De Cleynen en de Grooten Baers: Hoogstraat 7 en 9

1. De Baerzen tot 1505
2. De Cleynen Baers tot na de Spaanse furie (1505 - 1578)
3. De Grooten Baers tot 1578
4. Verdere geschiedenis van beide panden tot aan het einde van het ancien régime
Boedelinventaris d.d. 9 augustus 1611 van Magdalena Ruts

 

Terug naar het overzicht van de huizen

 

1. De Baerzen tot 1505

Tot aan het einde van de XVde eeuw beschikken we over enkele fragmentaire gegevens.  We sommen ze even op.

 

Op het einde van de XIVde eeuw bewoonden ene Andries vander Moere, ook genaamd Andries de Wisselere, en zijn echtgenote Yde, de Baers, die toen één geheel was[1].  Op 15 januari 1395 n.s. verhuurde de toenmalige eigenaar Alsteen de Lichte een gedeelte van de Baers, als ‘huysinghe’ beschreven, aan Meester Aerd den Teenghieter en dit voor een termijn van 4 jaar.  Als speciale voorwaarde stipuleert het contract dat Aert tijdens de jaarmarkt voor logies moet zorgen.  Bovendien krijgen we een gedetailleerde beschrijving van wat verhuurd wordt: “... de eetcame[r] beneden de slaepcame[r] dae boven en[de] den soldere daerboven vanden ghevele [ter straten waert] die sy midden thuys staet.... metten cleenen keld[er] staende onder de plaetse, en[de] den cleenen kelde[r] te besegene... met cokene...”.  Deze situatie wordt nog herhaaldelijk bevestigd[2].  Dergelijk contract doet ons erg denken aan de contracten die tussen eigenaars van huizen en kooplieden op de Grote Markt werden afgesloten in deze periode[3]. Alsteen kwam echter rond 1398 in slechte financiële papieren en dreigde zijn huis te verliezen.  In een akte van 3 april 1399 verkrijgen Jan de Keersmaecker en (zijn echtgenote?) Amelbergh het huis maar Alsteen mag tot zijn dood een bijhuis van de Baers, met name de Ribbe, dat via een poort toegang had op de Oude Koornmarkt blijven bewonen.  Daarna moet alles terug een geheel vormen[4].

 

Claus Colenzone, eigenaar van de Wijngaert, Hoogstraat 11, Peter Reyniers en Jan Bosschaerde dagen de Rooden Schild en de Baers volgens akte d.d. 27 januari 1419 n.s.[5].  Op 29 februari 1430 laat Peter Reynaert (de voorgenoemde Reyniers), inmiddels ook exclusief eigenaar van de Rooden Schild op de Oude Koorn­markt 14-16, ook de Baers “... een huysi[n]g[e] mett[en] plaetse[n] stalle halve[n] borneput doerganc gron­de...” als zijn persoonlijke eigendom optekenen[6].  Dan zij er de akten van 24/01/1443  en 8 februari 1443 (1444): Jan vanden Laere en zijn echtgenote Lysbeth Coevoets verkopen renten op het huis Den Baersch, Hoogstraat, tss. Claus Colenzoen ex una en Jan vander Bueren ex. alt. en verbinden daarbij een aantal eigendommen in de Lange Nieuwstraat[7]Op 12 juli 1446 sluit Jan vande Lare, waard in de Rode Schild, een rente af op de Baers en op 5 november 1448 zal hij bij een rentenverkoop op een stal van de Rooden Schilt, inmiddels ook zijn eigendom, ook de Baers hypothekeren.  Deze situeert zich dan tussen Jan vanden Vu[r]en en Jan van Ursse­le[8].

 

Nadat hij duidelijk als waard in financiële moeilijkheden komt verkoopt Jan vande Lare op 30 januari 1452 o.s. (1453) aan Claus Rokoch (d.i. Claus Rockocx) “... twee huys[en] met plaetse borneputte poerten gange wtgange doer den Rooden Schilt opte core[n]merct...” geheten de Groten en de Cleynen Baers en gesitueerd in de Hoogstraat, tussen Jan van Urssele en Jan vander Vuren en Peter Broede­loos.  Deze Claus Rockocx, waard van de Rooden Schilt, had deze herberg in 1451 van Peter Coevoet gekocht.  Op 25 augus­tus 1452 hadden hij en zijn echtgenote Margrete de Brocke, van Jan vande Lare, gehuwd met Lysbet Coevoet, ook nog kunnen kopen “... thoeckhuysken geheeten tribbeken metten stalleken d[aer] aen hangende en[de] de camer opgaende boven tpoertken daermen van[de] baerse gaet tot inden roeden schilt streckende aenden muer vanden cleinen baers achter, gestaen achter aende plaetse vanden groten baerse, tusschen de gemeinen ganck ex u[n[a en[de] dachter came[r] vand[en] groten baers diemen heet pattelioens came[r] boven den putte die gemeen is jans van ursele ex u[n]a [sic] comende zuytw[aer]t aen Jans van Ursele erve, Ende dies so blyft den groten baers behouden synen vrien doerganc doer tpoortken en[de] totten putte voirs. tot welken putte de roeden schilt negeen gesach en heeft...”[9].  Aldus beschikte Rockocx over een aanzienlijk complex dat dus daarvoor fami­lieeigendom van de familie Coevoet moet geweest zijn.

 

Op 30 mei 1478 verkopen Jan vanden Abeele van Brugge en Katline Rococx aan de gebroeders Peter en Jan van Meerle “... twee huysen met plaetssen, borneputte, poorten, gange wtgange ov[er] en[de] dore den rooden schilt opte corenmerct...”, waarvan één de Grooten Baers heet en het ander de Cleynen Baers.  De gebroeder van Meerle waren sedert 1475 eigenaars van de Grote Gulden Schilt[10].  In de maand juni van 1479 veran­dert de Baers tweemaal van eige­naar: als gevolg van naasting wordt Meester Claus Boudens, ‘docteur in medicyne[n]’ op 12 juni eigenaar.  Deze verkoopt op 18 juni onmiddellijk door aan Jan van Breedevelde alias Yzenbaert, harnasmaker. Claus Boudens is echter ook eigenaar en bewoner van de Rooden Schilt en enkele andere huizen aan het begin van de Oude Koornmarkt.  Hij laat een reeks bepalingen opnemen o.m.:

1° Pas als Boudens en zijn echtgenote niet meer in de Rooden Schilt wonen mogen de eigenaars van de Baers weer terug ten volle gebruik maken van de uitgang naar de Oude Koorn­markt.

2° De poort tussen de Rooden Schilt en de Baerzen moet ver­plaatst worden naar de perceelscheiding.

3° Claus Boudens behoudt: “... de huysinge die aende noortzy­de, vander plaetssen vanden voirs. grooten baerze gestaen zyn met noch eende[r] cam[er]en en[de] plaetssen aen doosteynde vander selver plaetssen vanden grooten baerze streckende alsoe over en[de] neffens den ganc [daer] men ten borneputte waert gaet, tot aender voirs. wedewen en[de] kind[er]en Jans van Urssele erve...”.

4° Er ligt een weerdribbe onder Claus’ erf maar met een zittestede aan de kant van Jan. Claus mag er een zittestede voor zichzelf bijmaken.

5° In het domein van de Grooten Baers zijn vier kamers (of kamerwoningen?), gesitueerd aan de Zuidzijde van de plaats van de Grooten Baers, inbegrepen[11].

