13

 

DE CISTERCIňNZERCONGREGATIES IN ITALIň

 

Dossier: zuster Anna-Maria Caneva, Vitorchiano

 

 

 

 

Voor we nader ingaan op het thema van de cisterciŽnzercongregaties in ItaliŽ, moeten we enkele woorden wijden aan het prille begin en de eerste eeuwen van het cisterciŽnzerleven in ItaliŽ. Spijtig genoeg beschikken we slechts over weinig documenten in verband met die eerste stichtingen.

La Fertť deed zijn eerste stichting in ItaliŽ in 1120, Morimond in 1136, Clairvaux in 1135. Ook werden in die vroege jaren bestaande kloosters hervormd, onder meer Casamari en het huidige Tre Fontane, beide in 1140. In een mum van tijd verspreidden de cisterciŽnzers zich over het hele schiereiland. Het aantal stichtingen van mannen- en vrouwenkloosters liep hoog op. De bevolking rond de abdijen voer wel bij de aanwezigheid van deze vurige en hard werkende communiteiten. Op het einde van de Middeleeuwen telde ItaliŽ 88 mannenkloosters en liep het aantal vrouwenkloosters vermoedelijk nog hoger op.

De cisterciŽnzercongregaties op het Italiaanse grondgebied dateren van het einde van de vijftiende eeuw. Een uitspraak als Ďde Italiaanse cisterciŽnzercongregaties zijn ontstaan als antwoord op de vorming van nationale statení is juist, maar te vaag. Ze snijdt alleen hout als ze wordt genuanceerd.

De politieke eenmaking van ItaliŽ dateert pas van 1870. Eeuwenlang werd het land overheerst door de belangrijkste Europese machten. In die context is het juister te beweren dat het ontstaan van de congregaties een reactie was op concrete noden van politieke en van kerkelijk-religieuze aard. Van politieke aard: de verhoudingen met de adellijke huizen, die elk hun eigen invloedssfeer hadden, lieten hun sporen naÖ Van kerkelijk-religieuze aard: hier vormen het verblijf van de pausen in Avignon (1309-1377), de zogeheten ĎBabylonische ballingschapí van de pausen, en het daaropvolgende Westerse Schisma (1378-1417) beslist het voornaamste gegeven. Dat had ook voor ItaliŽ rampzalige gevolgen. Concreet: abten moesten in die tijd door de paus worden benoemd en bekrachtigd en op die officiŽle handelingen werden taksen geheven die des te hoger waren omdat de kerkvorst in het Ďbuitenlandí resideerde en de uitbouw van een pauselijk hof daar handenvol geld kostte. Die belastingen betekenden dikwijls een flinke hap uit het niet altijd riante budget van de abdijen. Bovendien heeft het schismavan de Westerse Kerk de verbondenheid tussen de verschillende Europese landstreken aangetast. Frankrijk steunde de paus van Avignon. CÓteaux raakte zo door zijn ligging in Frankrijk geÔsoleerd van de rest van de Orde. Dezelfde situatie gold ook voor andere religieuze orden. Het ligt voor de hand dat hun vestigingen buiten Frankrijk uitkeken naar nieuwe mogelijkheden om zich te groeperen en organiseren. DŠt is de concrete context waarbinnen de Italiaanse congregaties zijn ontstaan en een vernieuwingsbeweging op gang is gekomen.

 

 

1. De aanloop tot de congregatievorming

 

De eerste cisterciŽnzercongregatie was de congregatie van CastiliŽ, ontstaan in 1425 (zie dossier 3). De hervormers hadden zich hier laten inspireren door de hervorming die Ludovico Barbo in het benedictijnerklooster van Santa Giustina in het bisdom Padua had doorgevoerd. De Italiaanse congregatie van Sint-Bernardus tapte uit hetzelfde vaatje. Haar oprichting liep niet van een leien dakje, maar het uiteindelijke resultaat was de vrucht van het hervormingswerk van Gomez, een leerling van Barbo in het voormalige benedictijnerklooster van Settimo, dat in 1237 was overgegaan naar de cisterciŽnzers. Geest, drijfveren en juridische structuur van de Italiaanse congregatie van Sint-Bernardus waren van bij haar ontstaan dan ook die van de congregatie van Santa Giustina.

De hele cisterciŽnzeropleving in ItaliŽ begon dus in het klooster van Settimo bij Florence, in de jaren 1430-1440. De hervormers van Santa Giustina die voor de hervorming van het klooster te hulp werden geroepen, konden rekenen op de steun van paus Eugenius IV en van de commendataire abt, kardinaal Domenico Capranica. In een tweede fase stuurde Settimo zelf monniken uit om het benedictijnerklooster van San Bartolo in Ferrara (1464) en het cisterciŽnzerklooster van Chiaravalle in Milaan (1466) te hervormen. Aanzien en invloed van Settimo en Chiaravalle namen op korte tijd zo toe, dat Innocentius VIII op het einde van 1484 in Toscane en in 1489 in Lombardije telkens een congregatie van Sint-Bernardus oprichtte.

Dat in het geval van Settimo de Mediciís en in dat van Chiaravalle de Sforzaís een belangrijke rol hebben gespeeld, zal wel geen betoog hoeven. Pittig detail, niet onbelangrijk voor het verloop van de hervorming: Ascanio Maria Sforza (1445-1505), de jongste zoon van Francesco I (1401-1466), die door tussenkomst van zijn vader al op tienjarige leeftijd commendataire abt van Chiaravalle was geworden, kreeg in 1489 ook de commende over het klooster van San Ambrogio in Milaan. Hij trok er de hervorming op gang door er monniken van Chiaravalle binnen te brengen. Een handige zet van de Sforzaís: daarmee werd Ďhuní San Ambrogio bij wijze van spreken de tegenhanger van de befaamde Certosa di Pavia, het kartuizerklooster even benoorden die stad, dat in 1396 was gesticht door Gian Galeazzo Visconti, hertog van Milaan. Vergeten we niet dat Francesco Sforza aanvankelijk maar een van die beruchte vijftiende-eeuwse condottieri (huurlingenleiders) was die contractueel voor een vorst oorlog voerden; hij stond in dienst van de Viscontiís en slaagde erin door zijn huwelijk met een natuurlijke dochter van Filippo Maria Visconti, zelf hertog te worden; zo volgden de Sforzaís de Viscontiís op als hertogen van Milaan...

 

 

2. De congregatie van Sint-Bernardus in ItaliŽ

 

Met de bul Plantatus in agro dominico van 23 december 1497 gaf paus Alexander VI (1492-1503, wel eens omschreven als Ďde slechtst befaamde der renaissancepausení) zijn goedkeuring voor de nieuwe congregatie van Sint-Bernardus in ItaliŽ. Hij ging daarmee in op het uitdrukkelijke verzoek dat in naam van de Lombardische monniken tot hem was gericht door Ludovico Sforza (1452-1508), hertog van Milaan en oudste zoon van Francesco I. Twee kardinalen hadden bij de paus voor de goedkeuring gepleit: voor de Toscaanse provincie Francesco van San Eustachio en voor de Lombardische provincie Ascanio Maria van San Vito in Marcello (jawel, de broer van hertog Ludovico, commendataire abt van Chiaravalle en San Ambrogio!). De hergroepering omvatte acht Lombardische en zeven Toscaanse kloosters. Via stichtingen en verzoeken tot aansluiting liep hun totale aantal in de achttiende eeuw op tot vijftig. Het generaal kapittel kwam jaarlijks samen en was samengesteld uit de prelaten (abten) van de kloosters en per klooster een door de communiteit gekozen gedelegeerde (Ďun discretoí, zoals de Italianen zo mooi zeggen). Alle deelnemers hadden actief kiesrecht voor de definitoren.

In de bul van 1497 waren de basisrichtlijnen voor het bestuur van de congregatie uitgetekend. Bij het begin van het kapittel verklaarde de president alle prelaten en visitatoren vervallen van hun functie en bood hij ook zelf zijn ontslag aan. Dan ging men over tot het verkiezen van nieuwe definitoren en werd uit hun rangen de nieuwe president gekozen. Samen hadden zij voor de duur van het kapittel het volle gezag over de congregatie. De definitoren hielden zich bezig met de zaken die de hele congregatie aanbelangden. Zij konden monniken van het ene naar het andere klooster overplaatsen Ė de gelofte van stabiliteit werd inderdaad afgelegd voor de congregatie en niet voor het klooster waartoe men behoorde. Zij konden vastleggen waar de problemen van de afzonderlijke kloosters en van de congregatie lagen. Zij kozen de prelaten, de visitatoren en de belangrijkste officianten van de congregatie. De overste kon herkozen worden voor een termijn van drie jaar; daarna kon hij naar een ander klooster gestuurd worden, om een jaar later naar het eerste terug te keren. Dezelfde regeling gold voor de biechtvaders van de monialen.

CÓteaux reageerde zo fel, dat het erin slaagde in 1501 de bul te doen herroepen. De overwinning was echter van korte duur. Paus Julius II (1503-1513) blies de congregatie inderdaad nieuw leven in. De grondlijnen voor haar werking bleven nagenoeg dezelfde als bij de eerste goedkeuring. Het generaal kapittel moest bij toerbeurt in een van de twee provincies worden gehouden en de president moest dan afkomstig zijn van de andere provincie dan die waar het kapittel werd gehouden. Iedere provincie had zeven definitoren. Per provincie waren en twee visitatoren, een major en een minor, die elkaar om beurten in de twee provincies vergezelden. In de commendataire abdijen had de prior het recht van actieve en passieve deelname aan het kapittel; hij werd daarbij vergezeld door un discreto, gekozen door de communiteit. De voorzitter van de congregatie werd in de pauselijke documenten president of president-generaal genoemd.

