6

 

EEN GENERATIE VAN HERVORMSTERS

 

Dossier: de heer Alain Guerrier, Blois

 

 

 

 

 

In de Nieuwe Tijd ontwikkelt Frankrijk een sterke religieuze vitaliteit. Een hele groep jonge vrouwen speelt daarbij een belangrijke rol: zij nemen in de monastieke vernieuwing het voortouw door bestaande orden te hervormen of nieuwe congregaties op te richten. Ook de cisterciënzermonialen hebben hun aandeel in deze beweging. Vier van hen, die vrij goed gekend zijn, wer­den geboren in 1591. Het gaat om

·        Jeanne de Courcelles de Pourlans (1591-1652), hervormingsabdis van Tart;

·        Françoise de Nérestang (1591-1652), hervormingsabdis van Mégemont en daarna van La Bénisson-Dieu ;

·        Angélique Arnauld (1591-1661), hervormingsabdis van Port-Royal;

·        Louyse Perrucard de Ballon (1591-1668), stichteres van de hervormde bernardinnen van Savoye, voortgekomen uit de abdij Sainte-Catherine du Semnoz.

 

 

1. Familiale strategie en vorming

 

De vier genoemde monialen komen uit de ­middenaristocratie. Elk van hun families heeft banden met de Orde van Cîteaux, de ene al oudere dan de andere. Dankzij hun goede relaties met de hogere adel en een handig gebruik van het systeem van de commende slagen deze families erin hun dochters onder te brengen in cisterciënzerabdijen. Uit hun geschiedenis van rond de eeuwwisseling blijkt dat ze daarbij dikwijls op de waardigheid van abdis mikken, om zo het blazoen van hun huis meer glans bij te zetten en erkenning en macht te verwerven. Daarom – en overeenkomstig de gebruiken van die tijd – treden de toekomstige hervormsters al tijdens hun kinderjaren in het kloos­ter en krijgen er hun opvoeding.

Jeanne de Courcelles de Pourlans wordt opgevoed in het klooster van Tart. Rond haar vijftien jaar wordt ze ziek en keert naar huis terug. Ze voelt zich niet aangetrokken tot het religieuze leven, maar evenmin tot het huwelijk. Toch treedt ze uiteindelijk in bij de clarissen van Migettes, omdat ze de koorzang er zo mooi vindt ... Wanneer in Tart de taak van abdis vrijkomt, kan haar vader voor haar de hand leggen op de kromstaf en haar overhalen hem aan te nemen: hij zal zelf wel alle formaliteiten in orde brengen. Jeanne wordt dus abdis gewijd, wordt voor één jaar opnieuw novice en legt eind 1618 haar geloften af.

Françoise de Nérestang wordt door haar vader op de abdiszetel van Mégemont geplaatst, terwijl haar broer Claude abt wordt in La Bénisson-Dieu. Vader de Nérestang vindt dat het zijn dochter in Mégemont aan het nodige comfort ontbreekt en probeert daarom de vrouwen naar het mannenklooster en de mannen naar het vrouwenklooster te doen verhuizen. En dat lukt: op 2 en 3 juli 1612 ziet Denis Largentier, de abt van Clairvaux, in hoogsteigen persoon op de verhuis toe.

Jacqueline-Angélique Arnauld is op achtjarige leeftijd hulpabdis en drie jaar later abdis!

Louyse de Ballon begint haar noviciaat als ze zeven is en bekrachtigt al op heel jonge leeftijd de keuze die haar ouders voor haar hebben gemaakt.

 

 

2. Een trieste situatie

 

De kloosters waar de vier meisjes intreden, zijn eerbiedwaardige cisterciënzerabdijen. Ze zijn gesticht in de Middeleeuwen, maar in het begin van de zeventiende eeuw is hun situatie allesbehalve rooskleurig te noemen. Ze zijn getekend door materieel en moreel verval: de commende en de godsdienstoorlogen hebben zowel in de tijdelijke goederen als in de beleving van de observanties aardig huisgehouden…

 

