16

 

DE CISTERCIËNZERSTICHTINGEN BUITEN EUROPA

IN DE NEGENTIENDE EEUW

 

Dossier: pater Etienne Goutagny, Les  Dombes.

 

 

1. Algerije: Notre Dame de Staouëli  (Onze-Lieve-Vrouw van Staouëli)

 

Staouëli is een plaatsje op 17 kilometer ten westen van Algiers. Het hoort bij de gemeente Sidi Ferruch, niet ver van de baai met dezelfde naam waar de Franse troepen bij de verovering van Algerije in 1830 aan land gingen. Toen de monniken er in het volgende decennium toekwamen, bestond de vlakte van Staouëli uit laaggelegen moerasgronden; de zeldzame plekken groen waren overwoekerd door struikgewas en dwergpalmbomen. Iets anders kon niet gedijen op deze dorre, uitgedroogde grond, die als gevolg van de gevechten bovendien nog bezaaid was met obussen, verkoolde boomstronken en half verbrande olijfbomen.

In 1843 werd na moeizame onderhandelingen tussen de Franse staat en dom Joseph-Marie Hercelin, abt van La Trappe en vicaris-generaal van zijn observantie, aan de trappisten een stuk grond van 1020 hectare afgestaan. De risico’s die de staat liep, wogen niet op tegen de verantwoordelijkheden die de monniken moesten nemen.

P. François Régis de Martrin Donos arriveerde er met dertien religieuzen: drie koormonniken en tien lekenbroeders. Hij trotseerde alle moeilijkheden: warmte, koorts, epidemieën, wantrouwen, armoede... Vijfentwintig religieuzen stierven er in de kracht van hun leven. Het grootse project dat hij verwezenlijkte trok in heel brede kringen de aandacht.

 

 

 

4 mei 1865: bezoek van keizer Napoleon III aan Staouëli

Staouëli werd het middelpunt van een drukke bedrijvigheid: 425 hectaren wijngaarden en 30 hectaren met geraniums boden al vlug werk aan 120 dagloners en een honderdtal monniken. De materiële welvaart liet hen niet alleen toe uiterst gastvrij te zijn en gul aalmoezen uit te delen, maar ook in de dorpen rond de abdij kerken en scholen te bouwen. De monniken werden door de moslimbevolking zeer gewaardeerd. Zo dienden het klooster, haar modelboerderij en haar werkplaatsen zowel de spirituele als de materiële belangen van dit ontwikkelingsland.

Toen dom François Régis in 1854 als procurator naar Rome vertrok, werd hij vervangen door dom Augustin Charignon (1856 1893). Daarna kwamen dom Louis de Gonzague Martin (1893 1898) en dom Louis de Gonzague André (1898 1904) aan het hoofd van de stichting. Om aan een mogelijke uitwijzing en inbeslagname te ontsnappen, bracht deze laatste zijn communiteit over naar Maguzzano in Noord-Italië.

 
 
2. Nieuw Caledonië en Australië: Notre Dame des Iles (Onze-Lieve-Vrouw van de Eilanden)

 

Op aanvraag van de apostolisch vicaris richtten de paters maristen zich in 1876 tot de abt van Sept Fons, dom Jehan de Durat, met het aanbod van een stichting in Nieuw Caledonië, dat sinds 1853 tot de Franse Overzeese Gebieden behoorde. Dom Jehan aanvaardde. Nog vóór het vertrek ontving dom Ambroise Jenny de abtzegen voor de nieuwe stichting. Die kreeg de naam Notre Dame des Iles, zoals door paus Pius IX was voorgeschreven. Drie jaar later al, in 1879, stond het generaal kapittel van de congregatie toe dat de communiteit naar Australië werd overgeheveld, maar de verhuis ging niet door. In 1888 stelde hetzelfde kapittel tevergeefs voor de monniken van Notre-Dame des Iles naar Palestina te sturen, waar een stichting overwogen werd. In 1890 keerden de monniken naar Frankrijk terug.