Deze statuten, die, zo mag uit het bovenstaande blijken, niet zomaar uit de lucht waren komen vallen, hadden een positieve uitwerking. Ze bevorderden het herstel van de reguliere observantie en de onderlinge hulp tussen de kloosters. En nu de band tussen de kloosters en het centrum van de Orde minder sterk was, hadden de plaatselijke machthebbers veel minder moeilijkheden met hun bestaan. Dat neemt niet weg dat men ver afstond van de statuten en de vurigheid van de beginperiode van CÓteaux.

Spijtig genoeg bleek bij alle religieuze orden in de zestiende eeuw steeds duidelijker dat maatregelen die van binnenuit kwamen, ruimschoots onder de maat bleven. Meer dan ooit werd men zich ervan bewust dat hervormingen van hogerhand moesten komen. Het concilie van Trente vaardigde een nieuw statuut uit voor de religieuze orden, maar de concrete impact daarvan bleef Ė bijna uiteraard Ė uiterst beperkt. Gedurende de hele zeventiende eeuw zou de vernieuwing van het religieuze leven dan ook gestuurd worden door pauselijke initiatieven.

Dat neemt niet weg dat in die moeilijke jaren veel monniken en monialen binnen de Orde een heilig leven leidden: sla er het cisterciŽnzermenologium maar op na.

 

 

3. De andere congregaties in ItaliŽ

 

3.1. De congregatie van CalabriŽ en Lucania

 

Het generaal kapittel van CÓteaux had dus heel wat weerwerk geleverd, maar zag uiteindelijk in dat de vereniging van kloosters in congregaties heel wat voordelen bood. Elders in ItaliŽ bevorderde het nu zelf de vorming van congregaties. In 1605 werden zeven abdijen in Zuid-ItaliŽ verenigd in de congregatie van CalabriŽ en Lucania. Via haar abt-president was de congregatie verbonden met de Orde van CÓteaux. Later sloten de overgebleven kloosters van de congregatie van Fiore zich hierbij aan. Twee vertegenwoordigers konden deelnemen aan het generaal kapittel van CÓteaux en de Orde kreeg ook de contributies waar zij om vroeg. Het provinciaal kapittel, dat iedere drie jaar bijeenkwam, behield een zekere autonomie. Voorzitter ervan was de president van de congregatie. De congregatie was nooit erg krachtig. Toen in sommige kloosters de gewoonte ontstond de gelofte van stabiliteit achterwege te laten, trad het generaal kapittel van CÓteaux daar in 1672 tegen op. In 1686 bleek een visitatie van de generale procurator van de Orde nodig om de congregatie te hervormen in capite et membris.

 

3.2. De Romeinse congregatie

 

Het generaal kapittel stond in 1613 ook zelf aan de bakermat van de Romeinse cisterciŽnzercongregatie. Die omvatte behalve de kloosters op het grondgebied van de Kerkelijke Staat ook een paar kloosters uit het koninkrijk Napels. Door de abt van CÓteaux en het generaal kapittel het laatste woord toe te kennen in de aangelegenheden van de congregatie, werd ervoor gezorgd dat deze binnen de Orde bleef. Zo was het gezag van de president van de congregatie en van zijn raad feitelijk zogoed als onbestaande. De abten werden gekozen voor vier jaar en ook het generaal kapittel kwam iedere vier jaar bijeen.

De grote materiŽle armoede en het gebrek aan roepingen zorgden ervoor dat de congregatie zich moest aansluiten bij de Toscaanse provincie van de Italiaanse congregatie van Sint-Bernardus. Op 5 maart 1660 keurde Alexander VII die aansluiting goed met de bul Pastoralis officio, waarbij de leden van de voormalige Romeinse congregatie verplicht werden de constituties van de Toscaanse provincie te volgen. Het valt licht te begrijpen dat een inlijving van dit soort een lange nasleep van moeilijkheden tot gevolg had. Pas in 1762 werden, om onbekende redenen, de kloosters die eens de Romeinse congregatie hadden uitgemaakt, losgemaakt van de Toscaanse provincie en vormden ze een afzonderlijke provincie, de Romeinse, binnen de congregatie van Sint-Bernardus.

Toen groothertog Leopold I van Toscane in 1783 de kloosters in zijn gebied ophief en toen in 1799, drie jaar na de verovering van ItaliŽ door Napoleon Bonaparte, de Cisalpijnse republiek ook de Lombardische kloosters sloot, bleef alleen de Romeinse provincie van de congregatie van Sint-Bernardus voortbestaan. Het in Rome gelegen klooster van Santa Croce in Gerusalemme, dat de zetel was van de procurator bij de Heilige Stoel van de opgeheven Lombardische provincie van de Italiaanse congregatie en ook onderdakbood aan het college van haar priesterstudenten, werd aan de Romeinse provincie gehecht.

 

3.3. De congregatie van Fiore

 

De congregatie van Fiore was gesticht door Joachim van Fiore (1130-1202). Overtuigd dat het komende rijk van de Heilige Geest nabij was, had deze voormalige cisterciŽnzerabt, die in CalabriŽ beÔnvloed was door de hang naar oosterse ascese en kluizenaarsleven die de Griekse monniken er hadden binnengebracht[1], de Orde verlaten en een nieuwe gemeenschap gesticht die zich radicaal van de wereld wilde afkeren. Al gauw volgden andere kloosters en de nieuwe groep kreeg op 25 augustus 1196 het fiat van paus Celestinus III. De congregatie nam veel uiterlijke dingen van de cisterciŽnzers over, maar haar spiritualiteit had veel weg van die der latere franciscanen. Ze kende een grote groei en omvatte op een bepaald moment een zestigtal kloosters. In de tweede helft van de zestiende eeuw was ze op sterven na dood. In 1570 keurde paus Pius V goed dat de overgebleven kloosters terugkeerden in de schoot van CÓteaux.

 

3.4. De congregatie van Corpus Christi

 

De congregatie van Corpus Christi werd in 1328 gesticht door de zalige Andrea di Paolo, cisterciŽnzermonnik van Monte Subasio. Samen met de monniken die hem en zijn ideaal waren gevolgd, maakte hij zich los van de cisterciŽnzerorde. Gregorius XI keurde de congregatie goed in 1377. Op geen enkel moment van haar bestaan was ze onderworpen aan de jurisdictie van de Orde, net zomin trouwens als de congregatie van Fiore en die van de feuillanten. Op 1 maart 1582 deed Gregorius XIII de overgebleven kloosters aansluiten bij de benedictijnen van de congregatie van Monte Oliveto.

 

3.5. De congregatie van de feuillanten

 

De congregatie van de feuillanten werd gesticht door Jean-Baptiste de la BarriŤre bij de hervorming van het klooster van Feuillant, bij Toulouse, in 1577 (zie dossier 5). Hij verliet de Orde omte kunnen leven volgens een uiterst strenge observantie. Het Italiaanse deel van de congregatie van de feuillanten werd in twee provincies verdeeld: de provincie van Piemonte-Savoye en de Romeinse provincie, die alle andere kloosters bijeenbracht. De monniken die de repressie van de Revolutie en van Napoleon overleefden, werden in 1802 door Pius VII bij de Romeinse cisterciŽnzercongregatie ingelijfd.

 

3.6. De congregatie van de …troite Observance

 

De congregatie van de …troite Observance, in Frankrijk opgericht door apostolisch visitator kardinaal de la Rochefoucauld, telde in ItaliŽ maar twee kloosters: Buonsollazzo bij Florence, dat in 1705 overging naar de observantie van La Trappe, en Casamari in Ciociaria, dat in 1717 aansloot bij dezelfde observantie.

 

 

4. De gevolgen van het concilie van Trente

 

ĎNauwelijks een begin van verbeteringí, schreef Carolus BorromeŁs in een brief van 1584, sprekend over de Milanese abdij van Chiaravalle. Het zou nog ettelijke jaren duren voor zijn conflict met de cisterciŽnzermonniken werd bijgelegd. De H. Carolus had weinig waardering voor deze monastieke gemeenschap. Misschien speelden ook territoriale en financiŽle belangen mee. Zo was er de kwestie van het beheer van het kloostercomplex. In elk geval is Ďwoeligí het beste adjectief om de verhouding tussen het klooster en de aartsbisschop te kenmerken. In werkelijkheid had de Italiaanse congregatie van Sint-Bernardus in ItaliŽ sinds haar oprichting in het begin van de eeuw over het algemeen een flink eind weg afgelegd. Ze had daarvoor geen andere richtlijn genomen dan de wetgevende bepalingen van de oprichtingsbullen. Ze had zich tot heel Noord-ItaliŽ uitgebreid, de roepingen hadden het aantal monniken voortdurend doen toenemen, maar ze was niet ontkomen aan een zekere verslapping. Zelfs de Toscaanse huizen die bij de hervorming het voortouw hadden genomen, maakten een ernstige disciplinaire crisis door.

