Familiewapen Both van der EemHet geslacht Both van der Eem (1)

De lezer is gewaarschuwd dat de meeste informatie dat hier gevonden kan worden, gebaseerd is op aantekeningen en dat er tot nu toe nog geen volledig beeld kan worden gemaakt van dit geslacht!

Andere relevante pagina's:

Bronnen:

Generatie I

I-a

Seger Both, vermeld (1199-1200), woont te Dordrecht (1200), geboren voor 1184.

Opvallend is dat Seger in de volgende drie oorkonden blijkbaar van status veranderd. We zien hem in 1199 als laatste genoemd en in 1200 vr 'van Wendelnesse' en 'van Bokel', toch twee belangrijke families in de middeleeuwse Lage Landen.

Seger treedt op 21 januari 1199 voor het eerst op als getuige voor de graaf van Holland en staat vermeld na de opsomming van (ambachts)heren: "Testes huies rei sunt hii: dominus Hugo de Vorne, Gerardus de Hurst, Woulterus de Ruvene, Arnoldus dapifer, Gerulfus Galle, Sygerus Buth." Het betreft een belening, door graaf Dirk VII van Holland en zijn vrouw Aleid, van Biggo en diens kleinzoons naar Zeeuws recht met Pendrecht met ambacht, tiend en patronaatsrecht, tegen betaling van een onbekend bedrag. Op 22 februari 1240 wordt Boudewijn, zoon van Hendrik van Duiveland, beleend met de helft van het land, de tiend en het ambacht van Pendrecht.

Bron: "Oorkonden van Holland en Zeeland tot 1299", deel I, Koch, pagina 392-393, nummer 233; "Charters van Holland en Zeeland", van Mieris, deel I, pagina 133; "Oorkonden van Holland en Zeeland", deel I, van den Bergh, pagina 110-111, nummer 179

In februari 1200 zien wij hem wel vermeld staan tussen de (ambachts)heren: "Testes vero sunt hii: Boudinus de Haltena, Hugo de Vorne, Gerardus de Hurst, Gilbertus de Lecke, Sygerus Buth, Egidius de Wendelnesse, scabini de Durdreth." Graaf Dirk VII ban Holland en zijn vrouw Aleid bepalen dat te Dordrech de detailhandel in laken slechts bedreven mag worden door wantsnijders, die lid zijn van de Dordtse broederschap en hanze.

Bron: "Oorkonden van Holland en Zeeland tot 1299", deel I, Koch, pagina 403-404, 241; "Oorkonden van Holland en Zeeland", deel I, van den Bergh, pagina 111, nummer 181

Later in het jaar 1200 wordt hij genoemd wanneer deken Wouter en het kapittel van Oudmunster te Utrecht hun goederen te Poortvliet in erfpacht aan Hugo van Voorne geven: "Sunt autum hii testes: Balwinus de Altena, Iohannes de Huseden, Sigerus But, Theodricus Bokel, magister Giselbertus medicus, Allinus capellanus qui hec scripsit."

Bron: "Oorkonden van Holland en Zeeland tot 1299", deel I, Koch, pagina 417-418, nummer 248

Generatie II

II-a

Dirk Both, vermeld (1213), geboren voor 1198.

Gezien de tijdspanne zou hij een zoon kunnen zijn van eerder genoemde Seger Both (zie I-a)

Op 21 september 1213 treedt hij op als getuige voor de graaf van Holland waar hij vermeld staat tussen de (ambachts)heren: "Testes vero sunt hii: Hugo de Vornen, Baldwinus de Haltena, Iohannes de Husdan, Gherardus de Wildrecht, Hugo de Striene, Theodericus Buth, Willelmus de Theylinge, Godescalcus advocatus de Vene, God[efridus] advocatus de Barle, Iohannes de Gilsen, et quamplures alii." Graaf Willem I verleent dan de burgers van Geertruidenberg een keur.

Bron: "Oorkonden van Holland en Zeeland tot 1299", Koch, deel I, pagina 510-513, nummer 334; "Charters van Holland en Zeeland", van Mieris, deel I, pagina 158; "Oorkonden van Holland en Zeeland", van den Bergh, deel I, pagina 138, nummer 235

Generatie III

III-a

Seger Both, vermeld (1230), geboren vr 1215.

Gezien de tijdspanne zou hij een zoon kunnen zijn van eerdergenoemde Dirk Both (zie II-a). Seger Both zou op deze datum tenminste 45/50 jaar zijn en is vermoedelijk dus niet dezelfde persoon als de eerder genoemde Seger Both.

Seger treedt op 29 maart 1230 op als getuige voor de heer van Altena en staat vermeld tussen de (ambachts)heren: "Huius rei sunt testes: Th. de Teilinge, Willelmus de Strine, Willelmus Molnar, Simon de Riswic, Arnoldus Wischard, Sigerus But, Amelius de Werken, Walterus de Altena, et alii quamplures."

Bron: "Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299", Kruisheer, deel II, pagina 100-102, nummer 498; "Charters van Holland en Zeeland", van Mieris, deel I, pagina 206; "Oorkondenboek van Holland en Zeeland", van den Bergh, deel I, pagina 185-186, nummer 328

III-b

Nikolaas [Both] van der Eem, vermeld (1241), dienstman (1241), geboren voor 1211.

Bronvermeldingen

  • 26-06-1241: Dirk, heer van Altena, verklaart dat zijn dienstlieden Nicolaas van de Eem en diens zoon Hendrik zich weer aan hem hebben onderworpen, en bepaalt de maatregelen die zullen worden genomen in het geval zij zich opnieuw aan zijn gezag zouden onttrekken.

    Hij wordt slechts n keer vermeld samen met zijn zoon Hendrick. Hij is dienstman van de heer van Altena: "Nicolaus, dictus de Ema, et Henricus, filius suus, ministeriales nostri".

    Bron: Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299, deel II, door Kruisheer, pagina 207, nummer 609; Oorkondenboek van Holland en Zeeland, deel I, door Van den Bergh, pagina 207, nummer 381.

Zijn kind(eren):

  1. Hendrick [Both] van der Eem, vermeld (1241), volgt onder IV-a

  2. waarschijnlijk Gijsbrecht [Both] van der Eem, vermeld (1241), volgt onder IV-b

Generatie IV

IV-a

Hendrick [Both] van der Eem, vermeld (1241), zoon van Nikolaas [Both] van der Eem (zie III-b).

Hendrick trouwde met [onbekend].

Uit dit huwelijk:

  1. waarschijnlijk Gijsbrecht Both van der Eem, geboren vr 1270, volgt onder V-a

  2. waarschijnlijk Hendrick Both [van der Eem], geboren vr 1302, volgt onder V-b

  3. waarschijnlijk Johannes van der Eem, geboren vr 1276, volgt onder V-c

IV-b

Gijsbrecht [Both] van der Eem, vermeld (1241), waarschijnlijk zoon van Nikolaas [Both] van der Eem (zie V-b).

Gijsbrecht wordt slecht n keer genoemd in een oorkonde samen met Nikolaas [Both] van der Eem en diens zoon Hendrick. Beide zijn dienstmannen van de heer van Altena. Een familiale relatie in deze oorkonde wordt niet beschreven maar kan er wel uit afgeleid worden. Gijsbrecht zou een broer van Nikolaas (dus oom van Hendrick) oftewel een een neef van Nikolaas (dus ook neef van Hendrick) kunnen zijn:

Th., dictus dominus in Altena, universis presentes litteras inspecturis salutem et perpetuam in Christo.

Universitati vestre significamus quod Nicolaus, dictus de Ema, et Henricus, filius suus, ministeriales nostri, de discordia que versabatur inter nos et ipsos reconciliati sunt sub hac forma, quod iamdicti N. et H. nobis perpetue subicientur servituti sicut domino fideles tenentur ministeriales; quod si in iamdicta condicionis forma aliquid preterire presumpserint, prolongandoe se videlicet a nostro ministerio sive quidquid quod contra nos est faciendo, quod nobilibus viris domino Wilhelmo de Horne et frateri suo, domino Engelberto, et domino Harberto de Leda ac domino Iustacio de Brakel videtur prescriptam infringisse condicionem, dominus Wilhelmus dictus de Strina, et Giselbertus de Ema et Sygerus de Almesvothe et Bodynus de Dussene apud Wodrinheim intrabunt, et dominus Amilius de Werken et Sigerus, villicus de Wodrinheim, et Rodolfus, filius quondam Ducis de Werkendamme, et Renerus Kurthals de Wodrincheym apud Durdrach simili modo intrabunt et per tres menses ibidem remansuri; transactis vero tribus mensibus in ipso statu in quo tempore reconciliacionis, ita innoxiis et ita nixiis, fuerint, dicti fideiussores nobis eosdem N. et H. apud Wodrinchem representabunt; quod si non fecerint, centum libras absque molestacione vel contradictione nobis persolvent.

Ut autum hec rata inconfulsa permaneant, presens scrptum sigilli nostri et domini Wilhelmi de Strina duximus roborandum.

Acta sunt hec anno Domini M CC XLI, Iohannis et Pauli martirum.

Bron: "Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299", Kruisheer, deel II, pagina 207, nummer 609; "Oorkondenboek van Holland en Zeeland", van den Bergh, deel I, pagina 207, nummer 381.

IV-c

Hugo Both, vermeld (1243-1248), geboren voor 1228.

Wordt tussen 10 april 1243 en 1 april 1244 vermeld als getuige bij een overdracht van een land te Almsvoet: "secundario autum apud Almesvote presentibus Garcilio milite, Hugone Buie [Bute], Waltero Wise, Hendrico filio Garcilii militis, Wilhelmo de Vere, Herimanno Bullin et Gerardo sacerdote et fere tota parrochia de Almesvote."