Ze waren nauwelijks terug thuis, of paus Leo XIII en de kardinaal-prefect van de Propaganda Fide vroegen hen een klooster te stichten in Beagle-Bay in Kimberley, een onmetelijk gebied in Noord-West-Australië. In 1892 vertrokken dom Ambroise en enkele monniken dus opnieuw. In zekere zin ging het om een overbrenging van het klooster van Nieuw-Caledonië. In 1898 moest de abt om gezondheidsredenen zijn ontslag geven. Twee jaar later verlieten de monniken de plek en keerden ze uitgeput naar Sept-Fons terug.

 

 

3. Zuid-Afrika: Mariannhill

 

In het Bosnische Marija Zvijezda (in het Duits Mariastern), nabij Banja Luka, had dom Franz Pfanner van 1869 tot 1879 toegezien op het lot van wat meer weg had van een kleine stad dan van een klooster. Op het generaal kapittel van 1879 werd het klooster tot abdij verheven. De dag na die beslissing stemde dom Franz erin toe te vertrekken voor een stichting in Zuid-Afrika. Hij vestigde zich in Natal, tussen de bruine bergen op enkele kilometers van Durban. De naam van de stichting, Mariannhill (‘Maria-Anna-heuvel’ vertaalt de Grote Winkler Prins), wilde een dubbel eerbetoon zijn aan Onze-Lieve-Vrouw en aan Sint-Anna.

Zodra de gepaste plaats gevonden was, zetten dom Franz en eenendertig monniken uit Bosnië zich aan het werk. Het klimaat was uitstekend en de vruchtbare grond bracht in korte tijd een overvloed aan producten op: koffie, suikerriet, ananas, bananen en groenten. Spoedig werd het klooster gebouwd. Naast de voor het goed functioneren van een klooster noodzakelijke werkplaatsen, kwam er ook een drukkerij en werden scholen uit de grond gestampt. En weldra werden de monniken missionarissen, niet alleen in Swaziland, Lesotho en Botswana, maar ook in het Oost-Afrika, dat in die tijd Duits koloniaal gebied was.

Iedere missiepost zag eruit als een klooster in zakformaat. Hij werd bevolkt door enkele priesters en een zestal lekenbroeders, bijgestaan door een kleine communiteit van zusters die behoorden tot een nieuwe congregatie die dom Franz had gesticht om het onderwijs te verzekeren in zijn steeds talrijker wordende scholen.

De Orde maakte zich zorgen over deze gang van zaken. In 1892 gaf dom Franz zijn ontslag. Hij trok zich terug in de missiepost ‘Emmaüs’ om er als kluizenaar te leven tot aan zijn dood, op 84-jarige leeftijd, in 1909. Vijf jaar voordien was Mariannhill volledig losgekoppeld van de Orde en was het een nieuwe afzonderlijke missiecongregatie geworden.

 

 

4. Syrië: Notre Dame du Sacré Coeur (Onze-Lieve-Vrouw van het Heilig Hart) in Akbès

 

Toen de monniken in Frankrijk rond 1880 met uitdrijving werden bedreigd, zocht de abt van Notre-Dame des Neiges, dom Polycarpe Marthoud, een toevluchtsoord in het Midden-Oosten. Hij trok eerst naar Egypte en Libanon, vond daar zijn gading niet en belandde zo in Syrië. Daar kocht hij in juni 1881een goed in het dorpje Cheikhlé, vlak bij Akbès.

In 1882 kwamen er vijfentwintig monniken toe. Ze brachten onmiddellijk 154 hectaren grond in cultuur. Het jaar daarop al hechtte het generaal kapittel zijn goedkeuring aan de stichting. Roepingen kwamen er niet, want handenarbeid en vooral landbouw was toch maar iets voor arme fellahs (boeren)! In deze communiteit verbleef zeven jaar lang broeder Albéric Marie, beter bekend als Charles de Foucauld. Hij kwam ernaartoe als novice van Notre-Dame des Neiges en legde er op 2 februari 1892 zijn tijdelijke geloften af.

Het klooster werd door de Turkse moslims bedreigd in 1893 en 1895, en daarna nog eens in 1909 en in 1915, het jaar van de genocide op de Armeense bevolking. In dat jaar ontruimden de monniken de kloostergebouwen, die ze pas in 1900 hadden betrokken. In 1920 werden de leegstaande gebouwen vernield. In 1894 was het klooster van filiatie veranderd en onder de rechtsmacht van Staouëli gekomen; de abt van Notre-Dame des Neiges, dom Martin Martin, was een broer van de abt van Staouëli, dom Louis de Gonzague Martin.

