De Fonteyne alias Wyngaert, Hoogstraat 11

Uit het testament van Anna Clara Hullebroeck 1766

Terug naar het overzicht van de huizen

 In 1388 was Arnout Bode, wisselaar, eigenaar[1]

 

Op 11 juni 1402 wordt het huis onder de benaming ‘Wijngaert’ gedaagd door de befaamde Quinten Clarenssone.  Beschrijving: “... huysinghe metten gronde plaetsen poerten doerganghe ach[er] vutstreckende...”.  Men situeert het tussen den Corenaert en de Baers.  Op 5 augustus 1408 verkoopt deze het huis aan Arnoud Mickaerd, eveneens wisselaar[2].  In 1413 is het de stadsklerk Claus Colenzone die het daagt en het wordt dan gesitueerd tussen de 'Guldenmanscilt' en de Baers.  Er is een doorgang via de Rooden Schilt naar de Oude Koornmarkt[3].  In 1417 heeft deze Claus Colenzone dit pand samen met de Baers in gemeen­schappe­lijke eigendom met Peter Reyniers of Reynaert en Jan Bos­schaert.  Maar in een akte van 1430 blijken de drie ieder hun gang te gaan: Peter Reynaert daagt de Baers en zijn buurman (de Wijngaert dus) is Claus Colenzone die in een akte van 1446 ook nog wordt vermeld[4].

 

In akten uit de jaren 1448-1453 blijkt Jan Van Urssel zowel de buurman van de Baers als van de Gulden Schilt, Hoogstraat 15 te zijn wat erop wijst dat het pand toen met het Paradijs één geheel vormde[5].

 

Op 18 december 1494 geven Adriane Allemans, Aertsdochter, weduwe van Robrecht vander Sporct, Jan Caechaert e.a. verwan­ten en voogden van kinderen in erfelijk recht aan Peter vander Beke alias Verjuys, de helft van de helft van een loove, genaamd de Wyngaert, gesitueerd tussen de andere helft van de loove, geheten het Paradys en toebehorende aan Henrick van Hackenbroeck alias de duytscher, en de Groten Baers. De andere helft van deze helft had Peter vander Beke kortelings daarvoor op de Vrijdagmarkt verworven waarna de familie tot calengie­ring was overgegaan. In de transaktie was ook nog inbegrepen: “... de helft vander achterhuysinge te weten vander middelsten huyse vander huysingen geheeten de wyngaert metter plaetsen en[de] huysen te beyde zyden vander selver plaetssen metter helft vanden stalle vie[re]ndeele vanden borneputte metter helft vanden vryen gange onder de loove vore aende strate ter zelver straten vute gelyc dit nu is...”[6]. Ook van dit achter­huis had Peter al de andere helft. Waarschijnlijk als gevolg van het overlijden van zijn echtgenote deed Peter samen met de voogden van zijn kinderen al op 28 juni 1496 afstand van zijn pand ten voordele van Henrick van Hacken­broeck en zijn vrouw Digne Berchmans die daarmee hun loove terug vervolledigden. Men noemt het eigendom voor het eerst de Fonteyne “... dat den Wyngaert te heeten plach...”[7].

 

