De Kriekenboom: Hoogstraat 3

Voorwaarden opgelegd aan Jacques le Poure (1578)
Uit het testament van Susanna Goris (1652)

Terug naar het overzicht van de huizen

 

Een akte over de Baers uit kort na 1388 zegt ons dat Gielis Langhals eigenaar was van het buurpand van de Baers naar de Oude Koornmarkt toe.  Een akte van 29 februari 1430 over de Baers noemt als zijn buurman de Krieckboom zodanig dat de Bonte Hond van een latere datum is en de akte van de XIVde eeuw wel over de Kriekenboom moet handelen[1].  In een akte van 1443 over de hoekpanden aan de Oude Koornmarkt noemt men Aerd Langhals als eigenaar van een huysinge. In een akte van 1446 over de Baers wordt Jan vander Ba(r/n)en als buurman opgegeven[2].

 

Als onmiddellijke buurman van het hoekhuis met de Oude Koorn­markt wordt in een document van 4 november 1478 Jan van Lare opgegeven.  Waarschijnlijk betreft het de uitsnijder die in 1494 ook de Bonte Hond, Hoogstraat 5, verwerft. En een akte van 13 april 1478 over de Bonte Hond noemt zijn buurman al de Criec­boom[3].

 

De oudste akte die aansluiting geeft op de documenten uit de XVIde en latere eeuwen dateert 28 juli 1507. De aalmoezeniers van de daklozen verkopen het “... huys metter plaetssen achterhuyse...” aan Gielis Musch, toen al eigenaar van een aanpalend eigendom op de Oude Koornmarkt. Men zegt dat de daklozen eige­naars waren door het testament van Jan van Lare en Margriete van Lille. Gielis Musch calengierde meteen zijn eigen koop vanwege een medepandschap met zijn ander huis[4].

 

Bij verdelingen d.d. 5 juli 1533 en 26 november 1535 onder de erfgenamen worden Johanna, Katlyne en Anna Musch de nieuwe eigenaars[5]. Johanna verkoopt op  15 januari en 1 maart 1539 n.s. haar deel aan haar zwager Willem Zwaen, de man van Katlyne[6]. Voor 300 gulden erfelijk verkoopt hun zoon Adriaen zijn helft op 15 februari 1566 n.s. aan de kooopman Cornelis van Nispen[7]. Maar Adriaen's broer Anthony calengierde de koop. Cornelis van Nispen vond dat niet zo leuk en toen Anthony naar de zin van Cornelis niet snel genoeg betaalde aan Adriaen Zwaen en bovendien Cornelis de proceskosten wou doen betalen liet Cornelis de cnuyvers (dagvaarders) naar Anthony sturen. Anthony's vrouw was echter hoogzwanger en kreeg van schrik meteen een miskraam van twee kinderen[8]. Op 14 juli 1575 ver­koopt Anthony geheel het huis aan Jacob Sterck en Anna Moelen­broeck voor een erfrente van 380 gulden per jaar[9]. Veel ple­zier hebben dezen er niet van gehad want met de Spaanse furie op 4 november 1576 brandt het pand af.

 

Op 20 juni 1577 verkregen de eigenaars van St. Franciscus, Hoogstraat 1 en Oude Koornmarkt 2 een stuk stadserf dat voor hun huis en de Kriekenboom lag met het recht om dit te gebrui­ken om er een straatkelder van te maken zonder dat er cijns op moest betaald worden. Dit recht wordt wat de Kriekenboom betreft door die eigenaars overgedragen naar de Kriekenboom zodat we op 24 januari 1579 n.s. Anna van Moelenbroeck zien verkopen aan de koopman Jacques le Poure en Johanna Boels: “... de erve metter achterhuyse, stoffe en[de] met allen daerop liggende met diversche vouten oft kelders dair onder met noch een schoon grooten voute onder tstrate ende de begonste edifitie gronde [ende] allen den toebehoorten, vande afgebrande huysinge geheeten hebben den crieckboom, met oic de erve voor dese erve liggende ende genomen van[de] hoochstra­te...”[10]. De prijs bedroeg 290 gulden erfelijk. Gezien de onduidelijke begrenzingen kwam het in de loop van 1578 tot burenruzies met Cornelis Schot, eigenaar van de Baers, en de familie Boel, eigenaars van St. Christoffel Oude Koornmarkt 4, die op 20 december 1578 beeindigd worden. Uit de voorwaarden (zie bijlage) blijkt duidelijk dat Jacques le Poure al ver gevor­derd was met het wederopbouwen van het huis[11]. In 1579 laat Jacques le Poure voor hem getuigen dat hij al een hele tijd in Antwerpen woont. Hij blijkt koopman van ‘maelderyen’ te zijn[12]. Dat hij zijn huis, huurwaarde 200 gulden, bewoonde blijkt uit de cohieren van 1584 en 1585[13]. Hierin geeft men het huis een andere naam: ‘De Gulden Cam’. 