Bron: "Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299", Kruisheer, deel II, pagina 231-232, nummer 637; Bron: "Oorkondenboek van Holland en Zeeland", van den Bergh, deel I, pagina 214, nummer 400; Bron: "Oorkonden betreffende het sticht Utrecht", Heeringa, deel II, pagina 380-381, nummer 1008

In mei 1248 wordt hij in een oorkonde vermeld: "Universitati vestre significamus quod filii Willelmi Wriuers de Euerswart et sorores eorum, videlicet Euerdius, Hugo Both, Clais, Henricus, Bartholomeus, Agatha et Margareta, recognoverunt se vendidisse secundum legem patrie fratibus ecclesie de Dunis ....."

Bron: "Oorkondenboek van Holland en Zeeland tot 1299", Kruisheer, deel II, pagina 404, nummer 754; Bron: "Oorkonden van Zeeland", Obreen, 2de reeks, pagina 238-240, nummer 25

Generatie V

V-a

Familiewapen Both van der EemGijsbrecht Both van der Eem, heer van der Eem (1275-1303), geboren voor 1270, overleden vr 1310, waarschijnlijk zoon van Hendrick [Both] van der Eem (zie IV-a) en [onbekend].

Familiewapen van SteinGijsbrecht is getrouwd met [Johanna?] [van Stein, dochter van Arnoud van Stein?].

De wapens worden beschreven door Bchel als kwartierwapens van hun zoon. De naam van de moeder (spitsruiten-wapen) wordt niet genoemd. Het wapen zelf wordt wel beschreven in het wapenboek van Gelre als afkomstig van Arnold, heer van Stein.

Hij is ook de eerste die effectief met de titel "heer van de Eem" wordt aangeduidt. Echter uit het feit dat zijn voorvaderen (1242) al werden vermeld als "dictus die Ema", wat betekent "gezegd van der Eem", verwijst naar het feit dat ook zij toen al heren van de Eem waren.

Hij staat in 1275 bekend als een vermogend man. In 1284 staat hij samen met Gijsbrecht Bokel borg voor de heren van Amstel.

Waarschijnlijk is hij in of (vlak?) voor 1310 overleden omdat toen zijn (onmondige) zoon Gijsbrecht voor de eerste keer vermeld wordt.

Zeeuwse opstand (1303-1304)

In de jaren 1303-1304 liep de Zeeuwse opstand uit op een serieuze bedreiging voor de macht van de Avesnes in het noorden. De Zeeuwse opstandelingen wisten met hulp van een groot Vlaams leger in april en mei 1303 heel Zeeland met uitzondering van Zierikzee in handen te krijgen. Jan II van Avesnes stond voor een moeilijke taak deze aanval het hoofd te bieden. Uit verschillende oorkonden blijkt dat hij zijn steun in Holland moest kopen. Enkele edelen die zich in het verleden borg hadden gesteld voor de heren van Amstel en/of Woerden en om die reden in 1296 hun bezittingen hadden verbeurd, beloofden in mei en juni plechtig de graaf trouw te dienen en de moordenaars van graaf Floris V uit het land te helpen houden.

Op 31 mei waren dit Gijsbrecht Both van der Eem en Dirk heer Simonszn van Teilingen, op 4 juni tekenden Jan en Gijsbrecht van Tolloysen, op 5 juni Dirk en Gijsbrecht Bokel en als laatste tekende op 28 juni Herman Bokel.

De heren van Borssele zochten later op hun beurt geschikte huwelijkspartners in het grafelijk huis en onder de leden van belangrijke Hollandse, Vlaamse en Brabantse geslachten om een dominante positie onder de Zeeuwse adel op te bouwen. Zo trouwde Wolfert II van Borssele met Aleid, een bastaarddochter van Jan II van Henegouwen. Zijn zoon Wolfert III trouwde met Hadewich Both van der Eem en diens zoon Wolfert IV met Catharina van der Woestine, uit een Vlaams geslacht. Zijn andere zoon Hendrik I huwde met Maria van Vianen.

Bronvermeldingen

  • 1275 - 22 december - Zeger van Riede, provisor van de Grote Waard, Gijsbert Bot, ambachtsheer van Eemkerk, Michael, diens gewaarde schout, en de heemraden van de lange en de korte zijde van Eemkerk verklaren dat Hendrik der Kinderbroder en Gerard zoon van Helswid, parochianen van Eemkerk, het land "des Papen houe" hebben verworven van het kapittel van St.-Pieter te Utrecht.

    Bron: Oorkondenboek van Holland en Zeeland, deel III, 1992, door Kruisheer, pagina 818-819, nummer 1707.

  • 1285 - 2 februari - Willem, ridder van Horn, heer van Altena, verkoopt aan zijn neef Willem, heer van Strijen, de helft van de tienden in "Vorensater Waert" in heer Gijsbrecht Bocs ambacht, met de bepaling dat hij die tienden tegen Pasen van het volgende jaar kan terugkopen voor 70 pond Hollands; en verklaart de koopsom te hebben ontvangen.

    Bron: Oorkondenboek van Holland en Zeeland, deel IV, 1997, door Kruisheer, pagina 451, nummer 2196.

  • 1292 - 18 oktober - Willem II van Horne, heer van Altena, bepaalt dat de bewoners en erven van de gerechten van Uitwijk, Waardhuizen, Emmichoven, Babiloninbroek, Almkerk en het bovenste deel van de Werken vrij zullen zijn van het maken van de Merwededijk in zijn gebied en van de dijk tussen Werkendam en Veenregrave. Getuigen onder andere Gijsbrecht, genaamd Bot, vermeld als zijn dienstman:

    "Nos Wilhelmus, de Hoern et de Altenae dominus, universis presentes litteras inspecturis salutem et noscere veritatem. Noveritis quod nos hanc graciam indulsimus omnibus et singulis hominibus ac hereditatibus, jurisdictianibus infra nominandis commorantibus et constitutis, videlicet in jurisdictione de Uutwijck, Werthuysen (1), Emminchoeven, palude Babilonie, Almekerck et de superiori parte Wercke, in perpetuum et hereditarie, ut liberi sint et immunes a constructu seu factu aggerum supra litus Merwede infra limites et terminos terre nostre seu infra Werkendam et Verne grave (2) jacentium seu sitarum. Et ut gracia sive indulgencia, hujusmodi firma permaneat et inviolata, ipsam concessimus sub testimonium nobilium virorum, hominum nostrorum, videlicet domini Johannis (3) de Huesden, domini Aernoldi de Slusen (4), Ghijsberti dicti Bot, aliorumque quam plurium nostrorum ministerialium et hominum. Insuper ad confirmacionem et certitudinem premissorum presentes 'litteras sigillo nostro et sigillis filiorum, nostrorum videlicet domini Wilhelmi, militis, et domini Theodrici prepositi sancti Salvatoris Trajectensis et canonici Leodiensis, adhibito concensu ac voluntate Engelberti et Gherardi, filiorum nostrorum, fecimus communiri. Datum anno Domini millesimo ducentesimo nonagesimo 2, in die Luce ewangeliste."

    (1) De tekst heeft: Wthuysen.

    (2) De tekst heeft: Verme gracie.

    (3) De tekst heeft: dominus Johannes.

    (4) Vermoedelijk zal men moeten lezen: Ghiesen.

    Bronnen: Afschrift van een vidimus, d.d, 1347 Mei 29. - Rijksarchief te Utrecht, Cartularium St. Laurens abdij te Oostbroek, fol. 68 verso..

  • 1294 - 25 november - Een tiende in Voornsaterwaard, die de heer van Putten houdt van Altena, gedeeld met [Gijsbert] Bot van der Eem wordt toegewezen aan Hadewig, zuster van Aleid van Strijen, gehuwd met Nikolaas van Putten, voor haar erfdeel van Willem van Strijen, haar vader, en diens vrouw op 200 pond hollands en afstand van [Aleid van Heemskerk, als weduwe van Willem van Strijen gehuwd met Lodewijk van Randerode] de vrouwe van Randerode, haar grootmoeder.

  • 1303 - Hij oorkondt dat hij de moordenaars van graaf Floris niet meer zal helpen en er alles aan zal doen om hen uit het land te houden.

  • 1304 - [Mijn vrouwe van Breda, suster veren Alide der vrouwen van Putte ende van Striene, heeft] den tiende die leght boven Emedam and ie langhe zide van der Eme tusschen Bloccale brugge ende Emekerke, gemene mitten [Gijsbrecht] Bot van der Eme, die men hout van den selven heren [=kapittel Sint Pieters]

Uit dit huwelijk:

  1. Gijsbrecht Both van der Eem, geboren op 8 maart rond 1306, volgt onder VI-a

  2. dochter Both van der Eem.

    Zij is getrouwd met Hendrick Janszn Venedau alias Hendrik Poppen, zoon van Jan Janszn Venedau, volgt onder Venedau

V-b

Hendrick Both [van der Eem], geboren vr 1302, waarschijnlijk zoon van Hendrick [Both] van der Eem (zie IV-a) en [onbekend].

  • 1321 - 26 september - Wij Gheraert, heere van Hoern, van Altena, van Perweys ende van Herlaer, maken cont, allen Iuden die desen brief sullen sien of horen lesen met kennisse der waerheyt, dat wi verlijt hebben Jan den Borchgreven, onsen zwagher, dertich morghen lants, die ghelegen sijn ten Wiele, met der hofstat, die daertoe behoert, tenen rechten erfleen. In orconde onser mannen heren Jans van Rijswijc, ridder, Heinrics Botse, Vastraets van Ghiessen, Jans van Oyen ende Hughen Volprechts soens. In orconde der waerheyt hebben wi desen brief open beseghelt met onsen zeghel. Ghegheven int jaer ons Heren dertienhcndert ende ene ende twintich des Saterdages voer sinte Bavendach.

    Bron: Afschrift Leenkamer Holland, nummer 51, 2de ged., folio 30; Muller, Regesta Hannonensia, pagina 98.

Hendrick is getrouwd vr 1316 met [Hadewich?], geboren vr 1304.

