedruct taef­felcleet [daer]op I spiegel met een swertte casse I herthout leeslessenaerken dry spaensche mans met dry vrouwe stoelen I p[aer] geslepen brantysers I vierschup met een tange respecti­ve met cop[eren] cnoppen I blaesbalck I ledicant behangen met geel gedruct behangsel [daer]op liggende een bedde metten hooftpeul een canefasse matrasse met stroy gevult vier tycke oircussens I geel zargie met een geel gedruct beddecleet een schoucleet van[de] zelve stoffe dry lantschapkens op cop[eren] plaetkens in lyste respective, I schoustuck lantschap met twee figuren [daer]inne I cley mariebeeldekens op paneel olie [ver]ve in lyste I marie magdalena op paneel in lyste I mandeke

(f° 5 v°)

met fruyte op paneel in lyste Een ceres [ende] pomona op paneel in lyste Een[en] grooten ontbyt op paneel in lyste Een zeeken op paneel in lyste Twee stucxkens schildery respective op paneel inlyste deen zyn[de] de[n] winter [ende] dander den Somer, Een piramus [ende] Tysbe op paneel in lyste I banquet op paneel in lyste II groenlaecken zitcussens

 

Inde cleyn ceucken

 

Een weeckhoute rechtbanck met 2 deuren [daer]inne nyet dan wat eetwaere vier ysere potten I grooten coop[eren] zieketel II roosters II coop[eren] pannekens I yseren braetpanne met twee speten dry blecke braetpannen I tange I vierschuppe I coecky­ser mett een gaffelken I yseren drooplepel IIII cop[eren] potschelen een vischpaen vyff bleke potschelen seven grootte steene bierstopen noch negen steene bierpotten zoo groot als cleyn vier tenne schotelen ses commekens vier zilvere lepels dry tenne lepels een tennen soutvat II tennen bekers I bleken merteemer II bleke treseerbecxens I capmes I schaffbert I houte schotel I latte II geslepen brantysers I yseren treft I yseren wendelspit vier tenne waterpotten III cop[eren] vierke­tels I groen sayen schoucleet ses ysere kersnutters VI bleke schotellepels I raspe

 

Inde derde oft achterste ceucken

 

Een herthoute schryfftaeffel met een groen carpetten taeffel

(f° 6 r°)

cleet [daer]op twee herthoute zitbancken II copere taeffelrin­gen I waterverff schoudoeck van Marta [ende] Magdalena II brantysers I vierschoppe I tange een latte met vyff hangels II cleyn potheysen I hensken I rooster I blaesbalck I houte zoutvat I ysere gegoten vierteyl II yseren rechauffoiren I grooten yseren ketel dry cleyn yseren ketels I yseren pot I cop[eren] ketelken I cop[eren] potteken I [ver]tende braetpan­ne I blecken coelback, een ysere [daer]inne een spit in legt I hangyser I grooten rooster een coecken yser met een affsteker I cleyn weynspitken I tuymelaerken I steenen mortier met een[en] houten stamper I spencie lanternken II blecke potsche­len I groen laecken schoucleet I herthoute schapprayken met een zervet [paer]eghe(?) XXIIII witte geleyse schotelen dry wyn met dry bier gelase[en] wat aerdewerck I weeckhoute schappray met 4 sloten [daer]inne zyn[de] een silvere zoutvat I tennen mostaertpot I coop[eren] ziepot II coop[eren] zieke­tels I metaelen potteken I cop[eren] aeker I cop[eren] bedtpanne dry groen geschilderde mans leenstoelen met dry leege vrouwe stoelen I houten wendelspit met zyn gewicht [daer] toe een dozyn daegely[ckse] tenne teljoren zeven tenne schotelen zoo groot als cleyn dry groen laeckene zittecussens

 

Opde cleyn plaetse

 

II houte eemers I schuerbanck I mertrecht I tenstaeck

(f° 6 v°)

I biertonne

 

[Inde] kelders

 

Acht waschtobben zoo groot als cleyn II bierhalffvaten II bierschraechskens I oliepot IIII botercuypen de twee vol boter I biervieren met een schraegsken II bierstellingen een partye wischout [eenen] halffhout als mutsaert [eenen] boscolen I vleeschcuyp met [eenen] halven osch [daer]inne