Het hoeft ons niet te verbazen dat het naleven van de observantie op een laag pitje stond. Decadentie had immers de hele Kerk aangetast. De behoefte aan een hervorming op dat algemene niveau was ongemeen groot. De hervorming kwam er met het concilie van Trente (1545-1563). In ItaliŽ werd ze vrij snel concreet gemaakt. We laten maar in het midden wie, twintig jaar na het einde van het concilie, in het net vermelde geschil gelijk had: de monniken of de grote voorvechter van de Contrareformatie die BorromeŁs was. Sommige elementen van de hervorming waren niet gunstig voor een terugkeer naar het monastieke evenwicht volgens de oude cisterciŽnzertraditie. Zo blijkt uit de conciliedecreten een streven om de religieuze orden te structureren volgens een algemeen geldend schema en een steeds grotere klerikalisering op te leggen.

In het geval van de mannenkloosters uitte die onevenwichtigheid zich allereerst op het vlak van de pastoraal: de monniken werden almaar meer betrokken in onderricht, parochiezorg, prediking en wetenschappelijk onderzoek. Bovendien wonnen de congregaties aan belang, werd hun hiŽrarchische structuur nadrukkelijker, en werkten zij voor hun jonge leden een precies studieplan uit.

Ook de vrouwenkloosters waren aan hervorming toe. De schandalen waren hier niet uit de lucht geweest en vooral de gedwongen Ďroepingení van de jongste dochters van adellijke families hadden een kwalijk geurtje. Het concilie bood een dubbele remedie: het legde de slotplicht op en stelde die kloosters onder het gezag van de bisschop.

Kardinaal Morone, de beschermheer van heel de Orde, stelde tegelijk voor een bul uit te vaardigen waarin bepaalde wetten zouden veranderd worden, omdat ze moeilijk uitvoerbaar waren gebleken. De bul bepaalde dat de ambten om de drie jaar moesten wisselen; dus zou ook het generaal kapittel voortaan om de drie jaar bijeenkomen, werd de manier van verkiezen vernieuwd, enz.

Het algemeen kapittel dat in 1580 in het Romeinse klooster Tre Fontane werd gehouden, gaf ten slotte zijn fiat voor de Ordinationes et Statuta Congregationis Sancti Bernardi in Italia. Die werden op 25 september 1585 definitief goedgekeurd door Sixtus V en in 1589 samen met eenvroegere bul in Milaan gepubliceerd.We voegen er meteen aan toe dat Gregorius XIV door een bul van 6 september 1591 verklaarde dat de Italiaanse congregatie van Sint-Bernardus deelhad aan alle privileges die aan de Orde waren toegekend, met inbegrip van de voorrechten die de generale abt en de eerste vier stichtingen van CÓteaux betroffen. Daarmee was gezegd dat de Italiaanse congregatie niet buiten de Orde stond en dat haar oversten en monniken ten volle leden van de Orde waren.

Het opstellen van dat nieuwe geheel van wettelijke bepalingen had in de congregatie tot grote spanningen geleid. Dat corpus volgt het schema van de monastieke constituties zoals dat in de Nieuwe Tijd in zwang aan het komen was. Het bestaat uit 102 hoofdstukken, verdeeld in 5 delen. De belangrijkste nieuwigheden zijn: de bevestiging dat het generaal kapittel om de drie jaar bijeen moet komen Ė zodat het kapittel de werkelijke motor van de congregatie kan worden Ė en het feit dat de abt voor het leven gekozen wordt. De laatste nieuwigheid betrof evenwel niet zozeer het bestuur van het klooster, maar onderstreepte veeleer dat abten prelaten waren en daarom boven de Regel stonden Ė terwijl de Regel zelf de abt als de vader van het klooster ziet en een sterke band instelt tussen de abt en zijn klooster door van hem de materiŽle en geestelijke leider van de gemeenschap te maken.

Zowat vijftig jaar later verzocht de congregatie Urbanus VIII haar wetgeving te veranderen en bij de tijd te brengen. In 1641 keurde de paus de nieuwe constituties goed. Niet alleen werd de volgorde van de onderwerpen herzien, de tekst onderstreepte ook hoe belangrijk een strenge levensstijl en een gedegen culturele vorming wel waren. Wel vijf hoofdstukken (88-92) zijn gewijd aan de studies, en het klooster van Santa Croce in Gerusalemme te Rome werd aangewezen als studiehuis Pro litterarum studiis. Dit klooster moest onderdak bieden aan tien geprofesten van de Lombardische en vier van de Toscaanse provincie.

Een breve van 15 september 1668 schafte de discreti af die de communiteiten vertegenwoordigden op het generaal kapittel. Alexander VII (1655-1667), Clemens IX (1667-1669), Clemens XIII (1758-1769) en de Congregatie van de bisschoppen en religieuzen brachten nog verdere veranderingen aan. De definitieve tekst van de constituties verscheen in 1766 in Rome en in Milaan. In die tekst werd de periode voor de ambtwisseling en voor het houden van het generaal kapittel van drie op vijf jaar gebracht.

 

 

5. De achttiende eeuw: opheffing van kloosters bij wet

 

Het concilie van Trente had in de diepte gewerkt door nieuwe instituten van actief leven te doen verrijzen, zoveel is zeker. Tegelijk echter had het de oude monastieke orden opgezadeld met ernstige problemen van aanpassing aan de nieuwe historische omstandigheden. Het had ook bijgedragen aan de verzwakking Ďvan een helder inzicht in de plaats en de opdracht van het monastieke leven in het hart van de kerkelijke gemeenschapí, zoals dom Penco het uitdrukt. Dat het concilie alle religieuzen had gelijkgeschakeld om ze beter in zijn macht te krijgen, verhaastte nog de nivellering van de monastieke orden, die al begonnen was in de tijd van de hervorming van Santa Giustina.

Vervolgens onderstreepte het concilie het belang van de diocesane structuren, wat wrijvingen en moeilijkheden opriep tussen de bisschoppen en de monastieke orden waar die parochies hadden.

Ten slotte moest het monnikendom de confrontatie aangaan met een nieuwe culturele situatie die vroeg om pastorale vernieuwing en bestrijding van het protestantisme. Zo begon de tijd van de nieuwe congregaties van actief leven, die niet werden bezield door een louter contemplatief ideaal en niet gebonden waren aan al te strikte bestuursvormen. Langzamerhand vervaagde het primaat van het contemplatieve leven en verspreidde zich de vita mixta. Aan het begin van de achttiende eeuw beweerde men zelfs dat Ďgeestelijke bedieningen die men uitvoert ten bate van het heil van zijn broeders, aan God aangenamer zijn dan vurige contemplatieí. De contemplatieven ontleenden hun bestaansrecht aan hun geestelijke verdiensten en aan het voorbeeld van hun strenge leven.

Deze uitdagingen brachten vele monastieke congregaties ertoe zich te begeven in pastorale activiteiten en in een nieuwe of hernieuwde toeleg op de studies. Zo deden ook de Italiaanse cisterciŽnzercongregaties, hierbij geholpen door het feit dat hun wetgeving al enige tijd openheid voor studie had geschapen. Deze nieuwe verantwoordelijkheden hadden een belangrijke weerslag op de inwendige organisatie van de communiteiten en onvermijdelijk ook op de monastieke identiteit.

Door alle culturele veranderingen die in Europa plaatshadden op het einde van de zeventiende en in het begin van de achttiende eeuw, en die zich bijzonder sterk lieten voelen toen de verlichte despoten hun hervormingen begonnen door te voeren, verschoof het probleem van de monastieke identiteit: van een kerkelijke werd het een staatsaangelegenheid. In plaats van geestelijke en theologische waarden werden nu van langsom meer efficiŽntie, maatschappelijk nut en trouw van de religieuze instituten en orden aan de staat en haar wetten, naar voren geschoven.

De discussies over de religieuzen kennen in het achttiende-eeuwse ItaliŽ drie piekmomenten: rond de activiteiten van de Commission des rťguliers in 1765, toen Jozef II in het begin van de jaren 1780 in zijn rijk de religieuze orden ophief, en toen de Franse Revolutie er definitief komaf mee maakte.

 

5.1. Onder Maria-Theresia

 

In het deel van ItaliŽ dat afhing van Maria-Theresia van Oostenrijk en later van Jozef II, en dus uiteraard ook in het Toscane van groothertog Leopold I (de derde zoon van Frans I en Maria-Theresia, die van 1790 tot 1792 zijn broer Jozef als keizer en heerser over de Habsburgse landen opvolgde), beschouwden de vorsten zich als de verdedigers van het katholieke geloof. Bovendien meenden zij dat op hun schouders de last rustte van het geestelijke en materiŽle welzijn van hun onderdanen. Zo belichaamden zij ten voeten uit het ideaal van het verlicht absolutisme. Tegen deze achtergrond valt te begrijpen dat Maria-Theresia zich nogal welwillend opstelde ten opzichte van de kloosters: zij deed dit uit respect voor de adel. De jongste zonen van de adellijke families, die geen huwelijk konden sluiten op hetzelfde niveau als hun oudere broers, waren bestemd voor het monastieke leven. Inderdaad: Ďniet allen verbonden zich aan het leger of zochten een ambt in de maatschappij. Zodoende werden de kloosters toevluchtsoorden. Velen onderscheidden er zich door hun vroomheid en geleerdheid.í

Toch werden al in die periode kloosters opgeheven, en wel vanuit dezelfde ideologie: Ďverlichteí bekommernis om het geestelijke en materiŽle welzijn van de mensen. Vooral plattelandskloostertjes met maar enkele religieuzen moesten eraan geloven. De moraal was de religie aan het vervangen Ė even eraan herinneren dat Immanuel Kant in deze jaren zijn grote Kritike aan het uitbroeden is Ė en voor deze opheffing werden hoogstaande morele drijfveren ingeroepen: de uitgaven van spilzieke abten verminderen en de monniken terugbrengen tot een ingetogen leven en tot het onderhouden van de Regel door ze samen te brengen in grote stadskloosters. In Lombardije, dat na de Sforzaís onder de heerschappij, eerst van de Spaanse en sinds het einde van de Spaanse Successieoorlog (1714) van de Oostenrijkse Habsburgers was gekomen, kwam in 1769 een overeenkomst tot stand tussen burgerlijke en kerkelijke autoriteiten over de precieze canonieke regels die de Kerk in die tijd had uitgevaardigd. We merken hier concreet hoe het monastieke leven van een kerkelijke een staatsaangelegenheid aan het worden is, zoals we daarnet al suggereerden.

