5

 

HET ONTSTAAN VAN DE ÉTROITE OBSERVANCE

 

Dossier: zuster Marie-Paule, Péruwelz.

 

 

 

 

1. Inleiding

 

Het is voor de historicus geen gemakkelijke opdracht het ontstaan van de Étroite Observance te belichten. We weten nog te weinig over de mensen die daarbij een rol hebben gespeeld en over al wat er zowel van binnen als van buiten de Orde een invloed op heeft uitgeoefend. Er ontbreken nog te veel elementen om het hele verhaal te kunnen schrijven en naar alle waarschijnlijkheid moet nog een niet onaanzienlijk aantal bronnen uit de vergetelheid worden gehaald.

Toch kunnen we met dit werk ons voordeel doen. Het biedt ons de gelegenheid door te stoten tot een ruimere kennis van en een dieper inzicht in de uiteenlopende gevoeligheden die binnen de Orde van Cîteaux aan bod kunnen komen. Bovendien kunnen we hier heel concreet zien hoe de Geest in onze menselijke substantie aan het werk is. Hij kneedt ons en vormt ons om. Hij raakt ons hart. En aan een mensenhart ontspruiten zowel de mooiste als de vreselijkste dingen: wij kunnen grootmoedig ‘ja’ zeggen als wij ons geroepen voelen, ernstig verlangen trouw te blijven aan de beloften die we hebben uitgesproken, vastberaden naar bekering streven, maar ook belangen najagen die toch niet helemaal samenvallen met die van het Koninkrijk, in de verleiding komen om (desgevallend geestelijke) macht uit te oefenen en het spel meespelen van de wereldse en politieke machten…

Verwijlen bij deze periode van onze geschiedenis is tevens bron van hoop. Wij zien hier immers hoe God van de ruwe steen die wij zijn, een bouwsteen en sieraad voor zijn Kerk kan maken, in dienst van het Koninkrijk.

In tegenstelling tot sommige auteurs hebben wij er om pedagogische redenen voor gekozen consequent de benaming Étroite Observance aan te houden. De term Strikte Observantie zou verwarring teweegbrengen met wat daar vandaag juridisch onder verstaan wordt.

 

 

2. Kerk-in-hervorming in een veranderende wereld

 

Gewoonlijk situeert men het ontstaan van de Étroite Observance rond 1600. Het fenomeen is echter niet uit het niets ontstaan, maar is een vrucht van wat in de zestiende eeuw aan het gisten was. Het is dus geen overbodige luxe het in zijn historische context te situeren.

 

2.1. Een veranderende wereld

 

Begin zestiende eeuw. De grote ontdekkingen (Vasco da Gama, Cristoforo Colombo, Pedro Alvarez Cabral, Fernão de Magalhães) zijn net achter de rug, grote overzeese imperia worden gevormd: Europa’s horizon verwijdt zich. En de moderne naties ontstaan. De nieuwe staten streven vastberaden naar onafhankelijkheid van de machthebbers uit het verleden – de paus en de Duitse keizer.


De Italiaanse Renaissance verspreidt zich geleidelijk over heel Europa. Er komt een vernieuwde belangstelling voor de antieke kunsten en wetenschappen, maar vooral voor de antieke literatuur. Het humanistische gedachtegoed krijgt vorm (Niccolò Machiavelli, Thomas More, Desiderius Erasmus). De boekdrukkunst maakt een bredere en snellere verspreiding van geschriften mogelijk. Het resultaat is een nieuwe cultuur, met een nieuwe mens-, levens- en wereldvisie.

Toch wordt de vroeg-zestiende-eeuwse mens diep in zijn hart gekweld door angst en onzekerheid. De grote rampen van de voorbije eeuw heeft hij nog vers in het geheugen: de zwarte pest, de Honderdjarige Oorlog, het Grote Schisma, de ketterijen die weer opdoken… Europa ligt er verwoest bij, de dood is alomtegenwoordig, er zijn te weinig ervaren gidsen. Geen wonder dat de wezenlijke vragen over leven, dood en hiernamaals naar boven komen. Kerk en paus leiden intussen een leven in grote stijl. De roep om hervorming klinkt steeds luider. Met hun publicaties van oorspronkelijke Schriftteksten leveren sommige humanisten een wetenschappelijke onderbouw voor dat verlangen.

De roep om een hervorming van de Kerk is zo algemeen, dat het vijfde Lateraans concilie in 1512 zelfs een heel programma uitwerkt. Het blijft helaas zonder gevolg, maar op zijn minst is dit een duidelijke erkenning van de noodzaak aan hervorming. Er staan mannen op die gegrepen zijn door de Christus van het evangelie: Luther, Zwingli, Calvijn,... De beweging die zij in het leven roepen zal leiden tot een breuk met de katholieke Kerk, zonder dat zij daarom van bij het begin die richting uit wilden.

 

 

2.2. Kerk-in-hervorming

 

De katholieke hervormingsbeweging heeft niet gewacht op het concilie van Trente (1545-1563). De religieuze orden waren al langer in beweging gekomen:

Ook de leken waren erbij betrokken. In Nederland was al op het einde van de veertiende eeuw de ‘Moderne Devotie’ ontstaan. Christenen die zich hierdoor lieten inspireren, beleefden de radicaliteit van het evangelie ín de wereld, zodat ze desem in het deeg konden zijn.

En dan zijn er de nieuw gestichte orden: oratorianen, theatijnen, jezuïeten,...     

In deze context wordt het concilie van Trente bijeengeroepen.

 

 

3. Het concilie van Trente en de cisterciënzerorde

 

3.1. Een decadente Orde?

 

Het woord ‘hervorming’ roept het beeld op van disciplinaire verslapping, misbruiken en fouten, kortom, van een ‘decadente’ levensstijl in vergelijking met de oorsprong, met daarbij een groot risico op verval en teloorgang, waartegen dan krachtig dient opgetreden.


Als we de ‘hervorming’ van de Étroite Observance goed willen verstaan, moeten we afstand nemen van deze te simplistische visie. We mogen niet uit het oog verliezen dat op meer dan één manier op de noden van een tijd kan worden gereageerd en dat een verschil in aanvoelen weliswaar aanleiding kan zijn tot een ‘hervorming’, maar daarom nog niet betekent dat we de spirituele kracht van de ene of de andere richting in twijfel dienen te trekken. Denken we bijvoorbeeld maar aan Molesme en Cîteaux.

Kunnen wij ons een idee vormen van de toestand van de Orde ten tijde van het concilie van Trente?

Als we de Artikelen van Parijs (1494) mogen geloven,

 

‘bestaan er talrijke kloosters van deze heilige Orde waar de oorspronkelijke observantie tot vandaag bewaard is … en zijn andere, die door de zwakheid van de menselijke conditie soms op een of ander punt misvormd waren, goddank teruggekeerd naar de oorspronkelijke zuiverheid van het religieuze leven … maar schijnen nog andere wel degelijk nood te hebben aan hervorming’.

 

Veralgemening is dus uit den boze. De situatie is voor elk klooster anders. En daarin speelt een hele rist elementen mee: de vestigingsplaats, de lokale geschiedenis (oorlogen, plunderingen, ...), het statuut van de abdij, de mensen die samen de gemeenschap uitmaken, enz.