 

 

5. China: Notre Dame de Consolation (Onze-Lieve-Vrouw van Vertroosting)

 

In 1870 nam Monseigneur Delaplace, apostolisch vicaris van Peking, in Rome deel aan het Eerste Vaticaans Concilie. Hij ontving er van de gravin van Stolberg een som geld voor een stichting in China. Hij richtte zich eerst tot verschillende karmelietessenkloosters; de karmelietessen van Bayonne gingen op zijn voorstel in, maar strandden al op de kade van Marseille. De prelaat wendde zich toen tot de trappisten. In 1882 zond hij een missionaris naar Frankrijk om monniken te zoeken voor China.

De abt van Sept Fons, dom Jérôme Guénat, vroeg de prior van Tamié, dom Ephrem Seignol, deze stichting op zich te nemen. Nog in 1882 ging dom Ephrem scheep naar China. In het noorden van het land, in een onherbergzame vallei buiten de grote Chinese muur, legde hij met de hulp van enkele broeders en twee monniken de fundamenten van Notre-Dame de Consolation.

In 1886 zond dom Ephrem pater Bernard Favre naar het generaal kapittel van de congregatie. Het nieuwe klooster werd er tot de rang van priorij verheven en pater Bernard tot prior benoemd. De nieuwbakken prior keerde terug naar China, waar dom Ephrem zich terugtrok en de laatste maanden van zijn leven (hij stierf in 1887) doorbracht in nederigheid.

Dom Bernard Favre was geboortig van Thoissey, in het Zuid-Oost-Franse departement Ain. Hij was veertien jaar toen hij op 4 september 1868 intrad in de abdij van la Grâce Dieu, waar hij in 1876 zijn plechtige geloften aflegde. Toen de religieuzen in 1880 uit Frankrijk werden verdreven, vertrok zijn communiteit naar Oostenrijk, maar hij volgde hen niet. We zijn dan zijn spoor bijster tot hij op 14 december 1883 aankomt in Notre-Dame de Consolation in Yang Kia-Ping. Hij voegde er zich bij dom Ephrem, die sedert de lente ter plaatse was. Het voor de stichting gekozen gebied was woest en zogoed als onbereikbaar: vanaf Peking vergde het een tocht van vijf dagen over rotsen en woeste bergstromen en doorheen smalle kloven om de plaats te bereiken waar het nieuwe klooster moest verrijzen. Op 16 juni 1884 werden de eerste kloostergebouwen ingezegend.

Het duurde niet lang of er meldden zich Chinese novicen aan. De verantwoordelijken moesten op zoek naar monniken die de nodige leiding konden geven. Toen dom Bernard Favre in 1900 stierf, telde de abdij van Notre-Dame de Consolation meer dan 70 leden.

 

 

6. Japan

 

6.1. Hokkaido: Notre Dame du Phare (Onze-Lieve-Vrouw van de Vuurtoren)

 

Op 8 mei 1891 was Notre-Dame de Consolation tot de rang van abdij verheven. De nieuwe abdij werd bestookt met vragen om een stichting te doen. De eerste abt, dom Bernard Favre, ging op rondreis door Korea, Indo-China en Japan. De keuze viel op dit laatste land. Op het eiland Hokkaïdo kreeg hij langs de oceaan, midden het struikgewas van Hakodate, een uitgestrekte vlakte aangeboden die nog moest ontgonnen worden. Voor de eerste houweelslagen had men Europese monniken nodig. Dom Bernard maakte een rondreis langs de Franse, Belgische en Nederlandse kloosters en keerde terug met acht monniken.

De voorbereidende jaren van de stichting van Notre-Dame du Phare waren hard: een van de monniken stierf, een andere trad uit, maar dom Bernard gaf niet op. In de lente van 1896 kwam een monnik uit Frankrijk zich bij hen voegen in de hoedanigheid van prior. Het gaf de stichters nieuwe moed. De monnik was afkomstig van Notre-Dame de Bricquebec en heette dom Gérard Peullier (1897 1925).