 

Dat de Baers in de jaren 1490 werd gebruikt voor de lakenhan­del weten we uit een voorval uit 1493. Dat jaar kocht de Spaanse koopman Gomar de Fandonal van Jan Mathysen van Ley­den en de makelaarster Gheertruyt vande Gouw een partij laken en liet een gedeelte ervan afleveren door een cordewagen­kruier in de Baers. Deze vertelt dat de poort op slot was en hij heeft de kist via een zijingang in de vloer (winkel) gebracht. Toen de verkopers echter een paar dagen later naar de Baers kwamen om hun geld te ontvangen was de Fandonal verdwenen. Zij troffen er wel zijn oom, Peter de Salamancha, ook een Spaans koopman. Deze wou eventueel minder betalen per el maar de verkopers zagen dat niet zitten. Het gerecht werd ingeschakeld en dat kreeg van de Salamancha te horen dat zijn neef met het laken naar Leiden was getrokken waar hij nog schulden af te lossen had[12].

 

2. De Cleynen Baers tot na de Spaanse furie (1505 - 1578)

 

Op 11 februari 1505 n.s. werd dit pand door Jan van Breedevel­de, ook Jan Ysebaerts genaamd, afgesplitst van de Grooten Baers. Hij gaf in erfelijk recht aan de kousenmaker Jan Hendricx: “... Een huys mett[en] coekenen plaetskene, keldere van achter tot vore, soe groot dien nu tertyt is met[ten] gemeyne[n] weerdribbe... [die gezamenlijk met evenredige verdeling van de kosten moet onderhouden worden]... metten gr[onde] en[de] toebehoorten...”, genoemd de Cleynen Baers, gesitueerd tussen de Bonten Hont en de Groote Baers. Langs de achterzijde paalde het erf aan van wijlen Jan van Lare[13]. Op 16 juli 1517 geven de voogden van de kinderen van Jan Hen­drickx het huis in erfelijk recht aan Claas vanden Broecke die een erfrente van 18 pond 15 sch. 3 p. gr. Brabants per jaar moet betalen[14].

 

Tot in 1578 blijft het huis in de handen van de familie vanden Broecke. Tijdens de Spaanse furie werd het in de as gelegd.  Daarna, volgens een akte van 30 juni 1578, verkopen de vier kinderen van Claas: Jan, Adriaen, Maria en Margriete het lege erf aan de houtbreker Jan Eerde­wyns die optreedt in naam van de koopman Cornelis Schot[15]. Deze was ook eigenaar van de Grooten Baers zodanig dat er bij de wederopbouw moge­lijk een aantal wijzigingen inzake de parcellering zijn geweest.

 

3. De Grooten Baers tot 1578 

De eerste transaktie die dit huis na de opsplitsing onderging dateert van 10 november 1520. De voogden van Adriane Smeeren, kleindochter van Jan van Bredevelde en Gheertruyde vande Reeth laten aan de kuiper Aert van Vissenaken de helft "... van den huyse metter plaetsen achterhuyse borneputte gange achter vute...", genaamd de Grooten Baers en gesitueerd tussen de Cleynen Baers en de Fonteyne[16]. Aldus moet Aert van Vissena­ken de enige eigenaar geweest zijn want op 12 april 1526 doet hij samen met zijn vrouw Lysbet Nys t.o.v. Silvester van Hoddyck voor 120 gulden afstand van zijn rechten op het gebruik van de uitgang via de Rooden Schilt naar de Oude Koornmarkt. Deze servitude ging terug op een (vernietigde) akte van 28 november 1487. Silvester moest daarbij het toemet­sen van de gang voor zijn rekening nemen en in één van zijn vensters ijzeren geerden aanbrengen met de prozaïsche bepaling dat “...daer dore men egheen hoot oft pispotten en sal mogenen oft moegen steken om[m]e enighe pisse en[de] ongereymicheyt daer doer te ghieten[e] oft te moegen stortten op des voers. aerts en[de] lysbeth syns wyfs erve en[de] plaetsse...”[17].

 

Op 16 oktober 1535 wordt het pand door de voogden van de kinderen van Aert van Vissenaken verkocht aan de lakenkoopman Jan de Respaigne en Johanna Charles. Het werd aldus beschre­ven: “... Een huysinge metter plaetsen kelders, twee keuc­ken[en] peertstalle, regenbacke, halven borneputte...”[18]. Op 15 december 1556, na het overlijden van zijn echtgenote, komt Jan de Respaigne tot een vergelijk met hun beider kinderen. De laatstgenoemden krijgen van hun vader alle onroerende goederen met inbegrip van de Grooten Baers. Jan blijft echter buiten zijn persoonlijke bezittingen ook het gebruik van het achter­huis van de Grooten Baers behouden zoals hij dat bewoonde toen Johanna Charles stierf. Hij betaald aan zijn kinderen hiervoor een huur van 50 gulden per jaar maar dezen moeten hem jaar­lijks 200 gulden betalen[19]. Eén van de zonen, Thomas de Res­paigne, verkoopt zijn deel aan zijn zwagers Jan Succaert en Adam Loyen op 19 augustus 1559[20]. Adam Loyen verkoopt zijn derde op 9 mei 1561 aan Ghislain Ketel de Jonge die op 22 januari 1563 n.s. doorverkoopt aan de lakenkoopman Kerstiaen Adriaensen die op zijn beurt volgens een akte d.d. 4 juli 1566 weer doorverkocht aan de lakenkoopman Wouter Bosschaert[21]. Op 1 oktober van datzelfde jaar werd de koopman Cornelis Schot eigenaar van het derde van Jan Succaert[22]. Hij verkreeg er van Jacques Baems, een zoon van Marie de Respaigne, op 22 september 1577 nog een zesde bij[23]. Het overige zesde deel belande bij ammansgoedenis d.d. 29 juli 1578 in de handen van Cornelis Schot die er inmiddels de Cleynen Baers bij had gekocht[24]. Ondertussen was het huis, zoals gezegd, afge­brand.

 

 

4. Verdere geschiedenis van beide panden tot aan het einde van het ancien régime

In ieder geval zijn beide huizen voor 1584 wederopgebouwd want volgens de cohieren werd de Cleynen Baers in de jaren 1584 - 1586 huurwaarde 150 gulden bewoond door Wouter Bosschaert, de wijkmees­ter die mede-eigenaar was met Cornelis Schot. In de Grooten Baers, huurwaarde eveneens 150 gulden huisde de lakenkoopman Peter de Schot en volgens de cohieren ene Gillis Hesselt (deze laatste tot 1585).  In 1586 werd de huurwaarde van de Baerzen volgens de cohieren gehalveerd[25].  

 

Bij een verdeling van de goederen van Cornelis de Schot op 30 april 1594 wordt Andries Bosschaert, zoon van hogergenoemde Wouter Bosschaert en Margriete de Schot, eigenaar van de Cley­nen Baers die geschat wordt op 400 gulden erfelijk en die als volgt beschreven wordt: “een huys... met winckel packhuys keuckene [ende] plaetse met kelder voor aent strate inde breydde van[den] huyse met noch de kelder onder de pletse [ende] keucken [ende] eenen kelder comende onder tvoors. packhuys van[den] cleynen baers [ende] onder den ganck van[den] grooten baers, sonder daeraen te begrypen tvoors. cleyn kelderken[26] onder tzelve packhuys...”.  Waarschijnlijk genoot de straatkelder in het kader van de wederopbouw van een vrijstelling van cijns.  In de cijnsboeken wordt er immers enkel melding gemaakt van twee keldertrappen: de Groote Baers heeft er één van 2 voet diep, de Kleine eentje van één voet.  Voor dit alles worden 3 groten per jaar betaald[27]. Dit alles wijst erop dat de familie de Schot zowel de Grooten als de Cleynen Baers als koopmanswoningen hebben gebruikt. De laken­koopman Peter de Schot, een broer van Margriete, werd eigenaar van de Grooten Baers.