Toch kunnen we enkele punten aanhalen die in visitatieverslagen of statuten van generale kapittels regelmatig weerkeren. Het gaat dan om misbruiken die te wijten zijn aan menselijke zwakte, maar vaak ook versterkt worden door de uiterlijke omstandigheden waarvan de monniken het slachtoffer zijn.

Ø                  Mogelijke gevolgen zijn dat

o                                                                               de religieuzen soms nauwelijks iets te eten hebben;

o                                                                               de commendataire abt het aantal novicen beperkt om zo zijn persoonlijk deel te vergroten.

Ø      Dat leidt er dan weer toe dat

o                   de gelofte van armoede overtreden wordt: ieder redt zich zoals hij kan om aan de nodige kleding en voeding te raken…

o                   … zodat algauw zowel de geest als de concrete beleving van het gemeenschapsleven ver zoek zijn;

o                   de monniken dikwijls buiten het klooster op stap gaan;

o                   gebouwen vervallen omdat ze, bij gebrek aan middelen, niet worden onderhouden;

o                   het geestelijke leven verslapt (hou het in zulke omstandigheden maar eens overeind!).


 

 

3.2. De Orde en de decreten van het concilie van Trente

 

Het decreet over de regulieren en monialen wordt afgekondigd op 4 december 1563, de sluitingsdag van het concilie. Daarin staat onder meer het volgende te lezen:

 

‘Voor alles zullen zij zich trouw toeleggen op alles wat tot de volmaaktheid van hun religieuze levensstaat behoort, de geloften van gehoorzaamheid, armoede en zuiverheid en alle andere geloften en bijzondere voorschriften die eigen zijn aan bepaalde Regels en Orden, de naleving van het gemeenschapsleven en de voorschriften betreffende voedsel en kleding. De oversten wijden er al hun zorg en aandacht aan dat men niets van dit alles verwaarloost. Het is duidelijk dat het niet tot hun bevoegdheid behoort verzachtingen aan te brengen in datgene wat tot de essentie van het reguliere leven behoort.’

 

Op deze zitting van het concilie zijn drie cisterciënzers aanwezig: Louis de Baissy, abt van Cîteaux, Jérôme Souchier die toen abt van Clairvaux was en later dom Louis op de zetel van Cîteaux zou opvolgen, en Nicolas I Boucherat, abt van Cîteaux na dom Jérôme. Als we daar nog aan toevoegen dat de opvolger van Nicolas I Boucherat, dom Edmond de la Croix (1584-1604), secretaris was geweest van dom Jérôme, kunnen we enigszins vermoeden hoezeer de oversten van de Orde vanaf 1560, dus meer dan veertig jaar lang, doordrenkt zijn van de geest van Trente. Ze wensen die ook concreet gestalte te geven. Het aangewezen middel daartoe is het opdrijven van de kloostervisitaties. Die gebeuren ofwel door de abt van Cîteaux zelf, ofwel door de generale procurator, ofwel door de provinciale vicarissen die worden aangesteld voor regio’s die door onlusten ontoegankelijk zijn voor de gewone visitatoren.

Enkele data kunnen ons een idee geven van het werk dat wordt verzet:

Zijn twee opvolgers vertragen geenszins het tempo. Zo houdt dom Edmond visitaties in Polen, Bohemen, Frankrijk, Italië, Savoye, Bourgondië, België, Duitsland en zelfs Spanje. Het ziet er dus naar uit dat ondanks de eerder genoemde moeilijkheden echt werk wordt gemaakt van de uitvoering van de doelstellingen van het concilie van Trente. Allicht raken de monniken op deze manier vertrouwd met de idee dat ze niet om een echte hervorming heen kunnen. Zo wordt het terrein voorbereid waarop bij sommigen het verlangen kan ontkiemen om ‘verder’ te gaan en de strengheid op te drijven – met het risico de maat te overschrijden.

 

 

3.3. De feuillanten

 

De cisterciënzerabdij van Feuillant nabij Toulouse, gesticht in de twaalfde eeuw, behoort oorspronkelijk tot de filiatie van Morimond, maar gaat later over naar die van Pontigny. In 1562 wordt ze in commende gegeven aan Jean de la Barrière. In 1573 beslist die een noviciaat te doen om zo regulier abt te worden. Na zijn professie neemt de communiteit van Feuillant hem ‘niet echt met open armen’ op. De gemeenschap bestaat hoofdzakelijk uit benjamins die hoegenaamd niet van plan zijn een regulier leven te leiden. Meer dan één keer staan ze Jean naar het leven. Voorzichtigheidshalve trekt die zich terug in Toulouse. In 1574 keert hij terug als gewone monnik. Pas op 7 april 1577 ontvangt hij de abtwijding. Amper een maand later, op 3 mei, maakt hij aan de gemeenschap zijn voornemen bekend om het onderhouden van de Regel opnieuw ten volle ernstig te nemen. De monniken laten het zich geen twee keer zeggen en trekken naar communiteiten die beter overeenstemmen met hun losse levensstijl. In Feuillant blijven slechts twee priestermonniken en twee novicen. Na het herstel van de observanties zoals die oorspronkelijk in Cîteaux werden beleefd, melden de roepingen zich aan.

Meegesleept door zijn religieus enthousiasme gaat Jean echter nog een aantal stappen verder, zodat de cisterciënzerautoriteiten tussenkomen om zijn gebrek aan onderscheidingsvermogen te temperen en de eenheid van observantie te behouden. Geconfronteerd met het verzet van de abt van Cîteaux, Edmond de la Croix, richt dom Jean zich tot de paus, die zijn hervorming goedkeurt. En er volgen stichtingen: San Vito in 1586, Parijs in 1587, Bordeaux in 1589.

De abten van Cîteaux en Morimond vragen de paus een generaal kapittel van de feuillanten bijeen te roepen. Het vindt plaats in juni 1592 en onttrekt aan de abt van Cîteaux en zijn opvolgers alle jurisdictie over de feuillanten. Van dan af vormen de feuillanten een van de cisterciënzers onafhankelijke Orde. Hun nieuwe constituties worden goedgekeurd in 1595. Zij betekenen enigszins een verzachting ten opzichte van de oorspronkelijke gestrengheden. Zo hoeven de monniken niet meer barrevoets te lopen, maar mogen ze houten sandalen dragen. Ook het gebruik van eieren, vis, melkproducten en olie wordt toegestaan.

De nieuwe Orde zal zich verder ontwikkelen tot de Franse Revolutie haar in Frankrijk doet verdwijnen en de Italiaanse tak in 1802 door Pius VII bij de Romeinse cisterciënzercongregatie wordt ingelijfd.