Uit dit huwelijk:

  1. waarschijnlijk Johanna Both van der Eem, geboren vr 1317, volgt onder VI-b

  2. waarschijnlijk Hadewich Both van der Eem, volgt onder XVIII-c

V-c

Johannes van der Eem, vermeld (1290-1313), geboren vr 1276, waarschijnlijk zoon van Hendrick [Both] van der Eem (zie XVI-a) en [onbekend].

Bronvermeldingen

  • 1290 - 9 september - Universis presentes litteras inspecturis, nos, scultetus, scabini et uni.versitas oppidanorum de Woudrichem notum facimus quod Gerardus Cecilie, Theodericus coqus, Johannes de Ems, Enesa, Johannes Dalckin, Arnoldus Vettekin, Lysa, ejus uxor, Gerardus carnifex, Alburgis, ejus uxor, Lannickinus de Werpa, Aleydis, ejus uxor, Wilhelmus filius A.... is, Johannes sutor, Jacobus sartor, Bernardus et ejus uxor, Johannes et Hubertus, filii Willeri, Hannekinus et Telekinus, filii Hildegundis et eorum in lite consortes et complices compromiserunt pro se sub pena centum librarum Holland. denariorum legalium in ven. virum, dominum Stephanum, decanum ecclesie Trajectensis, tanquam in arbitrum arbitratorem sive amicabilem compositorem super causa, questione et discordia, que vertebatur inter eos ex una parte et commendatorem et fratres domus Theutonice Trajectensis ex altera, coram domino priore monasterii Sancti Pauli T'rajectensis, judice a sede apostolica delegato, super quadam'domo et area, sitis in oppido de Woudrichem et super dampnis, injuriis, expensis et interesse inde habitis. Qui promiserunt quod quicquid predictus dominus decanus super premissis ordinaverit, statuerit, dixerit aut pronunciaverit arbitrando per viam juris sive amicabilis compositionis, quod hoc ratum habebunt sub dicta pena et inviolabiliter cbservabunt; pro qua pena nos obligavimus et obligamus tanquam principales debitores et fidejussores apud eosdem commendatorem et fratres et pro omnibus supradictis, promittentes, quod si ipsi non servaverint pronunciationem et ordinacionem dicti domini decani in premissis aut in contrarium venerint quaquo modo, quod nos dictas centum libras persolvemus sine qualibet contradictione commendatori et fratribus memoratis. In cujus rei testimonium, quia opidum nostrum sigillo caret, presentes litteras sigillis quatuor scabinorum ejusdem opidi, videlicet Wilhelmi de Worpe, Nicolai de Molendino, Godefridi de.... de et Danielis fabri pro nobis communiter rogavimus communiri. Et nos jam prenominati scabini confitemur sigilla nostra ad rogatum predictorum sculteti, scabinorum et universitatis opidi de Woudrichem, presentibus in premissorum testimonium appendisse.

    Bronnen: Afschr. - Rijksarchief te Utrecht, coll. Bondam; Bron: Regesten van oorkonden, II, no. 2362; Van den Bergh, Oorkondenboek, II, no. 758.

  • 1313 - 25 juli - Wi Jan de Pape, Claes uten Campe, Claes Andriessone, Peter Lens ende Jan de Hoghe, scepenen tot Wouderechem, maken cont ende kenleke allen denghenen, die desen brief selen sien ende hoeren lesen met kennissen der waerheit, dat wi daerover gheroepen waren alse scepenen, dat en edel man, onse lieve here, mijn here van Horne er.de van Althena ende van Peruweis, en seggen ane heme nam tusschen tvee partien, die ghevochten hadden te Wouderechem, dats te verstane dene partie Willem de Hoghe ende Hovelman ende al hore helperen ane dene side, ende Boudene van den Worpe ende sine helperen ane dander side, ende beide dese partien ende hore helperen verborghet hebben ende versekert elc voer tsine in ghesamender hant ende onghescheiden ende kennen, dat onse here van Hoerne voerghenompt sijn segghen gheseit heeft met alsulken worden, alse huerna ghescreven staen.

    Wi Gheraert, here van Hoerne, van Althena ende van Pereweis, maken cont allen denghenen, die desen brief selen sien ende hoeren lesen met kennisse der waerheit, dat Willem de Ho-,he ende Hoevelman ende al hore helperen ane ons bleven sijn van enen tvie ende vechtene, die ghevallen es tusschen Willeme ende Hoevelmanne ende horen helperen ane dene side ende Boudene van den Worpe ende sinen helperen ane dander side, welc tvi ende vechten gheschiede des Manendaghes na belokenen Paesken, dat naestleden es, ende wi ons daerop versien hebben ende beraden met onsen maghen, met onsen mannen ende met onsen vrinden, soe segge wi onse seggen bi alsulker waerheit, alse wi vernomen hebben van goeden lieden ende wittachteghen ende bi hcren ede, dat Willem ende Hoevelman ende hore helperen voerghenompt jeghen ons ende jeghen onse heerlecheit met hoverden ghedaen hebben in onser port van Wouderechem, dat wi verbetert willen hebben, ende seggen, dat Willem ende Hoevelman ende alle hore helperen voerseit ons gheven selen tveehondert pond ende vijftech pond, enen groeten ouden conincs tornoysen voer sestien penninghe of payment daerjeghen alsoe goet, te ghevene ende te betaelne half te sente Mertensmisse naesttoecomende ende dander helft te Kersavonde daerna naestvolgende; hieraf selen gheven Willem de Hoghe ende sine tvee sonen, Jan ende Gheenken, tsestech pond, Aert Hoevelman tvintech pond, Jan Liebrechtssone tvintech pond, Godeken, sijn brueder, ellef pond, Jan van der Eme ende sine sone Claes vijf pond, Clauwaert de Smet ende Claes, sijn sone, tvee pond, Vranke de Mersman ende Noyde, sijn sone, sestien pond, Claes Baudekenssone tien pond, Henne Liebrechtssone van den Zande ende Jacop ende Andries, sine brueder, tvintech pont, Kerstiaen van der Visschen tvee pond, Ghibe van der Haren een pond, Lammerken, sijn neve, en pond, Coppeken van Ghaveren drie pond, Willem Oekensone vijf pont, Jan Gherardssone van Eten tvee pond, Claes Wouter Holensone vijf pont, Jan, Sander ende Willem Geerborghen kinder drie ende dertech pont, Lammeken Belensone ses pond, Herman Rutinc tvee pond, Liebrecht Jan Mererssone tvee pond, Jacop Andriessone tien pond, Welueken, heren Gilijs Papensone, vijf pond, Haec Heermanssone en pond, Jacop uteri Gasthuze en pond, Diederic, sijn brueder, en pond, Ghodeken Mebrecht en pond, Tielman Jan Riebrechtssone vijf pond. Waert dat sake, dat men ons dese voerghenomde somme van ghelde met en ghave ten voerseiden daghen, soe mochte wijt te coste winnen ter lombaerde, dat pond omme viere penninghe de weke, tot ons selves seggens. Ende alse wi daer niet langher in staen en willen, soe selense ons quiten beide van coste ende van hoestoles. Ende deden sijs niet, soe souden si in comen tot onset maninghen of ans ghewarechs boden te Wouderechem, te leistene op horen eighenen cost in ene herber-he, die anse bode hen wisen sal, ende niet uut te scheidene, si ne hebben ons ghequyt beide van' coste ende van hoeftde. Ende alsi vertinnacht gheleist hebben, soe moghe wi ons doen rechten, ghelijc dat wi ons van verboernessen doen rechten. Voert sae es onse seggen, dat alle die borghen, die besegelt sijn onder der scepene zegele, doe wi tseggen ane ons namen, borghen selen bliven in ghesamender hand ende ongescheiden. Voert soe es anse seggen, dat Willem de Hoghe ende Hoevelman ende alle hore helperen voerseit versoent selen sijn jeghen Boudene van den Worpe ende sinen helperen eweleke ende ummermeer. Waert dat sake, dat yeman van desen voerghenomden partien ende horen helperen onse seggen of onse zoene brake, die hadde verboert sijn lijf ende sijn goet. Ende waert oec alsoe, dat yeman van desen voerghenomden partien heme becroende, dat zoene op heme te broken ware, dat saude staen tot onser provinghe, weder si te broeken ware of en ware. Ende ware si te broeken, dat soude wi doen beteren tot onsen goetdinkene; nochtan soude dese zone vaste ende stade bliven.

    Ommedat wi, scepene varseit, daerover gheweest hebben, daer alle dese voerscrevene stucken gheschieden, soe hebbe wi onse segele ane desen brief ghehanghen in orconscape ende vestinesse alre dine. Dit waert ghegheven int jaer ons Heren dusent driehondert ende dertiene, in sente Jacopsdaghe.

    Bronnen: Met de uithangende zegels van Jan de Pape, Claes uten Campe, Peter Lens en Jan de Hoghe in bruine was (zegel van Claes Andrieszoon verloren).Oorspr. - Archief Altena, no. 16; Bron: Regest: Muller, Regesta Hannonensia, blz. 50.

Zijn kind(eren):

  1. Claes Janszn van der Eem, vermeld (1313), geboren vr 1299.

Generatie VI

VI-a

Familiewpaen Both van der EemGijsbrecht Both van der Eem, vermeld (1310-1334), ridder, heer van der Eem, geboren op 8 maart rond 1306, overleden rond 1334, zoon van Gijsbrecht Both van der Eem (zie V-a) en [Johanna?] [van Stein?].

ligging van de ambacht de Eem in de Zuidhollandsche Waard circa 1300
Ligging van het ambacht circa 1300 op de kaart van J.C. Ramaer. Bestaande uit de Eem, Uitalm, Opalm en de helft van Herradeswaard, waarvan de andere helft aan de heren van Dussen toebehoorde.

Familiewapen van ArkelGijsbrecht is getrouwd rond 1330? met Margaretha van Arkel, geboren rond 1318?, overleden op 23 juni 1368, begraven te Utrecht (Domkerk), vrouwe van der Eem, dochter van Jan III van Arkel (heer van Arkel) en Kunigunde van Virneburg.

De wapens op het door Margaretha gemaakte wandkleed
De kwartierwapens op het wandkleed.