 

In ieder geval was er wel een vrijstelling van cijns op de straatkelder gegeven maar de kelder­deur werd wel belast voor de belachelijke som van 1 groot per jaar.  Dat we in de cijnsboeken van de XVIIIde eeuw geen vermelding meer aantref­fen moet ons dan ook niet verba­zen[14].

 

Op 9 oktober 1584 echter verkoopt le Poure aan de koopman Andries Fagel “een huys met vloe[re] coeckene neerca­me[r] plaetse achterhuyse gronde [ende] allen den toebehoorten...”[15]. De koopsom bedraagt 280 gulden erfe­lijk en er drukken nog voor 200 gulden erfelijk renten op. Voor honderd gulden verhuurt Fagel het in 1586 aan Peeter van Triest[16]. Op 18 juli 1607 laat Fagel vanuit Danzig het huis voor 4480 gulden verkopen aan Maria de Bot en Symon Jourdaens. We vernemen dat de naamsverandering te wijten is aan een uithang­bord[17]. Later gaat het pand blijkbaar over in de han­den van Jacques Jordaens, gehuwd met Susanne Goris. In deze laatste haar testament d.d. 3 december 1652 (zie bijlage) staat expliciet te lezen dat ze er woonde en vernemen we heel wat over juwelen e.d. zich in huis bevonden. Merken we op dat Susanne Goris op dat ogenblik in verwachting was.

 

In het cohier van 1659 staat de weduwe Joerdaens opgegeven als eigenares en bewoonster van het stevig uitgebouwde pand, huurwaarde 300 gulden en voorzien van tien schoorsteenpij­pen[18]. Hoe stevig uitgebouwd het pand wel is blijkt een jaar later als Maria en Susanna Joerdaens, twee dochters van Jacques Joerdaens en Susanne Goris, bij een verdeling d.d. 21 april 1660 eige­naars worden van: “... Een huys met vloere oft winckele pack­huyse ceuckene neercamers plaetse achterhuyse hangende camers oppercamers solders kelders gronde ende allen den toebehoir­ten...”[19]. Prijs van dit alles: 10.000 gulden.

 

Van de twee zussen blijft Maria het langste leven. Ze staat als bewoonster vermeld in de cohieren van 1667 en 1672.  De huur bedraagt wel 200 gulden[20]. Haar erfge­na­men, waaronder oud-schepene en stadspen­sionaris Jacobus Jordaens, verkopen de Gulden Cam op 24 januari 1679 aan de zijdeverkoper Cornelis van Herdewyn en Maria vande Sande en dit voor de som van 8.800 gulden[21]. In het cohier van 1682 noteert men ‘Cornelis Herde­wyck’ als bewoner van het pand, huurwaarde 180 gulden[22]; idem rond 1689-1708 zij het dat zijn weduwe na 1704 overnam[23].

 

Cornelis van Hardewyn en zijn echtgenote hadden als erfgename een religieuse, met name Catharina van Hardewyn. Haar erfge­naam was niemand minder dan Z.E.H. Simon Balthasar de Neuff, deken van het kapittel van de O.-L.- Vrouwe kathedraal. Op 22 maart 1736 geeft hij het pand in erfelijk recht aan François Bogaerts en Clara Maria Caria[24]. De akte zegt dat ze pas op 10 juni eigenaar worden. In ieder geval heeft Frans Bogaerts zijn huis gebruikt. In 1754 had hij er een velbloterswinkel. De overige bewoners waren: zijn echtgenote, hun vier zonen van resp. 4, 5, 11 en 20 jaar oud, hun dochter van 18 en één dienstmaagd[25]. Er zijn echter vier kinderen: 2 heren en 2 gehuwde damens, betrokken bij de verdeling van 22 februari 1783 waarbij Joan François Bogaerts het huis verwerft[26].  In 1796 vinden we Bogaerts terug als eige­naar-bewoner.  Hij is 66 en ongehuwd.  Huurders zijn Marie Verpoorten, 64, weduwe;, Jean Verpoorten, 27 en Catherina Pluymonts, 45, dienstbode.  In de marge: 'petit fortune pour logé bon'.  De waarde be­draagt 3000 gulden[27].  Merken we op dat een weduwe Verpoorten eigenares was van het huis Kleine St. Franciscus, Hoogstraat 1. 

 

In 1898 was er een kruidernierszaak in de Kriekboom[28].

 


 

[1] Archief OCMW, HG, R 152, f° 34 r°; SAA, V 1981, f° 72 r°.

[2] SAA, SR 32, f° 317 r° ; SR 37, f° 53 r°.