De curie moet dit hebben aangevoeld. Wat men er ook van zegt, heel dikwijls hadden de hoogste kerkelijke gezagsdragers Ė bewust of onbewust Ė een heel fijne neus voor de diepere stromingen van een tijdgeest, meer dan plaatselijke clerici, en namen zij besluiten die, voor wie ze aandachtig leest, het diplomatieke niveau ver overschrijden. Volgens de curie waren er maar twee situaties waarin een gedwongen opheffing gerechtvaardigd was. De ene kwam van buitenaf en had niets te maken met de betrokken religieuze orde als zodanig, de andere kwam van binnenuit. Zo kon een uiterlijke noodsituatie rechtvaardigen dat een klooster werd opgeheven om met de opbrengst van de verkoop de verdediging van christelijke gebieden tegen de Turken te financieren (vergeten we niet dat het Turkse leger in 1683 voor de tweede keer voor de poorten van Wenen had gestaan en Hongarije pas bij de vrede van Passarowitz van 1718 onder het Turkse bewind uit was gekomen; Ďde Turkení zijn eeuwenlang een schrikbeeld geweest aan de oostgrens van Europa). Van een innerlijke noodsituatie was sprake wanneer elke hervorming onmogelijk bleek of verval en losbandigheid zo ver gevorderd waren, dat geen hulpmiddel nog kon baten. Men stelde inderdaad dat Ďmen niet tot opheffing mag overgaan zolang hervorming mogelijk is, hoe ernstig de situatie ook is, anders zouden vroeg of laat alle orden gedoemd zijn te verdwijnení. Vandaar dat de curie zich hevig verzette tegen de omslag in de politiek die vanaf 1771 merkbaar werd.

 

5.2. Onder Jozef II

 

Na Maria-Theresia, die van 1740 tot 1780 aan het hoofd stond van het Habsburgse Rijk, kwam haar zoon Jozef II aan de macht. Hij was aanvankelijk slechts mederegent van zijn moeder, ook al droeg hij vanaf 1765 de titel van keizer van het Duitse Rijk. Van 1780 tot aan zijn dood in 1790 berustte de werkelijke macht bij hem. Hij ging met zijn politieke hervormingen veel drastischer te werk dan zijn moeder. Hij had in zijn nieuwe bestel ook een plaatsje voorzien voor de monniken. Die konden zich op tweeŽrlei wijze nuttig maken voor de staat: op economisch gebied door hun rijkdommen, op cultureel gebied door meer belang te hechten aan de studie. Het gaat hier duidelijk niet om een vernieuwing van binnenuit:

 

ĎOnze waakzame zorg heeft als eerste doel en oogmerk [Ö] te voorzien in de middelen die zowel de seculiere als de reguliere clerus een vast en comfortabel bestaan verzekeren, en hen nuttig te maken voor het vaderland en voor de burgermaatschappij. Dat nut zal niet alleen van hun deugden moeten komen, [Ö] maar ook van hun inzet om een bijdrage te leveren aan de openbare scholing: zij zullen via nuttige wetenschappen moeten opkomen voor de cultuur.í

 

Studeren kon voor de monniken onder meer een manier zijn om het verwijt van hun tijdgenoten te ontkrachten dat ze Ďhun dagen in ledigheid doorbrachtení. In de controverse die hierover was ontstaan, werden monniken inderdaad beschreven als Ďmensen wier leven opgaat in ondeugden, materiŽle verkwisting en ledigheidí.

Monniken werden dus geduld als ze zich inzetten voor de ethische en culturele verheffing van het volk. Niet alleen in de Italiaanse bezittingen van de Habsburgers, maar ook in de andere delen van hun rijk, had deze opvatting veel te danken aan het gedachtegoed van Ludovico Muratori, die na zijn priesterwijding in 1695 eerst bibliothecaris werd van de Bibliotheca Ambrosiana in Milaan en daarna, van 1700 tot aan zijn dood in 1750, bibliothecaris en archivaris van de hertog van Modena, en in die hoedanigheid een enorme hoeveelheid bronnen voor de middeleeuwse geschiedenis van ItaliŽ uitgaf. De man was dus een levend voorbeeld van de ethisch-culturele richting die hij de monniken wilde zien inslaan. Het eertijds zo bloeiende klooster van Morimondo werd in 1799 door de napoleontische wetten opgeheven omdat Ďdie monniken in doorsnee genomen van weinig of geen geestelijk nut zijn voor het volk, als ze de mensen al niet regelrecht de verkeerde weg voorhouden met het leven van nietsdoen dat de meesten van hen leidení. Omgekeerd deed het klooster van San Ambrogio, dat ook in 1799 werd opgeheven, om zijn heroprichting te verkrijgen een beroep op zijn verdienste op het gebied van het onderzoek van diplomatieke en andere archiefstukken.

Bij deze ethische en culturele vernieuwingsactiviteit waren Wenen en Milaan vol aandacht voor wat er in de andere Italiaanse staten gebeurde, met name in VenetiŽ waar al veel maatregelen waren getroffen. Nog altijd vanuit hetzelfde nuttigheidsdenken had de Venetiaanse minister Firmian Ďde benedictijnen van de congregatie van Monte Cassino en die van de cisterciŽnzercongregatie (sic) en de olivetanení willen laten voortbestaan; hij suggereerde hen onafhankelijk van Rome te handelen.

Opheffingen waren evenwel niet het enige politieke middel om het aantal religieuzen te verminderen:

 

ĎDe voornaamste punten [Ö] zijn: de leeftijd voor inkleding en professie vastleggen, [Ö] het aantal kloostertjes en congregaties beperken door er sommige op te heffen Ė wat zonder veel ophef kan gebeuren, gewoon door te verbieden nieuwelingen op te nemen Ė en onafhankelijk zijn van buitenlandse oversten.í Die maatregelen waren niet alleen heel efficiŽnt, maar zouden ook Ďde ziekte genezen waar vele religieuzen aan lijden, namelijk de overtuiging dat hun schittering afhangt van het aantal van hun kloostersí.

 

Dit zijn deels zachte maatregelen (niet bruutweg opheffen, maar langzaam doen uitsterven of op zijn minst Ďsanerení), deels maatregelen die thuishoren onder de landskerkelijke politiek van zowel Maria-Theresia en Jozef II als van kanselier Wenzel von Kaunitz-Rietberg (1711-1794), hun beider raadgever. Zoals eerder al gezegd, nam die politiek onder Jozef II, zowel door diens karakter als door de gewijzigde politiek-culturele situatie, drastischer vormen aan, maar in wezen gaat het om hetzelfde, ook al heeft de bemoeizucht van de man die wel eens de Ďkeizer-kosterí wordt genoemd, die houding de naam Ďjozefinismeí bezorgd.

De derde maatregel, de onafhankelijkheid van buitenlandse oversten, werd uitgevaardigd door het edict van 1781:

 

ĎDe religieuze huizen zullen worden geleid en bestuurd door hun eigen oversten [Ö] onder toezicht en controle van de aartsbisschop en de plaatselijke bisschoppen aan wie Zijne Majesteit de pastorale zorg over deze huizen toevertrouwt Ö en ook onder het gezag en toezicht van het burgerlijk bestuur.í

 

Een schrijven van kanselier Von Kaunitz aan collega-minister Firmian in de republiek VenetiŽ is in dit opzicht revelerend:

 

ĎUwe excellentie zal opmerken dat de voorgeschreven opheffing vooral de instituten van contemplatief leven zal treffen, omdat deze als gevolg van hun strikte teruggetrokkenheid, niet zichtbaar bijdragen aan het welzijn van de naaste en van de burgermaatschappij. Kartuizers, camaldulenzen en allen die als kluizenaar in afzondering leven, vallen onverbiddelijk onder de opheffing. De meeste monialen verkeren in dezelfde situatie, omdat hun regel hen een leefwijze oplegt waardoor zij zich kunnen noch willen bezighouden met onderwijs aan de vrouwelijke jeugd of met het openen en beheren van scholen voor de vorming van die jeugd. Ik voorzie dat de uitvoering van dit vorstelijke bevel van 6 december 1781 in ItaliŽ veel opschudding zal teweegbrengen en op veel moeilijkheden zal stoten, vooral in verband met de monialen Ė er zijn immers nog veel, heel veel monialenkloosters, de monialen zelf zijn nog talrijk en veel slotzusters zijn van hoge geboorte [Ö] De monialen zullen ons meer zorgen baren dan de mannenkloosters.í

 

Dat wŠs ook zo. Het edict zorgde voor flink wat opschudding onder de bevolking, maar tegelijk was diezelfde bevolking er nu over het algemeen voor gewonnen dat de slotzusters werden Ďbevrijdí en weer een enigszins gewoon leven konden leiden. En in de vrouwenkloosters zelf? Daar heerste over het algemeen een goede religieuze geest en bijwijlen zelfs een krachtige spiritualiteit, zodat de zusters quasi moeiteloos de pastorale zorg van de bisschop aanvaardden. Dat neemt niet weg dat er ook veel misbruiken bestonden: je hoeft er de verslagen van de pastorale visitaties maar op na te lezen. Meestal ging het dan om de frivole en soms ronduit verdorven levensstijl van dochters van adel die door hun familie tot de kloosterstaat gedwongen waren, en om de feestjes die diezelfde verwanten ťn de vrienden er kwamen bouwen om de strenge levenswijze van die zielenpoten wat te verzachten.