 

 

3.4. De studenten van het Duits-Hongaars college

 


In 1601 vragen tien studenten van het Duits-Hongaars college die door de hervormingsideeën van Trente zijn aangestoken, om opname in de Orde van Cîteaux. Ze hebben al een gedegen filosofische en theologische opleiding achter de rug: sommigen bezitten de graad van magister of doctor. Ze zijn ook beïnvloed door de spiritualiteit van de jezuïeten. Die heeft de wind in de zeilen en cisterciënzerabten sturen hun jonge monniken voor hun studies naar de jezuïeten. De tien tekenen een verklaring waarin ze om een monastieke vorming in Cîteaux of Clairvaux verzoeken, teneinde het cisterciënzerleven te putten ‘uit de bron waaruit het voor het eerst is opgeweld’. Ze hebben evenwel niet de bedoeling daar hun gelofte van stabiliteit af te leggen. Ze zeggen naar Duitsland te zullen terugkeren om daar te werken aan de hervorming van de kloosters. Tussen 1601 en 1604 doen vijf van hen hun noviciaat in Cîteaux en vijf in Clairvaux. In dezelfde periode verblijven twee toekomstige abten van de Étroite Observance in Clairvaux, namelijk Octave Arnolfini en Jérôme Petit. Het contact zal voor geen van beide ‘partijen’ steriel gebleven zijn.

Van deze studenten sterven er zes vóór 1615, de vier andere worden abt. Degenen die naar Oostenrijk terugkeren, trekken naar de abdij van Heiligenkreuz, behalve één die in Salem blijft. Een van hen, Anton Wolfrad, wordt later abt van Wilhering en daarna van Kremsmünster (benedictijnen), vooraleer in 1631 prins-bisschop van Wenen te worden.

 

 

3.5. Orval

 

We kunnen onmogelijk het hervormingswerk in Orval onvermeld laten. We moeten minstens signaleren dat

 

 

4. Ontstaan van de Étroite Observance

 

4.1. Aanzet

 

We zeiden het al: na het concilie van Trente is er hard gewerkt en zo is de hervorming tot stand gekomen die de Kerk en bijgevolg ook het kloosterleven nodig hadden. Zoals onder meer de enquête aantoont die in 1596 ter gelegenheid van de abtkeuze in Orval wordt gehouden, is de tridentijnse hervorming op het einde van de zestiende eeuw in een aantal kloosters zogoed als een verworvenheid. Dat heeft tot gevolg dat hier en daar het verlangen wordt geuit om terug te keren naar de oorspronkelijke observantie. De uitingen van dat verlangen liegen er niet om, maar ze blijven aanvankelijk wel informeel, zodat we ‘hervormden’ en ‘niet-hervormden’ binnen eenzelfde gemeenschap rustig naast elkaar zien leven – de twee levensstijlen verschillen ten andere niet zo bijster veel van elkaar. Een hervorming wint maar veld, als sterke individuen zich erachter zetten en ze in hun eigen leven vlees en bloed laten worden: de uitstraling van hun persoonlijkheid werkt besmettelijk, volgelingen sluiten zich aan en de beweging krijgt officieel gestalte en structuur.

Bij de totstandkoming van de Étroite Observance heten die sterke persoonlijkheden:

Zij worden hierin gesteund en bijgestaan door de nederige en discrete, maar niet minder invloedrijke Jérôme Petit, abt van l’Étoile.

 

 

4.2. De mensen

 

4.2.1. Denis Largentier

 

Zestien jaar is de uit Troyes afkomstige Denis, als hij in 1557 intreedt in Clairvaux. Hij studeert aan het Collège Saint-Bernard in Parijs en haalt er de graad van doctor in de theologie. Hij is een tijdlang procurator van de Orde in Rome en wordt dan tot abt van Clairvaux gekozen. Wat voor monnik is deze man? Ongetwijfeld is hij behoorlijk nederig, want hij stelt zich onder de leiding van dom Jérôme Petit, die een flink stuk jonger was dan hij. In het Leven van dom Jérôme lezen we:

 

‘Dom Denis Largentier, abt van Clairvaux, een graag geziene gast bij koningen en prinsen, hoog in aanzien bij de vooraanstaanden, wilde orde op zaken stellen in zijn geweten en de Regel nauwgezet onderhouden (vivre selon l’étroite observance de la Règle). Hij nam daartoe onze goede vader dom Jérôme tot meester en leidsman. Hij stelde zich zo nederig en onderworpen op tegenover wat die hem oplegde en leerde, dat hij een voorbeeld werd voor alle andere novicen en geprofesten van het huis. Hij deed de tiendaagse oefeningen onder leiding van zijn meester met zoveel ijver en moed, zoveel nederigheid en onderwerping, zoveel versterving en strengheid, dat hij zelfs de meest laksen en lauwen tot aanmoediging was in de deugd. Hij beschuldigde zich bij onze goede vader van zijn fouten en vroeg penitentie. Kortom, hij deed alles wat een jonge novice kan doen om voortgang te maken in de deugd.’

 

Dom Largentier neemt ook zijn verantwoordelijkheid als pater immediatus zeer ter harte. Langs deze weg kan hij het hervormingswerk ingang doen vinden in de dochterabdijen. Daartoe gaat hij op zoek naar monniken die openstaan voor de vernieuwing. Als ze nog jong zijn, laat hij ze voor hun vorming naar Clairvaux komen of geeft hen een verantwoordelijke functie in een van zijn abdijen. Denken we maar aan:

 

‘Dom Denis Largentier, abt van Clairvaux, die blaakte van ijver voor het welzijn van zijn Orde en overal mensen zocht die hem konden helpen bij een zo belangrijk werk, had de prior van l’Aumône verschillende keren horen preken... Hij had onmiddellijk ingezien dat de man hiervoor uiterst getalenteerd was en van God nog veel andere gaven had gekregen. In zijn ogen was de prior de geknipte man om het hervormingswerk te volbrengen dat hij in de geest voor heel zijn filiatie had bedacht. Gelukkig had hij omtrent het welzijn van de Orde dezelfde visie en hetzelfde verlangen als Zijne Hoogwaardigheid, Monseigneur de generale abt van Cîteaux, en verstonden zij elkaar op dit vlak zo goed, dat hij zich niet schaamde bij hem te blijven aandringen tot hij de prior van l’Aumône wegtrok uit de filiatie van Cîteaux om hem toe te voegen aan die van Clairvaux.’

 

 

‘Dom Largentier, abt van Clairvaux, deed de genoemde abdij van Montiers aan om er de visitatie te doen. Nauwelijks had hij hem [= J. Petit] opgemerkt, of hij wilde hem hebben en vroeg de prior en de communiteit van voornoemd huis of hij hem krijgen kon. Dezen stonden hem onmiddellijk af. Hij werd naar Clairvaux gestuurd, zijn stabiliteit werd naar daar verplaatst en hij hernieuwde er de geloften die hij vóór de vereiste leeftijd had afgelegd.’

 


Zo ontstaat een soort netwerk van monniken die elkaar voortdurend ontmoeten en op allerlei wijze met elkaar samenwerken: op het Collège Saint-Bernard, bij kloostervisitaties, bij besprekingen met kardinaal de La Rochefoucauld, enz. – dikwijls in moeilijke omstandigheden dus en het hoeft ons dan ook niet te verwonderen dat menselijke kleinheid en politieke belangen al heel vlug een rol gaan spelen.

In deze context mogen we niet uit het oog verliezen dat dom Largentier een man van verzoening is. Hij is voorstander van de hervorming, maar legt die nooit met geweld op, ook al benoemt hij monniken die de hervorming zijn toegedaan, tot officianten of laat hij monniken van klooster veranderen om de hervorming in deze of gene abdij meer kans van slagen te geven. Hij is voorstander van de hervorming, maar zal er zelf nooit juridisch deel van uitmaken. Hij belééft de hervorming – punt. Het gevolg is dat beide strekkingen naar hem luisteren en hem respecteren. Als hij op 25 oktober 1624 overlijdt, betekent dat het begin van almaar stijgende spanningen en toenemende vijandigheid tussen beide observanties.