Zo ‘stopten ze [in Tart] met de abstinentie en begonnen ze [er] vlees te eten. De zusters ontvluchtten de omgang met mensen van de wereld niet, nee, ze zochten die zelfs. Algauw kwam er zoveel volk over de vloer dat ze het klooster net zo goed “In de Welkom” hadden kunnen noemen. Eén groot gastenverblijf was het. Mannen zowel als vrouwen werden er met open armen ontvangen. Eenzaamheid en inwendig gebed waren op de vlucht gejaagd. Dansen was hun regel wel. Er werd plezier gemaakt als in een werelds huis, of beter nog: als in een genootschap. Ze gedroegen zich heel mondain. Alles ademde er luxe, ijdelheid en plezier. Ze hadden de snit van hun habijt zo aangepast dat de sluier en de kap het enige waren waaraan ze nog als nonnen te herkennen vielen – en dan zetten ze die nog zo op, dat hun gekrulde haren en hun oorhangers er speels onderuit lonkten. Of ze konden ze in een handomdraai afzetten. Of kap en sluier waren van doorzichtige, fijn gesteven tule, zodat het paarlen halssnoer eronder duidelijk zichtbaar was. Hun zwart-witte habijt was van zijde, hun onderrokken van de fijnste stof die ze maar konden krijgen en opgesmukt met kant, goud en zilver. Ze zagen er veeleer uit als pasgehuwde dames dan als bruiden van Jezus Christus.

 

Voor Sainte-Catherine du Semnoz beschikken we over gelijkaardige teksten. We moeten er wel rekening mee houden dat de biografieën van de hervormsters, waaraan we dit soort beschrijvingen ontlenen, enige retoriek niet schuwen als het erop aankomt de noodzaak aan hervorming in het licht te stellen. Zo leven de nonnen in Port-Royal een vrij regulier leven, behalve voor wat betreft het slot, de gemeenschap van goederen en het eerder non-conformistische habijt. Dit soort levensstijl wordt dan ook niet echt als aanstootgevend ervaren. Een deel van de samenleving heeft het er wél lastig mee. Zij nemen dit niet meer, omdat de katholieke hervorming nood heeft aan helden en heiligen. En die voorbeelden kunnen deze nonnen niet zijn.

 

 

3. Verlangen naar en grondlijnen van een hervorming

 

In het leven van elk van de vier hervormsters doet zich op een bepaald moment een ommekeer voor. Soms gaat het om een bewustwordingsproces, soms om een regelrechte crisis. Telkens heeft die ommekeer te maken met hun plichten en verplichtingen als moniale of als abdis. Niet toevallig had het concilie van Trente daar een halve eeuw eerder de hele Kerk aan herinnerd. Aan de basis van hun ommekeer en hun latere optreden kunnen zowel een medezuster of een biechtvader als een bepaald gebeuren liggen.

Françoise de Nérestang is vroeg rijp en precies die vroege ontwikkeling lijkt haar op het spoor van een meer regulier leven te hebben gezet. Jeanne de Courcelle wordt zich bewust van haar plichten als abdis en dat brengt haar ertoe de volledige observantie van de Regel van Benedictus te herstellen. Angélique Arnauld wordt ondersteboven gegooid door een sermoen over de vernederingen van de Zoon van God. Louyse de Ballon vervult trouw haar verplichtingen, maar wordt tot grotere vurigheid aangezet door de woorden van een nicht, een wereldse moniale die zich plots bekeerde na een schandelijke ervaring die een verwante moniale overkomen was.

Dat verlangen naar hervorming wast als een bergstroom in het hart van elk van deze vier, zo lezen we in hun geschriften. Ze kijken reikhalzend uit naar de hervorming en verwachten dat die een hele dynamiek op gang zal brengen. De hervorming is echter meer dan het herstel van observanties en meer dan mensenwerk. Ze is ook het werk van God en heeft haar grondslag in de Passie van Christus, zoals Louyse de Ballon schrijft. Daarom bidden ze met aandrang om de ‘genade van de hervorming’.

In de vier gevallen brengt de hervorming heel wat heisa en miserie met zich mee. Ze stoot op onbegrip en tegenstand vanwege de ondergeschikten, de zusters, de fami­lies en de autoriteiten. In hun aanpak van die moeilijkheden gaan de hervormsters voorzichtig, geduldig en geweldloos te werk. Ze overtuigen meer door hun voorbeeld dan door verordeningen. In Mégemont, Tart en Sainte-Catherine kunnen ze evenwel niet verhinderen dat het tot een scheuring van de communiteit komt.

Bij elke hervorming zien we dat het slot opnieuw wordt ingesteld en dat men terugkeert naar de gemeenschap van goederen, het reguliere gebed en een strenger leven. Een belangrijk uiterlijk kenmerk van die strengere levensstijl is dat de verschillen in kledij worden opgeheven: voor iedereen eenzelfde eenvoudig en sober habijt. In geen van de vermelde abdijen neemt men echter opnieuw een gemeenschappelijke slaapzaal in gebruik: overal zijn er cellen, zij het in een rudimentaire vorm. Overal wordt uitdrukkelijk gesteld dat een diep innerlijk leven de ware bron is van echte hervorming. Er gaat dan ook veel aandacht uit naar al wat dit leven kan voeden, onderhouden en naar buiten brengen.

