PREHISTORIE

De oorsprong van de eerste bewoners op de helling van Chokier bevindt zich heel ver in het verleden.

Het blijkt dat de eerste bewoners paleolitiekers waren. Deze vonden schhuilplaatsen in de spelonken en kloven van de rotsen waar ze hun eerste werktuigen achter lieten, die als eerste belgische werktuigen kunnen beschoud worden.

Deze werden gevonden door dokter Schmerling, wanneer hij in 1829 de eerste grot van België ontdekte, die beenderen bevatte. In 1830 ontdekte hij in de tweede grot van Engis beenderen van mensen tesamen met die van holenberen, hyena's en neushoorns.

Als stichter van de menselijke wetenschap, leidde hij er uit af dat de grote prehistorische dieren tesamen met de eerste mensen moesten geleefd hebben.

DE ROMEINSE BEZETTING

Na Ambiorix verslagen te hebben en de Eburonen te hebben uitgeroeid in 54 voor Christus bezette Cesar haspengouw en zo begon de romeinse overheersing. Gedurende verschillende eeuwen hebben de romeinen onze streken bezet en ze bouwden a twee romeinse heirwegen en een groot aantal villa's.

Deze waren door de romeinse kolonialen bewoond en later door de belgen, die romeinse burgers waren geworden en die landerijen bekomen hadden. Er vormden zich centra, die weldra het middelpunt werden waarrond zich langzaam de bevolking verzamelden: slaven, landarbeiders en hun families.

De overblijfselen van een romeinse villa, ontdekt op enkele honderden meters van de hoogste top van de helling alsook een militair diploma van een veteraan van Tungry, gevonden in de Maas, laten toe dat de oudste ontwikkeling van het dorp kan toegeschreven worden aan de uitbating van de steengroeve die kalk vervaardigde.

In die tijd waren de romeinen op zoek naar al de uitbatingen van materialen voor het bouw-en metselwerk. Chokier, die door zijn ligging in een vallei en aan de rand van de Maas, bezonder geschikt was voor deze inplanting.

In de 3e eeuw had de inval van de barbaren plaats, die het romeinse rijk al lang bedreigde. De Hunnen, die uit Tartaar kwamen en die langzaam naar het westen drongen, verdreven de andere volkeren van Germanië en op hun beurt Gallië kwamen bezetten. Met de tijd verdwenen al de romeinse villa's.

DOMEIN VAN DE ABDIJ VAN SINT JACQUES IN DE XIIè EEUW

In de Xè eeuw was landarbeid de grootste bron van inkomsten en het bezit van onroerende goederen werd de eerste bron van rijkdom. De abdijen genoten van een speciale plaats onder de groot grondbezitters door de giften van weldoeners. Door hun wens om aan eigen behoefte te volden, wierven zij domeinen aan die hun de nodige behoeften verschaften, die zij niet ter plaatse konden bekomen.

Gesticht in 1015, de abdij van Sint Jacques moest zich snel het nodige materiaal verschaffen voor zijn opbouw. Chokier, die op een kalkrots lag en langs de Maas bezat een onbetwistbaar voordeel voor een kalkuitbating.

In de jaren 1055 en 1056 ondernam pater Robert van Sint Jacques, een reis naar Compostelle, om er een relekwie van de heilige patroon voor zijn abdy van mee te brengen. Op de terugweg brachten de bedevaarders de nacht door in het huis van de opzichter van een domein van de abdij in Calcaniensi, een woord dat waarschijnlijk afstamt van het latijn calcaria, dat kalkoven betekent.

Vanaf het begin van de IXe eeuw, de kerkelijke ondernemingen van onze streken, voor diegene de wijn noodzakelijke was, zowel voor de kerkelijke diensten als voor de voeding, zagen zich verplicht wijngaarden aan te leggen in hun domeinen.