 

Op 11 januari 1595 moesten er tussen Adriaen Bosschaert, gehuwd met Catharina Basseliers, en Peter de Schot opnieuw huizen verdeeld worden en Peter de Schot verwerft bij die gelegenheid beide Baerzen[28].  Hij was getrouwd met Magda­le­na Ruts die als weduwe op 4 juli 1611 in de woning met name De Baers in de Hoogstraat overlijdt.  We beschikken over een uitgebreide boedelinventaris (zie bijlage) die één van de vele indica­ties is dat deze familie vermogend was.  Na afrekening met hun zus­ters verwerven hun twee zonen Peter en Cornelis de Schott o.m. de twee Baer­zen.  In ieder geval hebben we met figuren zoals Cornelis en Peter de Schot met de crème de la crème van de handel in lakens en baaien te ma­ken.  Zo hebben zij geprobeerd in 1620 om ook de produktie van baai opnieuw ingang te doen vinden door de baaiwever Boudewijn de Bary naar Antwerpen te laten overkomen[29].  Op 31 december 1627, na de dood van zijn broer Corne­lis, draagt laatstge­noemde Peter samen met de voogden over de weeskinderen van Cornelis, beide huizen over aan Cornelis Bosschaert.  Deze was koopman en oud-aalmoe­zenier en nog voogd geweest over Anna en Magdale­na de Schott, zusters van Cornelis en Peter.  Ik neem hier de volledige beschrijving hier even over­ omdat de Cleynen Baers mee kon profiteren van de servitu­den die de Grooten Baers had weten te verwerven: “... Twee huysen deen daer van geheeten den grooten baers metten voor­huyse gange packhuyse, plaetse, achterhuyse, [ende] noch eene cleyne plaetse daer achter en[de] metten vuytgange lancx ende deur derve vande huyssinge geheeten den rooden schilt aende oude corenmerct gestaen, over derve van welcken huysinge geleyt wort het hemel [ende] ander waeter vallende [ende] commende vande achterplaetse van[de] voors. achterhuyssinge genaemt den grooten Baers, soo t'selve nu geleyt wordt, Ende dander huys daer van is geheeten den cleynen Baers met wincke­le packhuyse keuckene [ende] plaetse mette kelders onder beyde de voors. huyssinge[n] van achter tot vore en[de] metten keldere onder de strate, gronde [ende] allen den toebehoor­ten...”, gesitu­eerd tussen de Fonteyne en de Bonten Hont[30].  Op 12 maart 1635 erft Adriaen, één van de zonen van Cornelis, de twee hui­zen[31].  Op 11 oktober 1657 erft op haar beurt Maria Bosschaert van haar vader Adriaen en haar moeder Maria vander Piet[32].  Deze Maria Bosschaert brengt het door haar huwelijk met Jonker Guillielmo Lunden, aalmoezenier, tot Vrouwe.  Bij een verdeling d.d. 12 oktober 1702 van hun eigendommen tussen hun vier kinderen: Maria Catharina, Helena Clara, Guillielmo François en Franciscus Hiacintus, wordt Jonker Guillielmo François Lunden eigenaar van de eigendommen aan de Hoogstraat.  Men spreekt echter over onbetaalde huur wat dus betekent dat de Lundens nog betere woningen hadden dan de toch al luxueuze Baerzen (en de Grote Gans op de Oude Koornmarkt).

 

Volgens het cohier van 1659[33] had de Cleynen Baers een huur­waar­de van 180 gulden en was hij uitgerust met vijf schoor­steen­pij­pen. In 1667 daalde de huurwaarde naar 150 gulden[34], in 1682 naar 120 gulden[35]. De Grooten Baers was 350 gulden waard en uitgerust met 8 schoor­steenpijpen. Zetten we de huurders op een rijtje:

 

Jaar

Cleynen Baers

Grooten Baers

1659

1667

1672

1682

1689

1704

 

1708

Sebastiaen van Schel­straeten[36]

idem

Jan Hertoge

Jan Hertoge

Weduwe van Jan Her­to­ge

Helena Gabriels

 

Jan Marchant

Jan Baptista Mackereel

Ignatius Vermeulen

Sebastiaen vanden Broeck

Jan vander Willigen

Juffrouw van[der] Willigen

Weduwe van Peeter vander Willigen

Nicasius Nielis

Melchior Piettersen

Noteren we dat Jan en Peeter Verwilligen en de weduwe van Peeter al zeker lid waren van de meerseniers vanaf 1677 tot 1700.  In de jaren 1667 en 1672 woonden ze in de Walvisch, Hoogstraat 25[37]

 

Op 26 augustus 1734 verkopen de erfgenamen van Jonker Guil­lielmo Francisco voor 6000 gulden de Grooten Baers aan Gode­fridus vanden Kerkhoven en Maria Anna de Keesschietere[38]. Dezen kopen er op 22 juni 1737 ook de Cleynen Baers bij voor 2000 gulden[39]. In 1754 wordt de Cleynen Baers bewoond door Isabella, Barbara en Joannes Marchant, broer en zusters, die er een katoenwinkel uitbaten. De weduwe vanden Kerckhoven heeft in de Grooten Baers een ‘grooten winckel in fyn garens’ en woont er verder met haar twee dochters van resp. 21 en 25 jaar, twee dienstmaagden en een winkeldochter[40]. De twee dochters in kwestie Anna Maria, die in het begijhof te Lier terechtkomt, en Theresia Francisca, genoteerd als weduwe van de koopman Franciscus Maria Hennekin, komen tot 21 juli 1770 tot een vergelijk betreffende de erfenis van hun ouders en de laatsge­noemde wordt eigenares van de twee huizen[41].

 

In 1898 werd de Cleynen Baers gebruikt door een beenhouwer en in de Grote Baars was een wisselkantoor gevestigd[42]

 

 


 

[1] Archief OCMW, HGR 152, f° 34 r°.

[2] SAA, SR 1, f° 61 r°; 102 r°; 207 v°; SR 2, f° 117 v°.

[3] Zie G. Asaert, Honderd huizen aan de Grote Markt van Antwerpen: vijf eeuwen bewoningsgeschiedenis, Zwolle, 2005.

 

[4] SAA, V 1980, f° 47 v° - 48 r°.

[5] SAA, V 1981, f° 19 v°.

[6] SAA, V 1981, f° 72 r°.

[7] SAA, SR 32, f° 457 v° en 466 r°.

 

[8] SAA, SR 37, f° 53 r°.  Hierbij wordt de Baars gesitueerd tussen Claus Colenzone en Jan vander Baren; SR 40, f° 69 v°.