Op 12 augustus 1502 splitsen van Hackenbroeck, ‘bordverwerke­re’ van beroep, en zijn echtge­note het Paradijs terug af (zie aldaar) en behouden voor zichzelf de Fonteyne waarin begrepen een kamer die er achter aanpaalt[8]. Digne Berckmans wordt ons nog gemeld op 23 juni 1528 als zijnde hertrouwd met Merten opten Hove, waard in De Gulden Schild[9]. Deze Merten her­trouwde later op zijn beurt Katlyne Svos. Op 13 augustus 1541 wordt zijn zoon Merten opden Hoff, lakenkoopman, na verdeling met zijn zusters Adriana en Gheertruyt, de eigenaar van “... Een huys metten plaetsen achterhuyse...”, genaamd de Fonteyne en gesitueerd tussen het Paradys en de Baers. Achteraan grensde de gang van de Rooden Schilt aan[10]. Op 17 april 1579 verkoopt Merten opden Hoff het huis voor een erfrente van 372 gulden per jaar aan zijn collega Pauwels de Rethan en Sara Schorenborch. De beschrijving luidt dan als volgt: “... Een huysinge geheeten de fonteyne onde hoochstrate alhier, dwelck nu twee wooningen syn met twee plaetsen, eenen hebben[de] borneput dienende met eender pompen, noch een[en] halven borneputte, twee regenbacken, een groot comptoir, twee backho­vens, vier weerdribben van welcken voirs. twee plaetse deene is een achterplaetse...”[11]. Het water van de achterzijde van het pand werd volgens een akte d.d. 14 maart 1580 definitief via de Rooden Schild op de Oude Koornmarkt afgeleid.

 

Het cohieren van 1579 maakt gewag van twee panden: 'Den Wyngaert' waarvan de huurwaarde 200 gulden bedroeg en dat door Merten opden Hoff verhuurd werd aan Cornelis Schot, en 'De Fonteyne', huurwaarde 210 gulden, dat toen verhuurd werd aan Cornelis Dexstraet. Volgens een beslissing van het college van Burgemeester en Schepenen d.d. 22 december 1580 werd de belastbare huurwaarde van deze twee woningen gehalveerd. In 1584 en 1585 spreken de cohieren van twee halve huizen die door Pauwels de Retan verhuurd werden aan Peeter Schot, die in 1586 als eigenaar en bewoner van de Baerzen staat opgegeven. In 1586 werd het huis naast het Paradys verhuurd aan Peeter van Baesrode terwijl de andere helft naast de Baerzen leeg zou gestaan hebben. Het 'Register houdende de huy­sen...' uit 1584 zegt dat Pauwels Veltman de woning naast de Baers ver­huurde aan Barto­lomeus Bisschop, 'sargiecoopere' en dat hijzelf zou gewoond hebben naast het Paradys[12]. In het eerste officieel wijkboek wordt Peeter Retaen als eigenaar opgegeven.

 

De volgende akte i.v.m. de Fonteyn dateert van 31 mei 1653 als de koopman Michiel van Triest aan zijn dochter Anna Clara en haar man Ambrosius Breugel het pand schenkt mits dat ze een rente ter waarde van 8000 gulden aan de weduwe van Jan Moeren­torf (Moretus) afbetaald en dan nog eens 5000 gulden inbrengt[13]. De akte geeft nergens een verband tussen Retan en van Triest. Volgens het cohier van 1659 werd de woning naast de Groote Baers, huurwaarde 150 gulden en voorzien van 5 schoorsteenpijpen door Ambrosius Breugel zelf bewoond terwij­l ene Pauwels de Vlieger de woning naast het Paradys, huurwaarde 120 gulden en voorzien van 6 schoorsteenpijpen huurde[14]. De zekerheidsgraad dat het echtpaar Breugel er woonde wordt nog verhoogd als Anna Clara van Triest zich bij een afrekening met haar broer en zuster op 23 juli 1661 in de schulden steekt door het pand voor een erfrente van 562 gulden 10 stuivers per jaar te hypothekeren[15]. In 1667 en 1672 bewonen resp. Ambro­si­us Breu­gel en Notaris Jan Pauwels de twee woningen tussen Baers en Para­dys[16]. In 1682 huren resp. de wever Ignatius Vermeulen aan 130 gulden en Clara Vermeulen aan 150 gulden[17]. In het cohier van 1689 (-1708) vinden we in de eigenlijke Gulden Fonteyn: Ignatius Thomas Webie, Jan Fierens en na 1704 en na een korte periode van leegstand Maria de Leeuw.  Het pand van 150 gulden werd in die periode bewoond door Maria Janssens, Jan Fierens, Mijnheer van Weyden, Jacobus Smits, heer Fernandel en zeker al in 1704 kanunnik Neels[18].