Onder Ďde gekroonde revolutionairí, zoals Jozef II wel eens is genoemd, was er geen sprake meer van de voorzichtigheid en de attentie die de politiek van zijn moeder Maria-Theresia hadden gekenmerkt. De beschikkingen van de vorst hadden een drastische uitwerking. Na hem beterde het niet: de Revolutie en Napoleon deden er nog een schep bovenop.

Wij zijn op dit tijdvak wat uitvoeriger ingegaan, omdat het een scharnierpunt vormt in het bestaan van de kloosterorden. Wat de Oostenrijkse Habsburgers hebben gedaan, heeft onuitwisbare sporen nagelaten en navolging gevonden bij de andere Europese regeringen. De laatste decennia van de achttiende eeuw betekenen het einde van een tijdperk.

 

 

6. De achttiende eeuw: met uitsterven bedreigd

 

De Lombardische provincie van de Italiaanse congregatie van Sint-Bernardus behoorde, zoals we eerder zeiden, tot de groep contemplatieve kloosters die de regering wilde laten voortbestaan. Gezien de voorwaarden die het voor contemplatieven ongunstige regime aan dat voortbestaan stelde, mogen we hieruit rustig besluiten dat een groot deel van de monastieke communiteiten van deze provincie voldoende leden had en rijk genoeg was om nuttig te zijn voor de maatschappij. De statistieken geven ons gelijk: in 1784-85 telde

        San Ambrogio 30 priesters, 4 geprofesten en 10 lekenbroeders;

        Chiaravalle di Milano 25 priesters en 10 lekenbroeders;

        Chiaravalle della Colomba 10 priesters en 2 lekenbroeders;

        San Martino deí Bocci 19 priesters en 7 lekenbroeders,

en schommelde het aantal in de andere communiteiten tussen 10 en 14 leden. De kleinste communiteiten werden opgeheven in de periode van de Habsburgers, alle andere verdwenen rond 1799, met uitzondering van de kloosters in het hertogdom Parma (zie vier alineaís verder) en van Santa Croce in Gerusalemme te Rome, die pas in 1810 werden opgeheven.

De Toscaanse provincie van de Italiaanse congregatie van Sint-Bernardus leefde, zoals eerder vermeld, vijfentwintig jaar (1765-1790) onder het bewind van groothertog Leopold, die in alles het voorbeeld volgde van wat zijn moeder en broer in het door hen bestuurde Noord-ItaliŽ deden. Dat betekent dat hij tegenover de kloosterorden eerst een welwillende houding aannam, maar ze in een tweede fase ophief en reorganiseerde op een voor de maatschappij nuttige wijze. Hij ging zich rechtstreeks bemoeien met het bestuur van zowel mannen- als vrouwenkloosters en vaardigde nieuwe statuten uit, zelfs aangaande het interne bestuur.

Van de twintig cisterciŽnzerkloosters die Toscane in de achttiende eeuw rijk was, ging er een groot aantal in de tweede helft van de eeuw flink op achteruit. Niet alle abdijen behielden een voldoende aantal kloosterlingen om te overleven. Dat was bijvoorbeeld het geval voor het Florentijnse Cistello, dat altijd een vrij hoog aantal monniken had gehad; andere communiteiten hadden voordien ook altijd meer dan twaalf leden gehad. In schril contrast met de achteruitgang van deze kloosters in de tweede helft van de eeuw, staan Buonsollazzo en Casamari. Het Registro delle professioni monastichi van Buonsollazzo vermeldt voor de jaren 1710-1768, toen het huis de hervorming van de Rancť volgde, 109 professies, waarvan 67 van monniken en 42 van lekenbroeders. Het overlijdensregister van Casamari, waar de trappistenobservantie vanuit Buonsollazzo was binnengebracht, vermeldt van 1717 tot aan het einde van de eeuw 105 overlijdens.

We kunnen hier niet onvermeld laten wat Goffrede Viti ontdekte in de archieven van Casamari, namelijk dat Pius VI op 30 juni 1775 met de breve Alias pro parte bepaalde dat er tussen het einde van het noviciaat en de plechtige professie tien jaar tijdelijke professie moesten liggen. De drijfveren voor deze beslissing worden niet aangehaald, maar we kunnen wel vaststellen dat de registers de ene uittreding na de andere vermelden.

In 1782-1783 werden alle cisterciŽnzerabdijen in het groothertogdom Toscane opgeheven. Die van Emilia-Romagna werden bij de romeinse provincie gevoegd. Die was tot nieuw leven gewekt toen Clemens XIII op 12 februari 1762 de kloosters van de oude Romeinse congregatie losmaakte van de Toscaanse provincie (zie deel 3.2 van dit dossier). Aanvankelijk ging het om negen kloosters, maar in 1803 kwamen daar de kloosters bij van Parma (zie vier alineaís hoger) en Piacenza, de Marken, UmbriŽ en het koninkrijk Napels, zodat het uiteindelijk om tweeŽntwintig kloosters ging. Ze hielden zich aan de constituties van de congregatie van Sint-Bernardus die in 1641 waren goedgekeurd (zie het einde van deel 4 van dit dossier).

Over de congregatie van CalabriŽ en Lucania, waarvan de statuten op 12 juli 1633 door paus Urbanus VIII officieel werden goedgekeurd, mangelt het ons helaas aan historische gegevens. Vaststaat dat de zeven kloosters uit wier vereniging de congregatie aanvankelijk was ontstaan, alle werden opgeheven tussen 1780 en 1809. In elk geval bestonden er in de achttiende eeuw alles bij elkaar 55 cisterciŽnzerabdijen.

Pater Goffrede Viti komt in zijn onderzoek tot de bevinding dat het niet altijd makkelijk was binnen de kloosters een degelijk spiritueel peil en een minimum aan trouw aan de levensregel te handhaven. We zien inderdaad dat men van hogerhand zeer geregeld straffend moest optreden. Bij de meest berispte kloosters horen San Salvatore del Monte Amiata, Sagittario en Morimondo. Dat monniken zo dikwijls werden overgeplaatst heeft weinig met noodzaak en bijna alles met strafmaatregelen te maken. Het hoeft ons dan ook niet te verbazen dat de constituties van 1641 voorschreven in ieder klooster een gevangenis in te richten. In de congregatie van CalabriŽ en Lucania liep de situatie zo uit de hand, dat het generaal kapittel zich in 1738 verplicht zag in te grijpen Ė wat het in geen enkele andere congregatie heeft gedaan Ė en wel dertien maatregelen nam om de toestand te saneren.

In verband met de vijf kloosters op SiciliŽ hebben we op dit ogenblik alleen weet van drie brieven waarin moeilijke situaties ter sprake komen. De eerste is een schrijven van Ferdinando Diotallevi, abt van Santa Maria della Ferraria, over de reis die hij moest maken om in de Siciliaanse kloosters op visitatie te gaan. De tweede spreekt over maatregelen aangaande een broeder die wegens zedeloosheid uit de Siciliaanse provincie werd gezet. De derde is een rondschrijven waarin alle abten gewaarschuwd worden dat een monnik ontsnapt is uit de gevangenis van het klooster van Noto op SiciliŽ, waar hij Ďgastvrijheid genootí.

Voor de twee kloosters die tot de observantie van La Trappe behoorden, beschikken we over preciezere gegevens. Het leven blijkt er veel vuriger te zijn geweest. Voor Buonsollazzo geldt dat alleszins voor de eerste decennia, toen het klooster twee opmerkelijke monastieke persoonlijkheden herbergde: dom Malachia Garneyrin en broeder Colombano Demiannay. We vermeldden al dat Buonsollazzo in 1762 terugkeerde naar de observantie van de kloosters van de Toscaanse provincie. Casamari daarentegen bleef bij de observantie van La Trappe, zij het met enige verzachtingen, tot het in 1929 een autonome congregatie werd. In het begin van de achttiende eeuw stierven in Casamari enkele monniken in een geur van heiligheid. Op het einde van de eeuw, op 13 mei 1799, werden zes monniken die het Allerheiligste verdedigden, door revolutionairen gedood.

Wij besluiten deze aantekeningen over de achttiende eeuw graag met twee zinnen die we aan dom Penco ontlenen: ĎEen tijdperk dat zijn gelijke niet heeft in de geschiedenis van het monnikendom, loopt ten einde. De monastieke congregaties hadden hun grootste vitaliteit bereikt, vooral voor wat betreft hun invloed op het godsdienstige en maatschappelijke leven van het schiereiland.í De bevolking had veel moeite met het verdwijnen van al die monastieke communiteiten. Tenslotte hadden die een onschatbare bijdrage geleverd tot wat hun spiritueel en cultureel leven uitmaakte en tot hun economische ontwikkeling.

