|
Antwoorden en bedenkingen op vaak gestelde vragen tijdens lezingen of therapeutische coachings of begeleidingen, tijdens dagdagelijkse ontmoetingen en gesprekken of in brieven of mails. Ook u kunt vragen stellen of reageren via de pagina “Reageren”, via onze blog of door ons een mail te sturen. Interessante of vaak gestelde vragen kunnen in deze rubriek opgenomen worden.
|
|
1. Hoe vind ik een goede therapeut? Wie moet ik geloven? Ik hoor zoveel verschillende meningen en adviezen…
Onder invloed van het rationele, wetenschappelijke denken is er in het westen een soort obsessie met de “waarheid” ontstaan. In de wetenschap, die over de materiële werkelijkheid gaat, kun je inderdaad toetsen of een bepaalde bewering met de realiteit overeenstemt. Je kan dus aantonen of een bepaalde uitspraak al dan niet “waar” is.
In het geval van levensproblemen liggen de zaken echter heel anders. Het leven kan beter vergeleken worden met het maken van een reis. Als je van een bepaalde plaats naar een andere wil gaan, zijn er mogelijk meerdere wegen om dat te doen. Géén van die wegen is de enige “ware”. Als je een kaart hebt, kies je een bepaalde weg, en je houdt je daaraan, zonder er van uit te gaan dat dit de enige ware weg zou zijn. Integendeel, je weet best dat er andere wegen zijn die even goed tot het doel leiden. Als je echter doorheen een gebied wil waarvan je géén kaart hebt, dan kun je alleen maar een gids kiezen en daarop vertrouwen. Een gids kent de streek maar is geen wetenschappelijk onderzoeker en je gaat hem niet voortdurend lastigvallen met wat je misschien op de televisie gehoord hebt of in de krant gelezen hebt over het laatste onderzoek.
Het verwarrende is echter dat al die gidsen en wijsheidsstelsels zich toch als de enige ware aandienen en beweren dat de andere niet goed of zelfs verkeerd zouden zijn. Voor de arme reiziger maakt dat het er bepaald niet eenvoudiger op...
Vele mensen kiezen niet bewust een bepaalde gids of een bepaalde filosofie maar volgen gewoon wat hun ouders deden of wat “men” denkt en zegt en normaal vindt. Vele mensen noemen dat “spontaan” zijn, wat eigenlijk wil zeggen “onnadenkend” zijn. Je kiest er dan in feite voor om de meerderheid als gids te nemen. Als dat je keuze is, en je hebt vrede met de gevolgen van die keuze, dan is daar natuurlijk niets mis mee. Het is bovendien uiteraard wel zo gemakkelijk…
Zou er geen erkende opleiding voor therapeuten moeten zijn?
Dit is een begrijpelijke vraag. Helaas lost een “erkenning” de zaak niet op want niemand kan zeggen welke opleiding dat dan wel zou moeten zijn. Er is immers geen wetenschap over de mens en over menselijke problemen. Er is dus ook geen wetenschappelijk gefundeerde benadering om problemen aan te pakken. Therapie is nog altijd meer een kunst dan een wetenschap, en dat zal in ieder geval nog lang zo blijven. Er is ook geen erkende opleiding die kan garanderen dat men een goed kunstenaar wordt. Men kan wel bepaalde technieken aanleren, maar dat garandeert niet het resultaat.
Maar de overheid zou de therapeutische wereld toch beter moeten reglementeren!
Ook dat is een begrijpelijke vraag. Ze wijst op de betrachting zich te verzekeren van een goede werking en zich te beschermen tegen onjuiste praktijken. Hoewel dit verlangen begrijpelijk is, geldt dezelfde opmerking als hierboven: therapie is meer een kunst dan een wetenschap.
|
|
|
2. Men zegt dat men het geluk in zichzelf moet zoeken…!?
Dat is misschien een beetje een te eenvoudige voorstelling. Men kan het geluk weliswaar niet buiten zichzelf vinden, niet bij anderen en niet in bezittingen, prestaties of status, maar dat betekent nog niet dat men het zonder meer in zichzelf kan vinden. Het geluk is immers niet “iets” dat men kan “zoeken” en “vinden”. Het is ook geen bestemming en geen reis, geen plaats om naartoe te gaan. Het is veeleer een manier van zijn, een existentiële dans met het leven.
Men kan hem ook niet buiten zichzelf vinden. Men kan hem gewoon niet “vinden”. Men kan hem alleen leren dansen… Maar iedereen heeft wel alles in zich om de dans te kunnen leren dansen! Daartoe is het alleen maar nodig wakker te worden. Iedereen heeft ook alles in zich om wakker te worden, bewust te worden van het wonder en het mysterie van het leven, naar een plaats van heelheid en sereniteit in zichzelf te gaan, naar een plaats waar je niet afhankelijk bent van omstandigheden of van het gedrag van anderen, en van daaruit de aandacht, de openheid, de liefde en de dankbaarheid te creëren waardoor de ervaring van geluk kan ontstaan.
Geluk is niet een goed gevoel omdat je gekregen hebt wat je wilde hebben. Geluk betekent niet een leven dat alleen maar gevuld zou zijn met rozen. Geluk betekent wel in alles een roos kunnen zien… Dat is de betekenis van spiritueel verliefd zijn. Gelukkig zijn is spiritueel verliefd zijn. Spiritueel verliefd zijn kunnen we altijd en overal…
|
|
|
3. Ik heb alles wat ik mij kan wensen, en toch voel ik mij niet gelukkig. Is er misschien iets mis met mij? Doe ik iets verkeerd?
Je doet op zich helemaal niets “verkeerd”. Maar op de eerste plaats maakt de vraag duidelijk dat “alles hebben” inderdaad niet hetzelfde is als gelukkig zijn. Integendeel: voor wie alles heeft, blijft er niets meer te verlangen, geen enkel perspectief, geen enkel doel. Dat wordt doorgaans niet als een toestand van “geluk” ervaren maar als een toestand van leegte, onwelzijn en stress. De mens is kennelijk gemaakt om te klimmen en te exploreren, niet om lekker niets te doen.
Op de tweede plaats blijkt uit deze vraag de vaak gemaakte verwarring tussen plezier en geluk. De meesten onder ons hebben moeite met dit onderscheid. Onze hersenen hebben daar blijkbaar moeite mee. Wij leren dit onderscheid ook niet maken omdat wij leven in een samenleving die vrijwel uitsluitend gericht is op amusement en op het najagen van genietingen en bevrediging van behoeften, van lichamelijke geneugten en emotionele genoegdoeningen, van leuke ervaringen en spannende belevingen, maar waar weinig geluk is.
