Het geslacht Venedau

Aangetrouwd met het geslacht Both van der Eem (1)

Generatie IV

IV-a

Jan [Venedau].

Aan Willem, heer van Strijen verkoopt hij omstreeks 1288 zijn bos in buurt van Oosterhout. Deze liet op dit terrein, dat op de grens van Holland en Brabant lag, een kasteel bouwen, het huis te Strijen.

Bron: Ons Voorgeslacht, 2001, pagina 70; Van Miries, deel II, pagina 402.

Zijn kind(eren):

  1. Jan Janszn [Venedau], volgt onder V-a

Generatie V

V-a

Jan Janszn [Venedau], zoon van Jan [Venedau] (zie IV-a).

Hij woonde in 1323 in Nieuwerkerk aan de Alm (verdronken in 1421), waar hij ook smaltienden bezat. Zijn huis was gelegen in het Dijkweer. Hij verklaart op 2 oktober 1326 in verband met de paalscheiding tussen Holland en Brabant dat het huis van de heer van Strijen gebouwd was op land dat deze van Coppaard de Schout en Jan, zijn vader had gekocht.

Bron: Ons Voorgeslacht, 2001, pagina 70; RA Utrecht, Verzameling Buchell-Booth, inventarisnummer 453; Van Mieris, deel II, pagina 403.

Zijn kind(eren):

  1. Hendrick Janszn Venedau, volgt onder VI-a

Generatie VI

VI-a

Hendrick Janszn Venedau alias Hendrik Poppen, zoon van Jan Janszn [Venedau] (zie V-a)

Hendrick is getrouwd met [onbekend] Both van der Eem, dochter van Gijsbrecht Both van der Eem (zie Both van der Eem 1) en [Johanna?] [van Stein?].

Vergroting van een fragment van de zegel van Jan Venedause Claeszoon
Een zegel van Jan Hendriks.

Voorlopig ontwerp van het familiewapen van Jan Claeszn Venedau
Voorlopig ontwerp.

De familie Venedau voerde een wapen bestaand uit een aantal ellipsvormige objecten (variŽrend van 7 tot 11), die elk van linksboven naar rechtsonder door twee evenwijdige lijnen doorsneden worden, in de rechter bovenhoek vergezeld van een vrijkwartier, beladen met drie paalsgewijs staande botten, 2,1. De Raadt interpreteerde deze objecten als 'billetes' (blokjes), terwijl de bewerker van het Armorial Bellenville, een Hollands wapenboek uit het einde van de veertiende eeuw, spreekt over 'noix' (noten). Het meest voor de hand liggend is de verklaring dat wij hier te maken hebben met een sprekend wapen en dat de objecten aan grassprieten hangende dauwdruppels moeten voorstellen. Het in het Armorial Bellenville afgebeelde wapen is vrijwel identiek aan dat van Gijsbrecht Venedau en laat zich als volgt omschrijven: in blauw bezaaid met gouden dauwdruppels, in de rechter bovenhoek vergezeld door een vrijkwartier met in rood drie zilveren paalsgewijs staande botten, 2,1 met in het midden een gouden Sint-Andreaskruis. Helm: een pothelm. Helmteken: een rode tournooihoed waarboven een vlucht in zilver.

Hendrik Poppen, zoon van Jan Venedau ontvangt namens Aleid, vrouwe van Putten en Strijen de tiende van Hannaard de Voogd in Raamsdonk, waarbij wordt bepaald dat hij en zijn nakomelingen het in leen zullen houden van de heer heer van de Lek en Breda als 'geset man' van vrouwe Aleid en haar opvolgers. Op 24 oktober 1337 draagt vrouwe Aleid de tiende op aan Willem van Duvenvoorde als heer van de Lek gevolgd door de overdracht aan Hendrik Venedau.

Bron: Ons Voorgeslacht, 2001, pagina 70-71; ARA, Nassause Domeinen (1582-1811), inventarisnummer 7318, folio 93-93v; ARA, Nassause Domeinen (1582-1811), inventarisnummer 7318, folio 93v. De tienden komen in de vijftiende eeuw in handen van de Van Kijfhoeks, waarna ze vererven op de heren van Assendelft en Besoyen (GA Dordrecht, archiefnummer 104.48, folio 1-1-v).

Hij krijgt op 27 oktober 1357 3Ĺ morgen land, gelegen bij het huis waar zijn vader Jan in woonde in leen van de Heer van Putten. Uit de belening van 1361 blijkt dat dit hetzelfde huis is, dat hierboven ter sprake kwam. Hendrik behoort tot een groep personen die op 1 september 1364 meester Tielman Janszn beloven hem voor 29 augustus van het komende jaar £ 300 groten te zullen betalen, waarbij voor elke dag uitstel £ 1 boete moet worden betaald.