[9] SAA, SR 45, f° 529 v°; f° 508 r° - v°; afbetaling rente door Rockoch: SR 46, f° 24 r°; overname rente aangegaan door Vande Laer door Claus Roekoch: SR 47, f° 208 v°.  Over de financiële problemen van vanden Lare, o.m. SR 45, f° 509 r° waaruit blijkt dat hij zijn wijnleverancier niet kan betalen.

[10] SAA, SR 93, f° 89 r°.

[11] SAA, SR 95, f° 78 r° - 79 r°; SR 96, f° 24 v° en 25 r°.

[12] SAA, Cert. 2, f° 204 r° - v°.

[13] SAA, SR 126, f° 266 r° - v°.

[14] SAA, SR 152, f° 192 v° - 193 r°.

[15] SAA, SR 355, f° 401 v° - 402 r°.

[16] SAA, SR 157, f° 256 r° - v°.

[17] SAA, SR 170, f° 420 r°.

[18] SAA, SR 188, f° 241 v° - 242 r°.

[19] SAA, SR 258, f° 197 r° - v°.

[20] SAA, SR 272, f° 230 v°.

[21] SAA, SR 283, f° 176 r° - v°; SR 288, f° 340 v°; SR 307, f° 284 v° - 285 r°.

[22] SAA, SR 307, f° 144 r° - v°.

[23] SAA, SR 348, f° 104 v° - 105 r°.

[24] SAA, SR 352, f° 138 r° - v° en f° 149 r°.

[25] SAA, GA 4833, f° 108 r°; R 2221, f° 4 r° - v°; R 2238, f° 4 v°; R 2498, f° 5 v°.

[26] Het betreft hier een extra kleine kelder onder het pakhuis van de Cleynen Baers die echter toegewezen werd aan de Grooten Baers. Er is echter een waterput in dat keldertje waarvan de eigenaars/bewoners van de Cleynen Baers via een pomp gebruik mochten maken.

 

[27] SAA, SR 414, f° 337 r° - 340 r°; T 166, f° 37 v°, nr. 103; T 167, f° 13 r°.

[28] SAA, SR 418, f° 292 v° - 293 r°.

[29] A.K.L. Thijs, Van "werkwinkel" tot "fabriek". De textiel­nij­verheid te Antwerpen (Einde 15de-begin 19de eeuw). Brussel, 1987, p. 46; SAA Coll. 21, f° 173 r° - 179 v°. Het gaat dus om de verdeling van een grote erfenis.

 

[30] SAA, SR 581, f° 291 r° - 293 v°.

[31] SAA, SR 631, f° 238 r° - 264 r°. Aan de lengte van de akte zie je meteen welke erfenis er te verdelen was!

[32] SAA, SR 743, f° 224 r° - 239 r°.

[33] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­folieerd.

[34] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd.

[35] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 r°, nr 32 1/2 en 33.

[36].Zijn weduwe, zijdehandelaarster, staat opgenomen als lid van de meerseniers van de Reyndersstraat in 1677 en 1681: SAA, GA 4216-17.

[37] SAA, GA 4216-19.

[38] SAA, SR 1113, f° 77 r° - 78 v°.  Noteren we dat de meerseniers een Govaert van Kerckhoven in hun lijsten van de Hoogstraat hebben opgenomen in 1681, als lijnwaadverkoper, in 1696 en 1700 als lintenverkoper (GA 4216-4218).

[39] SAA, SR 1124, f° 154 v° - 156 r°.

[40] SAA, PK 2561: Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 441, nr. 28 en 29.

[41] SAA, SR 1241, f° 251 v° - 261 r°.

[42] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 7 en 9).

 

Bijlage: boedelinventaris d.d. 9 augustus 1611 van Magdalena Ruts
 

Bron: SAA, N 1488, f° 36 r° - 61 v°. Op f° 62 r° - 84 v° vinden we de verdeling onder de kinderen met een schatting van een aantal voorwerpen.

De boedel werd reeds gedeeltelijk gepubliceerd in: E. Duverger, Antwerpse kunstinventarissen uit de zeventiende eeuw, vol. 1, Brussel, 1984, p. 240 - 242, nr. 147.

 

 

Personalia

 

Magdalena Ruts is weduwe van Peter de Schott. Er zijn vijf kinderen: de twee meerderjarige zonen Peter en Cornelis, Maria, gehuwd met stadspensionaris Jacob Roelans, de minderja­rige Anna en Magdalena, die bevoogd worden door Cornelis Bosschart en Jan van[der] Eycken.

 

We beperken ons tot de inboedel van de woning zelf en laten de enorme massa waardepapieren achterwegen.

 

f° 36 r°

Int comptoirken opte achtercamer boven het packhuys in eene yser[en] kiste off casse

 

Hierin en op diverse andere plaatsen bevond zich een massa geld: duizenden guldens

 

f° 39 r° - v° worden de zilveren en gouden voorwerpen (juwe­len) evanals bepaalde munten die mogelijk als collectieitem dienden besproken. We korten oncen (o.) en engelschen (e.) af. Noteren we dat bij hogergenoemde verdeling een aantal van de hieronder opgesomde stukken veel waarde bleken te hebben. Zo waren het bekken en de waterpot 324 gulden 12 stuivers waard; de twaalf vorken, een beker, een jenoffelschaal, een schaal met verguldsel kosten tesamen 193 gulden 10 stuivers (zie f° 63 r° - 64 v°). Schatter was de zilversmid, juwelier en kunstschilder Andries de Borchgraef.

 

[f° 39 °]

 

In een fluweelen cofferken [ende ] in een violett fluweelen borsse [ende] hertelin

 

Een gouden keten met pileerkens [ende] een appel oft fonteyne wegende thien o. min dry quaert van eenen e.

twee gouden braceletten met gouden sloten wegende dry o. thien [ende] een halven e.

Twee gouden ringen mariage den een met diamant [ende] den ander met robyn wegende vyf [ende] een halve e.

Eenen gouden rinck met een pointe diamant wegende vyf e. min vier asen

Eenen gouden marchrinc wegende thien e.

Eenen royden gouden rinc wegende vier e. min elff asen

Een hyancint in een gouden casken wegende

Eenen dobbelen roosenobel

Eenen gouden pen[ninc] met figure van een lam op deen zyde

Vier silver[en] rycx daelders

Een groote witte silve[ren] medaille van Carolo quinto

Twee oude fransse croonen

Een gouden salut

Twee dobbel albertus tot 5 g. 5 s.

Een halven wilhelmus schilt daer een stuxken wt is

Een quart angelots

Een horne gu[lden]

Een silve[ren] wachtpen[ninc]

Een silve[ren] sarespenninc van duc d'Alencon

Twee silve[ren] pen[ningen] elck twee spaensche realen

een cleyn silve[ren] turcx pennincxken waer omtrent dry stuvers

een silve[ren] oostenrycx pennincxken sestendeel I rycx daelder

sessentwintich gouden knoppen wegende een o. vyftien e.

Een silve[ren] verguld soutvat [ende] peperbusse op malcander wegende 24 o. min een e.

Een silve[ren] vergulden schroeve met figure van Abrahams offer wegende negentien o. elf e.

Een ander silve[ren] vergulden schroeve met figure van Sampson wegende twintich o. vier e.

Een duytsch silveren vergulden kop met decsel wegende thien o. seventhien e.

 

[f° 39 v°]

 

twee silve[ren] vergulde schroefkens dienende om veneetse gelasen opte stellen wegende acht o. min eenen halven e.

Een silve[ren] vergulde hopschale met decxel wegende viertich o. acht e.