Geluk
daarentegen is een meer existentiële, spirituele beleving. Een eenvoudige
vuistregel is: een plezier is iets goeds, iets aangenaams dat je overkomt en
waar je kan van genieten (lekker eten, bezittingen, een woning, een auto, een
boot, een reis, een vakantie, sociaal succes, …). Plezier is afhankelijk van
omstandigheden en is onderhevig aan tijdelijke modeverschijnselen. Geluk
daarentegen is niet iets dat je kunt “hebben” of “bezitten”. Het is een
beleving, de ervaring dat je zelf iets goeds doet, dat
Een kind kent nog alleen maar genoegdoeningen, het voldaan worden van behoeften. Een kind moet alleen maar krijgen omdat het nog niet kan geven. Een volwassene kan echter niet echt gelukkig zijn door alleen maar te krijgen.
Om dat duidelijker in te zien, kun je het volgende gedachtenexperiment bedenken. Stel dat je de mogelijkheid zou hebben om je te laten verbinden met een gesofistikeerd en geavanceerd apparaat dat niet alleen je hersenactiviteit registreert maar bovendien de juiste hersencentra stimuleert zodat je altijd goede en fijne gevoelens hebt. Om het echt te doen lijken en verveling te vermijden, zouden diverse vormen van stimulatie elkaar willekeurig en onvoorspelbaar opvolgen. Bovendien zou het apparaat ervoor zorgen dat je niet meer zou weten dat je aan een machine gekoppeld bent maar dat je overtuigd zou zijn dat je alles echt meemaakt. Zou je in die omstandigheden willen tekenen om een dergelijke ervaring mee te maken? De meeste mensen die ernstig over de vraag nadenken, bedanken ervoor. Waarom? Merkwaardig toch? Mensen willen zich toch goed voelen? Jazeker, maar mensen willen zich niet zomaar goed voelen, zij willen ook het idee hebben dat zij zich goed voelen om de juiste redenen, omdat zij iets goeds gedaan hebben! Zij willen het goed voelen ook verdiend hebben!
Een volwassene heeft inderdaad een ethische dimensie en heeft het ook nodig te weten dat hij iets goeds doet, dat hij iets geeft, dat hij belangrijk is. Een kind leeft emotie-gestuurd en doet dingen omdat ze leuk zijn, een volwassene is in principe waarde-gestuurd en doet dingen omdat ze waardevol zijn, omdat zij een betekenisvolle bijdrage leveren. Dat kan een bijdrage zijn op wetenschappelijk of artistiek terrein, of op politiek of sociaal terrein, of op relationeel of familiaal terrein.
Iets goeds doen leidt tot de ervaring van geluk, die een diepere ervaring is dan de ervaring van genoegdoening. Geluk is dus ook geen optelsom van genoegdoeningen. Het is een andere dimensie. Daarom zullen alle genoegens en pleziertjes die je hebt (goeie baan, mooie woning, auto, vakanties…) je nooit tot geluk brengen. Je voelt je niet gelukkig omdat er een gevoel van leegte achterblijft, een honger naar zinvolheid, een spirituele honger die nooit opgevuld kan worden door lichamelijke of emotionele genoegdoeningen.
Gelukkig zijn hangt dus niet af van wat je hebt of wat je doet. Een vuilnisophaler kan gelukkiger zijn dan een directeur of een hoogleraar. Maar in onze samenleving wordt ons voorgehouden dat je allerlei dingen “nodig hebt” om gelukkig te zijn. Als je geluk moet hebben om gelukkig te zijn, dan ben je niet echt gelukkig.
Het is een mythe dat je ook maar iets nodig zou hebben om gelukkig te kunnen zijn. Je hebt geen enkele reden nodig om gelukkig te zijn. Niets in de wereld kan je gelukkig maken, maar alles in de wereld kan je inspireren om gelukkig te zijn. Je kunt gewoon gelukkig zijn zonder meer, omdat je leeft, omdat je er bent, omdat je als het ware verliefd bent op het leven.
Hoe kun je nu verliefd worden op het leven!!?
Het gaat natuurlijk om spirituele verliefdheid, niet om romantische of seksuele verliefdheid. Toch is er een grote gelijkenis. Je kunt namelijk verliefd zijn op het leven op dezelfde manier als je verliefd kunt zijn op een vrouw of op een man: door je open te stellen voor de schoonheid, voor het mysterie. Krishnamurti zei “Verliefd worden op een mens is God ontmoeten in die mens.” God is immers alleen maar een andere naam voor het mysterie, voor dat wat we niet begrijpen, maar wat ons vervult. Ook Dostojevsky zag het zo. Verliefd worden is een ervaring van volheid. Een belangrijk aspect van verliefdheid is dat diegene waarop je verliefd bent daarvoor niets hoeft te doen. Het volstaat dat de persoon er is en dat je er mag bij zijn of dat je weet dat hij bestaat. De persoon waarop je verliefd bent moet je niet gelukkig maken, je bent gewoon gelukkig en vervuld omdat je er mag bij zijn! Elke esthetische ervaring kan daartoe model staan. Als je een roos bekijkt en vervuld wordt door de schoonheid, kun je beseffen dat wat we de schoonheid noemen, in feite onvatbaar, onverklaarbaar, en onmededeelbaar is. Je kunt alleen stil zijn want al wat je er kunt over zeggen mist de essentie, alle woorden schieten tekort. Er is alleen de ervaring van vreugde en vervuld zijn, en die ervaring is onbenoembaar en onmededeelbaar. Als iemand dus zegt in die roos, of in die man of in die vrouw niets te zien, dan ben je machteloos. Je kunt het immers niet uitleggen of bewijzen, je kunt alleen uitnodigen om te proberen het ook te zien. Het is juist als onze woorden zwijgen, als ons analytische denken zwijgt, omdat “er niets te zeggen is”, dat de ervaring van schoonheid kan ontstaan. Zolang we dat proberen uit te leggen, te begrijpen of te beoordelen, zullen we de ervaring niet hebben. Je kunt de schoonheid leren zien in een mens, een kind, een dier, een bloem, een insect, een kei, de sterren, de levende wereld, de hele natuur, het hele leven… Zo kun je ook gefascineerd worden, verliefd worden op het leven als je gaat zien dat het hele leven in feite als een roos is die zich opent en ontvouwt. Dat is de betekenis van mindfulness. Als je op die manier gaat kijken, wakker wordt, de ogen opent, stil staat, en het mysterie laat binnenkomen, kun je de schoonheid van het leven ervaren.
|
|
|
4. Waarom is gelukkig zijn zo moeilijk?
Omdat ons brein het daar waarschijnlijk moeilijk mee heeft...