 

 

4.2.2. Octave  Arnolfini

 

Hoe beduidend de rol van de andere hoofdrolspelers ook is, dom Arnolfini kan terecht beschouwd worden als de initiatiefnemer van de Étroite Observance. Hij is de eerste die verder gaat dan de door het concilie van Trente voorgestelde hervorming en niettemin binnen de Orde van Cîteaux blijft. (Ook Jean de la Barrière was verder gegaan dan wat Trente vroeg, maar hij scheidde zich van de Orde af.)

Dom Octave, in 1579 in Lyon geboren uit een Toscaanse vader, brengt zijn jeugd door aan het hof van koning Hendrik IV. In 1598 ontvangt hij de abdij van La Charmoye in commende. Eerst neemt hij het materiële herstel van de abdij ter harte. Nadien, in 1602-1603, doet hij bij dom Denis Largentier in Clairvaux zijn noviciaat en legt er zijn geloften af. Op 5 juli 1603 wordt hij door de koning erkend als regulier abt van La Charmoye. Tussen dom Arnolfini en dom Largentier ontstaat een solide vriendschap. Wanneer dom Octave op 24 februari 1605 tot abt van Châtillon wordt gekozen, komt deze vriendschap volledig in dienst te staan van de verspreiding van de hervorming binnen de filiatie van Clairvaux. Op dat ogenblik heeft nog geen enkele profes iets op papier gezet in verband met die hervorming en is er ook nog geen enkele officiële beslissing genomen: de hervorming krijgt gestalte via kleine eilandjes die niet noodzakelijk met elkaar verbonden zijn. Clairvaux, La Charmoye, Châtillon, Cheminon en Prières vormen er de belangrijkste haarden van.

De eerste ‘officiële’ daad wordt gesteld op 9 mei 1606 in het Collège Saint-Bernard in Parijs. Samen met Etienne Maugier, monnik van l’Aumône, en Abraham Largentier, monnik van Cîteaux, tekent dom Octave een tekst waarin zij verklaren:

 

‘...wij beloven dat wij – na meer inzicht te hebben gekregen in de waarheid – onze Regel en de sancties, constituties en voorschriften die door onze vaderen op de generale kapittels werden opgesteld en uitgevaardigd, nauwkeurig zullen onderhouden en nakomen, zonder ook maar in het minst rekening te houden met welke dispensatie dan ook waarvoor onze heilige vader de paus zou kunnen zorgen...’

 

Je kunt stellen dat met deze tekst het officiële startsein voor de Étroite Observance wordt gegeven. Hier wordt openlijk de wil geuit – ondanks een bepaalde tweeslachtigheid – om een nieuwe levensvorm in het bestaan te roepen. En dom Arnolfini zal daar al zijn energie aan besteden.

 

 

4.2.3. Etienne Maugier


 

Dom Maugier is een sterke persoonlijkheid. Hij gelooft zo sterk in de hervorming en is er zozeer op gesteld, dat hij zich bedenkelijke manoeuvres veroorlooft om ze te laten lukken en aan iedereen op te leggen. Hij heeft een leeuwenaandeel in de verbreiding van de Étroite Observance en om haar te dienen is geen moeite hem te veel.

Hij is amper elf wanneer hij rond 1584 intreedt in de abdij van l’Aumône. In 1589 legt hij er zijn geloften af. Na zijn studies aan het Collège Saint-Bernard, waar hij een baccalaureaat in de theologie behaalt, wordt hij in l’Aumône tot prior benoemd, en priester gewijd. In 1604 is hij opnieuw in Parijs. Rond die tijd vraagt Denis Largentier hem voor zijn filiatie. Samen met Octave Arnolfini en Abraham Largentier ondertekent hij de net vermelde Verklaring van 9 mei 1606 waarin zij hun verlangen naar hervorming te kennen geven. Op 9 december 1608 volgt hij dom Arnolfini op als abt van La Charmoye (Arnolfini zelf is intussen in Châtillon tot abt benoemd). Van dan af zet hij zich meer dan honderd percent in voor de hervorming. De taken die hij krijgt toebedeeld, bieden hem daartoe ruimschoots de mogelijkheid.

Hij wordt inderdaad overste van Port-Royal des Champs (1609-1625), overste van Maubuisson en in 1609 vicaris van de abt van Clairvaux. Hij komt tussenbeide in de abdij van Lys en steunt dom Bernard Carpentier bij de hervorming van Prières. In 1623 visiteert hij met Octave Arnolfini de achtenvijftig huizen van de filiatie van Clairvaux. Op 28 juli van dat jaar benoemt Nicolas II Boucherat hem tot vicaris van de tien kloosters van de Étroite Observance. In 1628 en 1634 wordt de benoeming verlengd door dom Pierre Nivelle. In 1635 wordt ze bevestigd door kardinaal de La Rochefoucauld, de apostolische visitator. In 1636 volgt een tweede bevestiging, nu door kardinaal de Richelieu, de nieuwe abt van Cîteaux. 1623 is niet alleen het jaar waarin zijn vicariaat van de Étroite Observance begint, op 11 maart van dat jaar ondertekent hij ook de verordeningen van kardinaal de La Rochefoucauld voor de hervorming van de cisterciënzerorde.

In juli 1624 roept hij in Vaux-de-Cernay een kapittel samen voor de kloosters van de Étroite Observance. In 1626 roept hij opnieuw een kapittel bijeen; hier moeten de constituties worden opgemaakt. Onafgebroken dringt hij er bij kardinaal de La Rochefoucauld op aan de Étroite Observance te verplichten voor alle cisterciënzerhuizen in Frankrijk. Hij is aanwezig op alle besprekingen die de kardinaal hierover organiseert: november 1633, februari, april en mei 1634. Hij werkt nauw samen met de andere tenoren van de hervorming: Denis Largentier, Octave Arnolfini uiteraard, maar ook Jérôme Petit en Jean Jouaud, zijn beide assistenten als vicaris-generaal.