Margaretha maakt na het overlijden van haar man Gijsbrecht, als ze in Utrecht woont, een wandkleed waarop in de hoeken de wapens van beiden staan: van Arkel, Both van der Eem, van Virneburg en een onbekend wapen, toebehorend aan de moeder van Gijsbrecht.

In 1346 betaalt de kapelaan van Margaretha een termijn van 3200 gouden schilden in opdracht van haar bisschopbroer Jan voor het aflossen van het pand te Overijssel.

In haar testament (1366) spreekt zijn van een nicht, Cunigonde, die non is in het klooster te Oudwijk, en een zwager Hendrick Venedau (die overleed in 1369).

Volgens de Arkelse Kronieken zou Mabelia (Margaretha), de weduwe van de heer van der Eem het Minderbroederklooster te Utrecht na 1310 [na 1334] gesticht of herbouwd hebben.

Bron: Handboek van Bchel, pagina 219, folio 117r.

Uit dit huwelijk:

  1. Johanna Both van der Eem, geboren rond 1330?, volgt onder VII-a

VI-b

Familiewpaen Both van der EemJohanna "Janne" Both van der Eem, gelijftocht (1330), geboren vr 1317, waarschijnlijk dochter van Hendrick [Both] van der Eem (zie V-b) en [Hadewich?].

Johanna wordt op 14 maart 1330 gelijftocht met "De tiende aan de Dussen op 50 a 60 pond" door haar echtgenoot Daniel van der Merwede. Zijn moet dus reeds getrouwd zijn in of vr 1330. Voor het huwelijk zal ze minstens 12 jaar geweest zijn en dus geboren in of voor 1317. Ze kan dus geen dochter zijn van Margaretha van Arkel, waarvan wordt vermoed dat ze rond 1312/1318 geboren is.

Bron: Ons Voorgeslacht 1996, pagina 239-246.

Johanna is dus niet dezelfde persoon als Johanna Both van der Eem, dochter van Gijsbrecht van der Eem en Margaretha van Arkel. Toch moet ze nauw verwant zijn want haar zoon Daniel VIII van der Merwede was aanwezig met de oorkonde in verband met de huwelijksgift bij het echtpaar Johanna Both van der Eem en Jan van Gennep. Een mogelijkheid zou dus kunnen zijn dat Johanna een zuster is van Gijsbrecht. In dat geval is de aanwezige Daniel VIII van de Merwede een neef van Johanna Both van der Eem.

Geen zus van Gijsbrecht

Overzicht van de relaties tussen Gijsbrecht en Johanna Both van der Eem

Er volgt echter een huwelijk tussen Willem van Brederode en Margaretha van der Merwede. Van dit huwelijk is geen dispensatie in vierde graad bekend die echter wel zou moeten bestaan in eerder vermeld relatie. Het niet bestaan betekent niet dat het er niet geweest is, maar er van uitgaande dat deze niet nodig was betekent dat Gijsbrecht en Johanna geen broer en zuster waren maar een neef en nicht van elkaar. En dan is Daniel VIII van der Merwede en Johanna, dochter van Gijsbrecht en Johanna, achterneef en achternicht van elkaar, wat nog steeds zijn aanwezigheid verklaart bij de oorkonde van de huwelijksgift.

Familiewapen van der MerwedeJohanna is getrouwd vr 14 maart 1330 met Daniel VII van der Merwede, vermeld (1317-1345), knaap (1325), ridder (1328), baanderheer (1341), heer van der Merwede, gesneuveld op 26 september 1345 te Staveren, zoon van Daniel VI van der Merwede (heer van de Merwede, Wieldrecht en Oversliedrecht) en Beatrix van Alkemade.

Gravure van het kasteel van der Merwede.
Gravure van het kasteel van der Merwede.

Aan de noordzijde van Dordrecht ligt de ruine van het kasteel te Merwede. Het werd gebouwd voor 1307. Waarschijnlijk was de stichter Daniel's vader Daniel VI van der Merwede, maar dit kan niet met zekerheid gezegd worden. In 1410 was Margaretha van der Merwede, de echtgenote van Willem van Brederode, de bewoonster van dit kasteel. Het kasteel werd verwoest rond 1418. De restanten werden door de omwoners gebruikt, onder andere voor het bouwen van de Grote Kerk in Dordrecht. Met de Sint-Elisabethsvloed van 1421 werd het volledig een ruine dat met zijn funderingen in het water van de Merwede stond. In 1449 werd door de magistraat van Dordrecht verboden om nog verder stenen van de ruine te gebruiken.

1337: Akte van borgstelling door Johanna van Henegouwen, Willem IV, Gerard van Voorne en Danil van de Merwede voor de lijfrentebrieven van Willem III aan Willem van Duivenvoorde.

Op 9 april 1341 begunstigde graaf Willem IV zijn getrouwen, waaronder Danil van de Merwede met enkele feodale voorrechten, vanwege het feit dat zij kort tevoren baanderheren geworden waren. Deze bijzondere heffing heeft misschien plaatsgevonden tijdens of na het beleg van Doornik in september 1340. Een baanderheer was iemand die tenminste 50 gewapenden onder zijn banier kon aanvoeren.

Bron: "Creatie van de baanderheren", Brokken, pagina 60; "Heren van de Merwede", Lenselink, pagina 13, noot 57.

Het was met deze plechtigheid dat Jacob van Maerlant een gedicht voordroeg: "Die doot maect cont allene das / Wies de mensce werdich was. Scone vorme ende zuver leven / Selden sijn si gevriende bleven. Niet nes so diere, vondemens vele / Men sout copen omme niet te spele. Men weent langere omme goet / Dan men omme vriende doet. Omme vrient weent men lose trane / Maer om ghelt rechte vraye, ic wane. Alse vele alse wast dijn ghelt / Also vele wast met ghewelt. Die wille van vort te winne meer: / Ghelt wachtmen nauwe in allen keer. Hier endt nu altemale / Die proverbien van Juvenale."

Bron: Nieky Klaus.

Mede hierdoor heeft hij het recht van onsterfelijk leen verkregen op zijn bezittingen, 'omme den voirsz. staet dair hi toe gecomen es mede te beledene ende te houdene als daer toe behoert'. Het zou niet besterven zolang hij een wettige nakomeling had bij Johanna, zijn vrouw, 'est zone, est dochter'. Na de dood van zijn kinderen zouden de lenen echter weer als rechte lenen vererven.

Bron: "Heren van de Merwede", Lenselink, pagina 13, noot 57; "Charters van Holland en Zeeland", deel II, van Mieris, pagina 649-650.

In de dramatische veldslag bij Staveren in 1345 kwamen veel Hollandse edelen om, onder hen Danil van de Merwede. Tijdens die noodlottige gebeurtenis was zijn zoon, Danil van de Merwede nog minderjarig. Hij trad pas voor het eerst op in 1348.

Bron: "De heren van Arkel", Groesbeek, pagina 178; Croniken, pagina 191, cLXXXI.

Uit dit huwelijk:

  1. Daniel VIII van der Merwede, vermeld (1345-1379), ridder (1356), heer van der Merwede (1345-1380), ambachtsheer van Wieldrecht, ambachtsheer van Dussen-Muilkerk, ambachtsheer van Carnisse, in dienst van graaf Willem V (1351-1352), baljuw van Zuid-Holland (1352-1355), raad (1353-1356), rentmeester van Heusden (1368-1374), kasteelvoogd van Heusden (1368-1374), geboren rond 1333, overleden rond 1380 op zijn tocht naar Rhodos.

    Daniel is getrouwd met Margaretha van Steijn, erfdochter van Arnoud V van Stein en Geertruid van Limburg.

    Toen zijn vader sneuvelde was hij nog minderjarig. Pas in 1348 trad hij voor het eerst zelfstandig op. Hij moet toen ongeveer 15 jaar oud geweest zijn, dat wil zeggen dat hij omstreeks 1333 geboren moet zijn.

    De heren van Stein

    Ruines van het kasteel van Stein.
    Ruines van het kasteel van Stein.

    Herman van Elsloo wordt geacht de stamvader te zijn van de Steinse dynastie. Zijn zoon Arnold I noemde zich heer van Stein. In 1390 was het geslacht van Stein uitgestorven en werd opgevolgd door Danil IX van der Merwede (zoon van Margaretha van Steijn). Diens schoonzoon Willem van Brederode (gehuwd met Margaretha van der Merwede) volgde hem op. Na diens dood omstreeks 1450 kwam het kasteel Stein in handen van heren van Heinsberg, waarvan Jan van Heinsberg, bisschop van Luik, als vertegenwoordiger optrad.

    Kleindochter Margaretha

    Margaretha van der Merwede, dochter van Daniel IX van der Merwede en Margaretha van Heinen. Margaretha is getrouwd met Willem van Brederode.

    In 1304 wordt haar overgrootvader vermeld voor het ambacht ter Merwede, het ambacht van de Nieuwe Kerk te Dordrecht en de Riedijk te Dordrecht. Na 1340 is haar grootvader de bezitter en in 1393 is haar vader vermeld. In 1404 worden Willem en Margaretha zelf vermeld en dragen het in 1424 over aan Lodewijk, heer van Moerkerken en ridder.

    Bron: "Repertorium op de lenen van de hofstede Voorne in Zuid-Holland, het land van Gelre, het stich van Utrecht, Putten en Heenvliet (1199-1648)", door J.C. Kort, Ons Voorgeslacht, 1977, pagina 188.

    In 1390 en 1404 wordt jonkvrouwe Margriet van der Merwede en van Steyn, gehuwd met Willem van Brederode vermeld voor een koren- en smaltienden binnendijks Maeslant, genaamd "Daneelstienden" (strekkende van de kerk tot aan de Maesdijk, zuidelijk belend door het huisweer van Heindrick Gherijtszn en noordelijk belend door het huisweer van Cornelis Meeszn), afkomstig van haar vader heer Daniel van der Merwede, heer van Steyn. In 1409 dragen zij dit over aan heer Jan Dirckszn van Hodenpijl (ridder). Jan tocht in 1414 hiermee zijn vrouw Lijsbeth van Haemstede.