Onze hersenen zijn bedoeld voor het oplossen van problemen en zijn minder goed in het creëren van geluk. Zij voelen zich onwennig als er geen problemen zijn. Zij denken dan dat er vast wel een probleem over het hoofd gezien werd en gaan ijverig op zoek…
Evolutionair gezien is het begrijpelijk dat onze hersenen vooral goed zijn in het oplossen van problemen waar de mens in het verleden vaak mee werd geconfronteerd. Op de eerste plaats uiteraard problemen in verband met overleving, voedsel, veiligheid en gevaar, maar verder ook problemen van sociale aard: partners, vrienden, rivalen, vijanden, conflicten, hiërarchie, samenwerking… Al deze problemen behoren tot onze “overlevingsmodus“ en in al deze situaties was het in het verleden vaak nodig snel, radicaal en veralgemenend te oordelen of iets “goed” of “niet-goed” was, vaak op basis van beperkte gegevens en ervaringen. Foutieve beoordelingen liepen immers vaak fataal af… De overlevingsmodus is als het ware het archaïsche evolutionaire spel dat in ons gespeeld wordt en dat soms zelfs de overhand kan nemen. Misschien is ons brein zelfs zodanig ingesteld op het opmerken en oplossen van problemen, dat een toestand zonder problemen als ongewoon en zelfs beangstigend wordt ervaren …
Het brein is ook veel minder goed in het oplossen van problemen waar het in het verleden vrijwel nooit mee te maken heeft gehad: de ware aard van tijd en ruimte, de relativiteitstheorie, de structuur van de materie, de kwantumfysica, de evolutie van de kosmos, logische en wiskundige problemen, de organisatie van miljoenensteden en grote samenlevingen, het omgaan met spitstechnologie en grote energieën met vaak potentieel destructieve effecten. Voor deze problemen is het net niet nodig snel te oordelen, maar veeleer om niet-oordelend waar te nemen hoe de dingen eigenlijk zijn. Daartoe moeten onze hersenen dan ook in een andere modus werken dan in de “overlevingsmodus”.
Als gevolg van deze dominante “overlevingsmodus” raakt het brein evenwel gemakkelijk “besmet” met onjuiste “inzichten”. De “normale” werking van ons brein, ons “gezond verstand” zegt ons dat de aarde plat is en stilstaat terwijl de rest van het heelal om ons heen draait. We hebben er wat moeite mee, ook al “weten” we het, te begrijpen dat de aarde ruim 4,5 miljard jaar geleden is ontstaan, dat wij met een snelheid van ruim 100.000 km/u (30 km/sec!) door de ruimte om de zon zoeven en met ruim 1.600 km/u om onze aardas draaien en dat mensen die aan “de andere kant” van de aarde lopen toch niet het gevoel hebben ondersteboven te lopen.
We hebben er ook moeite mee om bepaalde dingen achterwege te laten die “plezierig” zijn, ook al “weten” we dat die niet goed voor ons zijn, en andere dingen die “niet plezierig” zijn juist wel te doen, ook al “weten” we dat die goed voor ons zijn. Dat “weten” is meestal niet meer dan de mogelijkheid om een aantal woorden na elkaar uit te spreken. Het aspect “plezierig” of “niet-plezierig” is doorgaans een veel krachtiger drijfveer. Zo vinden mensen het bijzonder moeilijk om te stoppen met roken, met te veel drinken, met de verkeerde dingen te eten en met het ongebreideld najagen van bezit, partners en territorium … ook al “weten” ze dat dit niet tot geluk leidt… (Cfr. bijv. De film “Damage” van Louis Malle)
Uiteindelijk zijn er geen gemakkelijke of moeilijke dingen. Er zijn alleen dingen wie we al kennen en dingen die we nog niet kennen. Van de dingen die we kennen, hebben we een duidelijke voorstelling. Als we een duidelijke voorstelling hebben, kan het lichaam dat ook uitvoeren. Van de dingen die we nog niet kennen hebben we geen duidelijke voorstelling. Dingen lijken moeilijk als we ons er geen duidelijke voorstelling van kunnen maken. Dan lijkt het alsof we in de mist lopen, of in een vreemde stad waarvan we geen kaart hebben.
Dat geldt ook voor existentiële vragen, die juist betrekking hebben op het leven op langere termijn, op de “moeilijke” dingen. Zo hebben wij het bijzonder moeilijk om onze gevoelens op langere termijn correct in te schatten en voor te stellen. Wij overschatten veelal de intensiteit en de duur van het “geluk” dat ons zal te beurt vallen bij het bereiken van bepaalde doelstellingen (meestal komt het neer op een voorbijgaand plezier) en we overschatten ook de aard en de duur van het “ongeluk” dat “voor altijd” ons lot zal zijn als bepaalde gebeurtenissen zich zouden voordoen (ook dat is veelal van voorbijgaande aard).
Om tot geluk te komen moeten wij juist de gewoonte van onze hersenen om snel te oordelen of iets “goed” of “niet-goed” is, even achterwege laten. We moeten op een soort “beschouwende”, “contemplatieve” of “meditatieve” modus overschakelen. Maar dat valt niet mee wegens de aanwezigheid van de kleine (of grote) interne dwingeland, die altijd uit is op onmiddellijk genot of die zich angstig maakt voor een (meestal ingebeelde) dreiging. Pogingen om die interne stem het zwijgen op te leggen of “uit te schakelen” lukken meestal niet. Integendeel, hoe meer we er ons tegen verzetten, hoe sterker die stem lijkt te worden. Het beste wat we kunnen doen lijkt nog te zijn er gewoon om te glimlachen. Door te glimlachen geven we aan dat de interne stem geen macht over ons heeft. Uiteindelijk geeft de interne stem het dan op, net zoals een zeurend kind uiteindelijk opgeeft als het geen speciale aandacht meer krijgt. Dat is precies de bedoeling van meditatie of “mindfulness”.
In die “meditatieve” modus, kunnen we uiteindelijk gaan zien dat we niets missen, dat we niets nodig hebben om gelukkig te zijn. We kunnen stoppen met het zoeken naar dingen die ons kunnen verwonderen en we kunnen beginnen met gewoon verwonderd te zijn. Het enige wat nodig is, is er ook al, namelijk het bewustzijn van het geluk in leven te zijn, het bewust deelnemen aan een groots en wonderlijk proces.
Is dat de kracht van het nu?
Precies. De kracht van het nu is het besef dat er in het nu geen lijden kan zijn. Er kan alleen lijden zijn als we wat er nu is vergelijken met een ingebeelde toestand die verondersteld wordt beter te zijn, als we dus oordelen dat wat er nu is niet goed genoeg is. Maar dan zijn we bezig met oordelen en vergelijken, niet met (be)leven wat er nu is. Hoe zou het nu niet goed genoeg kunnen zijn? Het nu is al wat er is!
Dat wordt geïllustreerd door het verhaal van een man die achterna gezeten wordt door een tijger. Ten einde raad springt hij in een ravijn waar de tijger hem niet kan volgen en waar hij zich nog net kan vasthouden aan een uitstekende wortel. Maar als hij even naar beneden kijkt, ziet hij daar ook al een likkebaardende tijger staan, en tot overmaat van ramp ziet hij hoe een paar muizen aan “zijn” wortel aan het knagen zijn. Maar toen hij even opzij keek, zag een paar aardbeien staan, pakte er een en stak ze in zijn mond. Wat smaakte die heerlijk…
Bestaat het geluk wel?