 

 

4.2.4. Jérôme Petit

 

Dom Jérôme mag dan misschien minder bekend zijn dan bovengenoemden, hij heeft toch een eersterangs rol gespeeld bij de totstandkoming van de Étroite Observance. Hij wordt geboren in 1586 en begint in 1600 zijn noviciaat in Montiers. Als we de auteur van zijn Leven mogen geloven ‘legt hij zich toe op de deugd’  terwijl ‘zijn medebroeders erop los leefden … en hem ertoe trachtten te overhalen te stoppen met die devotiepraktijken’. Hij legt zijn geloften af in Montiers, maar in 1603 is Denis Largentier daar op bezoek en neemt hem mee naar Clairvaux. Voortaan is hij monnik van Clairvaux. Na studies bij de jezuïeten en aan het Collège Saint-Bernard wordt hij lesgever aan dat college en wordt hij priester gewijd. Rond 1617 vraagt dom Arnolfini of hij hem kan krijgen om in de abdij van Châtillon de hervorming ingang te doen vinden. Na een verblijf in Cheminon, waar hij het werk consolideert dat hij er met dom Maugier was begonnen, wordt hij novicemeester in Clairvaux – een uitgelezen functie om de hervormingsgedachte wortel te doen schieten. In 1621 wordt hij in l’Étoile tot abt benoemd. Terwijl hij die abdij weer op de rechte weg brengt, blijft hij tegelijk de rechterhand van dom Arnolfini en dom Maugier bij de besprekingen met kardinaal de La Rochefoucauld. Samen met dom Maugier vergezelt hij de kardinaal bij een visitatie manu militari van het Collège Saint-Bernard in mei 1634. Op 15 september 1634 wordt hij tot eerste assistent van dom Maugier benoemd. Als we dan nog weten dat dom Largentier hem tot geestelijk leidsman had gekozen, kunnen we ons enig idee vormen van het gewicht dat hij bij het ontstaan van de Étroite Observance in de schaal heeft gelegd. Hij sterft op 25 oktober 1635. Hij is dan 49 jaar.

 

 


5. De Étroite Observance: een ideaal...van mensen...

 

5.1. Thema’s die de hervormers na aan het hart lagen

 

De hervormers sluiten aan bij de krachtlijnen van het concilie van Trente en leggen de link met de Regel van Benedictus en de eerste vaders van Cîteaux. Zij leggen trouwens accenten die doen denken aan de stichters van het Nieuwe Klooster:

 

‘... Belofte en onomstotelijke beslistheid de Regel van Benedictus naar de letter te onderhouden overeenkomstig de statuten, constituties en decreten van onze vroegere generale kapittels...’ (Verklaring van 9 mei 1606).

‘... De Regel in ere houden met de edelmoedigheid van onze vaderen eertijds ...’ (Monniken van Châtillon op 12 maart 1622).

 

De verschillende observanties worden dan herzien en aangepast aan de manier waarop de eerste cisterciënzers ze beleefden en waarop Bernardus erover spreekt: armoede, stilte, gemeenschappelijk leven en slot, en de zorg die dient besteed aan de uitvoering van het goddelijk officie. Bij dat alles wordt evenwel flink de nadruk gelegd op de ascese en op praktijken van versterving: ze keren terug naar de reguliere vastenpraktijken, bovenop de door de Kerk voorgeschreven praktijen, en vooral naar het vlees derven zoals de Regel van Benedictus het voorschrijft. Onthouding van vlees zal hét symbool worden van de Étroite Observance, terwijl het hier eigenlijk maar om één praktijk tussen vele andere gaat. Ook krijgt de handenarbeid, die geleidelijk achterwege was gelaten, een ruimere plaats toebedeeld.

Hoe het er concreet aan toeging, lezen we bijvoorbeeld in het Leven van Jérôme Petit:

 

‘Hij trok zich terug op zijn kamer of in de kerk om er tot God te bidden. Vaak ging hij naar de klokkentoren om zich te omgorden met knooptouw dat hij daar vond; hij droeg het bijna altijd op zijn lijf.’

‘Onze goede vader begon daar [in Châtillon] sprekend op Sint-Bernardus te lijken. Hij onderhield stipt de Regel: hij was de eerste in de kerk, bij het gebed, bij de arbeid en bij alle oefeningen in het klooster. Hij tuchtigde zichzelf dikwijls met ijzeren ketens, droeg bijna altijd het haren boetekleed, vastte onafgebroken, gehoorzaamde zonder uitstel en vond vreugde in de smerigste werkjes van het klooster.’

‘Eerwaarde pater dom Etienne Maugier..., die deze goede abt aan het werk zag, wilde deelnemen aan hun arbeid en werkte tijdens zijn verblijf in l’Étoile als al de anderen, zonder zich iets aan te trekken van zijn status van abt-vicaris...’

 

Ook op zijn godsvrucht tot de heilige Maagd trekt de tekst de aandacht.

 

 

5.2. De ‘observantiestrijd’

 

Het heeft weinig zin hier in detail uiteen te zetten hoe de Gewone Observantie en de Étroite Observance tegenover elkaar hebben gestaan. Het moge volstaan te herinneren aan de verschillende elementen die in deze strijd op het spel staan en aan de mensen die erin een rol hebben gespeeld.

Ø      monniken worden uit hun klooster gezet zodat het gebouw aan abstinenten kan worden gegeven;

Ø      het is verboden andere kandidaten als novice aan te nemen dan toekomstige abstinenten. Deze maatregel kan alleen maar verstaan worden als een poging om de Gewone Observantie op korte of lange termijn te doen teloorgaan.

Ø      de oorlogen die Spanje tot vijand maken;

Ø      Italië dat wordt veracht wegens Maria de Médicis – en dom Arnolfini is van Italiaanse afkomst!

Ø      een congregatie willen vormen is het Spaanse en Italiaanse voorbeeld volgen (die congregaties worden als ‘nationalistisch’ bestempeld) en zich afscheiden van de Orde, dus ingaan tegen de Carta Caritatis. In de machtsstrijd die hierover ontbrandt staat de koning tegenover het Franse parlement.

 

 

 

 

 

 

 

De belangrijkste data en feiten op een rij

 

Tot 1618: vreedzaam samenbestaan van lokale bewegingen; de standpunten hebben de neiging steeds algemener te worden.

 

Ø      De monniken van Châtillon vragen via de abt van Clairvaux aan Nicolas II Boucherat de toelating zich van vlees te onthouden en alle vastentijden van de Regel te onderhouden.

Ø      Op 14 maart antwoordt de abt van Cîteaux: omdat ‘de eenheid, de gelijkvormigheid en de rust van de hele Orde hier op het spel staan … en eventueel kunnen verstoord worden’ en omdat ‘de caritas kan verbroken worden...’, moet hij ‘de toestemming van onze eerste abten’ vragen. We moeten de onthouding trouwens juist inschatten: zij ‘raakt noch het hart noch de vrucht van onze geloften, zij is daarvan enkel een begeleidend verschijnsel’.

Ø      Op paasdag 30 maart wordt toelating gegeven tot aan het kapittel. Andere kloosters stellen dezelfde vraag onder gelijkaardige omstandigheden.

 

1618, generaal kapittel : de kwestie komt aan bod op het hoogste niveau en neemt een beslissende wending.

 

Nicolas II Boucherat looft de observanties van de hervorming omdat ze in overeenstemming zijn met de Regel, maar het kapittel vreest voor de uniformiteit van de discipline binnen de Orde. Het komt tot een compromis:

Niemand is echt tevreden:

 

Na 1618: de twee partijen komen in een conflictsituatie.

 

Ø      Op 31 december wordt Claude Largentier tot coadjutor van de abt van Clairvaux gekozen, wat een teleurstelling is voor dom Maugier. Er worden manoeuvres ondernomen tegen deze keuze. In Clairvaux zelf ontstaat een conflict tussen ‘anciens’ en ‘abstinenten’.


Ø      Kardinaal de La Rochefoucauld wordt door Gregorius XV tot apostolisch visitator van de Orden van Sint-Benedictus, Sint-Augustinus en Cîteaux benoemd. Bijgevolg wordt de kwestie van de Étroite Observance nu behandeld door een gezagsinstantie van buiten de Orde.