Wat de Verlichting beoogde, namelijk de kloosters opheffen, werd voortaan ondersteund door juridische en institutionele maatregelen die steeds meer het stempel droegen van een geseculariseerde wereld.

 

 

7. De napoleontische tijd

 

Deze zeer droevige periode begint met zeer droevig nieuws: het verlies van Chiaravalle di Milano, het beste klooster van de congregatie en de zetel van de president. Generaal Bonaparte gaf het ten geschenke aan zijn schoonzoon. Ongeveer twee jaar later, in 1799, gaf het Directoire opdracht Rome te veroveren. Paus Pius VI werd naar Frankrijk gevoerd. In Rome werd de Tiberijnse republiek uitgeroepen. De paus stierf in ballingschap en op het conclaaf in VenetiŽ werd Pius VII tot paus gekozen. De Cisalpijnse republiek had de kloosters in Lombardije opgeheven en het klooster van Santa Croce in Gerusalemme, zetel van de procurator van die provincie, bleef zonder abt. Pius VII sloot het op 23 april 1801 aan bij de Romeinse provincie.

In 1809 ging Napoleon over tot de bezetting van Rome en liet hij de paus gevankelijk naar Fontainebleau voeren. Het kerkelijk leven werd er nog moeilijker op. Kort daarop werden alle religieuze orden opgeheven. ItaliŽ verkeerde in shocktoestand. De kloosterlingen verspreidden zich naar alle kanten en velen keerden om uiteenlopende redenen niet meer naar hun klooster terug toen ze daar weer naartoe werden geroepen. Veel cisterciŽnzerkloosters gingen voorgoed verloren. In Rome schonk paus Leo XII San Sebastiano en het klooster van Tre Fontane alle Acque Salvie aan de minderbroeders. In 1868 was Pius IX zo onder de indruk van de toestand van verwaarlozing waarin laatstgenoemd klooster verkeerde, dat hij bepaalde dat het aan de trappisten moest worden geschonken. Casamari, dat tot de Romeinse congregatie behoorde sinds Clemens XI in 1717 had toegestaan dat het overging naar de trappistenobservantie, werd opgeheven van 1811 tot 1814.

Na de terugkeer van Pius VII naar Rome en de val van Napoleon probeerden ook de Italiaanse cisterciŽnzers hun monastieke familie weer op de been te krijgen. Dat liep niet van een leien dakje. Van sommige kloosters stond er geen muur meer overeind, maar hadden wel enkele monniken de troebelen overleefd. Bij andere was het net omgekeerd: het klooster intact, maar niet ťťn monnik meer om het te betrekken. Soms vestigde men zich in gebouwen van andere communiteiten of werden kloosters ingelijfd die voordien niet tot de congregatie hadden behoord.

Dat laatste gebeurde in Piemonte met de feuillantenkloosters die Pius VII in 1802 niet bij de Romeinse cisterciŽnzercongregatie had aangesloten, zoals hij wel had gedaan met de overige kloosters van de feuillanten die zich toen op het grondgebied van ItaliŽ bevonden (zie dossier 5). Piemonte was van 1797 tot 1814 immers Frans grondgebied. De vijf Piemontese feuillantenkloosters die toen werden opgenomen, werden niet lang daarna alle opgeheven, sommige al na Bonapartes overwinning bij Marengo op 14 juni 1800, andere door de antiklerikale wetten in Piemonte van 1855 of door reguliere visitaties. Ook Roccamadore, het enige overgebleven Siciliaanse klooster, en Hautecombe in Savoye werden bij de Romeinse cisterciŽnzercongregatie gevoegd. De gegevens over deze inlijvingen staan te lezen in de verslagen van het eerste generale kapittel van de herrezen Italiaanse congregatie van Sint-Bernardus, dat gehouden werd in 1820.[2]

 

 

8. De langzame heropleving

 

†† Temidden van al die moeilijkheden Ė die ook na het begin van de negentiende eeuw een tijd zouden aanhouden Ė vallen er toch positieve feiten en gebeurtenissen te sprokkelen die de schuchtere voortekenen van een nakende heropleving zijn.

Met de breve Cisterciensium Ordinem van 21 juli 1801 gaf Pius VII aan de generale abt van de Romeinse congregatie, Amedeo Piermartini, de titel van Ďgenerale abt-presidentí. Het wekt het vermoeden dat men hem in Rome beschouwde als de generaal van heel de Orde. Door de opheffing van CÓteaux en van alle cisterciŽnzerkloosters in Frankrijk had de Orde inderdaad staf en structuur verloren. Geen van de zowat twaalf kloosters die nog bestonden in het Oostenrijks-Hongaarse Keizerrijk, was in staat de leiding van de Orde op zich te nemen. De enige abt die daar de moed toe zou hebben gehad, was dom Augustin de Lestrange, maar die stond in Rome onder felle kritiek en werd er gewantrouwd. De laatste abt van CÓteaux, dom FranÁois Trouvť, die op 1 april 1792 zijn abdij had moeten verlaten, had zijn volmachten overgedragen aan de abt van de keizerlijke abdij van Salem, hoofd van de congregatie van Opper-Duitsland, maar Salem kon die taak niet op zich nemen, zodat hij zijn volmachten overdroeg aan de procurator van de Orde, dom Alanus Bagatti, die in Rome resideerde en abt was van Santa Croce in Gerusalemme.

Toen het kapittel van de congregatie in 1806 in Montelabate bijeenkwam, waren de verhoudingen tussen de paus en Napoleon opnieuw zeer gespannen. Het aantal deelnemers was zeer beperkt. Uit de verslagen blijkt dat de congregatie het bankroet nabij was. De monniken moesten privť-geld aanwenden om in hun noodzakelijke behoeften te voorzien. Verder blijkt uit de verslagen dat de aanname van nieuwe leden onderworpen was aan de goedkeuring van de Congregatie van de reguliere tucht. Die gaf in de volgende vijf jaar toestemming voor de inkleding van 24 koormonniken en 16 lekenbroeders. Dat aantal kwam overeen met het aantal mensen dat men dacht te kunnen onderhouden met de beschikbare inkomsten.

Kort na de bijeenkomst van dit kapittel verslechterde de politieke situatie weer. In 1809 veroverden de revolutionairen de Kerkelijke Staat en zaaiden er dood en vernieling. Pius VII werd gevankelijk weggevoerd naar Fontainebleau en in 1810 volgde de Ďnapoleontische opheffingí van alle kloosters. Voor de congregatie kwam de klap zo hard aan, dat zij niet meer op eigen kracht overeind leek te kunnen krabbelen. Dus nam de paus het initiatief: nadat hij in 1814 naar Rome was teruggekeerd, richtte hij meteen de Congregatie van de Hervorming op om de religieuze orden weer tot leven te brengen. Samen met de Congregatie voorbisschoppen en religieuzen koos zij de generale oversten van de orden. Door hun toedoen kon nog in hetzelfde jaar het religieuze leven in Casamari hervat worden. In 1817 was dat ook het geval in twee oude abdijen in Rome zelf: in Santa Croce di Gerusalemme en in de vroegere feuillantenabdij San Bernardo alle Terme.

De gang van zaken bracht de Heilige Stoel ertoe de president van de Italiaanse congregatie van Sint-Bernardus, Raimondo Giovannini, te beschouwen als generale abt van de Orde. Dit standpunt werd waarschijnlijk gedeeld door de kloosters buiten ItaliŽ. De pauselijke breve waardoor het klooster van Port-du-Salut tot abdij werd verheven, vermeldt de in Rome residerende president-generaal van de Orde van CÓteaux als de man aan wie voortaan alle abten terstond na hun keuze om de bekrachtiging van hun verkiezing zullen moeten vragen. Dat was de enige bevoegdheid die buiten ItaliŽ aan de president-generaal werd toegekend. Iedere congregatie werd inderdaad bestuurd door een vicaris-generaal. In deze context nog het volgende. Toen in Spanje na de dood van Ferdinand VII de burgeroorlog (Carlistenoorlog) uitbrak en liberalen tegenover conservatieven stonden, was het antiklerikalisme niet uit de lucht in de perioden dat de eersten de overhand hadden. Dat had onder meer tot gevolg dat in 1835 de abdij van Poblet gesloten werd. De monniken die erin slaagden te vluchten, vonden in Rome toevlucht bij de Italiaanse congregatie en werden opgenomen in San Bernardo alle Terme.

Het duurde tot 1820 voor in San Bernardo alle Terme het eerste generaal kapittel werd gehouden. Abt Sisto Benigni werd er voor vijf jaar tot opvolger van Raimondo Giovannini als president-generaal gekozen, met zetel in San Bernardo alle Terme. De herziening van de constituties die er plaatsvond, werd goedgekeurd in 1831. In 1825 kwam het kapittel weer in San Bernardo bijeen. Naast twee huizen die behoord hadden tot de congregatie van de feuillanten in Piemonte, was ook het Siciliaanse klooster van San Nicola (Roccamadore) er vertegenwoordigd. De abt van San Nicola werd aangewezen als procurator bij de koning van Napels, die van het Turijnse Consolata als procurator bij de koning van SardiniŽ.