Bron: Ons Voorgeslacht, 2001, pagina 70-71; Ons Voorgeslacht 1970, pagina 72; Ons Voorgeslacht, 1979, pagina 51-52; het Genealogisch Tijdschrift voor Midden- en West- Noord-Brabant en de Bommelerwaard (GMT), 2004, pagina 305; ARA, "Heren van Putten", inventarisnummer 144, folio 251; ARA "Heren van Putten", inventarisnummer 63, folio 7 en inventarisnummer 64 folio 29v; ARA, "Heren van Putten", inventarisnummer 1, folio 131v-132.

Margaretha van Arkel, de weduwe van Gijsbrecht Both van der Eem, vermeld haar zwager Hendrick Venedau in haar testament op 26 november 1366.

Bron: De Nederlandse Leeuw, 1954, kolom 178; Het Utrecht Archief, regesten Domkapittel, regestnummer 559.

Vermoedelijk heeft hij nog een zoon, Wouter Venedau, vermeld als 'Walterus Venedau, canonicus ecclesie a. Petri Leodienis' (kanunnik van de Sint-Pieterskerk te Luik), circa 1387 in de universiteit van Heidelberg.

Uit dit huwelijk:

  1. Jan Venedau, volgt onder VII-a

  2. Gijsbrecht Venedau, volgt onder VII-b

Generatie VII

VII-a

Jan Hendrickszn Venedau, zoon van Hendrick Janszn Venedau (zie VI-a) en [onbekend] Both van der Eem.

Op 26 februari 1370 blijkt hij de tiende van Hannaard de Voogd in handen te hebben.Hij vecht op 20 augustus 1371 aan Brabantse zijde mee in de slag bij Basweiler, wordt gevangen genomen en moet zich voor 443 moetonnen vrijkopen. Hij zegelt in 1374 met een wapen met 11 dauwdruppels, in de rechter bovenhoek vergezeld van een vrijkwartier, beladen met drie botten.

Op 30 april 1387 wordt hij als landpoorter door de magistraat van Dordrecht veroordeeld tot boetedoening op het kerkhof en het laten metselen van een roede muur 'overmits dat hij ons onder onsen vyanden gewandert heeft'. Hij zal een partijganger van Hugeman van Strien, heer van Zevenbergen zijn geweest.

Op 18 januari 1380 wordt hij na overdracht door Joost Jan Westfalingszn door de graaf beleend met alle uitland en alle vervallen dijk in de ambachten van Gijsbert Bot. Hij verheft in 1390 het leen met ledige hand.

In 1392 wordt hij vermeld als knaap.

Het Putse leengoed van 3Ĺ morgen draagt hij op een ongenoemde datum op aan de heer van Putten in ruil voor een ander leen.

Zijn kind(eren):

  1. Gerrit Janszn Venedau.

    Op 26 juli 1387 is hij samen met zijn broer Jan borg voor ľ deel voor hun vader vanwege de dood van van Jan van Hoorn, die in Dordrecht heimelijk werd doodgeschoten.

    Hij woont waarschijnlijk in Oudheusden (1389, vermeld met 8 lb. beden).

    Bron: Het Genealogisch Tijdschrift voor Midden- en West- Noord-Brabant en de Bommelerwaard (GMT), 2000, pagina 34; Beden in het land van Heusden (1389), J.C. Kort.

  2. Jan Janszn Venedau.

    Hij wordt op 13 mei 1399 na de dood van zijn vader beleend met het uitland en de vervallen dijk in de ambachten van Gijsbert Bot. Dit leen wordt op 11 november 1400 overgedragen aan Floris van Kijfhoek. Hij draagt op onbekende datum de helft van zijn tienden in Raamsdonk over aan de zoon van Floris, Zeger van Kijfhoek, op 25 maart 1439 gevolgd door de andere helft.