Sommigen gaan inderdaad zo ver te verklaren dat het geluk helemaal niet bestaat, dat het een illusie is, dat het niet van deze wereld is, dat het genetisch bepaald is of dat het toch alleen maar om chemische reacties in de hersenen gaat, enz. Deze opvattingen vormen meteen ook het gedroomde (en modieuze) excuus om er niet meer verder over te moeten nadenken en te verklaren dat wie wel nadenkt en zoekt hopeloos naïef is. We kunnen dit vergelijken met iemand die zou beweren dat de schoonheid van een roos of van een schilderij helemaal niet bestaat. Een dergelijk iemand zou op ons niet bepaald een indruk van grote wijsheid maken, maar zou eerder blijk geven van armoede van geest. Schoonheid bestaat voor wie ze ziet. Ze bestaat niet voor wie ze niet ziet. Net zoals een tango bestaat voor wie hem doet bestaan door hem te dansen. Een tango bestaat niet voor wie niet in staat is hem te doen ontstaan.
Is het geluk voor sommigen niet gemakkelijker dan voor anderen?
Wellicht wel. Maar het idee dat het geluk voor sommige mensen moeilijker is dan voor andere, doet niets terzake. Dat geldt immers voor alles: fietsen, viool spelen, paaldansen of badmington spelen. Zelfs als dat waar is, is er namelijk maar één persoon voor u belangrijk en dat bent uzelf. De vraag is wat u wil, niet wat voor andere mensen gemakkelijker of moeilijker zou zijn.
|
|
|
Dat is uiteraard een heel boeiende vraag. Deze vraag (waarop overigens vele varianten zijn) klinkt dan ook zo ongelooflijk diepzinnig. Ik weet niet eens of ik wel voldoende geschoold ben om daar een antwoord op te kunnen geven… Maar deze vraag is ook een gigantische bananenschil waarop therapeuten evenveel gevaar lopen om uit te glijden als uzelf…
Om te beginnen suggereert uw vraag dat het uw taak zou zijn of dat u zelfs maar de mogelijkheid zou hebben om bestaansrechten toe te kennen en te beslissen wie er mag zijn en wie niet. Dat lijkt mij toch een enigszins overtrokken mening. Ofschoon de vraag op een diep probleem van zelftwijfel lijkt te wijzen, neemt u daarmee in feite een zeer arrogante houding aan: die van opperrechter over wie er mag zijn en wie niet.
U hebt uzelf niet gemaakt en het is ook niet aan u om te beslissen of u er mag zijn. U hebt het recht er te zijn omdat het leven u heeft uitgenodigd om er te zijn. Dat is alles. U hoeft daar verder niets speciaals voor te doen of te bewijzen. Niemand heeft daar verder over te beslissen.
Maar uw vraag suggereert nog iets anders: dat u eerst tot de kern van het bestaan moet doordringen en moeilijke existentiële vragen moet oplossen alvorens u gemotiveerd kunt zijn om tot de orde van de dag over te gaan en verantwoordelijkheid voor uw leven op te nemen. Bovendien kunt u daarvoor “in therapie” gaan en de vraag aan uw therapeut(en) voorleggen, zodat u uw onvermogen om uw leven te leiden kunt toeschrijven aan de onbekwaamheid van uw therapeut(en). U toont zich immers uiterst bereidwillig door steeds weer naar therapeuten toe te stappen, maar helaas bent u telkens weer ontgoocheld door de oppervlakkige antwoorden die u krijgt en het onbegrip waarop u stuit. Op die manier kunt u therapeuten voor uw karretje blijven spannen en hoeft u zelf geen verantwoordelijkheid te nemen. Aangezien niemand die vraag afdoende kan beantwoorden (u kunt altijd pareren met een “ja, maar…”) kunt u blijven wachten tot u eindelijk eens een bekwame hulpverlener ontmoet en is er ondertussen weinig gevaar dat u zelf aan de slag moet.
|
|
|
6. Met mijn verstand weet ik het wel, maar mijn gevoelens willen niet! Hoe zit dat met de verhouding tussen verstand en gevoel?
Het antwoord op de vraag naar de verhouding tussen verstand en gevoel is niet meteen duidelijk en heeft de mens al heel lang beziggehouden. Omdat die verhouding niet juist te vatten is, hebben mensen zich al lang beholpen met metaforen. Metaforen zijn op zich niet juist of onjuist. Het zijn instrumenten om het leven denkbaarder en transparanter te maken, net zoals bijv. een schaakspel heel ingewikkeld lijkt maar transparant wordt als je de regels kent. Het blijft dan nog altijd fascinerend om te zien wat een bepaald individu in een bepaalde omstandigheid zal doen. In die zin is een schaakspel op zich een metafoor voor het leven…
Een klassieke metafoor is die van het lichaam en de geest of de ziel, zonder dat duidelijk is hoe men zich de geest of de ziel zou moeten voorstellen. Het zou gaan om een tijdelijke vereniging van een eindig (sterfelijk) lichaam met een onsterfelijke geest of ziel. Dat leidt al snel tot het idee van het lagere en het hogere, zonder dat ook in dit geval duidelijk is hoe men zich dat moet voorstellen of waar de grens juist zou zijn. Dat leidt op zijn beurt dan weer tot de opvatting van het goede en het kwade in de mens. Het idee van een strijd tussen het goede en het kwade lijkt afkomstig te zijn van Zoroaster en werd min of meer gewijzigd overgenomen door de meeste monotheïstische godsdiensten die zich op Zoroaster geïnspireerd hebben.
Plato gebruikte de metafoor van de mens als wagenmenner met een stel paarden, waaronder een paard van het goede en een paard van het kwade. Het was de taak van de wagenmenner het geheel in de juiste baan te sturen.
Freud had het idee van het bewuste en het onbewuste in de mens. Hij zag het onbewuste als een soort vulkaan met onbekende, duistere krachten, die het ons op elk ogenblik moeilijk kunnen maken.
Een hedendaags idee is uiteraard geïnspireerd op de computer. Net als een computer nemen de hersenen immers informatie op, verwerken die, en nemen beslissingen om te handelen. Het bewustzijn is dan de gebruiker van de computer. Zoals met een computer kan de gebruiker soms met onverwachte gebeurtenissen te maken hebben omdat ergens in het geheugen nog informatie aanwezig was die een invloed kan hebben op de werking. Dat leidt tot het idee van het wissen van onjuiste informatie en het programmeren of herprogrammeren van onze computer. Het leidt tot het alleszins verleidelijke idee van een totale controle…
Het oosten kent de metafoor van de mens als berijder van een olifant. Een olifant is een groot en log dier. Hij is een symbool voor het evolutionaire spel dat in ons gespeeld wordt. Toch kan een mens erin slagen het dier te berijden en voor zich te laten werken. Het voordeel van deze metafoor boven de computermetafoor is dat we begrijpen dat we weliswaar geen totale controle hebben, maar dat we die ook niet nodig hebben. Ook als wij in slaap vallen, zal de olifant immers niet in een ravijn lopen. Onze olifant wil immers net zozeer overleven als wijzelf. In tegenstelling tot een computer, die zichzelf hopeloos in de knoop kan werken en daar dan alleen met menselijke tussenkomst weer uit kan komen, is een olifant een perfecte en betrouwbare overlevingsmachine, die ook zonder tussenkomst van de mens perfect kan overleven. Die ingebouwde overlevingsdeskundigheden van onze olifant kunnen ons dan ook als berijder goed van pas komen. Een olifant is immers een zeer rationele overlevingsmachine, die altijd goede redenen heeft om te doen wat ie doet, alleen heeft een olifant een rationaliteit die soms een beetje onhandig is in onze hoogtechnologische cultuur en bij het samenleven in miljoenensteden. Onze olifant heeft het dan ook soms een beetje moeilijk met ons, en wij met hem. Hij vreet veel liever een maïsveld kaal en werken voor een mens hoort niet echt tot de normale rationaliteit van een olifant. Toch wil onze olifant best voor ons werken, maar dan moeten we beginnen met heel aandachtig te zijn om de olifant te leren kennen. Dan kunnen we voorzichtig en geduldig beginnen met de rationaliteit van de olifant in de richting van onze eigen wensen te sturen. Maar de olifant blijft altijd veel groter en sterker dan wijzelf en als hij echt niet wil kunnen wij daar niet direct veel aan doen.