Ø      Op 15 juli zegt Lodewijk XIII zijn steun toe aan de kardinaal.

Ø      Op 30 januari werkt een speciale commissie zonder één cisterciënzer een ontwerp uit waardoor de Étroite Observance een eigen congregatie zou worden.

Ø      Op 15 mei stemt het generaal kapittel de hervormingsdecreten en verwerpt formeel de idee van een congregatie. De Étroite Observance krijgt echter de toelating zich het hele jaar door van vlees te onthouden.

Ø      Op 28 juli benoemt een tussentijds kapittel Etienne Maugier tot vicaris-generaal voor de Étroite Observance. Hij wordt gemachtigd een particulier kapittel bijeen te roepen.

Ø      Op 12 oktober vaardigt La Rochefoucauld een decreet uit over de noviciaten en stelt een nieuw ontwerp van een congre­gatie voor; de ‘anciens’ zullen gedoogd worden, maar mogen op geen enkele wijze deelnemen aan het bestuur van het klooster.

Ø                 Op 11 juli wordt in Vaux-de-Cernay het eerste kapittel van de Étroite Observance gehouden.

Ø      Op 4 september keurt Nicolas II Boucherat de statuten van dit kapittel goed, met uitzondering van de verkie­zing van priors.

Ø                 In oktober is Denis Largentier in Orval. De Étroite Observance manifesteert zich buiten Frankrijk.

Ø      Op 25 oktober overlijdt dom Denis in Orval. Het conflict wordt grimmiger.

Ø      Op 9 november wordt dom Claude Largentier geïnstalleerd; de abstinenten weigeren hem te erken­nen. De prior wordt geschorst. Clairvaux gaat over naar de Gewone Observantie.

Ø      Op 8 mei overlijdt Nicolas II Boucherat, abt van Cîteaux.

·                                Het gevolg is dat

Ø                              Clairvaux van april 1625 tot juni 1626 opgescheept zit met de zaak Claude Largentier

Ø      en dat Cîteaux van mei 1625 tot mei 1626 opgescheept zit met het probleem van een nieuwe abtkeuze.

Ø      Op 13 mei neemt Pierre Nivelle bezit van de zetel van Cîteaux. Hij zal nog een tijdlang de oppositie van de vier eerste abten moeten trotseren.

Na deze verkiezingen hebben zowel Cîteaux als Clairvaux een abt die de Étroite Observance niet meer gunstig gezind is.

Ø      Het generaal kapittel schrijft voor monniken die de abstinentie afwijzen, niet langer naar huizen van de Étroite Observance te sturen en omgekeerd geen abstinenten meer naar huizen van de Gewone Observantie te sturen, ‘om te vermijden dat de eenheid verbroken wordt’. Het kapittel benoemt dom Arnolfini tot vicaris-generaal van de Étroite Observance.

Ø      Tweede apostolische visitatie van kardinaal de La Rochefoucauld. De Étroite Observance moet een statuut krijgen – dat had ze inderdaad nog niet.

Ø      In augustus roept de kardinaal de abt van Cîteaux en de vier eerste abten samen. Alleen de abt van Pontigny geeft gevolg aan de oproep. Ook verdere oproepen blijven onbeantwoord.

Ø      Op 16 februari komt er een ontwerp op tafel om de Étroite Observance ingang te doen vinden in de belangrijkste huizen van de Orde.

Ø      Een brief met het koninklijke zegel, gedateerd op 20 maart, ontbiedt de vier eerste abten naar Parijs en verbiedt het samen­roepen van een generaal kapittel.

Ø      Op 5 mei wordt het overleg tussen de kardinaal en de Gewone Observantie opgezegd.

Ø      Van 9 tot 12 mei krijgt het Collège Saint-Bernard een visitatie manu militari.

Ø      Op 19 mei worden de nieuwe voorstellen van de Gewone Observantie verworpen.


Ø      In juni doet men een beroep op de koning. Tijdens de zomer kiezen beide partijen Richelieu als scheidsrechter.

Ø      Op 23 november laat de Raad van de koning weten dat de verordeningen van La Rochefoucauld in de kloosters geleidelijk en in het Collège Saint-Bernard onmiddellijk moeten worden toegepast.

Ø      Op 25 maart verschijnen de artikelen van Royaumont.

Ø      Op 6 mei komt er een koninklijke toelating voor het samenroepen van een nationaal kapittel. Kardinaal de La Rochefoucauld vreest echter dat dit kapittel afbreuk zal doen aan zijn verordeningen, temeer omdat zijn mandaat als visitator afloopt op 10 september. Hij doet dan ook het onmogelijke om ze voor die tijd opgelegd te krijgen.

Ø      Op 6 september introduceert kardinaal de La Rochefoucauld zelf de Étroite Observance in het Collège Saint-Bernard.

Ø      Op 10 september loopt zijn mandaat als apostolisch visitator ten einde.

Ø      In de eerste dagen van oktober annuleert het nationaal kapittel de verordeningen van La Rochefoucauld, verklaart ze nietig en keurt de artikelen van Royaumont goed.

Ø      Eind oktober neemt Pierre Nivelle ontslag ten gunste van Richelieu.

Ø      Op 16 november gaat de Heilige Congregatie over tot de nietigverklaring van alle akten van La Rochefoucauld die afbreuk doen aan de jurisdictie van de abt van Cîteaux.

Ø      Op 19 november wordt Richelieu tot abt van Cîteaux ‘gekozen’, maar het programma dat hij voorstelt, staat dicht bij dat van La Rochefoucauld. Aan Cîteaux wordt de Étroite Observance opgelegd.

Ø      Op 4 december sterft Richelieu. De strijd tussen ‘anciens’ en ‘hervormden’ om de abtzetel van Cîteaux laait weer op.

Ø      Op 2 januari lappen de ‘anciens’ de beslissingen van de Staatsraad aan hun laars en kiezen, geruggensteund door het Parlement van Bourgondië, Claude Vaussin tot abt. De abstinenten vechten de verkiezing aan, voeren allerhande manoeuvres uit en tekenen beroep aan bij de koning en in Rome.

 

 

Ø      Op 15 januari wordt Claude Vaussin geïnstalleerd als abt van Cîteaux. Jean Jouaud belooft hem gehoorzaamheid in naam van de Étroite Observance. Niets is echter helder. De twee partijen storten zich in nieuwe geschillen en trachten die voor de burgerlijke macht te beslechten, maar dat brengt natuurlijk geen oplossing.

 

 

6. De apostolische constitutie In suprema

 

Er begint een nieuwe fase wanneer de Staatsraad op 18 juni 1661 andermaal de uitvoering eist van de decreten van La Rochefoucauld. Er blijft de Gewone Observantie dan maar één middel over: een beroep doen op Rome. Op 29 november ontmoet dom Claude Vaussin paus Alexander VII. De paus erkent het goed recht van een algemene hervorming. Op 16 januari 1662 publiceert hij een breve waarin hij uitnodigt na te denken over de inhoud van zo’n hervorming. De abten van de Étroite Observance trekken de legitimiteit van de breve in twijfel en tekenen beroep aan bij de koning. Er volgen weer drie jaren van discussies, rechtszaken, enz., tot de Staatsraad op 3 juli 1664 alle partijen voor de pauselijke commissie daagt!