 

Via de dochter van Ambrosius Breugel en Anna Clara van Triest, Isabella Catharina Breugel, belandde de Fonteyne op 3 december 1710 in de handen van Joannes Hullebroeck, koopman[19].  Het ging over op zijn dochter Anna Clara Hullebroeck die gehuwd was met Rumoldus Backx. In 1754 werden de woningen bewoond door de rente­niers de weduwe Backx, Maria Anna en Rumoldus Backx en een vrouwelijke dienstbode[20]. Het valt dan ook aan te nemen dat aanzienlijke delen van de inboedel zoals die beschreven wordt in het testament van Anna Clara Hullebroeck d.d. 1 augustus 1766 slaan op het interieur van de Fonteyne en een beeld geven van de rijkdom van de inwoners (zie bijlage). Haar ziekbed staat in de Hoogstraat. Ze beschikte ook nog over een hof van plaisantiën aan de Nachtegalenlei. Op 18 december 1770 verkopen hun erfgenamen het pand voor 5900 gulden aan Nicolaus Benjamin Wouters en Isabella Maria Ly­sens[21]. In opdracht van Jean E. Werbrouck en de koop­man Jac­ques Janssens wordt het huis onder arrest geplaatst omdat Wouters telkens veroordeeld werd om bepaalde sommen te betalen op 10 oktober 1786 resp. 27 mei 1794[22].

 

In 1898 was er in de Fonteyne een handel in voedingswaren gevestigd[23].                                                                        

 


 

[1] Archief OCMW, HGR. 152, f° 34 r°; f° 68 v°.

[2] G. Asaert, Huizen en gronden... 1965, p. 212, SAA,  SR 1, f° 357 v°)
 

[3] SAA, V 1980, f° 61 r°; f° 101 r°.

[4] SAA, V 1981, f° 19 v° en f° 72 r°; SR 37, f° 53 r°.

[5] SAA, SR 40, f° 69 v°; SR 45, f° 529 v°; SR 47, f° 336 r°.

[6] SAA, SR 106, f° 169 v° - 170 r°.

[7] SAA, SR 110, f° 81 r°.

[8] SAA, SR 122, f° 98 r°.

[9] SAA, SR 173, f° 289 r°.

[10] SAA, SR 203, f° 233 v° - 234 v°.

[11] SAA, SR 358, f° 176 v° - 178 r°.

[12] SAA, GA 4833, f° 108 r°; R 2330, f° 2 r°; R 2221 en 2238, f° 4 r°; R 2498, f° 5 r°.

[13] SAA, SR 726, f° 663 v° - 665 r°.

[14] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters..., onge­fo­lieerd.

[15] SAA, SR 765, f° 199 v° - 201 v°. Men schatte het geheel toen op 12.010 gulden.

[16] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; GA 4829, cohier kapitein Wans, nr. 36 en 37.

[17] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 r°, nr. 34 en 35.

[18] SAA, GA 4832, f° 135 r°, nr. 34 en 35; R 2516 : Cohier vant huyshuergelt 1689, ongefolieerd, derde wijk, 2de kapitein, nr. 34 en 35.

[19] SAA, SR 1024, f° 446 v° - 448 r°.

[20] SAA, PK 2561 : Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 441, nr. 30.

[21] SAA, SR 1293, f° 468 v° - 470 r°.

[22] SAA, SR 1292, f° 391 r° - v°; SR 1320, f° 287 r° - v°.

[23] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 11).

Bijlage: voorwerpen in het bezit van Anna Clara Hullebroeck, weduwe van Rumoldus Backx, en interieurbeschrijving volgens het testament van Anna Clara Hullebroeck d.d. 1 augustus 1766. 

Bron: SAA, N 4402, ongefolieerd, akte nr. 71.