Er zijn dus verschillende vormen van “weten”. Een conceptueel weten dat de berijder wel in zijn hoofd heeft, maar dat de olifant niet in beweging zet, zal niet veel concreet effect hebben. Een echt weten is een actief weten dat beelden en emoties oproept die de olifant in beweging zetten. Er zullen maar weinig mensen zeggen: “ik weet dat ik op vakantie zou moeten gaan maar ik mis wilskracht”. Het idee van vakantie roept bij de meeste mensen immers beelden op van aantrekkelijke stranden, berglandschappen of restaurantjes. Daardoor ontstaat in hun lichaam en in hun emoties een krachtige ja-dynamiek: “ja, dat wil ik!” Omgekeerd, waarom zullen de meeste mensen niet aangetrokken worden door bunji-springen of overwegen midden op een kruispunt op de grond te gaan liggen? Omdat dit krachtige beelden oproept waarvoor mensen terugdeinzen. Maar waarom blijven vele mensen onbekommerd roken terwijl zij toch beweren te weten dat dit niet goed is? Omdat in verband met roken alleen maar abstracte concepten worden opgeroepen (bijv. kanker) die niet de kracht hebben om hen in beweging te zetten. De kunst van het motiveren komt dan ook neer op de kunst om motiverende, aantrekkelijke beelden en metaforen te projecteren. Wie stoppen met roken als een verlies of als een moeilijke opdracht ziet, zal weinig gemotiveerd zijn. Wie stoppen met roken als een stap naar een bewuster, vrijer, meer volwassen leven ziet, zal veel meer gemotiveerd zijn.
|
|
|
7. Wat is “emotioneel management”? Hoe kan ik beter leren omgaan met emoties?
Een man die met de wagen onderweg was, kreeg plots een lekke band. Toen hij in het koffer keek om zijn reservewiel te monteren, stelde hij vast dat hij geen krik bij zich had. Hij stond op een afgelegen weg en hij was bijna de wanhoop nabij, toen hij in de verte een huis ontwaarde waar licht was. Vol goede hoop ging hij op weg om te vragen of hij een krik kon lenen. Maar onderweg begon hij te twijfelen: stel je voor dat de bewoners hun krik niet aan een vreemde wilden meegeven! Dat zou toch wel heel erg zijn! En hij voelde de verontwaardiging en de kwaadheid al bij zich opkomen. Maar toen dacht hij: maar nee, natuurlijk gaan zij hun krik willen uitlenen om iemand in nood te helpen! En vol goede moed stapte hij weer verder. Maar even verder werd hij weer door zwarte gedachten overmand: maar wat te doen als zij nu toch hun krik niet zouden willen uitlenen? En weer overviel hem een gevoel van machteloosheid en van onrechtvaardigheid. Hij had toch niets mis gedaan? Waarom zouden ze hem dan niet helpen? Ach nee, natuurlijk zouden ze hem willen helpen… Maar stel nu toch eens dat … Maar nee … Toen hij uiteindelijk bij het huis kwam en aanbelde en de bewoners de deur openden, snauwde hij hen toe: hou uw krik maar, ik wil ze al niet meer!
De man had tijdens zijn wandeling een hele reeks van emoties ervaren, zonder dat er in de buitenwereld ook maar iets veranderd was. Waar kwamen zijn emoties dan vandaan? Uiteraard waren het zijn eigen reacties op zijn eigen voorstellingen en gedachten!
Onze emoties worden ons dus niet ingegeven door de buitenwereld of door anderen. Onze emoties zijn onze reacties op onze eigen beelden en gedachten. Als onze interne beelden veranderen, veranderen ook onmiddellijk onze emoties.
Als je in je tuin plots denkt een slang te zien, is het normaal dat je door angst bevangen wordt. Maar als je beter toekijkt en vaststelt dat de slang alleen maar een afgevallen tak is, wat gebeurt er dan met je angst? Wat was dan de oorzaak van je angst?
Vergelijk dit met het gekende verhaal over een Chinese boer:
In het oude China leefde een boer in een klein plattelandsdorpje. Hij werd beschouwd als iemand in goede doen, want hij had een zoon en bezat een paard om het land te bewerken en allerlei zaken te vervoeren. Maar op een dag ging dat paard ervandoor. Zijn buren en vrienden kwamen naar hem toe om hem te zeggen hoe erg ze het vonden en om hem te troosten. Maar de boer zei alleen maar: “Misschien wel, misschien niet.” Een paar dagen later kwam het paard terug en bracht tien wilde paarden met zich mee. De buren en de vrienden vonden dat geweldig en kwamen hem gelukwensen met dat gelukkige toeval. Maar de boer zei alleen maar: “Misschien wel, misschien niet.” De volgende dag probeerde de zoon van de boer een van de wilde paarden te temmen, maar het dier wierp hem van zich af en de jongen brak zijn been. Daarop kwamen de buren en de vrienden weer en spraken hun medeleven uit over zoveel tegenspoed. Maar de boer zei alleen maar: “Misschien wel, misschien niet.” Even later brak een oorlog uit en arriveerden militairen in het dorp om alle jonge mannen te rekruteren voor het leger. De zoon van de boer mocht echter thuisblijven, want iemand met een gebroken been konden ze niet gebruiken. “Wat een geluk heb jij!” zeiden de buren en de vrienden weer tot de boer. Maar de boer zei alleen maar .....
De boer weigerde zich te laten bepalen door de omstandigheden. Hij aanvaardde de dingen die zich voordoen, zonder te oordelen of zich voorstellingen te maken over hoe goed of hoe erg dat wel was. Hij behield zijn gemoedsrust en zijn sereniteit, wat er ook gebeurde.
Ook hier wordt weer duidelijk gemaakt dat onze emoties ons niet ingegeven worden door de buitenwereld of door anderen. Onze emoties zijn onze reacties op onze eigen voorstellingen en gedachten. Vooral die dimensie van ons denken die we ons symbolisch landschap zouden kunnen noemen, ons betekenissenlandschap (in tegenstelling tot sensorieel of conceptueel denken), bepaalt onze emotionele reacties. Om onszelf of anderen te begrijpen, volstaat het naar het vocabularium en naar de symbolische, metaforische uitspraken te luisteren. Om anders te voelen, volstaat het een ander intern symbolisch landschap te cultiveren.