Het kapittel van 1830 nam belangrijke beslissingen. Zo bepaalde het dat de nieuwe constituties in 1831 zouden worden gepubliceerd. Ook werden twee gemeenschappelijke kassen van de congregatie in het leven geroepen: een in Roccamadore voor de noden van Zuid-ItaliŽ en een in de Consolata-abdij voor de kloosters van Piemonte. Dat getuigde van een groot vertrouwen in de verdere ontwikkeling van de Orde, terwijl het sociale en politieke klimaat in ItaliŽ niet veel goeds voorspelde. Uit het verslag blijkt dat 14 kloosters vertegenwoordigd waren. Hun totale aantal monniken bedroeg 195, van wie 88 priesters, 45 clerici, 2 novicen, 39 lekenbroeders en 21 familiarissen en oblaten. Er waren 21 abten; dat abnormaal hoge getal valt te verklaren door het feit dat de abbatiale waardigheid toen voor het leven was.

De volgende kapittels kwamen nog terug op het leven in gemeenschap en op het gebruik van privť-geld, wat leek in te druisen tegen de belofte van armoede, ook al had het kerkelijk wetboek dit gebruik toegestaan.

Het kapittel van 1845 sprak opnieuw zijn voldoening uit: men had goede hoop voor de toekomst. Helaas brachten de gebeurtenissen van de eerste onafhankelijkheidsoorlog, 1848-1849, het uitroepen van de Romeinse republiek en de vlucht van paus Pius IX naar GaŽta, de congregatie een nieuwe slag toe. Op 4 mei 1849 werden de monniken van Santa Croce met geweld uit hun abdij verdreven, maar ze keerden er spoedig terug. Omdat de omstandigheden het bijeenroepen van een kapittel in 1850 uiteraard niet toelieten, koos de paus motu proprio een bestuur voor de komende vijf jaar. Wel kwamen de kapittelgerechtigden dat jaar in vergadering bijeen. Door de ziekte van talrijke leden sleepte die bijeenkomst aan tot in 1851.

Dat verklaart waarom niet 1855, maar 1856 de datum van het volgende kapittel is. Daar werd dom Teobaldo Cesari tot generaal gekozen. De deelnemende kloosters waren: de acht abdijen van de Kerkelijke Staat en de bij Messina gelegen abdij van Roccamadore. De aandachtige lezer zal de wenkbrauwen fronsen en zich afvragen waarom de voormalige feuillantenkloosters uit Piemonte niet op het appel waren. De reden is eenvoudig: het jaar voordien had het parlement van Piemonte alle religieuze orden opgeheven (zie de laatste alinea van deel 7 van dit dossier). De Piemontese abdijen waren voorgoed verloren, al heeft men nog jarenlang de hoop gekoesterd ze weer uit hun as te doen herrijzen.

In 1860 kwam het generaal kapittel niet bijeen. Pius IX baseerde zich dan op de gegevens van de stembiljetten die de stemgerechtigden hadden aangekregen en teruggestuurd, om zelf abt Cesari tot president te benoemen en de andere abten van het bestuur aan te duiden. De leden van het bestuur kwamen bijeen in Santa Croce, want het klooster van San Bernardo was bijna helemaal in beslag genomen door de Franse troepen. Die waren in Rome gelegerd ter bescherming van de paus, die geen afstand wilde doen van het wereldlijke gezag over de Kerkelijke Staat, terwijl de eenheid van ItaliŽ volop in de maak was.

Op 17 maart 1861 werd het onafhankelijke koninkrijk ItaliŽ geproclameerd. Dit omvatte geheel ItaliŽ, uitgezonderd San Marino, VenetiŽ en de Kerkelijke Staat. Koning van het eengemaakte ItaliŽ werd Victor Emmanuel II, koning van SardiniŽ. Het SardiniŽ waarvan hij twaalf jaar koning was geweest, omvatte ook Piemonte. De hele omwenteling van 1860-1861 dreigde dan ook de congregatie in de vernieling te helpen. Het opheffingsdecreet dat vijf jaar eerder voor Piemonte was uitgevaardigd, werd immers toegepast op heel ItaliŽ. Van de negen kloosters waaruit de congregatie bestond, bleven alleen San Bernardo alle Terme en Santa Croce in Gerusalemme over. Uit het verslag van het bestuurskapittel van 1865 weten we dat her en der nog monniken van de ontboden communiteiten overleefden.

In deze tragische omstandigheden bleven dom Cesari en de andere abten van het bestuur hopen tegen alle hoop in en vroegen zij Pius IX verlof het kapittel van 1865 op dezelfde manier te houden als dat van 1860. Aan deze uitzonderlijke bijeenkomst namen ook twee niet-Italiaanse monniken deel: de abt van Bornem en pater Barnouin, die Sťnanque had doen herleven en wiens gemeenschap sinds 1858 geaffilieerd was aan de Italiaanse congregatie. In het verslag lezen we onder meer dat dom Cesari werd aangewezen als postulator in de zaak van de zaligverklaring Ė en van de erkenning van de verering ab immemorabili Ė van de cisterciŽnzerpaus Eugenius III. We kunnen er ook uit opmaken dat de twee kloosters die de congregatie vormden, San Bernardo en Santa Croce, samen 37 leden hadden.

In 1867 bezocht dom Teobaldo Cesari op hun verzoek de twee Belgische kloosters, Bornem en Val-Dieu, en het merendeel van de kloosters van de Oostenrijks-Hongaarse congregatie. Bij decreet van 27 maart 1868 breidde de Congregatie voor bisschoppen en religieuzen de jurisdictie van de president-generaal uit tot deze kloosters. Van toen af werd hij generale abt van de Orde genoemd. Hetzelfde decreet bepaalde dat de Franse kloostergemeenschappen die leefden volgens het bijzondere statuut van 1663 en 1667 en waarvan de monniken alleen maar eenvoudige geloften aflegden, ook onder het bestuur van de in Rome residerende president-generaal kwamen. Het machtigde dom Cesari, de president-generaal, tot een Ďzo spoedig mogelijkí beroepen van een generaal kapittel. Alle abten van de Orde ontvingen een uitnodiging, met uitzondering van de abten van de trappistenkloosters (zie dossier 15).

Dat generaal kapittel Ė het eerste na het herstel van de Orde als gecentraliseerd geheel Ė vond plaats in San Bernardo alle Terme van 6 tot 16 april 1869. Het stelde vast dat alle abten van de Orde konden worden gekozen tot generale abt, met uitzondering van de trappistenabten. Daarmee was het privilege van de Italiaanse abten van de baan.

In 1870, na het uitbreken van de Frans-Duitse oorlog, trok Napoleon III zijn troepen uit Rome terug. De paus was zijn bescherming kwijt. De situatie in Rome was zo onzeker, dat er geen kapittel werd gehouden: men wist gewoon niet wat er van de twee Romeinse kloosters zou geworden. Op 20 september van dat jaar sloegen de soldaten van het Koninkrijk ItaliŽ bij de Porta Pia een bres in de verdediging rond de stad en werd de hoofdstad van de Kerkelijke Staat uitgeroepen tot hoofdstad van ItaliŽ. De monniken van Santa Croce en van San Bernardo werden wederom verdreven. De basilieken van de beide kloosters konden evenwel niet worden gesloten. Santa Croce was namelijk een van de zeven Constantijnse basilieken en San Bernardo deed dienst als parochiekerk. Uit dit onbeduidende zaadje zou de Orde opnieuw opbloeien.

Even luwde de antiklerikale haat en kon men weer ademhalen. Het bestuur dacht eraan het noviciaat te heropenen. Dom Angelo Testa vond in Cortona een klooster, dat hij in 1875 kon aankopen om er het nieuwe noviciaat van de Orde te vestigen.

Pas in 1891 kwamen de leden van het bestuur opnieuw in kapittel bijeen. Wegens de hachelijkheid van de situatie hadden de oversten van de Oostenrijkse en Belgische kloosters, die van Cortona en van de twee Romeinse kloosters in 1886 aan de Heilige Stoel gevraagd het mandaat van de oversten in functie met zes jaar te verlengen. Dat werd hun toegestaan, maar het ongeluk wilde dat al die hogere oversten er kort na elkaar het bijltje bij neerlegden, te beginnen met de generale abt die onverwacht stierf op 26 maart 1890. Daarop snelde al wat er in ItaliŽ nog aan ietwat leidinggevende monnik overbleef, naar Rome, om de onmogelijke situatie het hoofd te bieden: uit Mondovž in Piemonte kwam dom Gerardo Sizia, de kellenaar; uit het Siciliaanse Roccamadore kwam de prior en uit het al even Siciliaanse Messina dom Gaetano de Marzo. Die nam het voorzitterschap ad interim waar. Al bij al waren er op dit bestuurskapittel, dat in 1891 in de abdij van San Bernardo werd gehouden, vijftien leden. De nieuwe generale abt werd dom Bernardo dellíUomo. Men bepaalde dat men in de eerstkomende vijf jaar twintig koornovicen en tien lekenbroeders zou aannemen.

In het laatnegentiende-eeuwse ItaliŽ, dat wel is omschreven als Ďeen mengsel van Engels parlementarisme, Frans centralisme en Pruisisch militarismeí, bleek de Kerk de sterke rots waarop een hoopvolle toekomst kon worden gebouwd, en wel dankzij het profetische optreden van haar grote pausen. De kloosterorden die door de liberale en antiklerikale onderdrukking waren kapotgemaakt, wekten zij tot nieuw leven en voor heel het volk openden zij door hun sociale actie nieuwe horizonten.