 

Int packhuys

 

Vier laeken toogen I carpet IX berders met schraegen [daer]toe dry leeren I houten haemer een ysere plaet [daer]inne op merct een merckyser I sledde I berie

I spaens laecken lanck 35 ellen

I spaens laecken van 28 ellen,

een spaens laecken van 32 ellen,

I spaens laecken van 33 1/4 ellen

I spaens laecken van 36 1/2 ellen

I spaens laecken van 34 ellen

I spaens laecken van 30 1/2 ellen

I spaens laecken van 27 3/4 ellen

I spaens laecken van 40 1/2 ellen

I spaens laecken van 34 ellen

I spaens laecken van 30 1/2 ellen

I spaens laecken van 31 ellen

I spaens laecken van 3O ellen

I spaens laecken van 32 ellen

I fyn spaens laecken van 27 1/2 ellen

I spaens laecken van 33 1/4 ellen

I spaens laecken van 36 ellen

I spaens laecken oick van 32 ellen

noch een spaens laecken nieuw

 

[f° 7 r°]

van 32 ellen,

I spaens laecken van 64 ellen

I spaens laecken van 30 1/4 ellen,

noch een spaens laecken van 30 ellen

2 ditto laeckens elck 22 ellen

2 halve laeckens deen lanck 2 ellen [ende] dander 14 ellen

I lap spaens laecken lanck 9 ellen,

een enghels laecken lanck 45 ellen

een engels laecken lanck 37 1/4 ellen,

noch een engels laecken van 45 ellen

een engels laecken van 37 1/2 ellen

noch een engels laecken van selve lengde

2 halve ditto laeckens deen lanck 18 1/2 ellen [ende] dander 19 1/2

noch 2 halve ditto laeckens deen lanck 30 [ende] dander 29 ellen,

vier quaerten laeckens lanck deen quaert 12 ellen 2 14 ellen tderde  6 ellen [ende] tvierde acht ellen,

twee halve ditto engels laecken deen lanck 32 1/4 ellen [ende] dander 23 ellen,

noch een[en] lap engels laecken lanck 12 1/2 ellen,

een halff carmosyn packlaecken lanck 20 1/2 ellen

een halff carmosyn inlants laecken lanck 23 1/2 ellen

een halff elle carmosyn casselcoens laecken lanck 25 ellen,

een halff spaens laecken carmosyn lanck 30 ellen

een vieren[deel] carmosyn casselcoens laecken lanck 10 ellen

een vieren[deel] stuck fyn scherlaecken lanck 15 ellen, een

 

[f° 7 v°]

carmosyn spaens laecken van 66 ellen,

een halff spaens scherlaecken van 18 ellen

een halff fyn scherlaecken inlants lanck 29 ellen

een halff spaens scherlaecken lanck 36 ellen

twee lappen carmosyn inlants laecken lanck 12 1/2 ellen,

een vieren[deel] fyn scherlaecken lanck 11 1/2 ellen,

noch een 1/2 fyn scherlaecken lanck 25 1/2 ellen,

een halff stael grau laecken lanck 39 ellen

een halff laecken stael blau lanck 27 ellen

een halff stuck groen packlaecken lanck 20 3/4 ellen

een halff stuck laecken 1 1/2 stael blau lanck 18 ellen

een halff stuck laecken stael blau lanck 27 1/2 ellen

een halff stuck stael grau laecken lanck 27 ellen

een halff stuck taneyt laecken lanck 26 ellen,

een halff stuck stael grau laecken lanck 27 ellen

Een[en] lap swert laecken lanck 7 1/2 ellen

een stael zwert packlaecken lanck 39 ellen,

een halff stuck fyn laecken twee stael swert lanck 30 ellen,

een halff stuck swert laecken dobbel stael lanck 24 ellen,

een halff stuck laecken swert fyn 2 staelen lanck 30 ellen

dry witte denderbayen lanck tsamen 172 ellen

Een[en] witten cockon lanck 72 ellen

I witten [m]anchesters bay lanck 30 ellen

I coleur manchesterbay lanck 59 ellen

I lap zwerten bay van 4 1/2 ellen,

I halff craproot laecken lanck 23 3/4 ellen

[ende] een halff licht blau laecken lanck 31 ellen.