Het gaat dus om creativiteit en stuurkunst, en niet om wat ons overkomt. Als wij de hogere dimensie van het denken, d.i. onze zienswijzen, onze oordelen en onze beelden en metaforen leren sturen, zullen wij ook onze emoties (en onze motivering) te sturen. Dan worden onze emoties transparant. Dan worden wij emotioneel volwassen en onafhankelijk. Het gaat er niet om emoties te verdringen of te “controleren”, maar wel om verrijkende emoties op te wekken…
Emoties kunnen enigszins vergeleken worden met spieren. Hoe sturen we onze spieren om een bepaalde beweging uit te voeren? Door de intentie te formuleren! We rekenen er gewoon op dat onze spieren onze intenties zullen uitvoeren. Hoe zouden we anders een trap kunnen oplopen? Hoe kunnen we onze emoties sturen? Door intentioneel bepaalde beelden op te roepen! We maken ons angstig door beangstigende beelden op te roepen. We maken ons kwaad door kwaadmakende beelden op te roepen. We maken ons blij door vreugdevolle beelden op te roepen. (zie de vraag over emotioneel management)
In principe kunnen we dus op elk ogenblik elke emotie hebben die we maar willen. We kunnen dus ook op elk ogenblik de emoties van bewondering, dankbaarheid, mededogen en vreugde voelen. Dat zijn de emoties die in het Boeddhisme de “grote emoties” worden genoemd, in tegenstelling tot de “kleine emoties” als angst, kwaadheid, jaloersheid, schuldgevoelens, irritaties, enz.
Deze technieken worden niet alleen in het Boeddhisme gebruikt, maar ook in bijv. NLP waar men dan over “herkaderen” spreekt, d.i. een wijziging van perceptie. Het idee is dat men altijd een kader kan vinden dat inspirerend en empowerend is, een kader dat ons groter maakt.*
(zie ook de vraag over meditatie)
______________________ * Dat is ook de strekking van het bekende liedje “My favourite things” uit “The Sound of Music”:
Raindrops
on roses and whiskers on kittens,
|
|
|
8. Wat is meditatie en waartoe dient het?
Meditatie is een praktijk van onderzoek die bedoeld is om een grotere transparantie in jezelf te krijgen, om inzicht te krijgen in het spel van gedachten, voorstellingen en gevoelens, en om die inzichten om te zetten tot een levende, belichaamde ervaring. Het is ontwaken tot de ware aard van je bestaan, die je als het ware live aan het werk kunt zien en vriendelijk kunt verwelkomen. Om je interne wereld echt te kunnen observeren, is volledige aandacht noodzakelijk voor wat er hier en nu is. Daartoe moet je aandacht dus ophouden met oordelen en evalueren of wat er is wel overeenstemt met wat er zou moeten zijn. Je moet dus in staat zijn niets te eisen of te verwachten. Meditatie is gewoon samenvallen met jezelf in plaats van met de voortdurende evaluator en commentator van jezelf. Zolang je iets wil zoeken, vinden of bereiken, zul je niets bereiken. Er valt gewoon niets te “bereiken”…
Meditatie is het beoefenen van aandacht. In vele gevallen zal het gaan om aandacht voor de oorzaken van het lijden en van het ontdekken van de leegte van die oorzaken. Maar het kan ook gaan om een oefening in het zich openen voor het mysterie van het leven en van al wat is, in ons en rondom ons. Als we in onze geest een aannemelijk beeld vormen van onze verbondenheid met anderen en met alles wat er is, dan zullen we die ook voelen. Meditatie is de weg naar verlichting…
Dat toont meteen ook het verschil in benadering in het Westen en in het Oosten: de Westerse mens houdt zich vaak bezig met terugredeneren over wat voorbij is en zoekt naar ingewikkelde conceptuele ketens van verklaarbare oorzaken en gevolgen om te begrijpen waarom hij geworden is wat hij is. Daar kan heel wat kostbare tijd mee zoek gemaakt worden. De Westerse mens probeert ook voortdurend de gebeurtenissen en de omgeving te controleren en naar zijn hand te zetten in de hoop zich dan goed te zullen voelen. Maar meditatie is geen psychoanalyse en zeker geen manier om het leven te manipuleren. De Boeddhistische mens laat al die uiterlijke omstandigheden en de persoonlijke voorgeschiedenis gewoon los en probeert veeleer inzicht te krijgen in zichzelf en in zijn manier van omgaan met de wereld. Hij gebruikt de wet van oorzaak en gevolg (karma) niet om de schuld ergens anders te leggen, maar om inzicht te krijgen in zijn eigen reactiepatronen. Meditatie dient niet om de wereld te ontvluchten en “tot rust te komen” (hoewel dat natuurlijk goed kan doen en daar op zich niets op tegen is) dan wel om een blik te werpen op een andere manier van zijn en een andere invulling van het leven.
Gewoontepatronen laten zich niet gemakkelijk veranderen maar door met de aandacht steeds weer naar binnen te gaan en bij de ervaring te blijven, krijgt de aandacht een bepaalde kracht. Het wordt een specifiek instrument. In plaats van passief bepaalde stemmingen of belemmeringen te ondergaan, ontstaat daardoor een heel nieuw veld van mogelijkheden en ervaringen. Als men emoties loskoppelt van concrete aanleiding en van het persoonlijke, aangename of onaangename aspect, kan men ze als een loutere stroom van energie gaan ervaren, die men er gewoon kan laten zijn.