Claude Vaussin vertrekt naar Rome. De Étroite Observance stuurt als afgevaardigden abt Armand Jean de Rancé en dom Dominique Georges. Uiteindelijk publiceert Alexander VII op 19 april 1666 de bul In suprema.

Die verwijst rechtstreeks naar de Regel van Benedictus – een verwijzing die beide partijen wel moeten aanvaarden – en stelt dat de hervorming van de cisterciënzerorde, ‘in de lijn van het concilie van Trente’, een terugkeer naar die Regel betekent. De paus vertrekt in zijn tekst dan ook van de Regel, becommentarieert de hoofdstukken ervan en leidt daaruit concrete toepassingen af met betrekking tot

Bovendien wordt aan de vier eerste abten aanbevolen de Étroite Observance verder te verbreiden.

Door deze bul wordt de eenheid van de cisterciënzers gered – en die is hen ontzettend dierbaar. Aan iedereen wordt inderdaad dezelfde discipline opgelegd, behalve wat betreft de onthouding van vlees. De Étroite Observance blijft onder het gezag van de abt van Cîteaux, terwijl ze toch een zekere autonomie bewaart. Van deze bul mocht echt worden verwacht dat zij vrede zou brengen en ze heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat een splitsing werd vermeden. Mensen laten hun eigenwil en hun prerogatieven echter niet zo vlug varen. Spijtig genoeg zullen precies de beslissingen van 1666 de twistappels van de toekomst worden...

Na dit alles botsen we onvermijdelijk op de vraag wat het wezen uitmaakt van het cisterciënzer-zijn, los van alle tijd- en plaatsgebonden vormen. Ongetwijfeld kent alleen de Geest het antwoord...

 

 

 

 

Documenten

 

1. Brief van Nicolas II Boucherat aan Denis Largentier

[P. Zakar 1966, 144-145 (document 4).

De vertaling is gebaseerd op de omzetting in modern Frans door zuster Brigitte van Notre-Dame de Chambarand.]

 

Dom Nicolas II Boucherat aan dom Denis Largentier,

       

betreffende de petitie van de monniken van Châtillon, 14 maart 1614.

 

Mijnheer,

 


Onze Regel gelast mij het welzijn niet te verwaarlozen van hen die mij werden toevertrouwd. Als geestelijke vader van de hele Orde moet ik ook de groei van hun geestelijke en tijdelijke goederen behartigen. Ik verheug mij dus in de Heer en breng Hem dank als ik hoor dat sommigen voortgang maken op de monastieke weg, op voorwaarde natuurlijk dat dit gebeurt in de geest van onze wetgever Benedictus. Anders zou het schijnbaar voordeel in nadeel verkeren. Welnu, het gebruik van vlees is ons door de H. Stoel toegestaan. Ik twijfel er echter niet aan dat zij die deze verzachting niet hebben aanvaard toen ze werd toegestaan - en dat is het geval voor sommige priorijen van monniken en enkele vrouwenkloosters in Neder-Duitsland - en zich tevreden hebben gesteld met het strikte voorschrift van de observantie, meer blijk geven van volmaaktheid dan zij die van de verzachting van de heilige vader gebruik hebben gemaakt.

Zij die op deze genade zijn ingegaan, hebben dat alleen maar kunnen doen omdat het hun werd toegelaten. Vermits u hun abt bent, hebben de religieuzen van Châtillon u tot driemaal toe om deze toelating verzocht. Als abt hebt u de bevoegdheid om te dispenseren in persoonlijke of communautaire aangelegenheden, niet echter in aangelegenheden die de hele Orde aangaan. De Orde mag immers niet in verwarring worden gebracht, de caritas niet verbroken. Daarom ook hebt u mij op de hoogte gehouden.

De zaak is belangrijk, want ze raakt de Orde als geheel. Daarom kan ik slechts beslissen na rijp beraad en met toestemming van de vier eerste abten. Dit kan pas gebeuren op het volgende kapittel. Dat zal zich hierover uitspreken. Om alles te laten lopen zoals het hoort, wens ik dus dat onze broeders van Châtillon tot na Pinksteren de gewone observantie in acht nemen. Ik beloof u nog voor die tijd te ontmoeten om samen na te denken, zodat wij deze broeders voldoening kunnen geven en hun de volledige onthouding van vlees toestaan, maar dan wel volgens onze Regel.

Mijn innigste wens zou zijn dat ieder het algemene besluit nam terug te keren naar de oorspronkelijke observantie – die allen hebben ontvangen en in acht genomen – maar dan wel om ze echt aangenaam te doen zijn aan God. In het licht van onze geloften is de observantie waarvan wij dispensatie hebben verkregen, inderdaad slechts van secundair belang. Zij raakt noch het hart noch de vrucht van onze geloften, zij is daarvan enkel een begeleidend verschijnsel.

Het komt er dus op aan dat we werk maken van de dingen waarvoor hoegenaamd geen dispensatie mogelijk is, zoals het leven in gemeenschap en de gemeenschap van goederen, en dat de beleving daarvan in overeenstemming is met wat onze Regel aanbeveelt – kortom, dat we echt en uit eigen beweging arm zijn volgens de geloften die we tegenover God hebben afgelegd.

Hetzelfde geldt voor de gehoorzaamheid en de eerbied die wij onze oversten verplicht zijn: beide moeten beter worden onderhouden. Vrouwen wordt de toegang tot onze kloosters, zelfs tot de kleinste, radicaal ontzegd. Het slot – ik heb het nog altijd over de mannenkloosters – moet worden vastgelegd, zoals dat vroeger het geval was. Het slot is trouwens nu nog altijd van toepassing in een aantal kloosters van Opper-Duitsland. De monniken verlaten daar het klooster nooit, tenzij hun taak het vraagt, en spreken elkaar niet aan zonder toelating of noodzaak.

Als men dit alles niet in praktijk brengt, blijven naar mijn mening het derven van vlees en gelijk welke uiterlijke observantie leeg en onverdienstelijk. Toch wil ik in deze materie, net als bij alles wat de hervorming van onze Orde aangaat, mijn mening onderwerpen aan het oordeel en de raad die u en uw mede-abten zullen verstrekken.

In de tussentijd, mijnheer, zal ik de Schepper smeken u zijn genade te blijven schenken.

Ik beveel mij aan in uw welwillendheid en heilige gebeden.

 

Cîteaux, 14 maart 1614,

Uw zeer ootmoedige en toegenegen medebroeder en broeder, Nicolas, abt van Cîteaux.

 

 

2. Constitutie In suprema van paus Alexander VII van 19 april 1666

De vertaling is gebaseerd op de onuitgegeven Franse versie van de constitutie door pater Placide Vernet, die ons graag de toestemming gaf om onderstaande uittreksels te publiceren.