De abdij van Bricquebec en haar abt, dom Vital Lehodey, namen de stichting nu voor hun rekening. Op 21 november 1896 werd het klooster officieel opgericht. Eigenlijk mag de stichting aan drie mensen worden toegeschreven:

·        dom Vital Lehodey, die pater Gérard Peullier zond en eerste pater immediatus van le Phare werd.

Op 1 maart 1898 werd dom Gérard officieel tot prior benoemd. De stichters waren Fransen, Belgen, Nederlanders en Italianen; de tweede groep (1898) bestond uit Fransen en Duitsers. Allen beloofden stabiliteit op 4 december 1898. De eerste reguliere visitatie door dom Vital Lehodey vond plaats in de lente van 1900. Dom Gérard Peullier liet zich tot Japanner naturaliseren: voortaan heette hij Okada Furie. In 1902 kwam een derde groep aan: twee Fransen en een Nederlander (een priester en twee broeders).

 

 

6.2. Tenshien : Notre-Dame des Anges (Onze-Lieve-Vrouw van de Engelen)

 

Op uitnodiging van Monseigneur Berlioz, bisschop van Hakodate, en dankzij zijn hulp en die van dom Vital Lehodey, abt van Bricquebec, gingen acht zusters uit Ubexy in 1898 over tot de stichting van Notre-Dame des Anges in Tenshien. De zusters hadden heel wat moeite om zich aan te passen en dat was vooral aan het klimaat te wijten. Twee moesten er naar Frankrijk terugkeren, maar in 1902 kwamen drie zusters van Ubexy, twee van Laval en twee van Mâcon de rangen van de communiteit versterken.

 

 

7. Israël: Latroun

 

Onder leiding van Pater Cléophas Vialet, een seculier priester, vestigden monniken van Sept Fons zich op het einde van 1890 in Palestina, nabij het dorp El Athroun. Ze stichtten er het klooster van Onze-Lieve-Vrouw van Smarten. Het doel van de stichting was in het Heilig Land een klooster van de Orde te vestigen dat als mogelijk toevluchtsoord kon dienen in geval van uitwijzing. De pioniers van de stichting waren allen moedige kerels, bereid de lasten en het labeur te dragen waarmee elke stichting gepaard gaat. Zij hadden veel te lijden van moeraskoorts en de moslimbevolking in de omgeving stelde zich wantrouwig en soms zelfs vijandig op. De monniken hadden een erg onvruchtbaar stuk land gekozen, maar langzamerhand begon de woestijn te bloeien en de bezoekers bewonderden het mooie en uitgestrekte domein.

 

 
8. Congo: Notre-Dame de Saint-Joseph (Onze-Lieve-Vrouw van Sint-Jozef)

 

Al in 1881 verzocht Leopold II, koning der Belgen, de abdij van Westmalle een stichting te doen in Belgisch Congo. In 1892 drong paus Leo XIII op zo’n stichting aan. In 1893 gaf het generaal kapittel zijn toestemming. Het jaar daarop al vertrokken er monniken uit België. Op 2 mei vestigden ze zich in Boma. Het hoofdhuis werd evenwel in Bokuma gebouwd, op een stoombootdagreis afstand van Coquilhatstad. Drie andere huizen werden gebouwd op zes stoombootdagreizen van Coquilhatstad : Bornania, Bokoté et Wafania.

 

 

 

 

Documenten

 

1. Ense et aratro

    (cf. Delpal 156)

 