Als men vervolgens de aandacht richt op het doel van die stroom van energie, kan men inzien dat die altijd gericht is op het bereiken van een toestand van meer geluk. Er zijn geen positieve of negatieve emoties. Alle emoties zijn gericht op meer geluk. Dat geluk kan men evenwel onmiddellijk toelaten en onmiddellijk ervaren zonder dat daartoe een bepaalde verandering in de buitenwereld noodzakelijk is. De mogelijkheid om het lijden te beëindigen en geluk te ervaren is immers altijd in ons aanwezig, net zoals de mogelijkheid om de zon te zien altijd in ons is. De zon is er immers altijd, ongeacht of wij ze zien of niet. Het is dus niet nodig die emoties te “uiten” of er enig verder gevolg aan te geven. Als men anderzijds de aandacht richt op de bron van die stroom, kan men inzien dat de stroom altijd afkomstig is uit de bron van liefde en welzijn in ons. Dan kunnen we ook die liefde toelaten en ervaren zonder verder uiting of gevolg te moeten geven aan die stroom van energie. We moeten dus ook geen liefde “krijgen” van anderen maar we kunnen onmiddellijk liefde ervaren en ons lijden beëindigen als we ons openstellen voor de bron van liefde in onszelf. Dan kunnen we ook onmiddellijk mededogen voor alle andere mensen ervaren en glimlachen om onze problemen, een interne glimlach die een teken van de wijsheid is, en tegelijk een methode om tot wijsheid te komen…
Men kan dus als het ware surfen op de energie van de emotionele golven, in plaats van door de golven meegesleurd te worden. Het plezier van het surfen is het surfen zelf, niet het bereiken van een doel. Het komt er dan alleen nog op aan dit aanvankelijk intellectuele inzicht tot een existentiële werkelijkheid, tot een belichaamd weten te maken. Dat is waar meditatie behulpzaam kan zijn, niet door als een stenen beeld rechtop te blijven zitten of esoterische oefeningen of vreemde visualisaties in rare houdingen te doen, niet door intellectuele hoogstandjes van een “verlichte geest”, niet door het krampachtig vastgrijpen van het “nu”, maar door het ontwikkelen van een onvoorwaardelijke, aandachtige aanwezigheid. Het gaat niet om het beheersen of bedwingen van gedachten of emoties, maar om het zich niet meer laten meeslepen door gedachten of emoties. Dat is een subtiel maar cruciaal verschil…
Een leerling vroeg aan een Zen-meester: “Meester, wat is de essentie van Zen?” De meester dacht even na en antwoordde: “Aandacht.” De leerling zei: “Alleen maar dat? Er moet toch nog iets meer zijn?” De meester dacht weer even na en zei: “Ja: aandacht, aandacht.” De leerling drong aan: “Er kan toch niet alleen maar dat zijn? Er moet toch nog meer zijn?” De meester dacht nog even na en zei: “Inderdaad: aandacht, aandacht, aandacht.”
(Zie ook de vraag over liefde)
|
|
|
9. Waarom zijn roken, drinken of andere verslavingen zo moeilijk af te leren?
Deze gedragingen kunnen niet verklaard worden door te verwijzen naar een verslaving die een ziekte zou zijn waaraan men zou lijden. De term verslaving is een beschrijvende term voor een reeks gedragingen en zegt niets over de oorzaak van die gedragingen. Zeggen dat men niet kan stoppen met drinken of roken omdat men verslaafd is, is hetzelfde als zeggen dat men niet getrouwd is omdat men celibatair is. Daarmee is immers nog altijd niet verkaard waarom men middelen gebruikt of niet getrouwd is. (Een gelijkaardige gedachtegang geldt voor depressie. Zie de vraag over depressie.)
Het gebruik van bepaalde middelen en substanties is een gedrag dat een gevolg is van het zoeken naar genotsbelevingen. Mensen vinden het lastig dergelijke gedragingen op te geven omdat genot zo een krachtige greep op ons heeft. Maar het gaat om het gedrag van een persoon, niet om het gevolg van een ziektetoestand. Het zoeken naar genot en aangename ervaringen is een universeel menselijk gegeven. In alle culturen en in alle tijden hebben mensen dan ook middelen (drugs) gezocht en gevonden om op een gemakkelijke en snelle manier aangename ervaringen op te wekken. De zogenaamde “strijd tegen drugs” is in dit licht dan ook een vrij hopeloze zaak. Mensen zullen nu eenmaal altijd naar genotsmiddelen zoeken, zeker in een tijd als de onze met zijn grote belangstelling voor gemakkelijk genot en genietingen. Het enige verschil is dat er toegestane en niet-toegestane genotsmiddelen zijn, genotsmiddelen voor begoeden en genotsmiddelen voor armen …
Het is duidelijk dat eens de olifant in ons (zie hoger) de smaak van één van die middelen geproefd heeft, hij er steeds méér van zal willen, en aangezien een olifant een groot en log dier is… In de meeste traditionele culturen is het gebruik van dergelijke middelen dan ook strikt gereglementeerd. Roes- en genotsmiddelen worden altijd in groep gebruikt onder leiding van een sjamaan of een andere oudere. In de meeste gevallen is er zelfs een taboe op het gebruik door individuele leden van de gemeenschap in afzondering. De reden voor dit taboe lijkt te zijn dat deze mogelijkheid van ongebreidelde genotsbeleving maakt dat de betrokkene niets en niemand meer nodig heeft en zich uit het groepsverband onttrekt. Er is een opvallende gelijkenis met het taboe op masturbatie, dat overigens ook alleen maar op dergelijke wijze verklaard kan worden.
Dat verklaart ook dat voor het veranderen of stoppen van elke gewoonte van gemakkelijke genotsbeleving (roken, drinken, spuiten, snuiven, eten, gebruik van verboden of toegestane middelen, geneesmiddelen, gokken, sporten, kopen, reizen, seks, verzamelen…) altijd een robuuste motivering van de berijder van de olifant vereist zal zijn. Dat blijkt uit het falen van de meeste programma’s waar gebruikers zonder een dergelijke motivering altijd bijzonder resistent blijken te zijn tegen elke vorm van “behandeling” en steeds weer “hervallen”.* Zolang er een externe motivering is (bijv. de opname in de kliniek) lukt het stoppen zonder al te veel problemen, maar zodra die externe motivering verdwijnt, herneemt de betrokkene al snel weer zijn oude gewoonten. Het gaat immers niet om een “ziekte” waarvan men “genezen” zou zijn…
Anderzijds verklaart dat ook dat gebruikers hun gebruik altijd blijken te kunnen stoppen als zij daartoe een voldoende reden (motivering) hebben. Het is bekend dat vele vrouwen die zwanger worden, plots kunnen stoppen met roken. Betekent dat dan dat wat “moeilijk” of “onmogelijk” was, plots “gemakkelijk” is geworden? Natuurlijk niet. Het was altijd al gemakkelijk. Er was alleen maar een voldoende reden voor nodig. Vele mensen hebben een hartinfarct of een longkanker nodig als voldoende reden om te stoppen met roken. Maar zelfs dat is niet altijd voldoende en een aantal mensen zal toch verder roken, ondanks een reden die in de ogen van vele anderen voldoende zou zijn om te stoppen. Er is inderdaad geen enkele reden die voor iedereen een voldoende reden zou zijn. Men kan voor alle redenen ook altijd de schouders ophalen en mensen met een verslavingsgedrag zijn meesters in de kunst van het bedenken van excuses. Dat is nu eenmaal de vrijheid van de mens …
Waar het steeds om gaat is dat de betrokkene zelf ervan overtuigd raakt dat hij zijn verslavingsgedrag kan stoppen. Deze overtuiging wordt evenwel vaak bemoeilijkt door andere, sociaal aanvaarde overtuigingen in de aard van: “ik denk dat het me nooit zal lukken”, “het heeft geen zin te proberen, het is te moeilijk”, “zie je wel dat het me niet lukt.” Het zal dus zaak zijn deze overtuigingen in te ruilen voor andere, meer empowerende en bevrijdende overtuigingen.
Bijkomende moeilijkheden zijn de kennelijk steeds lager wordende frustratietolerantie en de ermee gepaard gaande discomfort anxiety (“ik kan er niet tegen om me minder goed te voelen”) en ego anxiety (“het zou verschrikkelijk zijn als mensen iets onaardigs over me zouden denken”). De genotsmiddelen worden dan weer boven gehaald om het hoofd te bieden aan deze nieuwe “moeilijkheden”.