    Bron: "Repertorium op de grafelijke lenen in Maasland (1258-1648)", door C. Hoek, Ons Voorgeslacht, 1970, pagina 128-129.

    In 1367 wordt haar (groot?)vader vermeld voor de lage rechtspraak met tienden, molengeld, vervallen en dijgraafschap van een nog te bedijken buitenland bij Maselandesluse, later genaamd het "Zuyder en Noirtlandeken". In 1390 heeft Margaretha zelf dit leen in bezit en draagt dit in 1409 over aan Jan Dirckszn van Hodenpijl.

    Bron: Repertorium op de grafelijke lenen in Maasland (1258-1648)", door C. Hoek, Ons Voorgeslacht, 1970, pagina 135-136.

    Bronvermeldingen"

    • 1356 - 2 juli - Daniel wordt genoemd als borg bij het nakomen van de verplichtingen van de aartsbisschop van Keulen bij het huwelijk van Johanna Both van der Eem en Jan II van Gennep.

      Bron: "Die Regesten der Erzbischfe von Kln im Mittelalter", W. Janssen, 1977, deel VI, nummer 814; Afschrift: HSA Dsseldorf, archief Kurkln, cartularium 4, nummer 73, pagina 197/197v

      Bron: Ons Voorgeslacht 2003, pagina 279, H.J.J. Vermeulen.

    • 1367 - hertog Aelbrecht van Beijeren schreef in 1367 een brief aan Daniel van de Merwede betreffende het huidige Maassluis: "...dat wterland (uiterwaard) jof (of) utendijk ghelegen bi Meselander sluse te dijken jof (of) te doen dijken tot eenen corenlande."

      Bron: Linda van der Meer

  2. Johanna van der Merwede.

    Johanna is getrouwd met Jan van de Poel (1330-1395), Schout van Geertruidenberg, raad van Willem V (1352), baljuw van Delfland en Schieland (1355-1357), kasteelvoogd van Teilingen (1355), kasteelvoogd van Geertruidenberg (tot 1383), baljuw van Henegouwen (1367-1368), proost van Maubeuge (1371-1372), baljuw en rentmeester van Amstelland en Waterland (1375-1380, 1387-1388), meesterridder van de herberg (1386), bastaardzoon van Willem III van Holland (graaf van Holland) en Geertruid van de Poel.

    Jan Hendriksz Venedau ruilt in 1415 met een zekere Gijsbert van de Poel een stuk leen aan de Opalm.

    Uit dit huwelijk:

    1. Aleid van de Poel. Aleid is getrouwd met Willem van Drimmelen.

    2. Daniel van de Poel.

    3. Dirk van de Poel.

    4. Jan van de Poel.

    5. Gijsken van de Poel.

  3. Hadewich van der Merwede, overleden na 1 juli 1404.

    Hadewich is getrouwd (1) met Willem van Drongelen, ridder, heer van Eethen en Meeuwen, overleden vr 1376.

    Willem was lid van de Raad van de Verbeider, baljuw van Zuid-Holland (1358) en belegerde Heusden tegen Floris van Borssele, in welk jaar zijn broer als drossaard en rentmeester van Heusden vermeld werd.

    Hadewich is getrouwd (2) met Willem Scoblant, vermeld (1403-1406), zoon van Hugheman II van Strijen (heer van Zevenbergen).

  4. Willem van der Merwede, ridder (1380), ambachtsheer van Muilkerk (1365-1377), overleden na 1380.

    Willem is getrouwd (1) met [onbekend].

    Willem is getrouwd (2) met Petronella "Neele" de Cocq van Neerijnen, vrouwe van Houweningen, dochter van Gijsbert de Cock van Neerijnen en Goede Utenham.

    Hun (vermoedelijk oudste) dochter, Johanna van der Merwede, trouwde als eerste met Walraven van Heukelom en Ackuoy, en als tweede met Jan van Herlaer. Uit het eerste huwelijk van Johanna trouwde hun dochter Wilhelmina van Heukelom en Ackuoy met Gijsbert Pieck een kleinzoon van een andere dochter uit het geslacht Both van der Eem.

    Willem heeft een neef Jan van Veen, zoon van Pieter van Giessen (1380).

    Op 7 februari 1377 wordt Willem van der Merwede genoemd als heer van Muilkerk (het ambacht achterleen van de heren van der Merwede die op hun beurt weer leenmannen waren van de heren van Putten en Strijen. (Bron: HRHA 1990-13)

    Hij is ambachtsheer van Muilkerk en werd bij zijn dood opgevolgd door zijn dochter Johanna "Jenne" van der Merwede die gehuwd was met Jan van Herlaer. Een zekere Jan van Mallant wordt in 1396 beleend met Adriaen van Herlaers hoeve van 12 morgen te Muilkerk, een leen van Putten. (Bron: HRHA 1990-13)

    Volgens een bericht (nummer 205) in de nieuwsgroep van de Nederlandse Adel wordt hij ook vermeld als Willem Both.

VI-c

Familiewapen van Hadewig van der EemHadewich Both van der Eem, begraven te Utrecht (Domkerk), waarschijnlijk dochter van Hendrick [Both] van der Eem (zie V-b) en [Hadewich?].

Na de dood van heer Wolfert III deed de graaf uitspraak tussen vrouw Hadewich en haar kinderen in zaken van diens nalatenschap. Zij komt nog in 1363 als vrouw van Veere voor.

Bron: Steve Vandiver

Anderzijds blijkt er inderdaad een Hendrik Both te zijn geweest die als Hadewichs vader in aanmerking kan komen. Hij was waarschijnlijk een zoon van Gijsbert Both, heer van der Eem, ridder, vermeld 1275-1303. Deze laatste was mogelijk een zoon van Hendrik Both van der Eem (vermeld 1241 met zijn vader Claes) en van NN dr van Gijsbert III van Amstel.

Bron: Greidanus Jaeger deel II, reeks 352, pagina 1116 (informatie van B. de Keyzer en H. Vogels, "de Van Amstels, kanttekeningen en aanvullingen bij een studie" en "Van Aken naar heden", uitgave Nederlandse Genealogische Vereniging 1994, pagina 91, 389.)

Ze was volgens traditionele opvatting een dochter van het ... echtpaar Gijsbert Both en Margriet van Arkel. Op grond van de chronologische problemen (een serie erg jonge huwelijken) wordt wel gesteld, dat ze een dochter van Gijsberts oom Hendrik Both geweest moet zijn. Greidanus ziet geen probleem, daar hij haar moeder uit het eerste huwelijk van Jan III van Arkel laat stammen. Vermeulen, die haar moeder uit het tweede huwelijk laat stammen, meent dat Margaretha van Arkel sowieso maar n dochter, Johanna, had. Dit zou weer een aanwijzing kunnen zijn, dat Hadewich een dochter van Hendrik Both geweest zou zijn.

Bron: Arnold Zuiderent

Familiewapen van Wolfert van BorsseleHadewich is getrouwd met Wolfert III van Borssele, knape (1336), ridder (1337), heer van Veere en Zandenburg, geboren rond 1313?, gesneuveld in juni 1351 te Warns, zoon van Wolfert II van Borssele (heer van Veere en Zandenburg) en Aleid van Henegouwen.

Het wapen van Hadewich (drie vissen) is bekend door de zegelafdrukken die in het Zeeuws Archief gevonden zijn. De zegel, waarvan de linkerhelft het wapen van Borssele afbeeld, heeft in de rechterhelft drie vissen met daarboven een ster.

Om de rangorde van de zonen te bepalen werden er zogezegde "breuken" uitgedacht voor het wapen, waarbij een ster gebruikt werd voor de derde zoon, een lelie voor een zesde zoon en een roos voor een zevende zoon. Als de plaatsing van deze ster voor een breuk bedoeld is, dan zou haar vader waarschijnlijk de derde zoon geweest zijn van het gezin.

Bron: Elseviers handboek van de heraldiek, pagina 68-69.

Het geslacht Van Borssele is bekend sinds de 12e eeuw, maar er is een vermelding van ene Stepo van Bersele uit 1088. Het is echter waarschijnlijk dat deze Stepo en de later genoemde Adam van Bersele afkomstig waren uit Bazel, een dorpje bij Antwerpen. De oudste echte vermelding waarvan vaststaat dat hij afkomstig is van Borsele is Nicolaus de Bersalia, genoemd in 1243. De familie had zijn stamslot, Troye, op het (toenmalige) eiland West-Borselen. De familie was van groot belang in geheel Zeeland. Er zijn waarschijnlijk weinig gebieden op de beide Bevelanden en Walcheren, die niet ooit aan een lid van dit geslacht behoord hebben.

Bron: "De genealogie van de heren van Borselen", dr A.W.E. Dek.

Wolfert werd reeds in 1318 met zijn ooms Floris en Claas als grondbezitters te Zandijke in de Zeeuwse rekeningen vermeld, na 1331 ook in andere plaatsen, in 1336 was hij knape aan het hof van Willem II, op 30 september 1337 was hij ridder toen hij een akte in verband met Voorne bezegelde, voor Veere kreeg hij in 1341 tolvrijdom en op 21 juni 1345 behoorde hij bij de edelen die tegenover enkele steden, waarvan graaf Willem IV geld had geleend, voor deze vorst borg stonden.

Bron: Karel de Grote, reeksen 18 en 28

Hij komt het eerst voor in het jaar 1325 als neef van de graaf en moest toen nog jong zijn geweest, in 1331 zoon genoemd van de Vrouwe Wissekerke, welk ambacht men vermoed dat zijn moeder tot weduwe-goed had bekomen, en in 1336 als knape aan het grafelijk hof. Het volgend jaar was hij reeds ridder. In 1339 kreeg hij een grafelijk voorrecht voor die van Veere en den Polder, waarbij in 1341 tolvrijdom gevoegd werd, terwijl hij in 1346 in evengenoemde Polder (heer Wolferts nieuwe polder Insula) een kerk stichtte, waarover hij een geschil had met het abt van Middelburg.