Al wie ook maar enigszins vertrouwd is met de geschriften van Christian de Chergé, weet hoe die zich in Tibhirine, de twintigste-eeuwse opvolger van Staouëli, heeft verzet tegen het motto waaronder die laatste stichting tot stand is gekomen: ense et aratro, met zwaard en ploeg – ook in zijn ‘gekerstende’ vorm: ense, cruce et aratro, met zwaard, kruis en ploeg. Ense et aratro was het devies van maarschalk Bugeaud, die op 22 februari 1841 gouverneur-generaal van Algerije was geworden en zichzelf identificeerde met het ideaal van de Romeinse veldheer, die veroverde om beschaving te brengen (en voor de boeren die de Romeinen waren, was beschaving in de eerste plaats landbouw!). François Claude Philibert Tircuy de la Barre de Corcelle, afgevaardigde van het arrondissement Sées – dat La Trappe op zijn grondgebied heeft –, liberaal en pratikerend katholiek, die een grote achting had voor dom Hercelin, de abt van La Trappe, suggereerde voor de versteviging van het kolonisatiewerk een beroep te doen op monniken. We citeren uit een brief die de Corcelle in 1842 aan de minister van oorlog schreef:

 

Als de kolonie niet christelijk is, zal ze ook ophouden Frans te zijn. Vanuit dat oogpunt zou het beslist zeer heilzaam zijn een religieuze congregatie binnen te brengen in de landbouw van Algerije. De trappisten zouden daar bijvoorbeeld hun uiterst waardevolle ervaring op landbouwgebied kunnen inbrengen. Tegelijk zouden de monniken voorbeelden van heiligheid kunnen bieden die positief zouden kunnen inwerken op de verbeelding van de inlanders, die ondanks alle gebreken van de islam toch een bijzondere achting hebben voor mensen die een religieuze status hebben, vooral voor de katholieke priesters, die met hun leven een weldoende invloed uitoefenen. De missie van deze religieuzen zou er dan in bestaan precies met deze wapens de inlanders te onderwerpen.

 

 

2. Visitatie

    (Delpal 162-163)

 

1844. Omdat er in Staouëli een zekere malaise heerst, laat de plaatselijke bisschop zijn vicaris-generaal, kanunnik Plasse er op retraite gaan en meteen geeft hij hem ook de opdracht er in zijn naam een canonieke visitatie te houden. De kanunnik spreekt  met de prior en met de religieuzen (vooral met de 39 aanwezige koormonniken) en komt tot het volgende besluit:

 

Over het algemeen houden uw kinderen van hun staat, hun Regel en hun abt [sic; in plaats van ‘hun prior’], hoewel ik enkele uitzonderingen ben tegengekomen […] De zielen die God naar uw huizen brengt, zijn allemaal op een of ander vlak – op het vlak van het verstand, of van het hart… – goed en edel, maar alle – of bijna alle – zijn zij onkundig van zelfs maar het minste beginsel van innerlijk leven, laat staan dat ze iets van het kloosterleven zouden afweten. Het is dus absoluut noodzakelijk ze de kennis van hun nieuwe staat bij te brengen. Boeken lezen volstaat niet, hoe oordeelkundig men ze ook kiest [achter deze redenering gaat een sulpiciaans vormingsmodel schuil: de priestermonniken moeten zich op de eerste plaats hun ‘deugden van staat’ eigen maken; ‘boekenkennis’ komt op de tweede plaats]. U moet hen telkens en telkens opnieuw zeggen en uitleggen in doctrina sana [zinspeling op Bernardus] wat de beginselen zijn van zo’n leven, zodat u de zielen voorbereidt op de grote verzoekingen die hen te wachten staan.

 

De kanunnik vermeldt dan dat hij heel wat persoonlijke gesprekken heeft gehad met koormonniken en broeders. Het kostte hen veel moeite om hun hart voor hem te openen. Hun confidenties hebben hem geroerd. Hij knoopt er de volgende beschouwingen aan vast:

 

Het zou de abt [dom Régis] soms ontbreken aan een hart dat echt medelijden kan opbrengen voor hen die lijden. Bovendien zou de eerwaarde abt vaste uren moeten hebben waarop hij zijn monniken voor begeleiding ontvangt en daar uitsluitend over spirituele zaken spreken. Het woord is meer dan eens gevallen: men spreekt hier alleen maar over werk, nooit over devotie: ‘Men vraagt ons of wij gewerkt hebben. Men vraagt ons niet of we de plichten van onze devotie hebben vervuld.’

 

 

 

 

Bibliografie

 

Bouton, Jean de la Croix, Cisterciënzer fichen. Geschiedenis der Orde III, deel 7, fiche 116, s.l., s.d., p. 921-928.