Een silve[ren] eensdeels vergulde uelle wegende acht o. min vyf [ende] een half e.

Een silve[ren] schale in[t] midden [ende] onder ae[nden] voet vergult wegende tweelf o. XII e.

Een ander silve[ren] schale in midden oic vergult wegende twintich o. twee [ende] een half e.

Drye silve[ren] soutvat[en] eensdeels vergult wegende tsamen achtendertich [ende] een halve o.

Sesse silve[ren] bekers eensdeels oft half vergult wegende tsamen vierentseventich [ende] een half o.

Een wit silve[ren] becken wegende neghen marcken een o.

Een silve[ren] waterpot wegende vyvendertich o.,

Een silveren rechauffoir wegende sevenendertich [ende] een half o.

Een silveren tailloir wegende twelf o. een e. met omschrift in honorem matrionatis magdalena de schot 1609 2 octobris

Tweelf silve[ren] gaffelkens oft forcquetten wegende seven­thien o. tweelf e.

Vierthien silve[ren] lepels den een teynden aen tsteelken vergult wegende tsamen sevenentwintich o. vierthien e.

Een silve[ren] schale int midden figure van sinte matheus wegende sestien o. twee e.

Een silve[ren] schale int midden figure van een tronie wegende tweelf o. [ende] een half e.

Een silveren getichelde schale wegende derthien o. drye e.

Een gedreven silve[ren] schale wegende derthien o.

Een cleyn genoffel schale wegende thien o. achtien e.

Een ander genoffel schale wegende vyftien o. XIII e.

noch een groott genoffelschale wegende achtien o. vyf e.

Een silveren pantschale wegende sestien o. sess e.

Drye witt silve[ren] bekers wegende tweeentwintich o. dertien e.

Een wit silve[ren] soutvat wegende negen o. een e.

Een part messen met silve[ren] hechten in een schoe aen een silve[ren] ketenken

Een Indiasche schelpe

Een silve[ren] hootyserken

 

f° 40 r°

 

Opte groote voorcamer boven de groote neercamer

 

Lynwaet

 

Een ammelaken dubbel panne lanc XII ellen fyn

Een ander fyn ammelaken panne lanc thien ellen

Een fyn ammelaken roshenhoet lanc elf ellen

Een ammelaken panne lanc neghen ellen,

Een ander ammelaken panne lanc acht ellen nyeuw

Een ammelaken roosenhoet lanc seven ellen

Een ander ammelaken panne lanc seven ellen

noch een ammelaken panne lanc elff ellen

Een ammelaken panne lanc vier ellen

Een ammelaken panne lanc vyf ellen,

Een ammelaken panne oic lanc vyf ellen,

Een ammelaken panne lanc vier ellen

Een ander ammelaken panne lanc dry ellen

noch twee dyergelycke ammelakens van drye ellen

Een ammelaken rossenhoet van drye ellen

dryentwintich ammelakens lanc elc twee [ende] een half elle

noch drye slecht ammelakens

derthien fyne servetten roosenhoet,

drye douzyne nyeuw servetten dobbel panne

drye douzyne nyeuw servetten roosenhoet fyn

 

drye douzyne min een servette panne,

Twee douzynen servetten enckel panne

drye douzynen dagelycksche servetten

noch drye douzynen daegelycke servetten wat nyeuwer

Een dozyn servetten roosenhoet,

noch dryentwintich servetten panne

neghen dunne servetten enckel panne

Een dozyn servetten lorainschwerck,

noch tweendertich dunne servetten verscheyde sort

Achtien groot gebaelden hantdoecken panne

Sesse nyeuwe hantdoecken panne,

noch sesse groote lorrainsse hantdoecken out

Acht cleyn hantdoecken,

Een fyn dwale roosenhoet van sess ellen een vierendeel

Een fyn dwale panne van drye [ende] een half ellen,

Een damaste dwale lanc drye [ende] een halve ellen,

 

[f°40 v°]

 

Een fyn dwale panne lanc twee [ende] een half ellen

noch een dwale panne lanc twee ellen,

Een dwale panne lanc drye ellen

Drye damaste dwalen lanc elc twee ellen

En dwale panne gemeyn lanc twee [ende] een half ellen

vyf dagelycksche dwaelkens,

Een paer fyne breede slaeplakens

Sesse paer nyeuwe slapelakens van twee breydde

Vier paer slapelakens van twee breydde

vyf paer nyeuw slapelakens gestraect

Een paer oude slaepelakens van anderhalf breydde

Twintich paer slapelaken clooten,

noch twee paer slapelaken cleyn,

Twee banckdoecken, Tweelf droochdoecken,

drye bodenammelakens, Acht lywate[en] droochdoeken

noch acht lywat[en] hantdoecken, vyf douzynen min een witte lynwat[en] voorschoyen, Een bedsack,

vierentwintich groote lywate fluwynen

Achtien cleyne fluwynen

dryendertich vrouwen hempden, drye witte lyfkens

Tweelf witte voorschoyen, drye bedvoorschoyen

vierentwintich onderhalsdoecken, neghen camerycksche lywaten slaephuyven, Eenen grooten rouwdoeck,

vyf rouwlobben, negen lywaten slaephuyven,

negenendertich snutdoecken de XXXV met canten,

vierentwintich gestreken huyven,

vierendertich craghen met lobben, tweelf hootdoexkens

Achtien paer poignetten, tweelf bandekens, seventien cleyn cragen met lobben

Een stuc nyeuw servet lywate lanc vierentseventich ellen

Een ander stuc nyeuw fyn servet lywaet lanc negenenvyftich ellen,

Een stuc nyeuw lywaete lanc XXXIX ellen,

Een stuc nyeuw lywaete lanc sevenentnegentich ellen,

Een ander stuc nyeuw lywaete lanc dryentzestich ellen

noch een stuc nyeuw lywaete oic lanc dryentzestich ellen,

Een lapken fyn nyeuw lywaete van neghen ellen,

Een ander lapken nyeuw lywaete van sesse ellen

Een lapken nyeuw lywaete van II ellen,

noch een lapken nieuw lywaete van twee ellen

En[de] noch een elle nyeuw lywaete

Een nyeuw tycke van thien vierendeel, vierenvyftich ponden grof garen

Sessenviertich ponden garens fynder, XXX ponden fyn garen,

negenthien ponden [ende] een vierendeel gehekelt vlasch, Seven stalen rouw oft ongehekelt vlasch.