Ondertussen was het scenario van het leven van de Orde in Frankrijk grondig gewijzigd. Het ging er de trappistencongregaties almaar beter. Dat is beslist een van de belangrijkste redenen waarom bij hen een groeiend verlangen viel waar te nemen naar een betere regeling van hun juridische situatie.

 

 

9. De eenmaking van de trappistencongregaties en het ontstaan van de Orde van de CisterciŽnzers van de Strikte Observantie

 

De trappisten waren toen verdeeld in drie congregaties. Ze waren pas door een dertigjarige periode van grote vernedering heen. Met dat laatste doelen we op de wetgeving omtrent de geloften. Zoals alle cisterciŽnzers hadden de trappisten altijd plechtige geloften afgelegd, tot een decreet van 1837 hen dat recht ontnam. Op de kapittels van de congregaties van de …troite Observance was men verschillende keren op deze zaak teruggekomen en had men het verlangen uitgedrukt opnieuw plechtige geloften te mogen afleggen. De briefwisseling van 1866-1867 tussen het generaal kapittel en de Heilige Stoel leidde uiteindelijk tot een positief antwoord op 12 maart 1868: na twee jaar noviciaat en drie jaar tijdelijke geloften konden de trappisten plechtige geloften afleggen.

Het mag verwonderlijk heten dat de cisterciŽnzers van de observantie van La Trappe nergens vermeld worden in de officiŽle verslagen van de kapittels van 1869 en 1880: er was toch geen verschil in geloften meer en de Ďtrappistení stonden onder het gezag van dezelfde generale abt.[3] In de jaren 1878-1879 hadden de trappisten stappen gezet om hun eigen generaal te krijgen, maar de zaak was hangende gebleven, net als het probleem van de eenmaking van de trappistencongregaties. Het had allemaal veel energie gevraagd, het had pijn gedaan. In 1892 riep paus Leo XIII de vertegenwoordigers bijeen van de vier bestaande trappistenobservanties: Casamari, Westmalle, Sept-Fons en Melleray. Om verschillende redenen zag de paus die congregaties zich graag aaneensluiten.

Het generaal kapittel werd geopend in het Franse seminarie van Santa Chiara in Rome, onder voorzitterschap van kardinaal Mazzella. De vertegenwoordigers van Casamari wilden niet deelnemen aan de stemming en behielden hun onafhankelijkheid. De andere congregaties stemden voor de eenwording. Dom Sťbastien Wyart werd tot generale abt gekozen. Het decreet van de eenwording werd gepubliceerd op 8 december 1892.

 

 

10. De trappisten in ItaliŽ

 

Kloosters die de trappistenobservantie volgden, waren er in ItaliŽ al langer: er waren de abdijen van de congregatie van Casamari, met een enigszins verzachte vorm van die observantie, en er was het klooster van Tre Fontane, dat in 1868 aan La Trappe was teruggegeven.

Twee andere trappistenkloosters zijn negentiende-eeuwse stichtingen. Het eerste, het Turijnse San Vito (1875), was een stichting van de monialen van Vaise. Zuster Theresa Astoin, die de stichting leidde, was toen nog oblate. Zij deed haar professie in San Vito en werd er overste. Het klooster heette Onze-Lieve-Vrouw van CÓteaux. De stichting kende veel moeilijkheden en het generaal kapittel van de congregatie van La Trappe, waartoe San Vito behoorde, had die meer dan eens op zijn agenda staan. Vanaf de eerste visitatiekaarten Ė bewaard in de archieven van het klooster Ė werden vooral twee punten belicht: de uiterste armoe van de stichting ťn de grote edelmoedigheid van de zusters, die allen van zeer eenvoudige komaf waren. Omdat de toestand hachelijk blťťf, besloten de oversten van de Orde te vragen dat de communiteit zou verhuizen naar een plek dichter bij Rome. De zusters kregen in Grottaferrata, op de Albaanse heuvels, het zomerhuis van het klooster van de catacomben van Sint-Calixtus aangeboden. De verhuis vond plaats in 1898. Vandaag huist de gemeenschap in Vitorchiano (Viterbo).

De tweede negentiende-eeuwse trappistenstichting is precies het klooster van de catacomben van Sint-Calixtus. Begin november 1883 stelde kardinaal Monaco la Valletta de procurator-generaal van de congregatie van Sept-Fons voor een klooster te stichten bij de catacomben van St.-Calixtus in Rome. Het verzoek werd overgebracht aan dom Sťbastien Wyart, de abt van de Katsberg. Na veel moeilijkheden ging dom Sťbastien op het voorstel in en het generaal kapittel van de congregatie van Sept-Fons van 1884 vroeg hem in Rome te blijven om het begin van de stichting nauwgezet te volgen. In de documenten die in het archief van de communiteit worden bewaard, wordt meermaals met nadruk gewezen op de grote waardering die Leo XIII voor de trappisten had. Daarom wilde hij hun het toezicht op de catacomben van St.-Calixtus toevertrouwen. In 1891 werd het generaal kapittel van de congregatie van Sept-Fons gehouden in het nieuwe klooster van de catacomben van Sint-Calixtus. In 1929 zag de gemeenschap af van het toezicht op de catacomben en verhuisde ze naar Frattochie, bij Marino, waar het zich nu nog bevindt. Het draagt de naam van Onze-Lieve-Vrouw van het Allerheiligste Sacrament.

 

 

 

 

Bibliografie

 

Basiswerken

 

Bouton, Jean de la Croix, CisterciŽnzer fichen. Geschiedenis der Orde III, fiches 74; 79; 82-83; 108; 113-114, s.l., s.d., p. 649-664; 625-632; 857-864; 897-911.

Lekai, Louis, De Orde van CÓteaux. CisterciŽnsers en trappisten. Idealen en werkelijkheid, Achel, Uitgeverij Sinite Parvulos VBVB, 1980, p. 179-205 (hoofdstukken 10 en 15).

 

Voor verdere studie

 

Canivez, I.M., Statuta Capitulorum Generalium Ordinis Cisterciensis abanno 1116 ad annum 1786, vol. VII, Leuven, 1933-1941.

Dimier, Anselme, ĎLes fondations de Saint Bernard en Italieí in Analecta Cisterciensia 13 (1957) 63-68.

Hermans, Vincent, ĎActes des Chapitres Gťnťraux des Congrťgations trappistes au XIXe siŤcleí, een reeks artikels in Analecta Cisterciensia 1971-1974, ook gebundeld verschenen:Rome, Monte Cistello, 1975.

Paciolla, Sebastiano, Líantico Jus Proprium della Congregatio Sancti Bernardi in Italia, Rome, 1999.

Zakar, Ferenc PolikŠrp, ĎMomenti essenziali della storia costituzionale dellíOrdine Cistercenseí in Analecta Cisterciensia 53 (1997) 208-363.

 

 

 

 

Aanzetten tot persoonlijke reflectie en tot uitwisseling

 

1.      Hoe reageren op moeilijke situaties op politiek, economisch of sociaal vlak?

 

2.      Hoe reageren als de wetgeving wetten of normen oplegt die hun weerslag zullen hebben op het leven van de communiteit?

 

3.      Concreter toegespitst op de situatie bij ons: het neoliberalisme viert hoogtij en het Ďecologismeí hoort onbetwistbaar tot het politiek correcte denken. Die combinatie leidt tot situaties die verdacht veel lijken op een nauwelijks verhulde heruitgave van de negentiende-eeuwse doorwerking van het verlichtingsdenken en zelfs van het jozefinisme, met de ingrediŽnten en de bereidingswijze van nu. Hoe reageren wij, als monastieke gemeenschappen moeten wijken voor het (bijvoorbeeld ecologische) nut van de maatschappij, of als zij in de ogen van de gezagsdragers en van de publieke opinie, tot dit nut worden herleid?

 

4.      Breder gesteld en in de omgekeerde richting gedacht: sinds het verlichtingsdenken vervangt de moraal de religie en wordt religie herleid tot moraal. Dat heeft diepe en pijnlijke sporen nagelaten in het weefsel van ons kerk-zijn zelf. De invloed van die opvatting kan moeilijk worden onderschat: niet alleen heeft zij de generaties vůůr ons diep getekend, zij werkt heden ten dage nog meer door dan wij durven vermoeden. Hoe gaan wij daarmee om binnen onze gemeenschappen ťn hoe antwoorden wij op de Ė vaak onbewuste of slechts impliciet geformuleerde Ė vraag naar verlossing uit die beklemming, zoals die vanuit het gastenkwartier en vanuit de bredere samenleving op ons afkomt?

 



[1] Zie noot 7 in dossier 1. [NvdR]

[2] Al onze opzoekingen ten spijt, zijn wij er niet in geslaagd, deze alinea tot een verstaanbaar en logisch geheel om te werken. [NvdR]

[3] Weinigen zullen na de wieling en waterval van feiten en feitjes in dit dossier, na het gebrek aan logica, na een aantal onverantwoorde en voor een gezonde beeldvorming ontwrichtende sprongen in de tijd (soms binnen eenzelfde alinea), na de innerlijke contradicties in de uitspraken over bijvoorbeeld de kwaliteit van het monastieke leven binnen een bepaalde congregatie, en na de niet-onderbouwde loftuitingen op profetische pausen enkele alineaís eerder, nog verwonderd zijn over de devote maar van gebrek aan wetenschappelijke ernst getuigende verwondering van de auteur. Wie wil weten waarom de trappisten in die verslagen niet worden vermeld, leze er de desbetreffende passages in de dossiers 14 en 15 op na. [NvdR]