 

 

4. Bronnen en referentiepunten van de hervorming

 

Jeanne, Françoise, Angélique en Louyse, alle vier stellen ze zich onder het gezag van de Regel van Benedictus. Ze willen die nauwgezet toepassen, helemaal in de lijn van de eerste cisterciënzers. Ze beroepen zich ook op wat de specifieke cisterciënzerbenadering van het monastieke leven heeft voortgebracht. Heel uitdrukkelijk lezen we dat in de geschriften over Françoise de Nérestang: zij laat de middeleeuwse teksten vertalen om zo de cisterciënzertraditie te kunnen herontdekken. Er zouden diep­gaande studies nodig zijn om aan te tonen welke teksten beschikbaar waren en hoe die werden geassimileerd. Eén ding is alleszins zeker: Bernardus is voor hen een referentiepunt en een model, net zoals hij dat op dat ogenblik ook is voor de voortrekkers van de Étroite Observance. Zo zegt Bernardus in een droom aan Françoise de Nérestang dat zij zijn dochter is en komt hij geregeld voor in de geschriften en in de wetgevende teksten van Louyse de Ballon.

De vier nemen het voorbeeld van de eerste cisterciënzers tot leidraad en verwijzen bij de verantwoording van hun hervormingen graag naar het feit dat wat zij invoeren ook in Clairvaux wordt beoefend of in ere hersteld.

De zusters van Port-Royal ‘probeerden’, als ze in groep aan het werken waren, ‘de eerste monniken van Clairvaux te imiteren: in het leven van Bernardus wordt verteld dat er in het klooster geen ander geluid te horen was dan dat van de werktuigen’.

In Tart communiceren ze via tekens, ‘zoals dat eertijds in de Orde van Cîteaux gebruikelijk was’.

Louyse de Ballon hoort van een cisterciënzermonnik van Chézery dat de paters van Clairvaux een tiendaagse retraite doen, en ‘dat ze daar hun aanvankelijke vurigheid in de dienst van God terugvonden en innerlijk geheel vernieuwd werden’. Ze beslist dan zelf een retraite te doen en ontvangt in die tiendaagse de beslissende impuls voor de hervorming.

 

 

5. Hervorming bij de monniken, hervorming bij de monialen (1601-1625)

 

Men heeft dikwijls laten uitschijnen dat het streven naar hervorming bij de cisterciënzermonialen niet parallel liep met wat bij de monniken aan de gang was, er zelfs tegen indruiste. De chronologie toont evenwel aan dat die hervormingen plaatsvinden binnen het grote vernieuwingswerk dat vanaf het einde van de vijftiende eeuw in de Orde op het getouw wordt gezet. De generale abt had deelgenomen aan de werkzaamheden van het concilie van Trente (1545-1563). Voor zijn opvolgers zijn de decreten van het concilie een inspiratiebron voor de vernieuwing van het monastieke leven. Visitaties doorheen heel Europa laten toe een zicht te krijgen op de plaatselijke situaties en de observanties te herstellen. Het generaal kapittel van 1601 maakt daarvan de balans op. De beslissingen beslaan 35 hoofdstukken. Hoofdstuk 30 regelt met zijn 43 artikels de meeste aspecten van het leven van de monialen. Het slot moet strikt worden toegepast, zo luidt het daar, en als er geen is, moet er een komen. De kapittels van 1605 en 1609 herhalen die vraag.

Precies in die jaren, de eerste twee decennia van de zeventiende eeuw, komen bij de monialen de hervormingsactiviteiten op gang:

·        vanaf 1605 in Mégemont (in 1611 overgebracht naar La Bénisson-Dieu);

·        vanaf 1609 in Port-Royal;

·        vanaf 1617 in Sainte-Catherine, vanaf 1622 voortgezet in Rumilly;

·        in 1620-1622 in Tart.

De oversten van de orde – de generale abt en de patres immediati – zijn op dat ogenblik de hervorming gunstig gezind en blijven niet afwezig bij wat in de vrouwenkloosters gebeurt. De initiatiefnemers van de Étroite Observance begeleiden de eerste stappen van de hervorming in Port-Royal. François Nicolas de Riddes, abt van Tamié en pater immediatus van Sainte-Catherine, hoort weliswaar niet bij de strekking die een radicale hervorming wil, maar doet in Savoye toch inspanningen om een meer regulier leven te bevorderen. Nicolas II Boucherat, de generale abt, is overal tegelijk. Ze vragen zijn toestemming en hij is zelf vragende partij. Zo vraagt hij in 1608 aan Franciscus van Sales de hervorming in Sainte-Catherine te steunen.