 

[f° 41 r°]

 

Opte achter bovencamer

 

Vrouwen Cleeren

 

Een damasten vliegher met wilde voeringe

Een armozynen vliegher oic met wilde voeringh

Eenen vliegher van carle oic met peltene gevoert

Eenen gewrochten armosynen vliegher

Een effenen armosynen vliegher

noch een gewrochten armozynen vliegher

noch eenen effenen armozynen vliegher

Eenen gewrochten boratten vliegher met stoffe tot een paer mouwen daertoe

Eenen vliegher van engelsch carle

noch een ongebaeyden vliegher van engelsch carle

Twee lakene rouwvlieghers, Een lakenen rouwrock,

Een roy carmosyne siele met twee fluweele boorden

Een rasse siele met een fluweelen boort,

Een fluweelen roc den gront sattyn

Twee caffa rocken,

Twee swertte sattyne borsten geboort met zyden koorden

Een swerte sattyne borst met gout geboort,

Twee laken rouwborsten,

Vier fluweelen hoed[en], een scharlaken slaeplyfken

out syden grograin tot een vliegher

Eene ossette falie, Twee bedorven boratte huycken,

Een stramyne huycke, Twee fluweele moffels

Een grograynen vliegher met twee fluweelen boorden,

vier saeyen dienstmaertenhuycken [ende] een carseyen

een elle nyeuw damast armosyn

 

Tennewerc

 

neghen candelaers, twee schalen, een wynpot [ende] pint, twee soutvaten, tweelf kommekens, twee becxkens, een mostaertpot, een oliepanneken, een gegaett[e] teljoor, twee schotels van sess ponden, vier schotels van vyf ponden, vier schotels van vier ponden, drye schotels van drye ponden, twee schotels van twee [ende] een half ponden, vyf schotels van twee ponden, achtien schotels van anderhalve pond, seventien schotels van vyf vierendeelen, seventhien pontschotels, vyf douzyn tel­joer[en] [ende] twee, een tennen distileerklocke, vyftien ponden out ten, een oude tennen flessche, een tennen waterbec­ken [ende] waterpot

Een gruen armosynen behanghsel tot ledicant met een nyew schoucleet met gruen zyden frenen, Een blaulaken behangsel [ende] sargie [ende] schoucleet met zyden [ende] saeyen frenien, Een gruen saeyen behanghsel met zyden [ende] saeyen frenen, Een gruen stanett[en] behanghsel, Een doornicx saeyen behanghsel, een cleyn slecht gruen saeyen behanghsel met het ledicanteken [daer]toe,

 

[f° 41 v°]

 

Een fyn turcx tafelcleet van een elle, een gruen lakenen taflecleet van thien ellen, een ander gruen tafelcleet van vier ellen, noch een gruen laken tafelcleet van een elle, noch een gruen laken tafelcleet van drye ellen, noch een gruen laken tafelcleet van twee ellen, een carpet tafelcleet van vier ellen, een ander carpet tafelcleet van seven ellen, Een gesteken buffet, dressoir [ende] schoucleet met zyde frennen, Een tapythangie fyne, noch twee tapythangien deen oic fyn, een out torcx tafelcleet geel [ende] root

drye wech. oblykorfkens Een yseren geltkiste ydel, Een hoop drincgelasen thien gelasen flesschen, drye gelasen flesschen een in leeren een ander in teenen custodien, drye stenen vettpotten, vyf geleyesen couselflotten?, vier stenen stoopen, een teen[en] setelstoel twee herthoutten schutselkens [ende] een spiegelstoxken

 

Houtwerc opte voors. achtercamer

 

Een herthoutten comptoirken, een herthoutten cleerkasse met een slot een herthoutt[en] dressoir met twee sloten, een herthoutten schyftafel, eene dry cantige herthoutt[en] scabel­le, twee herthoutten ledican[ten] wt een gedaen, een weeck­houtt[en] keerskist

Een pluck [ende] pasmantkorf, een slecht comptorken

Een schilderye op paneel olieverve v[an] Saturnus [ende] Venus voor de schouwe, een stalen spiegel, een gefigureert tapys­tucksken een half elk viercant, een weeckhoutte kasse mett sesse stucken tapitzerye oudenaertse fueillaige dienende ter behanghsel van[de] groote neercamer. Op een vaststaende koetse een bedde met hootpeuluwe [ende] een wollen [ende] stroye mattras, drye ma.amberdenkens, een bahoul

 

Opt voors. boven voorcamer

 

Sesse tapytcussens met wapen onder gruen laken, sesse ander tapytsittecussens onder met leer. Een herthoutten ledicant met een bedde daerop van elf vierendeel een stroyen mattras, hootpailuwe, een gruen [ende] een witte wullen sargien

Een ander cleyn herthoutten ledicant met een cleyn bedde met hootpeuluwe. Een groote herthoutten clerkasse met vier deuren [ende] twee sloten. Een herthoutten dressoir met drie slot[en]. Een geborduerde schilderye van St. Jan in patmos, een gesneden houtten crucifix, twee coper[en] tresoorcande­lers, drye kamkoffers met yser[en] banden [ende] houtten voetkens dair onder, twee herthoutten parysse bancken, een herthoutten wttreckende tafel twee hooghe coper[en] branty­sers, twee herthoutten kistkens deen ingeleght, een nyewe teen[en] setelstoel, twee oude spaenssche mansstoelen, met ingeleght been een herthoutten scabelle een cleyn weeckhout­ten tafelken, een schilderye op doeck olieverve de figure van menschen slapende [ende] de boose doncruyt saeyende een schilderye waterwerve v[an] Susanna, een schilderye kersnacht

Afbeeldinge van wylen niclaes ruts, een cristallynen spiegel in eene herthoute casse

 

[f° 42 r°]

 

Opt camer boven de cleyn neercamer

 

Een herthouten cleerschappraeye met twee deuren [ende] sloten, drye herthoutten scabellen, een herthoutten schutsel, een ledicant met een bedde [ende] hootpeuluwe [ende] een stroyen mattras, een gruen [ende] een witte wullen sargien, een herthoutten scabeltafel, een houtt[en] rouaensche stoel, een gruen saeyen schoucleet, drye paer oorcussens, twee ledercus­sens van verscheyden plaets[en] v[anden] huyse aldaer byeenge­brocht, twee groote [ende] twee cleyn hout[en] stoelen, een houtten casken met een douzyn eetmessen

 

Opt Camer boven de keuken

 

Een herthoutten cleerschappraeye met een slot, een ander cleynder herthoutten scappraeye, een veltkoetsken oft hert­houtten bedstee een bedde met hootpeuluwe, een witte [ende] een gruen wullen sargie, een rollekoetse met bedde hootpeuluwe mattras [ende] een gruene [ende] een een wullen sargien, een weeckhoutt[en] schutsel, een out koffer met yser[en] banden, een viercante tafel, een cleyn herthoutten schappraeye met drye slot[en]

 

Opt solders boven de voors. twee camers

 

Een meelton[n]e, een vleeskuype, sesse vettvaetkens, twee groote yser[en] vleespotten, twee hou[t]en schraeghskens, een slecht out behanghsel gestreept een oude houtten boschkiste, een herthoutten comptoirken met laeyen oft schuyven een weeckhoutt[en] hoenderenne, I yser[en] treft, een coper[en] vierteyle, twee cleyn houtt[en] stoelen, twee panysers, een yser[en] weynstaeck, een viercante schyftafel, twee groote [ende] twee cleynder teen[en] cleerbalen sesse leeren eemers, een herthoutte koetse met bedde hootpeuluwe een stroye mat­tras, een slecht gruen sargie, een tycksoxken met pluymen eenen bosschekiste, een blouwel [ende] meer ander prondelinghe

 

Opten solder boven de groote neercamer

 

Een wtslaebancke, een blouwel, een blouwen blouwelsteen, een querne, twee oud spaensche stoelen, een viertel mate, een weeckhoutt[en] trapken, wat boeckwey tot voed[er] voor de hoender[en]

 

Opte scheersolder

 

een hoop out yser [ende] houtwerck, een berne, een groot houtte catroll een out vaetken

 

Opt solder vant packhuys

 

een cordewa[gen], vier weeckhoutt[en] bancxkens, een hert­houtten koetse wteengedaen een trapken, omtrent vyf viertel rogge