De abdij van Sint Jacques kreeg door ruil met de kerk Sint Pieter van Luik, in 1086 een doornig stuk land, dat ter plaatste Raspalia van Calcaria werd genoemd. . Dit stuk land werd verbouwd tot een wijngaard.

Op het einde van XIIe eeuw, door de vermindering van het geestelijke leven alsook de opkomst van de handel, kwam er een einde aan de gesloten landelijke economie. De snelle daling van de geld waarde, die daar uit voort vloeide verminderde in grote hoeveelheden de inkomsten van de kloosters die de grote eigendommen verminkten.

De maaslandse wijngaarden werden nog een tijd bewaard, maar in 1309 schonk de abt Guillaume van Sint Jacques van Luik en zijn klooster aan Gerard, jonker, en zoon van de gewezen Jean, kasteelheer van Hozemont, het recht om de gronden en visvijers uit te baten in ruil voor 90 maten parisis.

XIIIe EEUW - HET OUD-GRAAFFSCHAP VAN HOZEMONT

Op het einde van de XIIe eeuw, als gevolg van de verschillende verdelingen onder de kinderen van het graafschap van Hozemont, hebben zich kleine domeinen gevormd. Hieronder bevond zich Chokier, die het erfdeel was van de familie Rulant de Fontaine, de familienaam van vorige graven van Hozemont.

Een terras, dat nu verdwenen is, werd op de uiterste hoek van de rots van Chokier ingericht. Dit werd gebruikt als uitkijk plaats, want het gaf een heel breed zicht op de Maas.

In 1298, Guillaume de Hozemont, die deelgenomen had aan de strijd tussen de families Awans en Waroux en in het openbaar de spot gedreven had over de autoriteit van de Prins-Bisschop van Luik, moest de afbraak van zijn kasteel ondergaan. Hij vestigde zich in Rouveroy en verkocht Hozémont aan zijn neef, Otten, de zoon van Würm, heer de Fontaine, die het op zijn beurt overliet aan zijn Zoon Jean, de eerste bekende Heer van Chokier en Hozemont.

Jean de Rulant, kasteelheer van Hozemont en Chokier, was de wapenmeester van het land van Luik. Aangesteld door de Prins-Bisschop van Luik; door zijn functie werd hij de oppermeester van het leger van de prins in geval van oorlog en in geval van vrede was hij de oppermeester van justitie. Hij moest ook de rechten van de zwakken en onderdrukten verdedigen en moest ook vermijden dat de sterken de armen verdrukten. Hij stierf in juni 1303 en werd begraven in de kerk van Chokier.

Zijn zoon Gérard, laatste afstammeling van de eerste heren van Chokier, gaf het domein over aan zijn oudste dochter die Jean Surlet huwde.

XIVè EEUW - SURLET VAN CHOKIER

Op het einde van de Middeleeuwen valt de geschiedenis van de geëerde familie van Surlet de Chokier in sommige mate samen met die van de stad van Luik. Ledere generatie van deze familie telt vertegenwoordigers : in de hoge raad van het land,in de leiding van de stad, in het kapittel van Sint Lambertus, bij de ridders en ook in de Staat van de nobelen van het land van Luik en het graafschap van Looz. De leden van de familie Surlet hebben zich op alle gebied verdienstelijk gemaakt en vooral door hun vrijgevigheid en goedheid. Als men in Luik de gulheid, de goedheid of de rijkdom van iemand wilde bepalen, gebruikte men dit spreekwoord : gul zoals een Liverlo, goedhartig zoals een Surlet, rijk zoals een Curtius.

De oorsprong van deze familie stamde af van een duitse edelman, Louis met de rode schoenen, van de familie Moylenake en Marmany van het hertogdom van Juliers. Door de oorlogen was hij gedwongen zich in Luik terug te trekken, waar hij een heel voorspoedig huwelijk sloot. Zijn zoon, Louis Surlet, schepen van Luik, werd de eerste burgemeester van de stad Luik. Volgens Hemricourt werd hij de voornaamste burger van de stad.Hij huwde de dochter van Gerard de Rulant, graaf van Hozemont en nam er ook het wapenschild van.