    Op 16 december 1404 beleent Engelbrecht, joncgrave tot Nassau hem en zijn echtgenote jonkvrouw Lijsbeth Zeger Florijs dochter van Kijfhoek met de rechte helft van de tienden en smaltienden van Raemsdonc, afkomstig van Lijsbeth' vader, behudens de lijftocht van heer moeder Lijsbeth Gijsbrechtsdr (van Loon) daarop. (Bron: Ons Voorgeslacht, 1993, pagina 45)

    In 1419 wordt er een vidimus gegeven betreffende de akte van verpachting door Engelbrecht van Nassau en Johanna van der Lek aan Andries But en Geertruida Barthoutsdr Louwen betreffende een stuk land (een halve leen in Jan Persijnsambacht) gelegen in de Lier. (Bron: Stadsarchief Dordrecht)

    Aan de heer van de Lek draagt hij zijn huis en hofstad met steenhuis, gelegen in Nieuwerkerk (aan de Alm, de kop boven de leenakte spreekt van Nieuwerkerk aan de IJssel) op, strekkende van de Barsloot tot de dijk, waarmee hij vervolgens beleend wordt. Is er geen nageslacht, dan komt het op broers of zusters van volle geboorte en dezelfde bedde. Op 1 november 1401 vernieuwt hij de eed en tocht zijn vrouw Kathelijne aan het goed. Tenslotte draagt hij het over aan Adriaan, zoon van heer Gijsbrecht van de Poel.

    In Dordrecht bezit hij de helft van het huis 'Beyeren'. Op 7 februari 1404 verkoopt hij voor vrouwe Aleid van der Merwede [- waarschijnlijk zijn achternicht, want ze is een kleindochter van Daniel VII van der Merwede en Johanna Both van der Eem -] aldaar een huis, staande op de Riedijk voor 60 lb. Holl.25 en op 16 september van dat jaar is hij samen met Jan van der Zijdwinde Janszn borg voor [zijn neef] Klaas Venedau voor de 28 lb. gr. die deze aan de stad Dordrecht schuldig is.

    Van 1407 tot 1410 is hij baljuw van Zuid-Holland. De tienden in het ambacht de Eem, die hij in leen houdt van de heer van Brederode draagt hij op 6 maart 1415 over aan zijn leenheer, waarbij hij tevens afstand doet van alle rechten op de tienden.

    Op 20 februari 1415 wordt hij, na overdracht door Dirk van Zuilen, door de graaf beleend met het ambacht Tolloisen.

    Met Wouter Scoenhout Arndszoon heeft hij een geschil over de leengoederen die hij houdt van de heer van Nassau als heer van de Lek, gelegen in het 'onlant'. De Dordtse schepenbank bepaalt op 5 juli 1421 dat Jan de goederen zal behouden totdat Wouter Scoenhout door de leenheer in het gelijk zal worden gesteld.

    Op 1 oktober 1421 zegelt hij als hoge waarsman van de Grote Waard. Zijn cachet vertoont het volgende wapen: tien dauwdruppels, in de rechter bovenhoek vergezeld van een vrijkwartier, beladen met drie paalsgewijs staande botten, 2,1. Hij wordt nog op 23 april 1423 vermeld als hoge waarsman.

VII-b

Gijsbrecht Hendrickszn Venedau, overleden vůůr 26 september 1381, zoon van Hendrick Janszn Venedau (zie VI-a) en [onbekend] Both van der Eem.

Waarschijnlijk was hij poorter van Geertruidenberg. In een aantal transportakten uit die plaats wordt namelijk gesproken over 'Venedaus toren' (in 1506) en 'Ghysbrecht Venedaus Straat' (in 1422).

Samen met Jan van Wyffliet procedeert hij tegen de bisschop van Utrecht over de eigendom van tienden in BabiloniŽnbroek. Op 26 april 1365 gelast de officiaal van Keulen de heren van Horne, Altena en Heusden, dat zij zich buiten de zaak dienen te houden op straffe van excommunicatie en een boete.

Hij is op 17 april 1370 als knaap getuige voor Willem, heer van Oosterhout, ridder en Willem, heer van Dongen, knaap, bij de beŽindiging van hun geschil over het leenmanschap van Dongen.

Zijn kind(eren):

  1. Klaas Gijsbrechtszn Venedau, volgt onder VIII-a

Generatie VIII

VIII-a

Klaas Gijsbrechtszn Venedau, zoon van Gijsbrecht Hendrickszn Venedau (zie VII-b).

Hij wordt op 3 maart 1388 door Jan van Polanen, heer van de Lek en Breda beleend met het ambacht van 10 hoeven moer en wildernis, elke hoeve groot 16 morgen, belast met heervaart en erfcijns ten behoeve van de grafelijkheid, gelegen in 's-Gravenmoer na opdracht door Ludolf Hendrik Zegerszoon van Wendelnesse. Op 1 november 1404 verheft hij het leen met ledige hand voor de nieuwe heer, Engelbrecht, graaf van Nassau. In 1390 blijkt hij zijn bezit in 's-Gravenmoer te hebben uitgebreid met een ambacht van 5 hoeven moer, gehouden van de grafelijkheid.