 

(f° 8 r°)

Opde caemer boven de groote neercamer

 

I herthoute cleercasse met 2 sloten [daer]inne bevonden I grau laeck[en] vrouwen reysmantelken I zwertten caffa rock I zyen groffgreynen vlieger I zwertten bayen vlieger I zwertten armozynen vlieger met pastanien geboort [eenen] rooden vrou­wen rock geboort met een[en] witten cant 2 vrouwe huycken II roode scharlaecken lappen elck van dry ellen I lap zwertten bay lanck vyff vieren[delen] I blauw laecken behangsel van een ledicant met zyde frenien geel [ende] blau I geblaut vrou­we lyff halff zyde [ende] halff gaeren I herthoute taeffel met een taeffelcleet [daer]op groen [ende] geel I zwerte leere coffer beslagen met 2 ysere band[en] [ende] 2 sloten [daer]ane [daer]inne bevonden thien p[aer] flouwynen groot als cleyn XLIII paer slaepelaecke[ns] oick zoo groot als cleyn [daer]on­der gerekent die opde bedde liggen, een herthoute ledicant behange[n] met een geel behangsel zy[nde] in gaeren [daer]op  ligg[ende] I canefasse matrasse met stroy gevult I bedde metten hooftpeul I blauw zargie I hooge teenen zetel I spaen­schen mans met vrouwen stoelen I leeren vrouwen kerckstoel dry herthouten schabellen I schoucleet servetwerck [Eenen] grooten ecce homo op paneel olie [ver]ve in [eenen] weyhoute lyste I hantwassinge van pilatus op paneel olie [ver]ve in lyste

(f° 8 v°)

het conterfeytsel van[den] ouden michiel [ver]haegen [ende] zyn huysvr[ouw] respective op paneel in lyste, het conterfeyt­sel van h[ee]r Silvester [ver]haegen op paneel in lyste I zeebata­lier op paneel in lyste I mandeken met fruyt oick op paneel in lyste I cruycinge Christi geschildert van Albordure op paneel in lyste I Godenbancquet op panneel in lys­te I bleyckhoff op doeck olie [ver]ve in lyste I Mariebelt op panneel in lyste, noch een mariebelt op panneel in [ver]gulde lyste I cleynen ecce homo oick op panneel in lyste I offerande van[de] dry cooningen op panneel in lyste het conterfeytsel van een doodt kindeken op panneel Thien doecken elcken doeck zynde vierdobbel al lantschappen van olie [ver]ve, LXXV grootte [ende] XII cleyn doecken oick al lantschappen van olie [ver]ve

 

Int herthoute comptoir opde vs. caemer staen[de]

 

I cleyn herthoute taeffelken I duytsch peerdeken [ende] kintscorff I wiege I groen laeckenschutsel I herthoute casken met I dozyn mess[en] [daer]inne I toilette moussel

 

Opde caemer boven de eerstgenoemde ceucken [ende] het caemer­ken [daer]neffens

 

I herthout velt coetsken [daer]op liggen[de] matras I bedde metten hooftpeul I groen met een witte

(f° 9 r°)

spaensche zargie I herthoute spennenbanck [daer]inne liggen[de] oick een stroye matras I bedde metten hooftpeul I witte spaensche zargie I vrouwe stoel I teenen zetelken I mans stoel I mariebelt op paneel I zwert leeren ciste beslaghen met ysere banden [daer]inne zynde een stuck tapyt I taeneyten rysselse vrouwen vlieger I herthoute kiste met een slote ydel zy[nde] I lange weeck houte kiste oick met een slote ydel oick zynde I boerebruyloft op doeck in lyste van cleyn importantie I coeckerschapprayken met 3 sloten [daer]inne nyet zynde dan der kinderen speeldingen I weeckhout lynwaet casse met een sloote [daer]inne zyn[de], XVIII dozyn servetten zoo goet als quaet XXII ammelaeckens zoo groot als cleyn XXII hantdoecken twee dozyn vrouwen hemden I dozyn snutdoecken I dozyn onder­sten van halsdoecken I halff dozyn nachthalsdoecken