Wat in deze jaren aan de orde wordt gesteld, op losse schroeven gezet en een nieuwe kant uit gestuurd, roept tegenkanting op en vergt de nodige menselijke en materiële middelen. Voor de oversten is het geen gemakkelijke klus hier goed mee om te gaan. Zij gaan voorzichtig te werk en zijn bekommerd om de eenheid en de goede naam van de Orde. Met hun visitaties en hun briefwisseling spelen ze de rol die de hunne is: het cisterciënzer controlesysteem via de filiatie werkt goed.

 

 

6. De bisschoppen, nieuwe ‘patres immediati’?

 

Toch verlaten de hervormde gemeenschappen van Tart, Port-Royal en Savoye (Sainte-Catherine/Rumilly) vanaf 1625 één na één de jurisdictie van de Orde en stellen ze zich onder die van de bisschoppen. Wat is er gebeurd? De hervormingsgezinde abten, Largentier en Boucherat, zijn respectievelijk in 1624 en 1625 gestorven. Bij de monniken stokt de opgang van de Étroite Observance: het generaal kapittel van 1623 laat niet toe dat ze een congregatie vormen. Wellicht zijn de monialen een element in de machtsstrijd tussen de Gewone Observantie en de Étroite Observance. De breve van juli 1628, waardoor de abdij van Bussières onder de aartsbisschop van Bourges komt, geeft als voorwendsel ‘de tweedracht en verdeeldheid tussen de oversten van de Orde’ die pretenderen macht te hebben over de abdij. Voor de communiteiten van Port-Royal en Tart gebeurt de verandering van jurisdictie wanneer de communiteit naar de stad (respectievelijk Parijs en Dijon) verhuist. Wanneer de hervormde zusters van Savoye in Grenoble een stichting willen doen, eist de bisschop dat ze onder zijn jurisdictie komen.

Of ze het nu uit vrije wil doen dan wel op vraag van de bisschoppen, de hervormden nemen dus afstand ten opzichte van de patres immediati. Ze motiveren hun beslissing elk op haar eigen manier. Angélique Arnauld betreurt de onwetendheid van de biechtvaders van de Orde en haalt aan dat in de communiteit met de predikanten de spot wordt gedreven. Louise de Ponçonas, profes van les Ayes in het bisdom Grenoble, gezellin en daarna concurrente van Louyse de Ballon, vat de grieven van de monialen ten op­zichte van de monniken goed samen:

 

... ze zijn in het geheel niet hervormd. Er is tussen hen geen onderlinge band. Er zijn onvoldoende bekwame monniken om er aan elk huis van de congregatie een te geven. Ze wonen te ver om ons te hulp te komen als we hen nodig hebben. Als we hen roepen, kost dat elke keer handenvol geld. Onze kloosters zijn te arm om bij te dragen in de kosten van hun kapittels ... (Leven, p. 256).

 

De tendens om de bisschoppelijke jurisdictie op te waarderen ligt helemaal in de lijn van het concilie van Trente. Bovendien lezen we in de levensbeschrijvingen van de hervormsters dat zij geregeld benadrukken dat de eerste cisterciënzers onderworpen waren aan de bisschoppen, en herinneren aan wat Bernardus zelf hier­over dacht.

 

 

7. Op het snijpunt van grote spirituele stromingen

 

Franciscus van Sales en Sébastien Zamet, die respectievelijk in Sainte-Catherine en in Tart tussenbeide komen, zijn twee hervormingsgezinde bis­schoppen die zich uitermate bewust zijn van hun plichten en van wat er theologisch en disciplinair op het spel staat bij de monastieke hervorming. Het zijn tevens twee grote spirituele figuren. Via hen komen de cisterciënzerinnen die onder hun leiding staan, in contact gekomen met de spirituele en mystieke stromingen die in het eerste kwart van de zeventiende eeuw in Parijs opgang maken: de hervormde Karmel en de Franse School met haar grootmeesters en vulgariserende schrijvers. Dankzij hen geraken de vier hervormsters rechtstreeks of onrechtstreeks op de hoogte van de uiteenlopende initiatieven die op de meest verschillende plaatsen van deze stromingen uitgaan, en krijgen zij er de nodige informatie over. Zo zegt Angélique Arnauld dat zij met Franciscus van Sales heeft overlegd over de hervorming van Sainte-Catherine en over het probleem van de harde levenswijze. Françoise de Nérestang reist in 1624-1625 naar Tart. Jeanne de Courcelle neemt deel aan het Institut du Saint-Sacrement en zou geraadpleegd zijn door de hervormde bernardinnen van Grenoble.