In 1344 en 1345 vinden we hem nog in de omgeving van graaf Willem IV, na wiens dood hij gewikkeld werd in de twisten tussen graaf Willem V en diens moeder keizerin Margaretha. Hij verleende aan zijn stad Veere, waarmee hij door Margaretha op 24 september 1346 beleend werd, in 1346 en 1349 uitgebreide privilegin. Met zijn vrouw draagt hij in 1350 "die veste ende die woninghe te Dunebeke in Walcheren" op aan de graaf als leen. Bij deze belening beloofde deze, dat dit goed nimmer van Veere en Zandenburg zou worden gescheiden.

Bron: Steve Vandiver

Bronvermeldingen

  • 1350 - 30 maart - Wolfaerd van Borselen, heer van der Yere, en Hadewieh, zijne echtgenoote, dragen in rechten eigendom op aan hertog Willem van Beijeren, graaf van Holland, van Zeeland en heer van Yriesland, de veste en woning te Dunebeeke in Walcheren. Willem, hertog van Beijeren, graaf van Holland en heer van Vriesland, verklaart het voornoemde in eigendom ontvangen te hebben en geeft het goed, onder zekere voorwaarden, aan Wolfaerd van Borselen in erfleen. Ghegheven in Middelburgh int iaer ons heeren doemen screef duzent driehondert ende vijftien des dinxsen-daghes in die pasche daghe.

    Bron: Ambachtsheerlijkheid Duinbeek (archieven.nl)

  • 1356 - 25 augustus - Graaf Willem V draagt de administratie der goederen van Alijt van Borssele "die op St. Michielsmisse lest verleden haar dage hadde, doch daarvoor nog jonc is op aan zijne nicht Hadewich vrouwe van der Veer, Wolfaert van Borsel. Jan van Culemborch en Henrick van Borsel".

    Bron: Visvliet III, pagina 231.

  • 1363 - Akte waarbij Hadewich van der Eme, vrouwe van der Vere, Wulfaerd en Gheraerd van Borssele getuigenis afleggen omtrent de hulp, door Aleyd van Borssele, vrouw van Jan van Heenvliet, aan haar broers Wulfaerd en Heynric verleend bij den aankoop van zekere ambachten en tienden.

    Bron: "Familie van Borssele van der Hooge" (archieven.nl)

  • 1363 - 6 februari - Hadewich van der Eme, vrouwe van der Yere, Wulfaerd van Borsselen, ridder, en Gheraerd van Borselen oorkonden, dat zij getuigen geweest zijn van den koop door Wulfaerd van Borselen en zijn broeder Heynric van ambachten en tienden in Zuutbeveland en in Borsselen, uit de nalatenschap van de vrouwe van Buren en van Wissenkercke, ten behoeve van welken koop jonkvrouwe Aleyd van Borselen, vrouw van Jan van Heenvliet, aan haar broeder Wulfaerd en Heynric 1618 schilden van 24 grooten geleend heeft.

    Bronn: "Familie van Borssele van der Hooge" (archieven.nl)

Uit dit huwelijk:

  1. Wolfert IV van Borssele, heer van Veere en Zandenburg (1351-1356), overleden na 25 augustus 1356.

    Wolfert is getrouwd (1) met Catharina van de Woestijne, overleden in 1379?.

    Wolfert is getrouwd (2) met Margriet van Arnemuiden.

  2. Hendrick I van Borssele, knape (1354), ridder (1362), raadsheer van de ruwaard (1361, 1375, 1377 en 1379), heer van Veere en Zandenburg (na zijn broer Wolfert), geboren rond 1336 te Veere, overleden op 16 januari 1401 te Veere, begraven te Zandenburg (op het koor van de kapel van het kasteel Zandenburg).

    Hendrick is getrouwd (met huwelijkse voorwaarden op 20 juni 1383) met Maria van Vianen, vrouwe van Vianen, geboren te Vianen, overleden te Veere, dochter van Gijsbrecht van Vianen (ridder, burggraaf van Utrecht) en Beatrix van Egmond (vrouwe van Egmond).

  3. Aelbrecht van Borssele, overleden vr 1356.

  4. Aleid van Borssele, geboren vr 1343, overleden na 26 augustus 1414.

    Aleid is getrouwd (1) vr 1363 met Jan van Heenvliet, vermeld (1351-1363), ridder, heer op Bleijdenstein, geboren rond 1335, overleden vr 29 augustus 1387, zoon van Jan van Heenvliet (heer van Heenvliet) en Elisabeth van Vianen.

    Aleid is getrouwd (2) met Jan III van Cruiningen, ridder, heer van Cruiningen en Woensdrecht, geboren rond 1330?, overleden in 1392, zoon van Arnold van Cruiningen (heer van Cruiningen) en Agnes Nose.

VI-e

[zoon] Both van der Eem, geboren rond 1320.

Zijn kind(eren):

  1. [dochter] Both van der Eem, geboren rond 1345, volgt onder VII-b

  2. [zoon] Both van der Eem, volgt onder VII-c

Generatie VII

VII-a

familiewapen Johanna Both van der EemJohanna Both van der Eem, geboren rond 1330?, vrouwe van der Eem, vrouwe van Gennep, erfdochter van Gijsbrecht Both van der Eem (zie VI-a) en Margaretha van Arkel.

Haar wapen werd afgebeeld met de vissen naar beneden gericht als teken dat deze tak is uitgestorven.

Johanna is getrouwd (1) rond 1342 met Willem III van Kuijc, heer van Boxtel, overleden (vermoord door [onbekend] van Herlaer?) in 1350, zoon van Willem II van Kuijc en Maria Arnoudsdr van Diest.

Bronvermeldingen

  • 1344 - 28 maart - De officiaal van de aartsdiaken van Oudmunster bepaalt een dag ter behandeling van het geschil tussen het kapittel en jonkvrouw Johanna, dochter van Ghiselbert Bot van der Eem, aangaande het recht van de laatste op de tienden van 55 morgen land ter Eem, door haar grootvader van het kapittel in pacht genomen. Met aangehechte memorie van de procureur van het kapittel.

    Bron: Kapittel Sint Pieter (archieven.nl)

  • 1344 - 28 maart - Enige en minderjarige dochter van Gijsbrecht Both van der Eem en Margaretha van Arkel.

    Bron: H.J.J. Vermeulen

  • 1347 - Johanna wordt vrouwe van der Eem genoemd.

    Bron: H.J.J. Vermeulen.

  • 1356 - 21 mei - Vrouwe van Boxtel en vrouwe van der Eem genoemd.

    Bron: H.J.J. Vermeulen

Familiewapen Jan van GennepJohanna is getrouwd (2) vlak voor 21 juli 1356 met Jan van Gennep, vermeld (1356-1361), heer van Gennep, overleden voor oktober 1368, vermoedelijk (klein)zoon van Hendrick (heer van Gennep 1314).

De wapens van Jan van Gennep en Johanna Both van der Eem zijn beschreven in een kwartierstaat door Bchel. Zie ook verder bij het onderwerp heraldiek.

Bronvermeldingen

  • 1356 - 2 juli - Uit de oorkonde door Jan, heer van Gennep, volgt dat [zijn oom] Willem [van Gennep], aartsbisschop van Keulen, hem als huwelijksmedegave een jaarrente van 1.000 schilden of een som ineens van 10.000 schilden heeft toegezegd. Deze rente of die som ineens zullen in overleg met de borgen, te weten [zijn oom Otto van Gennep], abt van Sint Maximin [te Trier], en [haar oom] Johan [IV], heer van Arkel, Lodewijk, heer van Randerode, en Daniel [VIII], heer van der Merwede [zoon van Johanna Both van der Eem, weduwe van Daniel VII van der Merwede], ridders, worden belegd in de vorm van erfrenten op goederen in de omgeving van Gennep. Mocht de aartsbisschop in gebreke blijven dan zullen de borgen op verzoek van [haar moeder] vrouwe Margaretha van Arkel of na haar dood op verzoek van [haar oom] Jan [IV], heer van Arkel, of Danil [VIII], heer van der Merwede, in 's-Hertogenbosch, Geertruidenberg of Gorinchem in leisting komen totdat de aartsbisschop aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

    Bron: Die Regesten der Erzbischfe von Kln im Mittelalter, W. Janssen, 1977, deel VI, nummer 814; afschrift HSA Dsseldorf, archief Kurkln, cartularium 4, nummer 73, pagina 197/197v; Ons Voorgeslacht 2003, blz. 279, H.J.J. Vermeulen.

Uit dit huwelijk:

  1. Margaretha van Gennep, geboren in of voor 1360, overleden in 1419.

    Zij gebruikte van 1395-1396 een gedeeld wapen: doorsneden Loon/Chiny-Heinsberg en Gennep.

    Familiewapen van Johan van LiendenMargaretha is getrouwd (1) rond 1372 met Johan van Lienden, heer van Lienden, heer van der Lede, overleden in of (vlak) voor 1382, waarschijnlijk zoon van Dirk van Lienden.

    Bronvermeldingen

    • 1372 - 31 mei - Johan, heer van Lienden, ridder, belooft heer Gherit van Culenborch, ridder, schadeloos te houden voor diens medebezegeling van den brief, waarin hij aan zijn vrouw Margriete van Ghenep een lijftocht toezegt.