 

Inde cleyn neercamer

 

behanghsel van gouwen leer rontom[m]e [aende] muren [ende] camers, drye herthoutten gescrynwercte parysse bancken, een herthoutten wttreckende tafel, een herthoutt[en] schutsel met twee vleugels oft deuren, een gescrynwerct buffet, een weeck­houtt[en] schencktafelken, een herthoutt[en] lampetvoet­ken sesse hooghe spaenssche stoelen met swert leer becleet, sesse gruenlaken sittecussens, sesse gesteken sittecussens, Een paer yser[en] [ende] een paer cope[ren] leghe brantysers, een yseren tanghe [ende] schuppe een blaesbalc, een schilderye olieverve op panneel van sint Anna [ende] maria met deurkens, Een schilderye lantschap voor de schouwe op panneel, Seven schilderyen op panneel olieverve in lyste van[de] bermherti­cheden, een schilderyken op panneel olieverve van joseph [ende] Maria

 

[f° 42 v°]

 

Een lancwerpich schilderyken op panneel olieverve in vergulde lysten van orpheus, afbeeldinge van beeltstormerye in onser liever vrouwen kercke op panneel in lyste, Een schilderye lantschap met Adam [ende] Eva op panneel olieverve in vergulde lysten

Een schilderye op panneel olieverve van Joseph [ende] Maria

Een mans [ende] een vrouwen steen[en] tronien

 

Inde groote neercamer

 

Eeene langhe herthoutten wttreckende tafel, een ingeleght houtten buffet acht herthoutten voetscabellekens, een weeck­houtten buffettrapken, sesse hooghe spaenssche tafelstoelen met gruen cleen vercleet, sesse vrouwen stoelen met gruen laken beclaet, noch vyf vrouwen stoelen de vier met swert leer becleet, twee vrouwen spaenssche stoelen den een met gruen laken [ende] den ander met swert leer becleet, een paer hooghe coper[en] brantysers, twee leghe geslepen yser[en] brantysers met coper[en] knobbelen een yser[en] tange met coper[en] knobbelen, een schildery op doec in vergulden lyste figure van St. Anna [ende] Maria, Een ander schildery olieverve op panneel van moyses, een schilderye olieverve op panneel van[den] verloren sone, een schildery lantschap olieverve op pan[n]eel van Joseph [ende] Maria

Afbeeldinge [van] valerius ruts [ende] Elisabeth gamel der kinderen grootvader [ende] grootmoeder, een schilderye kers­nacht olieverve op pan[n]eel, twee tronien van plaester, twee tronien van steen oft plaester voor de schouwe, afbeeldinge v[anden] overled[en] peter de schot [ende] magdalene ruts de vader [ende] moeder, [ende] van[de] vyf kinder[en], twee herthoutten parysse bancken

 

Inden ganck

 

drye herthoutten gescrynwercte parysse bancken met witte berders daerop twee houtte berders, een oude mappa mundi

Opte pletse

 

Een herthoutten schoenkoffer, een herthoutten sluytbancke met twee sloten een ander herthoutten sluytbancke met een slote, een hoogh herthoutten schappraeyken met drye sloten

 

Inde keuken

 

Een root coperen hespketel, een cleynder root coper[en] hespketel een root coper[en] koelvat, een ouden geelcoper[en] eemer, een coper[en] vleeschpot, een ander groen coper[en] pot, een groot[en] coper[en] ketel, twee cleynder coper[en] ketels, een coper[en] vierclocke, twee coper[en] beckens, twee blakers, een vierketel, een coper[en] tresor twee bedpann[en], een coper[en] bilance, een cleynder coper[en] bilance, twee cleyn coper[en] blakers, drye coper[en] schelen, een coper[en] lepel, twee coper[en] kerssnutters, drye coper[en] potdecsels, viertien coper[en] candelers noch twee norenborghsche cande­lers, vier groot[e] coper[en] candelers een coper[en] gewicht, een coper[en] mortier met stamper, een becht coper[en] panne­ken een groen coper[en] wasketel

 

yserwerc

 

een tanghe met coper[en] knop, twee groot braetpan[n]en, twee roosters, drye braetspet[en] met rollen, een cleyn panneken, vyf potschelen, een viercant spitken, een koeckyser met spaenken, een tourtspaen

 

[f° 43 r°]

 

een yseren boor, een hensken, een rechauffoir, een riex­ken, een geslepen trepken drye yseren lepels, twee cleyn spit­kens, een brantyser, noch een yseren schupken, twee tourtpan­nen, een pasteypanne, twee wafelysers, een clyn wafelysereken, een ysere plate, een latte met vier hangsels, een tange [ende] vierschup, een groote yser[en] treft dienende totteen wasketel vier tuymelers een potschutsel, vier trefkens, twee pothey­sen drye brantysers, een raspe, een blaes­balc, twee slechte rechauffoirs, vierthien scalen zo potten als pinten met tennen decsel, thien porceleyne schotels van eene sort twee italiaan­sche porceleyne fruytschotels, twee geleyese kommekens [ende] drye schotelkens, twee geleyerse slechte schotels, een cruysi­fix, vyf kommen, een tennen gelaeshouderken, een broot­korf, twee houten soutvaten twee hertsbacken, twee spinnewie­len, een houtten vierschutselken, drye mans houtten stoelen, drye vrouwen houtten stoelen, een herthoutte scabelle, een verharbert, een mans spaensche stoel, een ammelakenspasse inne dry laeyen oft berders op een houtte voet, Een groot herthout­te keukenschappraeye met vier sloten, eene weeckhoutte recht­bancke met twee sloten, eene herthoutte wttreck[ende] tafele, een herthoutten sluytbancke met een slot, een houtten balance met yseren gewichten

 

Opte cleyn pletse achter de keuken

 

Een yseren ketel sesse yseren potten onder groot [ende] cleyne, een yseren panne met langhe stele, een yseren brant­panne, een yseren weynstael [ende] pannyser, twee yseren roosters, een yseren lepel, dry coperen scheelkens twee coperen visspannen, een coperen ketel, twee roy coperen eemers, vier coperen potten, een royen coperen aker twee geelcoperen melcstoopen vier cleyn coperen pottekens, een coperen panneken, een coperen becxken, twee blecken baxkens, drye blecken schotelen, acht houten schotelen, een houtten schotelvat, een houtten vuylnisbaxken, een houtten vleesback, een houtten schaafbert, noch twee houtten vleesbacken, een voettobbeken, twee schuerbancken, een sitte, een houtten dwelier, een yseren dregge.

 

Inde kelder

 

Tweelf wastobben onder groote, middelbare [ende] cleyne, een voetteyle, een werckbanck, een meelton met decsel, seven stellin­gen totten tobben, een heve, dry botervaetkens, een hoop branthouts [ende] boscolen, een vleesblock, een vleesstander, noch een cleyn vleesstander, dry oude bierstellinghen, een weecke heeskiste, een vliegherschappraeye, noch drye bierstel­linghen.