De biografen onderstrepen dat de monialen zich bij hun hervormingswerk lieten omringen door raadgevers. Het gaat dikwijls om de nieuwe biechtvaders die door de bisschoppen werden benoemd. Allen behoren ze tot orden of congrega­ties die werken aan de katholieke hervorming.

Françoise de Nérestang geniet de hulp van de recollecten van Murat. In Tart, en daarna in Dijon, vertrouwt Zamet de leiding van de hervormden toe aan de oratorianen. Zij begeleiden de bernardinnen van Savoye naar Rumilly en vervolgens naar de Provence. Een jezuïet, pater Dangles, helpt hen bij het op­stellen van hun constituties. Een andere jezuïet, pater Suffren, komt een tijdlang tussenbeide in Port-Royal.

Hiermee hebben we de grote lijnen en de gemeenschappelijke punten aangegeven van hervor­mingen die dankzij originele trekken en aspecten elk een eigen gelaat hebben.

 

De volledige tekst van deze uiteenzetting is onder de titel ‘Quatre itinéraires de réforme en France au XVIIe siècle’ verschenen in het verslag van de ‘Rencontres à Royaumont’, 12 en 13 november 1998 over Cîteaux et les femmes, Éditions Créaphis, l’école des filles, F-26400 Grâne.

 

 

 

 

Bibliografie

 

Bouton, Jean de la Croix, Les moniales cisterciennes, 4 delen, Abbaye Notre-Dame d’Aiguebelle, Grignan, 1986-1989.

Bugnion-Secretan, Perle, Mère Angélique Arnauld, Parijs, Cerf, 1991.

Dompnier, Bernard, ‘Continuité de la réforme catholique’ in Histoire du christianisme (onder leiding van J.-M. Mayeur, Ch. en L. Pietri, M. Venard), Parijs, Desclée, 199?, deel 9 : L’âge de raison (1620-1750), vooral p. 283 e.v.

Montulet-Henneau, Elisabeth, Les cisterciennes du pays mosan. Moniales et vie contemplative à l’époque moderne, Brussel/Rome, Belgisch historisch instituut van Rome, 1990.

Myriam de G., Louyse de Ballon, Réformatrice des Bernardines, met een voorwoord van P. Garrigou-Lagrange O.P., Parijs, Desclée de Brouwer, 1935.

Peeters, Bernardus OCSO, ‘Godt is ’t kloosterslot en ende’ in Monastieke Informatie 198 (2002), 54-75.

Waddell, Chrysogone, A reforming Abbesse ‘manquée’ Françoise de Nérestang (1591-1652) (Commentarii cistercienses, deel 32), Cîteaux, 1981, p. 215-236.

 

 

 

 

Aanzetten tot persoonlijke reflectie en tot uitwisseling

 

1.      Familie en maatschappij zetten de monialen die we in deze uiteenzetting hebben ontmoet, onder druk. De zusters tonen zich vrij en vastberaden. Waar halen ze die vrijheid vandaan? Wat hebben ze ons te zeggen?

 

2.      De vier hervormsters leven in een tijd waarin belangrijke spirituele stromingen ontstaan en vaste vorm krijgen. Van de kant van de cisterciënzermonniken ondervinden ze weinig (of helemaal geen) hulp. Het is dan ook begrijpelijk dat ze bij de nieuwe bewegingen voeding, ideeën en steun zoeken, ook al valt moeilijk in te schatten hoe en tot op welke hoogte ze dat doen.

Ook wij komen vandaag de dag in contact met nieuwe ideeën en ‘gevoeligheden’. Soms zijn we ons daar sterk van bewust, soms veel minder. Het gaat daarbij om heel uiteenlopende fenomenen: nieuwe christelijke spirituele bewegingen, verschillende ‘theologieën’ (feministische, politieke), ecologische en andere bekommernissen, wat de niet-christelijke godsdiensten ons bijbrengen, nieuwe vormen van religiositeit (New Age), enz. Laten we die dingen tot ons doordringen of raken ze onze koude kleren niet? Wat staat er voor de komende generaties en voor het leefmilieu op het spel wanner wij op dit vlak keuzen maken? Hoe kunnen we wat geïntegreerd moet worden, zo integreren dat het ons erfgoed verrijkt? Hoe kunnen we identiteitsverlies vermijden?

 

3.    In de hier voorgestelde hervormingen waren het gezag van de monastieke oversten (pater immediatus, generale abt) en dat van de diocesane bisschop vaak concurrerende grootheden. Hoe verstaan en beleven wij die kwestie vandaag? Hoe beleven wij onze inschakeling in de plaatselijke Kerk?