 

Artikel 12: De visitatoren van de provincies van kloosters van de Gewone Observantie […] zullen niet alleen gekozen worden uit ‘beproefde’ religieuzen van de Gewone Observantie, maar ook, als ze dat aangewezen vinden, uit de religieuzen van de Étroite Observance of Abstinence. Ze kunnen dan op hun raad en bijstand een beroep doen om de huidige hervorming toe te passen. (cf. RB 3)

 

Artikel 31: De postulanten zullen ontvangen worden door de visitator van de provincie en door de novicemeester. Als zij na hun onderzoek geschikt bevonden worden, ontvangen zij het habijt en worden zij op de proef gesteld omdat zij goed dienen te begrijpen dat zij hun hele leven lang gehouden zijn aan alle hoofdstukken van de heilige Regel zoals die hier worden uiteengezet – met uitzondering evenwel van het vlees derven. (cf. RB 58)

 

Artikel 35: In het vervolg kan niemand tot generale abt van de Orde van Cîteaux worden gekozen die niet uitdrukkelijk profes van deze Orde is. Anders is de keuze ipso jure ongeldig en wordt de kiezers zonder voorafgaande waarschuwing voor altijd hun actief en passief stemrecht ontnomen [...] Men zal bij deze verkiezingen elke vorm van ambitie en elke ongeregelde handelwijze vermijden. De verkiezingen moeten plaatsvinden zoals de kerkelijke regelgeving voorschrijft: er moet worden gestemd, en alle monniken van bovengenoemde Orde, van beide observanties, genieten passief stemrecht, als ze daartoe niet om een of andere reden verhinderd zijn. (cf. RB 64)

 

Artikel 39: In de toekomst dient men overal te leven onder één enkele Regel, met eenzelfde caritas en met identieke gebruiken. Alle leden van de Orde, mannen zowel als vrouwen, dienen te weten wat een striktere observantie inhoudt – alleen het derven van vlees wordt uit die strikte naleving gelicht. Daarom zal men een korte, heldere compilatie en samenvatting maken van alle apostolische constituties en van de statuten die niet door een tegengesteld gebruik of om een andere reden zijn afgeschaft [...].

 

Artikel 40 : […] uit eigen beweging en ten volle overtuigd, na rijp beraad en uit kracht van onze apostolische bevoegdheid, keuren wij bij dezen alle bovenstaande artikels goed en bevestigen ze. Wij voegen er de kracht aan toe van een altijddurende, onschendbare stabiliteit en wij gelasten dat deze artikels krachtig en ongeschonden nageleefd worden in heel de Orde van Cîteaux, zowel in het koninkrijk Frankrijk als in de andere koninkrijken en provincies, door alle religieuzen zowel van de Gewone als van de Strikte Observantie. Wordt dit alles niet nagevolgd, dan staan daarop de straffen die de Regel voorziet [...].

 

Artikel 50: [...] het ligt niet in onze bedoeling de kloosters van hervormde monniken in het koninkrijk Frankrijk en hun Strikte Observantie nadeel te berokkenen. Het is zelfs veeleer onze bedoeling de lofwaardige manier van leven van de Strikte Observantie aan te moedigen en te begunstigen. Wij willen onze pastorale taak zo uitoefenen dat zij deze Observantie ten gunste komt en bijdraagt tot haar behoud en ontwikkeling. Daarom manen en vermanen wij de abt van Cîteaux en de eerste abten ernstig in de Heer en gelasten wij hen uit kracht van de heilige gehoorzaamheid, de Strikte Observantie niet alleen te beschermen en met het vuur van hun caritas te omringen, maar er zich zelfs naar best vermogen op toe te leggen haar te verspreiden en te propageren, opdat zij met Gods zegen dag na dag steeds overvloediger vrucht mag dragen in de strijdende Kerk.

 

 

 

 

Algemene bibliografie

 

Bouton, Jean de la Croix, Cisterciënzer fichen. Geschiedenis der Orde III, deel 6, fiche 84-86, s.l., s.d., p. 665-688.

Lenssen, Seraphinus OCSO, Cistercienser Hervormingen, [Hattem] 1989 (19651).

Zakar, Polycarpe, Histoire de la Stricte Observance de l’Ordre cistercien depuis ses débuts jusqu’au Généralat du Cardinal de Richelieu (1606-1635), Rome, Editiones Cistercienses, 1966.

 

 

 

Voor verder onderzoek

 

Cousinat, J.-L. en Carminati, P., Le Père ancien: l'itinéraire de dom Jacques Minguet (1597-1681), abbé de Châtillon, un initiateur de l'Étroite Observance parmi d'autres (Commentarii cistercienses, deel 41), Cîteaux, 1990.

Garda, C., Vie inédite de Dom Jérôme Petit, abbé de l'Etoile, l'un des promoteurs de l'Étroite Observance (Commentarii cistercienses, deel 38), Cîteaux, 1987.

Garda, C., Le premier chef des cisterciens réformés: Dom Etienne Maugier (1573-1637) (Commentarii cistercienses, deel 43), Cîteaux, 1992.

Goyvaerts, Lisbet, ‘Neergang en herleving’ in Monastieke Informatie 174A (1998) 34-38.

Grégoire, P.-C., Les trois réformes de l'abbaye d'Orval (Commentarii cistercienses, deel 39), Cîteaux, 1988.

Grillon, Louis, ‘Dom Louis Quinet (1596-1665), Abbé de Barbery’ in Mélanges à la mémoire du Père Anselme Dimier, met een woord vooraf door Benoît Chauvin, deel II, boek 3, Arbois, Benoît Chauvin, 1984.

Réformes et continuité dans l'Ordre de Cîteaux. De l'Etroite Observance à la Stricte Observance, Actes du Colloque ‘Journées d’his­toire monastique Saint-Mihiel 2-3 octobre 1992’, Cîteaux, Commentarii cistercienses – Textes et Documents, vol. VI, Brecht, 1995.

Zeijden, Adolfus Van der, ‘Het ontstaan en de structuur van de Congregatie der Feuillanten’ in Hendrix, Guido (red.), Trefwoorden uit de Geschiedenis van Cîteaux (Bibliotheca Auctorum Traductorum et Scriptorum Ordinis Cisterciensis VIII), Leuven, Bibliotheek van de Faculteit Godgeleerdheid, 1999, p. 55-66.

 

 

 

 

Aanzetten tot persoonlijke reflectie en tot uitwisseling

 

1.                                                                                                                                                                  Met dit dossier zijn we aanbeland in een tijd van hervormingen. Kun je stellen dat de eis tot hervorming inherent is aan het cisterciënzercharisma? Zo ja, waarom? Moeten in het leven van elke gemeenschap geen kleine hervormingen worden doorgevoerd, zijn er geen gunstige momenten en tijden van genade waarin God ons oproept tot vernieuwing van hart en ge­drag? Welke momenten zie je zoal? Hoe gaan wij daar mee om?

2.                                                                                                                                                                  Denk na over deze uitspraak: ‘Een leven zonder pit is geen cisterciënzerleven’. (M. Casey in Collectanea Cisterciensia, 1998/1, p.23).

3.                                                                                                                                                                  Meestal staat een kerngroep van broeders of zusters aan de wieg van een hervorming. Dat was trouwens ook het geval bij de stichting van Cîteaux. Kun je van daaruit al die hervormingen niet zien als even zovele uitdrukkingen van de genade van het cisterciënzerleven, die toch niets anders is dan de genade van het gemeenschap vormen? Is dit telkens weerkerende verlangen naar gemeenschap gegrond in de Regel? Hoe kunnen wij deze dimensie van onze roeping beleven?