Samen met Jan van Wyffliet Dirkszoon houdt hij omstreeks 1382 de halve grove en smalle tiende in BabiloniŽnbroek, hem (bedoeld zal zijn vader zijn) aanbestorven van vrouwe Mechteld, vrouwe van Riede, in leen van de bisschop van Utrecht.

Circa 1398 staat hij samen met Jan Venedau (zijn zoon of neef, wie valt niet uit te maken) op een lijst van mannen van de graaf van Holland die zich in Gelre, het Sticht of de stad Utrecht bevinden en die zal zijn opgesteld in verband met de veldtocht tegen de Friezen.

Hij moet overleden zijn rond 1410, wanneer zijn zoon Jan Klaaszn Venedau beleend wordt.

Hij was getrouwd met Agnes [van Wijk, dochter van Arnoud van Wijk Jan Zuurmondszn?] die hem overleefde.

Zijn kind(eren):

  1. Jan Claeszn Venedau.

    Jan is getrouwd met Katharina.

    Hij zegelt op 1 oktober 1421 als heemraad van de Grote Waard met een wapen, voorstellende tien dauwdruppels, in de rechter bovenhoek vergezeld van een vrijkwartier, beladen met drie paalsgewijs staande botten, 2,1. Helmteken: een tournooihoed, waarboven een vlucht.

    Zegel van Jan Venedause Claeszoon
    Zegel van Jan Venedause Claeszoon.

    Zegel van Jan Venedause Claeszoon
    Zegel van Jan Venedause Claeszoon.

    Jan Klaaszn Venedau wordt van 1410 tot 1415 vermeld voor de halve tienden van BabyloniŽnbroek, afkomstig van Pieter van Giessen, zoon van Jan van Veen. Vanaf 1450 wordt Jan van den Velde hiervoor vermeld. Voor Pieter van Giessen was Johan van Drongelen, ridder en heer van Eethen en Meeuwen hiermee beleend.

    Bron: Brabants Historisch Informatie Centrum (BHIC), Kloosters MariŽnkroon en MariŽndonk in Heusden (1245-1631), regestnummers 342,393-397 en 399.

  2. Adriaen Claeszn Venedau.

    Hij houdt van de hofstad Altena de oostelijke hoeve van 2 hoeven land in Muilkerk in leen. Hij moet na zijn broer Daniel overleden zijn en met diens land beleend zijn, daar zijn erfgenamen in 1440 aan Jan van Wijk beide hoeven overdragen.

    Bron: Ons Voorgeslacht, 1985, pagina 187, 190; Repertorium op de lenen van de Hofstede Altena (1232-1650), J.C.Kort; Grafelijke Leenkamer 51, folio 11v; Grafelijke Leenkamer 54, folio 76v. Boek van de Gespen, folio 147.

  3. Daniel Claeszn Venedau.

    Hij is leenman van Altena voor de westelijke van de twee hoeven. Op 24 augustus 1415 verkoopt hij een boerderij in BabiloniŽnbroek met toebehoren en 11 hond land.

  4. Hendrick Claeszn Venedau.

    Hij verkoopt op 4 juli 1417 aan Peter Boelen 9 gaarden land in Raamsdonk alsmede de goederen die wijlen zijn vader daar had. Borgen bij de overdracht zijn zijn broers Daniel en Adriaan. Op 19 maart 1426 draagt hij ook de op de goederen rustende erfpacht en erfcijns over aan Peter Boelen.

  5. Agnes Claesdr Venedau.

    Agnes is getrouwd met Wouter Zegerszn van Emmikhoven, zoon van Zeger Wouterszn van Emmikhoven.

    Zij is gehuwd vůůr 1409 met Wouter Zegerszn van Emmikhoven, zoon van Zeger Wouterszn van Emmikhoven, en door hem gelijftocht op 10 mei 1409 met de 'Wolfroetshoeve' op de lage zijde van de Werken. Zeger Wouterszn wordt vermeld in 1386 als zwager van Willem, heer van Hoorne.

    Bron: Het Genealogisch Tijdschrift voor Midden- en West- Noord-Brabant en de Bommelerwaard (GMT), 1997, pagina 104; Repertorium op de lenen van de hofstede Altena (1232-1650), J.C. Kort; Grafelijke leenkamer 54, folio 55v-56.

Bronvermeldingen

Betreffende de tienden in BabyloniŽnbroek

Andere lenen

Leen te Raamsdonk