 

Opte camers int voorhuys verclaerde Jouffr. Marie de Schot dat zyn

 

Eene groote herthoutte casse, een herthoutten schryftafel, een lantcarte, Een ledicant met gruen saeyen behanghsel met bedde hootpeluwe, twee gruen [ende] een witte wullen sargien, een stroyen matras, Een koetse met een mattras I bedde hootpeuluwe [ende] een witte wullen sargie

 

Opte voorcamer

 

Een tafel [ende] twee bancken met een stoel, een bedde met houtpeuluwe [ende] een gruen [ende] een witte wullen sargien

 

[f°43 v°]

 

Inden raemhoff inde nyeustadt

 

negen stucken schilderye waterverve op doeck historie van Ysaac [ende] Jacob, Een schilderye olieverve op panneel in lyste van Charitas voorde schouwe, een out carpet tafelcleet gruen op swert

een mans [ende] drye vrouwe spaensche stoelen met groen laken becleet,

een gruengeschilderde houtten mansstoel. Een oude weeckhouten rechtbanc twee geslepen yseren brantysers, twee parysche bancken

 

Inde galery

 

Twee koetsen wt een gedaen, een dressoir, twee slecht schilde­ryen waterverve op doeck deen van Adam [ende] Eva, [ende] dander van Abel [ende] Cayn

Een lantwaghen met een ouden wagenkorf den welcken metten coetsen [ende] dressoir [ende] rechtbanck men in meyningen is te soeken opte hoeve tot Eckeren. Eenen speelwaghen met groen geolievervt overdecksel [ende] ander toebehoorten een bert

 

Int wagenhuys

 

Een koeketel, noch eenen cleyneren coperen ketel, een boter­staender

Een pauw [ende] pauwinne, een haen [ende] elf hennen met een kiecken, [ende] twee jonge haenkens, Een meriepert rosharich met vier witte beenen

noch twee peerden dairaf een Cornelis Bosschaert [ende] Peter de Schot, [ende] het ander Cornelise de Schot de sone is toebehooren[de], zo zy verclaerden, een vleugh duyven van omtrent viertich paer, drye dinst nyeuw blau schalien wesende overgeschoten tot Eckeren [ende] gedestitueert tot reparatien van[de] daken van[de] huysingen inde ramen, I peerts getuych, dry gareelen, een capusson,

Seven gebeten, een hootstuc tot thoom, een achtergetuych oft raem met een sittecussen

 

Ghereetschap dienende totte bereyderye geinventarieert ten byzyne [ende] aenseggen van merten van limborch diener inde selve bereyderye

 

Vier groote perssen met eenen thoondisch totten selve pers­sen,

Eenendertich pasdeuren, Twee vouwtafels met vyf schraghen

Twee scheerdissen, Twee fuseerdissen metten blocken [en­de] horden daertoe diendende, drye paer droochscheerders schei­ren

noch diverse stucken van oude versleten scheiren, sesse billen [ende] wanten, vier slechte saechtleiren, negen scheirbo..en?

seven paer fuseerberders onder goede [ende] slecht

Omtrent negentien douzyn papieren

Twee horden dairmen de natte lakens overhanght, vier licht­standaerts met drye lampen, omtrent tzestich stoffen kaerden, een partye makaerden, drye peetsen,

Twee pasboomen, Twee paer scheerlemmers, twee paer fuseerlemmers, vier rasteelen totten kaerden, Een la­ken waghen, Een elle, Een trap dienende tott[en] perssen, derthien haken in een laeyken, een houten berdt, een hantbor­stel

een weeckkiste, drye lernen oft stellingen tot lakenen

 

[f° 44 r°]

 

[De waardepapieren. De familie bezat heel wat hoeven en lande­rijen vooral in Kontich en op het Kiel. We vernemen ook (f° 50 r°) dat een huis achter de Ackerman op de Oude Koornmarkt verhuurd werd door Peter van Schelstraeten voor 63 gulden per jaar. Men zegt ook dat Peter en Cornelis de Schot beide baarzen wel degelijk zelf gebruikten)]

 

 


 

Appel: Hierin werden dikwijls reukwaren gestopt.

Mariage: kon een trouwring zijn maar was niet noodzake­lijk: de 'mariage' zat hem in het samengaan van twee verschil­lende stenen.

Marchrinc: merkring of zegelring.

Schroeve: houder voor glazen.

Duytsch silver: Duits zilver was niet vervaardigd volgens de regels van het ambacht en werd als lager in waarde beschouwd.

Veneetse gelasen: Venetiaanse glazen (glas à la façon de Venize).

Uelle: uil.

Rechauffoir: komfoor, verwarmt de borden en het opgediende voedsel.

Genoffel schale: schaal aan de randen versierd met jenoffels.

Ammelaken: tafellaken

Panne: doek.

 Roshenhoet: rozenhoed: zowel de letterlijke betekenis van een hoed met rosen als rozenkrans zijn in principe mogelijk.  

Servetten: servietten in de huidige betekenis van tafelgerief om handen en mond af te vegen.

Gebaeld: van baalkatoen.

Dwale: dweil, was toen zowel een doek om zich af te drogen (handdoek) als een servet.

Gestraect: gestrac?: strak, gestrekt.

Huyve, huve: hoofddeksel, kapje.

Poignet: manchet.

Tycke: tijk: de stof (vooral nu bestaande uit katoen) die om de kern van een matras wordt aangebracht

Vliegher: wijde mantel.

Peltene: bont.

Armosyn: dunne zijde- of katoenachtige stof, veelal als voering gebruikt. Genoemd naar de havenstad Hormuz (Ormoes) in Perzië.

Carmosyn: stof in een specifieke rode kleur.

Caffa: soort stof.

Borst: gedeelte van een kledingstuk dat de borst bedekt, in het bijzonder een lap van kostbare stof.

Grograin: lees 'grof grijn'.

Falie: doek, eventueel ook sluier, mantel of huik.

Borat:soort geweven stof.

Huyck, huik: lange kapmantel zonder mouwen, werd zowel door mannen als vrouwen gedragen.

Stramyn, stamyn: grove stof (zaklinnen).

Turcx: Turks

Tapythangie: hengsel om een tapijt aan te hangen.

Wech[outen]: weekhouten.

Ik kan van dit wellicht sterk afgekorte item weinig maken: bleekhoutte obliekorfkens?

Geleyesen: gleiswerk of platteel.

Tapijten met bladeren op afgebeeld in Oudenaardse stijl of van Oudenaarde (verdure?).

Bahoul: bahuut: groot met leder overtrokken koffer.

Cleerbale: dit is wat iedere paleograaf zou lezen maar de vraag is of men geen cleermale moet lezen: tenen cleermale betekent dan een rieten reiskoffertje.

Blouwel: (houten) hamer.

Blouwelsteen: hierop sloeg men het gewassen lijnwaad.

Querne: handmolen.

Berd: bord, tafel, plank.

Mappa mundi: wereldkaart, meestal opgebouwd rondom het Heilig Land.

Hense: hengsel.

Trep, trappe: wellicht in de betekenis van val, knip om dieren te vangen.

Trefke, treeftje: rooster boven een haard.

Heve: hier in de betekenis van een toestel om lasten te heffen?

Speelwagen: wagen die men voor zijn genoegen houdt, kan ook gebruikt worden bij wagenspelen.

Meriepert: merriepaard.

Thoondisch: toonbank, uitstalbank om stoffen op klaar te leggen.

Pasdeur:

Fuseerdis: tafel gebruikt bij het fuseren, het samenbrengen of samenstellen van kleding of stoffen?

Horde: stellage, stelling om eventueel iets aan op te hangen.

Bil: dij- of bilbeschermer?

Kaerde: gereedschap om de wol te kaarden.

Peetse: pees.

Rasteel: rooster.