      Bron: Heren en graven van Culemburg (archieven.nl)

    • 1374 - 12 februari - Vrouwe van Gennep en van der Eem, en haar echtgnoot Reinoud van Brederode, heer van Gennep, beloven, dat zij heer Johan van Polanen, heer van ... en Breda, vrijelijk de inkomsten zullen laten innen uit de door hem in pand genomen heerlijkheid van de Alm en de Eem. Zij nemen een vrijwaringsverplichting op zich gedurende een jaar en dag en zullen hem in bezit stellen van de tot de heerlijkheid behoorende goederen, gelijk dat rechtens behoort, dat wil zeggen te, aanzien van de leengoederen door het verkrijgen van de beleening door den leenheer en ten aanzien van de allodia door overdracht van den eigendom. Voorts zullen Johanna en Reinold van Brederode heer Johan van Polanen schadeloos te houden van alle aanspraken die derden op de verpande goederen mochten hebben of krijgen uit hoofde van door hen of hun erven gesloten overeenkomsten. Zij zullen den heer van Polanen voor paschen een brief verschaffen van den heer en de vrouwe van Lienden, die een voordering van vijfhonderd pond hadden waarvoor de heerlijkheid van de Alm verbonden was, inhoudende, dat dezen naar hun genoegen 'bewinsinge' is gedaan op andere goederen.

    • 1382 - 3 april -: Florentius, bisschop van Traiectum bevestigt de collatie door nu wijlen heer Johannes, heer van Lienden, vermeld in den brief van 11 februari 1374.

      Bron: Heren en graven van Culemburg (archieven.nl)

    • 1383 - 17 mei -: Steven van Lienden, voogd van de kinderen van heer Jan, heer van Lienden, gaat met Maes Mulaert een overeenkomst aan betreffende de verpanding aan laatstgenoemde van den windmolen te Wageningen.

      Bron: Heren en graven van Culemburg (archieven.nl)

    • 1385 - 13 december - Willem van Daere geeft aan Steven van Lienden en diens neef Dierick van Lienden het wederinkoopsrecht van het land, dat hij gekocht heeft van Willem Hugenz., wien het verpand was door wijlen heer Johan, heer van Lienden.

      Bron: Heren en graven van Culemburg (archieven.nl)

    • 1408 - 22 december - Lucia van Kerpen, abdis van Elten, beleent Elisabet van Lienden, vrouwe van Huekellem en Millingen, met de halve heerlijkheid Lienden, de tienden te Lienden} Aelst en Meerten en den ouden hof te Lienden, een dienstmansleengoed, zooals haar vader wijlen heer Johan, heer van Lienden, daarmede beleend is geweest.

      Bron: Heren en graven van Culemburg (archieven.nl)

    Margaretha is getrouwd (2) voor 1394 met Johan I van Loon, heer van Heinsberg, geboren in of voor 1384, overleden (aan de pest) op 24 juni 1438, zoon van Godfried van Dalenbroek en Philippa van Gulik. Johan is later hertrouwd rond 1423 met Anna van Salms-Braunfels, overleden in 1433, dochter van Otto van Salms-Braunfels en Agnes van Falkenstein.

    Het Arkel-wapen komt voor op de graftombe in de kloosterkerk te Heinsberg, waar ook hun zoon Johan van Heinsberg (1395-1443) begraven ligt. Op de tombe zijn 16 wapens met onderschriften bevestigd, de 2 series kwartierwapens van Johan I en Margaretha. Een aantal wapens schijnen echter niet juist te zijn en er zou toendertijd mee gesjoemeld zijn: 1) van Loon, van Holland, van Chiny, van Heinsberg, van Gulik, van Engeland, van Brabant en van Schotland. 2) van Gennep, van Oldenburg, van Vlaanderen, van Brunswijk, van Arkel, van Lippe, van Gelderland en van Hoya. Zie ook verder bij het onderwerp heraldiek.

    Bron: Ons Voorgeslacht 2003, pagina 279-280, H.J.J. Vermeulen.

    Bronvermeldingen

    • 1398 - 28 mei - Johan van Loon, heer van Heinsberg en van Lewenberg, en zijn vrouw Margriet van Genp oorkonden dat zij overgedragen hebben aan klooster van Sint Agatha: 5 malder rogge per jaar uit hun boerderij en tienden in Brakel, waarvoor op de 1ste donderdag in maart een jaargetijde zal moeten worden gehouden. (Met zegels oorkonders, hun zuster de vrouwe van Brederade en van Genp en van Dirk, heer van Lienden).

      Bron: Klooster Kruisheren Sint Agatha in Grave (archieven.nl)

    • 1435 - Schuldbekentenis, groot 928 Rijnse guldens, voor Johan van Loon, heer van Gulik en Heinsberg, afkomstig van Willem van Egmond, Johan Scellaert van Obbendorp, Johan van Broickhuysen, Johan van Boytbergh en Willem van Vlodrop.

      Bron: ARA Den Haag, inventaris 1.08.01, inventaris Nassause Domeinraad, inventaris Drossaers I, inventarisnummer 1296; regest nummerr 1332.

    • 1478 - Akte van verkoop door priorin Beatrix Jaghers en het Sint Maria Magadalenaconvent te Wijk bij Duurstede aan het kartuizerklooster Op de Vogelsanck bij de stad Gulik van 3 voeder bergwijn jaarlijks uit Honneff, die door Johan van Loon en Heinsberg en zijn vrouw Margriet van Gennep en Heinsberg als erfrente aan het klooster te Wijk bij Duurstede waren uitgegeven.

      Bron: Sint Maria Magdalenaklooster van dominicanessen te Wijk bij Duurstede (archieven.nl)

    • 1479 - Akte van uitgifte van een erfrente door priorin Beatrix Jaghers en het Sint Maria Magdalenaconvent te Wijk bij Duurstede aan het kartuizerklooster bij de stad Gulik uit de opbrengst van de verkoop aan die kartuizers van de jaarlijkse 3 voeder wijn uit Leeuwenberg en Honneff, die de heer van Heinsberg indertijd bij wijze van erfrente aan het klooster te Wijk bij Duurstede had geschonken ten behoeve van memorie-diensten.

      Bron: Sint Maria Magdalenaklooster van dominicanessen te Wijk bij Duurstede (archieven.nl).

  2. Johanna van Gennep, vrouwe van Gennep, vrouwe van Brederode, geboren rond 1356, overleden na 1429.

    Familiewpaen van Reinoud van BrederodeJohanna is getrouwd vr 1368 met Reinoud I van Brederode, ridder (1369), 6de heer van Brederode, heer van Gennep (1369), beleend door graaf Reinoud van Gelre met het dorp Odeck, geboren rond 1337, overleden in 1390, zoon van Dirk van Brederode en Beatrix van Valkenburg.


    Zegel van Reinoud, heer van Brederode en Gennep (1379).

    In 1368 treedt Reinoud voor het eerst op als heer van Gennep. Hij moet dus voor dat jaar gehuwd zijn.

    Bron: "1000 jaar Gennep", 1975, Th.J.W. Driessen en M.P.J. van den Brand.

    Bronvermeldingen

    • 1365 - 1 augustus - Op 1 augustus 1365 vergaf de ruwaard aan de heren Reinoud van Brederode, Gerrit van Polanen, Gerrit de Monic en Willem van Slingeland het doden van Willem Boirt in de volgende bewoordingen: ende nemense tot onsen zoenen, ende vrienscap, van alsulker misdaet, als si hadden an Willem Borts doet, ende gheven him onse land weder vrijelic in te wesen, ende hoir goed aen te tasten, ende te ghebruken, als zijt vinden ende hoir was, eer Willem Boirt voirscreven doet ghesleghen wort. Ende onbieden, ende bevelen allen onsen Baliuwen, ende Rechters, dat si se veijlich laten varen in onsen landen, ende hoir goed rustelike late ghebruken, so waert gheleghen is

    • 1369 - 13 mei - Otto, heer van Arkel, Reinout, heer van Brederode, heer van Gennep, Jan, heer van Ameide, Jan van Langerak en Herbaren van Liesveld, ridders, kopen het goed van de kinderen van Giessen tussen Lek en Merwede, dat met dijkrecht aan de leenheer was gekomen, voor 1400 pond hollands en zij zullen nog 200 pond besteden voor herstel van de dijk voor het goed in de Waard, dat de kinderen aankwam van hun moeder.

    • 1374 - Johanna, vrouwe van Gennep en van der Eem, en haar echtgenoot Reinoud van Brederode, heer van Gennep en van der Eem, verpanden aan Johan van Polanen, heer van de Lek en van Breda, de heerlijkheid van de Alm en de Eem met toebehooren, gelegen in Zuid-Holland, het land van Altena en het land van Heusden, met het huis te Almsteyn en niet de in die heerlijkheid gelegen gerechten van Eemkerk, Op-Alm, Uit-Alm en Vorenzaterwaard, zulks voor het door hen van Johan van Polanen geleende bedrag van dertienduizend oude schilden.

    • 1374 - 12 februari - Vrouwe van Gennep en van der Eem, en haar echtgnoot Reinoud van Brederode, heer van Gennep, beloven, dat zij heer Johan van Polanen, heer van de Lek en Breda, vrijelijk de inkomsten zullen laten innen uit de door hem in pand genomen heerlijkheid van de Alm en de Eem. Zij nemen een vrijwaringsverplichting op zich gedurende een jaar en dag en zullen hem in bezit stellen van de tot de heerlijkheid behoorende goederen, gelijk dat rechtens behoort, dat wil zeggen te, aanzien van de leengoederen door het verkrijgen van de beleening door den leenheer en ten aanzien van de allodia door overdracht van den eigendom. Voorts zullen Johanna en Reinold van Brederode heer Johan van Polanen schadeloos te houden van alle aanspraken die derden op de verpande goederen mochten hebben of krijgen uit hoofde van door hen of hun erven gesloten overeenkomsten. Zij zullen den heer van Polanen voor paschen een brief verschaffen van den heer en de vrouwe van Lienden, die een voordering van vijfhonderd pond hadden waarvoor de heerlijkheid van de Alm verbonden was, inhoudende, dat dezen naar hun genoegen 'bewinsinge' is gedaan op andere goederen.

    • 1374 - 10 oktober - Johanna, vrouwe van Gennep, en haar echtgenoot Reinoud van Brederode, heer van Gennep, erkennen, dat zij de heer Johan van Polanen, heer van de Lek en van Breda, verscheidene bedragen schuldig zijn wegens door hem ontvangen pachten, tijnsen en tinden, welke den heer van Polanen toekwamen uit hoofde van het feit dat hij de heerlijkheid van de Alm en de Eem in pand nam.