Sceau de Gilles Surlet
Sceau de Jean de Lardier

Vier generaties later, zijn afstammeling, Jean Surlet, ridder en grote schout van Haspengouw, werd door zijn huwelijk met Agnes van Hozemont, de eerste Heer van Chokier in de lijn van Surlet.

In 1345 werd zijn kasteel afgebrand door de inwoners van Hoei, Luik en Kasteel Dinant tesamen. Dezen waren ontevreden over het beheer van de openbare schatkist en beschuldigden de schepenen van Luik en vooral Jean de Lardier, de vader van Jean Surlet, van het geld in hun voordeel te onttrekken aan de bevolking en daardoor pleegden ze opstand. Opgeroopen om voor de schepenen van de Bisschop van Luik te verschijnen voor ongehoorzaambeid, plunderden en vernielden ze de goederen van de familie en vrienden van deze schepenen.

Zijn zoon, Adam Surlet, was de eerste van het huis van Surlet, die de bijnaam van Chokier, zijn herenhuis, nam en het was hij, die uit de familie Chokier, de wapens en de bijnaam van Surlet behouden heeft. Zij noemden zich ofwel van Chokier, van Surlet de Chokier of Chokier de Surlet. Het is uit deze lijn dat Erasme-Louis afstamt baron van Surlet de Chokier, die Regent van België werd. Een belgische brouwerij heeft laatst een hulde aan hem gebracht door een laatst bier met zijn naam te brouwen.

Vervolgens ging de eigendom over aan Eustache Chabot en aan zijn zoon Andre Chabot, beiden waren schepenen aan het gerechtshof van Luik, alvorens terug te keren in de lijn van Surlet tot aan het begin van de XVIè eeuw, waar er een dochter, Catherine de Surlet de Chokier overbleef, de laatste van deze stam en overblee die Chokier overdroeg aan haar echtgenoot Everard de Berlaymont, die men ook Floyon noemde.

XVIè EEUWW - BERLAYMONT - SENZEILLE - BELLYOSO (Bellejoyeuse)

Georges de Berlaymont, de grote schout van Moha en zoon van Everard, huwde op 29 januari 1564 met Marie de Senzeille deze gaf hem geen kinderen. Hij maakte van zijn vrouw de wettige efgename van al zijn bezittingen.

Marie de Senzeille erfde op 24 april 1582 en hertrouwde met Paul de Stor d'Ostrath. Zij hadden geen erfgenamen en zij stelde haar neef Paul de Berlo, die nog een kind was, als wettige erfgenaam.

Paul de Stor stief in 1594. Marie de Senzeille huwde een derde maal met een Milanese edelman: Jean-Jacques Barbiano graaf van Bellijoso.

Deze man was gewelddadig en had meer interesse voor de rijkdom dan voor de liefde. Marie de Senzeille was rijk en door hun huwelijk eigende hij zich dit fortuin toe tot nadeel van Paul de Berlo. Hij was er niet in geslaagd een wettige gift te bekomen, naar hij kon van Marie de Senzeille een nieuw testament, in zijn voordeel, los krijgen. Hij beweerde dat zij een slechte gezondbeid had en liet haar opsluiten en zo verstikte hij haar met een kussen. Na dit te hebben uitgevoerd huwde hij met Anna de Poitiers en genoot zijn verdere levensduur van het fortuin van Marie de Senzeille.

Bij de dood van Belgioso erfde zijn weduwe het vruchtgebruik van het herenhuis van Chokier op 27 mei 1632, maar zij stond het af ten gunste van Ludovic Barbiano de Belgioso, neef en erfgenaam en trouwe bediende van de graaf.

Deze liet het over aan zijn broer, Francisque Barbiano de Bellijoso.