Delpal, Bernard, Le Silence des moines. Les Trappistes au XIXe siècle. France - Algérie - Syrie, Parijs, Beauchesne, 1998.

Quatrocchi, Paolino Beltrame, Monaci nella tormenta. La passio dei monaci trappisti di Yan-Kia-Ping e di Liesse testimoni della fede nella Cina di Mao-Tze-Tung (Cîteaux, Commentarii cistercienses – Textes et Documents, vol. III), Cîteaux, 1991.

 

 

 

 

Aanzetten tot persoonlijke reflectie en tot uitwisseling

 

De in dit dossier besproken stichtingen dienen gesitueerd tegen de achtergrond van de politieke, economische en culturele situatie van de tweede helft van de negentiende eeuw. Zij zijn ondenkbaar zonder de (Franse) koloniale expansie, waarbij de religieuzen die in la France métropolitaine werden vervolgd, in de kolonies en in het buitenland werden ingezet als pionnen van de Europese, meer bepaald Franse belangen en cultuur.

  1. Hoe staan wij daar nu tegenover?
  2. Hoe zijn de monniken van toen met dat gegeven omgesprongen? In welke mate speelden zij de hun toebedachte rol? In welke mate en hoe ontsnapten zij daaraan? In welke mate spelen wij nu de ons toebedachte culturele rol en in welke mate ontsnappen wij daaraan?
  3. Over het algemeen zijn wij nu voorstanders van culturele verscheidenheid en willen wij ieders culturele eigenheid eerbiedigen.
    1. Hoe ervaren wij op dit vlak de doorwerking van het verleden in het heden? Zijn de Franse wortels van de Orde nog altijd voelbaar? Bespeurt u bijvoorbeeld die Franse invalshoek nog in het opzet en de uitwerking van Observantiae?
    2. Dreigt het concept zelf van culturele verscheidenheid geen neokoloniaal exportproduct te worden?
  4. Uit de documenten blijkt dat de politieke ideologie er in Staouëli voor heeft gezorgd dat het evenwicht tussen werken en bidden finaal de mist in ging. De monniken waren meer slachtoffer van de politieke context dan zij konden vermoeden. In hoeverre tasten de mondialisering van de economie en het heersende ‘economisme’ als laatste ideologie van het Westen openlijk of onderhuids nú dit evenwicht in onze gemeenschappen aan?

 

AANVULLENDE BIBLIOGRAFIE

 

bij de Nederlandse editie

 

 

Hendrix, Guido, Negen eeuwen Cîteaux. Selectie uit cisterciënzer- en trappistenpublicaties 1990-1997, Leuven, Bibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid, 1998. Dit werkje biedt een gecommentarieerde bibliografie voor de aangegeven periode. We hebben het dankbaar gebruikt voor onderstaande aanduidingen, maar het bevat ook waardevolle gegevens over publicaties in andere talen dan het Nederlands.

Hoste, Anselm e.a., De glans van Cîteaux in de Nederlanden. 900 jaar cisterciënzerabdijen 1098-1998, Brugge, Stichting Kunstboek, 1997.

Lenssen, Seraphinus OCSO, Cistercienser Hervormingen, [Hattem] 1989 (19651). Een aanrader voor wie vanuit het hart wil nadenken over hervorming en observantie.

Van Heijst, A. en Derks M., Trappisten van de Achelse Kluis, een bewogen geschiedenis, Achel, Abdij Sint-Benedictus, 1996.

Verwulgen, Fred, Omtrent de Trappisten. 200 jaar abdij te Westmalle, Westmalle, Davidsfonds, 1994.

Veulemans, Jan, Monniken in de Kempen. Twee eeuwen abdij Westmalle, Turnhout, Brepols, 1994.

Goyvaerts, Lisbet e.a., ‘Cîteaux 900 jaar’ in Monastieke Informatie 174A (1998) 1-56. Dit extra nummer van Monastieke Informatie is grotendeels geschreven door zusters van de abdij Nazareth in Brecht. Het biedt een beknopt en toch omvattend, van binnenuit geschreven overzicht van de geschiedenis van de Orde.

750 jaar Sint-Bernardusabdij, Hemiksem, Continental Publishing, 1996.