    • 1379 - 15 mei - Reijnolt, heer van Brederode en van Genp beleent Lambrecht Milling met zijn huis in Waalwijk, onder voorwaarde dat dit altijd Reinolts open huis zal blijven.

    • 1387 - mei - Heer Pouwels van Haestrecht beleend met een reigersbos enzoverder. te Reeuwijk, na opdracht door Heer Reinoud van Brederode.

    • 1398 - 28 mei - Johan van Loon, heer van Heinsberg en van Lewenberg, en zijn vrouw Margriet van Genp oorkonden dat zij overgedragen hebben aan klooster van Sint Agatha: 5 malder rogge per jaar uit hun boerderij en tienden in Brakel, waarvoor op de 1ste donderdag in maart een jaargetijde zal moeten worden gehouden. (Met zegels oorkonders, hun zuster de vrouwe van Brederade en van Genp en van Dirk, heer van Lienden).

    Het dorp Odeck, met allen sijnen rechten end tobehoren, van graeff Reinold van Gelre in pandschap

    • 1403 - Die vrou van Brederode crigt uutstel heur leen t'ontfangen.

    • 1403 - Johanna vrou van Brederode noch uutstel.

    • 1429 - Walraven heer to Brederode, Johanna voorn. ende Henrick heer van Vianen erven op Reinolt, Walravens ende Johannae soon, heeren to Brederode, Vianen ende van der Ameide, alle alsulcke leene als sij van den hertog van Gelre te holden plegen.

    Dat huys ende borch tot Genp

    • 1385 - Reinolt van Brederode ende van Genp, met bekentnis dat die Gelderschen in der herlickheyt Genp met heuren goederen tolvrij deurvaren sullen, uutgesondert den marcktol, die van olts geweest is.

VII-b

Familiewapen Both van der Eem[Heilwig?] Both van der Eem, geboren rond 1345, dochter van [onbekend] Both van der Eem (zie VI-e).

Familiewapen van DiemenZij is getrouwd rond 1370 met [onbekend] van Diemen.

Deze filiatie is gebaseerd de kwartierwapens van hun achterkleindochter, Adriana Pieck, op een venster in een kerk te Gemert.

Een andere (internet)bron vermeld echter: "Goyert van Erp bezat in Gemert t goed Keysboom. Hij stierf circa 1481 en was gehuwd met Adriana Pieck, die dochter was van Gijsbert Heer van Asperen, en waarvan de moeder, volgens de kwartieren op de kwartieren op t graf van haar zoon Walram tot de familie Merwen of Merwede behoorde. Ze gaven aan de kerk van t klooster te Keysersbosch, in t tegenwoordige Groot Hertogdom Luxemburg, n glasraam met hun respectievelijke vier kwartieren". Over Walraven van Erp, hun zoon, wordt vermeld: "De kwartieren die gedisposeerd waren ... moeten ... aldus opgesteld worden: [de ouderlijke wapens van Walraven van Erp langs vaders kant:] Erp, Oss, Knoy, Goor, [de ouderlijke wapens van Walraven van Erp langs moeders kant:] Pieck, Merwen, Arckel, Diemen. Bronchorst, Vygh, Haeften, Doornick, Collaert, Pieck, Deelen, Wien"

Heilwig van der Eem

Op 20 november 1368 wordt een Heilwig van der Eem met kinderen vermeld als begrenzing van 4 morgen land te Golberdingen waarvan de eigenaar Allard van Buren, gehuwd met Mabelia, strekkend van de Parijse weg tot de Lekdijk.

Bron: Ons Voorgeslacht, 1989, pagina 261.

In dezelfde regio, van de Parijse straat tot de Lek, bezit Hubert Janszn van Golberdingen in 1391 6 morgen land, boven belend door de moeder en zuster van de leenman en onder belend door Hendrik Loef, welke in 1421 in 2 delen splitst.

Bron: Ons Voorgeslacht 1986, pagina 298-299.

In dezelfde regio, van de Parijse straat tot de Lek, bezit Berwout Janszn in 1392 1 morgen land (zijnde hofleen), boven en beneden belend door Gillis Jacobszn.

Bron: Ons Voorgeslacht 1986, pagina 300.

  1. Adriana Pieck,
    gehuwd met Goyert van Erp, overleden in 1481

  2. Gijsbert Pieck, geboren circa 1394, overleden in 1442, gehuwd in 1426 met

  3. Wilhelmina van Heukelom (van Acquoy), overleden na 1458

  4. Aernt Pieck

  5. [Ida] van Diemen

  6. Walraven van Heukelom (van Acquoy)

  7. Johanna van der Merwede

  8. Familiewwapen Pieck
    Arnold Pieck

  9. Wapen onbekend
    (?)

  10. Familiewapen van Diemen
    (?) van Diemen

  11. Familiewapen Both van der Eem
    (?) Both van der Eem

  12. familiewapen van Heukelom
    Otto van Heukelom

  13. Familiewapen van Valkenburg
    (?) van Valkenburg

  14. Familiewapen van der Merwede
    Willem van der Merwede

  15. Wapen onbekend
    Nele de Cocq van Neerijnen

Uit dit huwelijk:

  1. [Ida] van Diemen, geboren rond 1370.

    Familiewapen van DiemenIda is getrouwd rond 1385 met Arnt Pieck, vermeld (1394-1413), schildknaap, heer van Tuyl, rentmeester-generaal (1400) en raad (1401) van Gelre, zoon van Arnold Pieck.

    Zie verder ook de aantekeningen over het geslacht Pieck

    Arnt Pieck bewijst 18 december 1410 zijn 4 zonen geprocreerd bij Ida Alerts van Buyrendr hun partagie in haar olders goederen, de zoon Franck genaamd de Vroede krijgt Gameren.

    Bron: Arnold Zuiderent

    Ida van Diemen zou eventueel een bastaarddochter van Alard van Buren kunnen zijn. Alard van Buren, gehuwd met Mabelia, was in 1368 een buur van de weduwe Heilwig van der Eem.

    Uit dit huwelijk:

    1. Gijsbert Pieck, heer van het Hoge, Lage en Blauwe Huis te Beesd, kocht in 1424 van Willem van Buren het slot en huis te Beesd, ambtman van Beesd en Rhenoy sedert 1414, rentmeester van Gelre (1413), raad en overste rentmeester van Gelre (1414-1416), thesaurier van Holland (1420), geboren rond 1390, overleden in 1442.

      Gijsbert is getrouwd (1) vr 1425 met Idelard Alardsdr de Swart, dochter van Alard de Swart.

      Gijsbert is getrouwd (2) in of vr 1436 met Wilhelmina van Heukelom van Acquoy, erfgename van het Westerholt en het Blauwe Huis te Beesd en andere goederen, waarmee zij door Hertog Arnold van Gelre op 19 september 1428 werd beleend, overleden na 1458, dochter van Walraven van Heukelom van Acquoy en Johanna van der Merwede.

      Van hun dochter, Adriana Pieck, zijn de ouderlijke kwartierwapens gevonden in een venster van een kerk te Gemert.

      Wilhelmina is een achterkleindochter van Daniel van der Merwede en Johanna Both van der Eem.

      Wilhelmina wordt getocht in 1429; erft van haar (vr of in 1428 kinderloos overleden) neef Jan Herbarenszn van Heukelom van Acquoy het Blauwe Huis (= 'het Huis op den Wiel') te Beesd en door hertog Arnold van Gelre beleend met huis en hofstede te Beesd, diverse grondstukken aldaar, alsmede de grote tiend te Borchmalsen, de koppeltiend in het land van Buren en de wind te Enspijk op 19 september 1428; beleend met de tienden te Everdingen en den Hage te Hagestein; transporteert de molen te Enspijk aan haar zoon Walraven en (met behoud van lijftocht) de uiterwaard van Beesd 'daer Walravens huys op staet' (= het Blauwe Huis) en diverse andere stukken grond te Beesd op haar (blijkbaar dan nog minderjarige) zoon Otto in 1442; transporteert de tiende in Rumpt aan haar schoonzoon Godert van Erp op 29 december 1450; overleden na 1458.

    2. Franck Pieck 'de Vroede', heer van Gameren, ambtman van Zaltbommel, Tieler- en Bommelerwaard, geboren rond 1395, overleden tussen 21 juli 1470 en 24 september 1473.

      Franck is getrouwd rond 1400 met Geertruida van Isendoorn, dochter van Alard van Isendoorn en Folewijn [van Druten?].

    3. Herman Pieck.

      Herman is getrouwd met Johanna van Mekeren.

    4. Otto Pieck, gevangen te Gorinchem (1417).

    5. Bartolomeus Pieck.

      Bartolomeeus is getrouwd met Agnes van Brakel, dochter van Adriaen van Brakel en Mechteld van der Mark.

VII-c

Familiewapen Both van der Eem[zoon] Both van der Eem, geboren rond 1345, zoon van [onbekend] Both van der Eem (zie VI-e).

Van deze persoon is verder niets bekend. Aangezien er een dochter is met deze familienaam is er slechts n ding zeker: hij is van het mannelijk geslacht en het wapen toont aan dat zij familiebanden in dit adelijk geslacht moeten hebben.

Zijn kind(eren):

  1. Familiewapen Beatrix Both van der EemBeatrix van der Eem, abdis van de Sint-Servaasabdij te Utrecht (1383-1445), geboren rond 1370, overleden in 1445 (circa 75 jaar oud).

    Beatrix is de laatste telg uit deze tak. Dit is af te leiden uit het feit dat haar wapen, net als dat van Johanna Both van der Eem, omgekeerd wordt afgebeeld en als dusdanig door Buchel in zijn handboek opgetekend.

    Ze wordt van 1383 tot 1383 vermeld wat circa 75 jaar is. Ze is dus vermoedelijk geboren vlak voor haar intrede (8 jaar?).