[3] SAA, SR 93, f° 7 v°; f° 218 r° - v°; SR 96, f° 368 v°.

[4] SAA, SR 132, f° 24 r°. We kennen Jan van Lare als eigenaar uit documenten i.v.m. de Bonten Hondt uit 1490 en 1494: SR 97, f° 86 v°; SR 103, f° 182 r° - v°.

[5] SAA, SR 184, f° 200 r° - v°; SR 187, f° 797 r° - 800 r°.

[6] SAA, SR 194, f° 56 r° - v°; SR 193, f° 190 v° - 191 r°.

[7] SAA, SR 302, f° 388 v° - 389 v°.

[8] SAA, Proc. Suppl. nr. 3243.

[9] SAA, SR 341, f° 88 r° - 89 v°.

[10] SAA, SR 353, f° 253 r° - 236 v°.

[11] SAA, SR 353, f° 132 r° - 133 r°; SR 354, f° 445 r° - 452 r°.

[12] SAA, SR 357, f° 53 r°, SR 359, f° 612 v°.

[13] SAA, GA 4833, f° 108 v°; R 2221, f° 4 v°. Volgens het cohier van 1585 woonde hij er dat jaar nog: R 2238, f° 5 r°.

[14] SAA, T 166, f° 37 v°; T 167, f° 13 r°.

[15] SAA, SR 378, f° 64 v° - 65 r°.

[16] SAA, R 2498, f° 6 r°.

[17] SAA, SR 466, f° 12 r° - v°.

[18] SAA, R 2502: Choirvier van het omschryven gedaen den 9den april 1659 byden heeren hooftmannen ende wyckmeesters...,onge­folieerd.

[19] SAA, SR 759, f° 297 v° - 299 v°.

[20] SAA, R 2503: Lyste vande cohier van het omschryven gedaen opden sevensten juli 1667, ongefolieerd; A. 4829: los cohier van kapitein Wans van 1672, nr. 32.  Het pand staat hierin vermeld onder de benaming ‘De Kam’.

[21] SAA, SR 879, f° 26 r° - 28 v°.

[22] SAA, GA 4831: Burgerlijke Wacht wijken 1682, f° 56 r°, nr. 31.

[23] SAA, GA 4832, f° 134 v°, nr. 31; R 2516, derde wijk, tweede kapitein, nr. 31.  Nog een alternatieve schrijfwijze: Cornelis Ardewyns!

[24] SAA, SR 1121, f° 33 v° - 35 r°.

[25] SAA, PK 2561 : Volkstelling 1754 Ie - 4e wijk, p. 439, nr. 26.

[26] SAA, SR 1281, f° 94 r° - 95 r°.

[27] SAA, Telling van het jaar IV, wijk 4, nr. 234.

[28] SAA, ICO 68, formaat B, plan 9 (huisnr. 3).

Bijlage 1: Voorwaarden opgelegd aan Jacques le Poure (1578)

  

“... De voorn. Jacques le poure sal moeten laten en[de] innettrecken sesse voeten breede vanden egge van[de] plaet­se[n] Jacques voors. streckende westwaerts ter hoochstraeten en[de] dat totter hoochden toe der eerste verdiepinge, welche verdiepinge hooch is twintich en[de] een halve voeten, gestaen inde noortmuer ter erven waerts van sinte xx.offel vs., ende de selve breyde van sesse voeten loofwys afte decken tot onder de onderste dorpels van[de] vensteren van[de] tweede verdie­pinge gel[yck] tselve aldaer nu jegewoordel[ick] gemetst is en[de] sal tprivaethuysken aldaer nu jegewoordel[ick] gemaect alsoo blyven staen [ende] tselve nyet hooger oft breeder mogen vuytmetsen alst nu gemetst is te wetene vier voeten breet en[de] hooge tot de plate van tdack van tselve huysken boven de eerste solder negen en[de] een halve voeten en[de] tvoors. huysken alsoo tsamen hooch van[den] vloet aff derttich voeten. Ende sal de vs. Jacques van[de] sesse voeten vs. een noortmuer mogen opmaken met zynder huysinghe ter hoochstraten waerts streckende westwaerts soo het hem believen sal mits makende een leegte opden egge voors. soo grootalst mogelyck en[de] werckelyck is om doene tot behoeff van[de] lichscheppinge van[den] huyse van sinte xx.offel vs. ...”.

 

Bijlage 2: Uittreksels uit het testament van Susanna Goris, weduwe van Jacques Jordaens d.d. 3 december 1652.

 

Bron: SAA, N 1509, vol. 5, f° 40 r° - 41 v° en f° 44 r° - v°.