 

noch een herthout coeckerschapprayken met 3 sloten ydel zyn[de], I cleyn herthoute kistken oick met kinderspeeldingen I herthouten voet van een taeffelken met een week bert off sch[u]yve [daer]op noch I weeckhoute cleercasse oick met I slote [daer]inne liggen[de] deser kinderen cleederen I koeck­panne met een scheel

 

Opde caemer [daer]neffens

 

I ront herthoute taeffelken met een gestrept cleeken [daer]op

(f° 9 v°)

I clavecimbelken I herthoute tresoirken met 5 sloten [daer]in­ne nyet bevond[en] dan der kinderen lynwaet I kersnachtken op paneel olie[ver]ve [daer]inne in [ver]gulde lyste I herthoute schapprayken met 2 sloten ydel bevonden dry waterverff doecken van plaisancie in lyste I stuck schildery van[de] 4 elementen op doek in lyste I sinte pauwels bekeeringe op doek I spigel I herthoute veltcoetsken behangen met een paveljoen geel op root [daer]op liggen[de] een bedde metten hooftpeul I canefas­se matras met stroy gevult II oircussens I groen met een witte zargien noch een herthoute coetsken [daer]op ligg[ende] een wolle matras een bedde metten hooftpeul I groen spaensche zargie I leeren coffer beslaegen met ysere banden [ende] een sloete [daer]aene ydel zy[nde] I gestecken schoucleet I groenen geschilderden mans leunstoel met 2 vrouwen stoelen

 

opde zolders

 

I herthoute wttrecken[de] taeffel I querne I houte schael met 130 pont ysere gewicht, I quad[en] houten tooch, 2 meel tonnen I azyn vieren[deel](?) met een stellinge I canefass[en] hooftpeul met stroy gevult I rooden laecken[en] vrouwen rock met cleyn passementkens geboirt I groenen c[anef]asse vrouwen rock met I groenen cant geboort II cleerbaelen I houten schaelken, I party oude tichelen I spinnewiel omtrent XXIIII ponden gesoden gaeren

 

(f°10 r°)

Opden zolder boven de grootte neercaemer

 

Een taeffel, I quade kisten I maele I wiege I waeffelyser I houte halff itel mael I weeckhoute zitbancke

 

Int comptoir

 

I herthoute kiste met ysere banden beslagen met een slote [daer]inne bevonden... [de rest van het liggende geld wat het totaal aan liggend geld op 495 gulden 15 stuiver 2 oort brengt.

De kinderen deden ook nog aangifte van een paar kleine voor­werpen bevonden in het hoveniershof of hof van plaisantien op de Markgravelei waarover de familie ook nog beschikte.  Verder worden er nog wat mensen opgesomd die laken in voorraad hadden. Vervolgens krijgen we 3 folio's gevuld met schuld­brieven aan Verhaegen. Hieruit blijkt het belang van de zaken van Verhaegen die niet alleen laken verdeelde aan Antwerpse kooplui maar ook leverde aan kooplui in Brussel, Turnhout, Merchtem, Mechelen, Aalst, Gent, Leuven, Namen, Brugge, Doornik


 

Verkeerbert: bord waarop het zogenaamde verkeerspel werd gespeeld, een voorloper van ofwel triktrak ofwel dammen.

Sousierkens: sauskommetjes.

Ammer: amber.

Geboren duert: lees 'geborduurd'.

Seserande: van afzonderlijk schakels voorzien.

 
Pretador: grote keten.

Ouwenaerts werck Jaegery: Oudenaardse tapijten met jachttaferelen op.

Gaffelken: gaffel of vork.

Tenstaeck: mertrecht en tenstaeck hebben mogelijk hun nut wanneer men een marktkraampje wil rechtzetten: mertrecht is dan mogelijk de plank waarop men de goederen uitstalt?

Mutsaert, mutsaard: takkenbos, rijsbos.

Craproot: rood gemaakt m.b.v meekrap.

Frenien: frennen.

Dit moet Albrecht Dürer zijn.

Spenne: soort zitbank waaronder een kastje. De bank dient tegelijkertijd als kast.

Paveljoen: hemel van een ledikant.

Querne: handmolen.

Male: waarschijnlijk hier in de betekenis van reiszak.