XVIè EEUW - DE BERLO

Maar Marie de Senzeille had haar ongeluk geschreven in haar gebedenboek. Zij had al de woorden geschreven met behulp van de punt van de sluiting van een borstspeld, die zij gedoopt had in haar eigen bloed van een wonde die zij zichzelf gemaakt had. Vele jaren later maakte haar trouwe dienstmaagd dit bekend, door het gebedenboek boven te halen. Na al deze voorvallen kreeg Paul de Berlo zijn erfenis.

Op 27 juni 1717 werd de Tzar Peter de Grote in Chokier ontvangen. Hij werd begroet in het latijn door de burgemeester van Ternaaien. De burgemeester en de schepenen volgde de boot van de Tzar verder was er een hele stoet met boten waarin trompetten, pauken, hobo's, jachthoorns en nog vele andere instrumenten een heel aangenaam concert lieten horen..

In de XVIIIè eeuw werd de middeleeuwse burcht verbouwd tot een gezellig kasteel en nam stilaan zijn huidige vorm aan.

Het bleef in deze familie tot in 1812.

Het domein, dat met een hypotheek belast was, werd verhuurd en tenslotte toegekend werd als terug betaling aan een van de schuldeisers, Antoine Defays, rentenier van Luik, waarvan de zoon een jaar lang het kasteel bewoonde.

XIXè EEUW - LOISON, GENERAAL VAN HET KEIZERIJK

Geboren op 13 mei 1771 in Damvillers, een dorpje in het district van de Maas, Louis Henri Loison was 18 jaar toen de franse revolutie uitbrak. Zijn vader vond dat hij te verstrooid was om te studeren en bestemde hem daarom voor een militaire opleiding.

Frankrijk was bedreigd door de Oostenrijkers. Op 20è jarige leeftijd trad hij in dienst bij het 2è bataillon van het district van de Maas. Een jaar later commandeerde hij, als generaal, de troepen, die de abdij van Orval gaan vernielen en plunderen, omdat ze verdacht werden van oostenrijkse soldaten te herbergen.

Zijn snelle vooruitgang was te weiten aan een groot militair talent waaraan zich nog zijn grote overmoedigheid aan toevoegde.. Men zag Loison overal, in Griekenland, in Italië, in Pruisen, in Spanje, in Portugal... Men beschuldigde hem van diefstal, omdat hij niet aarzelde zich vele rijkdommen toe te eigenen, maar Bonaparte, aan wie hij vele diensten bewezen had, kon niet zonder deze waardevolle generaal verder.

Vanaf 1801 staat Loison aan het hoofd van de 25è afdeling, die het departement van de Ourthe en de steden van Luik en Maastricht inhoudt.

Hij woont eerst in Jemeppe en daarna op het kasteel van Flémalle-Grande. Doordat hij nieuwe beschuldigingen vreest voor zijn inpalmen van een oorlogsbruit, doet hij het kasteel van Chokier kopen door Louis-Emmanuel Claude Regnault in 1813, een gepensioneerde officier in dienst van Frankrijk. Iederen denkt dat deze officier er in gaat wonen, maar in werkelijkheid is het Loison die erin trekt en het is daar dat hij Napoleon ontvangt toen die op bezoek was in Luik.

Na de val van het keizerrijk gaat hij met pensioen en koopt dan Chokier in zijn naam. Op 30 december 1816 sterft hij op 45è jarige leeftijd. Zijn stoffelijk overschot wordt begraven in een mausoleum dat in het park van het kasteel is gebouwd, waar het gedurende 50 jaren verblijft.

In 1867 wordt de toegang tot het kasteel verboden verklaard aan zijn dochter Marie-Louise die de eigendom verkoopt. Zij geeft aan de burgemeester de opdracht van het mausoleum over te brengen aan Pere Lachaise in Parijs en als beloning schenkt zij hem het zwaard van de generaal.

www.chokier.com