Reeds gedeeltelijk gepubliceerd in:

E. DUVERGER, Antwerpse kunstinventarissen uit de zeventiende eeuw, vol. 6, Brussel, 1992, p. 383-384 (nr 1825).

De akte zegt expliciet dat ze in de Hoogstraat in de Vergulden Cam woont

 

f° 40 v°

 

Zij prelegateert aan haar zoon Jacobus Jordaens:

 

“...  alle het lynwaet dat synen vader saliger gebruyckt heeft [ende] tot synen behoeve gehadt heeft, Item alle het geweir dat synen vader gehadt ende achtergelaten heeft, Item alle de gouden knoppen die aen syns vaders cleederen gestaen hebben

Item haer testatrice besten diamantrinck weerdich vyffhondert ende vyfftich guldens, Item een agaten eye met een gouden randeken aen, Item noch haer testatrice grootste gouden keten,... [geld] .... Item eenen silvere wynpot met een silvere schencktellioor met twee silvere commekens die hem over de vunte* syn gegeven, Item noch dry laeykens met rari­teyt van selver penningen Item noch twee vierdobbel pistolet­ten Item een silvere schale gedreven door Rosiers Item eenen silveren beker, Item de twee gelobussen by synen voors. vader achtergelaten, Item haer testatrice kerckboeck met goude sloten, Item eenen coralen paternoster, Item een taeffelboecx­sken met silver sloten Item een sonwyserken van ivoor Item eenen silveren tri­umphpenninck Item syns vaders messen ende fourquet”.

 

Zij prelegateert aan de drie kinderen: Jacobus, Maria en Susanna te samen om onderling te verdelen:

 

“... alle haer testatrice groot lynwaet als slaeplaeckenen ammelaeckens servetten hantdoecken flouwynen ende allen ander groot lynwaet by heur achtertelaten...”

 

Aan de twee dochters om in gelijke helften te verdelen:

 

“... alle het lynwaet dwelck tot haren lyve is dienende oft gedient heeft...”

 

Aan Maria Jourdaens:

 

“... eenen toer van haer testatrice beste peerlen die sy testatrice om haren hals heeft gedragen, Item noch eenen toer peerlen die sy testatrice op haer hooft heeft gedragen, Item een diamanten cruys gecost hebbende vyffhondert ende vyfthien gul[den]

 

f° 41 r°

 

Item een paer agate braseletten te weten de beste, Item een paer goude braseletten elck met een gouden slodt, Item een goude naelde, Item twee silvere kandelaers met eenen silveren keerssnutter met twee silvere soutvaten die haer oock over de vunte syn gegeven, Item noch eenen silveren commeken met eenen silveren beker daerop een botteken staet gesneden, Item een pinsoen van negen diamantsteenen, Item eenen silveren sleutel­riem met eenen silveren lyffriem, Item een gouden cruysken, Item een silver vergult boecxsken met een peerle ende daertoe noch een paer messen met silvere gedraeyde hechten, midtsgaders noch eene lyffrente van vyftich guldenen siaers...”

 

Aan Susanna:

 

“... eenen toer peerlen die sy testatrice om haren hals plach te dragen, Item noch eenen toer peerlen die sy testatrice op haer hooft plach te dragen, Item haer testatrice peerle braseletten met haren diamantrinck die sy testatrice heeft gehadt van doen sy jongedochter was, Item haer testatrice paer agate braseletten, Item noch een paer goude braseletten elck met dry sloten, Item dry silvere soutvaten die haer over de vunte syn gegeven, Item noch twee silvere vergulde schroeven ende dat vuytdyen haere gifte soo goet nyet is geweest als van haere andere kinderen, Item een silvere schael met eenen silveren op syn oude weth, Item een silvere peperbusse, Item een hooch silveren schaeltken dienende om spaensche wyn vuyttedrincken, Item eenen gouden strick met XXXII diamanten, Item noch een paer messen met silvere hechten daer Susanna op staet gesneden ende daertoe noch een lyffrente van vyftich guldens siaers...”

 

Aan het kind waarvan ze in verwachting was:

 

“... een gouden keten met eenen gouden clater met een silveren belleken, Item de gifte daermede tselve kindt over de vunte sal vereert worden, ende daertoe noch in recompense vande juwelen ende andere fraeyicheyt aen hare andere kinderen hiervoor geprelegateert de somme van tweeduysent vierhondert guldens eens...”

 

Noteren we dat Susanne eigenares was van aanzienlyke bossen en boomgaarden in Hemiksem, waarde meer dan 7500 gulden die aan Jacob toekwamen voor dat bedrag. Ze beschikte ook nog over heel wat schilderijen en ze vraagt aan de erfgena­men dezen niet te verkopen vooraleer de tijden gebeterd zijn en voor dat geld dan ‘goede renten’ gekocht worden.

 

 


 

     *vunte: (doop)vont, dus gegeven bij zijn doopsel.