 

Aan de St. Laurentiuskerk laat ze haar:

“groote silvere gedreven brouck kandelaeren”
 

Aan de parochiekerk van Wilmarsdonk:

“hueren groenen partairen sack en[de] eenen witten damasten rock en[de] heuren sattynen sack”
 

Aan Cath[erin]a Backx, dochter van haar man (naast 400 gulden)

“een silvere comme met scheel, een silvere piramideken gegar­niert met ses silvere lepe[l]tiens ende ses silvere forchet­tiens daertoe dienende eenen silveren thetreckpot, en[de] silvere thebus alle gemarquert met de letters R.B. Item een kleerschappraey halff hangen en[de] halff leggen

gemaeckt van root pallisander met het stuck daer op staende, ende daertoe noch haer testatrice fyn diamanten cruys met coren schuyver.”
 

Aan Rumoldus Petrus Backx, zoon van haar man (naast 400 gulden)

“eene silvere besnede schencktailloer met een siffer en croon daerop, eenen silveren dienlepel, een paer achtkantige silvere kandelaeren, met den silveren snutterback een silvere snutter, silveren mostaertpot en lepeltien, silvere peperbus, twee silvere achtkantige soutvaetiens alle geteeckent mette letters R.B. Item het besten ledicant ursinde imperiael met het besten bedde en[de] hooftpeuluwe daerop liggende met het damaste behangsel, spiye, met het yserwerck en[de] cattoene gordynen daertoe dienende, Item de wolle saergie en[de] twee pluyme oorcussens daer op liggende ofte gelegen hebbende, Item den besten spiegel met vergulden leyst, Item alle het fyn porce­leyn soo iapans als ander inder testatrice huysinge bevonden wordende, uytgenomen het gene staet inde Etcamer, Item de schiltpadde tafel en[de] allen de stoelen mette cussens staende in het salet, item het goudeleir als mede de portrait­ten soo van haer testatrice als van wylen haeren man hangende in het voors. salet”

Hij krijgt ook nog:

“elff syne damaste servetten met casteelen, thien fyne damas­ten servetten met blouwerck daer op geweven,

Item twelff ammelaeckens geteeckent met 12. Item ses paer slaeplaeckens geteeckent van n° 1 tot n° 6.

Item seven hantdoecken geteeckent met 7. Item den rooden coperen coffypot met dry kraenen, Item den grooten coperen chocolaetpot, Item het groot geel coperen becken ofte caffere met het grootte coperen scheel, Item het root coperen ketel­tien, Item eenen coperen kandelaer, Item de copere lampe, item den tennen bierpot met het tennen bierpintien,

Item dry groote en[de] dry clyne tenne schotels, item twelff engelstinne taillooren en[de] twelff andere tenne taillooren geteeckent met W.B. Item twee tenne waterpotten, Item een dobbel brandtyser, vierketinge, een groote ysere vierschup twee ysere viertangen deene met eenen rinck en dander met een copere bolleken, Item den coperen hanger en[de] een copere lusterpanneken, Item den grooten yseren rooster en[de] groot copere vispaen, Item de peisschappraeye als mede de kleer­schappraey halff hangen en[de] halff liggen staende opder testatrice slaepkamer, en[de] een schappraeye met dry deuren staende op de achterste camer uytsiende op de plaetse”

Rumoldus kreeg ook nog het hof van plaisantiën met inboedel gelegen op de Nachtegaelsche Leye en alles wat aan de testa­trice toekomt vanwege de factorij van kalk en binnenschepen.  Indien hij bij haar overlijden bij haar inwoont mag hij zes maanden na haar dood zonder kosten blijven wonen.

 

Aan Joanna Maria Theresia Verbruggen:

“haer testatrice besten diamanten rinck met seven fyne tafels­teenen alsmede haer twee fyne diamanten oorboeckels”.

 

Al de rest gaat naar Jfr. Maria Theresia vander Weyden, gehuwd met Philippus Jacob Verbruggen, griffier van Bornem.


 

siffer: cijfer.