Het probleem van verslaving is uiteindelijk een probleem van het omgaan met genotsbeleving. De enige strijd die te leveren valt, is in ons hoofd. Het antwoord op verslaving kan geen strijdtocht tegen genotsbeleving zijn, maar het cultiveren van een meer gediversifieerde en meer gedifferentieerde waaier van mogelijke vormen van genotsbeleving. Het probleem van de verslaafde is juist dat het leven uiteindelijk vernauwd is tot nog maar één enkele manier om genot te beleven. Het antwoord is het cultiveren van andere manieren van genotsbeleving, niet alleen als substituut maar als genot van een “hogere” orde. Niemand wil zomaar een plezier opgeven. Maar het opgeven van een bepaalde vorm van plezier wordt gemakkelijk als er een ander, hoger genot voor in de plaats komt. Het plezier van het roken valt in het niets naast het “hogere” plezier van het krijgen van een baby. Een aantal mensen geeft bepaalde verslavingen inderdaad op in ruil voor het hogere, existentiële plezier zich als een vrijer, autonomer en volwassener mens te ervaren.
Het hoogste genot voor een mens is immers zich een vrij mens te weten. Ware vrijheid is autonomie en men is autonoom als men niet door factoren van buitenaf bepaald wordt, maar door zichzelf, met name door het hoogste in zichzelf, d.i. het redelijk inzicht en de fundamentele drijfveren op lange termijn. Wie inziet dat roken schadelijk is en op grond daarvan van het roken afziet, is een vrij mens. Wie hetzelfde wel inziet maar het roken toch niet kan laten, is minder vrij omdat hij zich niet door de rede laat bepalen.
Dat is echter allesbehalve evident in een samenleving waar bijna uitsluitend aandacht wordt besteed aan lichamelijk-emotionele vormen van genotsbeleving en waar maar weinig aandacht is voor vormen van intellectuele, sociale, existentiële en spirituele vormen van genotsbeleving die al te vaak als “moeilijk” worden bestempeld.
Dit alles illustreert het concept van de berijder van de olifant. Het illustreert de kracht van de olifant, maar ook de fundamentele vrijheid van een berijder die werkelijk gemotiveerd is. Het illustreert ook dat afhankelijkheid van middelen - drugs, alcohol, voeding, nicotine - altijd wijst op een onvermogen om op een rationele manier met de relatie met bepaalde substanties om te gaan. Dit onvermogen is een voorspellend persoonlijkheidskenmerk voor een verslavingsgevoeligheid die ook in problemen op andere terreinen van het leven tot uiting zal komen, bijv. in “constructieve verslavingen” als veel sporten of dure kunstwerken verzamelen.
Wie
gemotiveerd is, vindt altijd een manier om zijn doel te bereiken.
_____________ * Ook resistentie is een beschrijving van een gedrag en geen bijzondere ziekte-entiteit. Als een patiënt niet ophoudt met het gebruik van bepaalde middelen, is dat niet omdat hij aan “resistentie” lijdt, maar omdat hij nog geen goede reden (motivering) heeft gevonden om zijn gedrag te wijzigen.
|
|
|
10. Ik heb zo weinig wilskracht. Hoe kan ik meer wilskracht krijgen?
Er bestaat niet zoiets als wilskracht. Al onze kracht is emotionele kracht. Het is de kracht van de emoties die opgewekt worden door de woorden en beelden in ons interne theater.
Hebt u al mensen ontmoet die met een sombere blik beweren wel op vakantie te willen gaan maar daartoe de nodige wilskracht te missen? Hebt u al mensen ontmoet die probeerden op vakantie te gaan maar die terug naar huis gekeerd waren omdat het niet lukte vanwege de verkeersopstoppingen en de wegomleggingen? Ik durf wedden van niet. Hoe doen mensen het om zich te motiveren om op vakantie te gaan? Ze projecteren in hun mentale theater, in de bioscoop van hun geest, beelden van de vakantiebestemming en van de leuke vakantie-activiteiten, waardoor ze enthousiast worden en gaan popelen om te kunnen vertrekken. Mensen die enthousiast zijn, zijn niet van hun doel af te brengen. Zij hebben zonder moeite alle wilskracht, alle energie en alle zelfvertrouwen die nodig is om te komen waar ze willen zijn.
In wezen komt dit neer op leiderschap in het eigen leven. Leiderschap is het ontwikkelen van een visie, een toekomstbeeld, een project dat aantrekkelijk is en dat de koers bepaalt. Het uitvoeren van die koers is een zaak voor het management. Op een schip bepaalt de kapitein de koers terwijl de officieren en de matrozen instaan voor het implementeren van de aangegeven koers. Stephen Covey spreekt in dit verband over de management trap, de valkuil van een teveel aan management en een tekort aan leiderschap, vaak met het excuus van “te druk, geen tijd”. Maar wie geen tijd heeft om na te denken over leiderschap in het leven, heeft ook geen tijd om gelukkig te zijn.
Om effectief te zijn moet dit interne beeld zo concreet en realistisch mogelijk gemaakt worden. Als het beeld duidelijk en concreet voor ogen staat, zullen de emoties en het lichaam dit gemakkelijk tot realiteit maken. In dit verband werd bijv. aangetoond dat sportbeoefenaars die zich louter in hun verbeelding trainen, in een soort meditatie, het vaak beter doen dan anderen die een “echte” training deden.
Daar tegenover staan de mensen die zeggen “Ik weet wel dat ik zou moeten stoppen met roken, maar het is zo moeilijk!” denkt u dat die in hun geest beelden projecteren die enthousiasme opwekken? Denkt u dat die gemotiveerd zijn om te stoppen met roken? Denkt u dat die staan te popelen om te stoppen met roken? Denkt u dat die zullen stoppen met roken?
Wie
gemotiveerd is, vindt altijd een manier om zijn doel te bereiken.
|
|
|
11. Ik zoek al zo lang naar het geluk. Wat kan ik doen om gelukkig zijn?
Juist dat zoeken is precies het probleem!!!
Zolang je het geluk zoekt, zul je het nooit vinden!
Daardoor creëer je een onoplosbare paradox: juist het zoeken om je beter te voelen, maakt dat je je niet beter kunt voelen …
In feite moet je alleen maar beseffen dat je helemaal niets moet doen. Je kunt alleen hier en nu naar de plaats in jezelf gaan waar je al gelukkig bent, de plaats achter alle gedachten en gevoelens die zich in je kunnen voordoen. Maak contact met de plaats in jezelf waar je heel en compleet bent, waar je niets en niemand nodig hebt, en waar je dus in liefde en geluk kunt zijn. Als je diep in jezelf gaat, onder alle lagen van gedachten en emoties die er door je opvoeding en je ervaringen bijgekomen zijn, vindt je die plaats altijd. Zoals er achter de wolken altijd de zon is. Maar soms zijn de wolken heel dik… Het is als duiken in de zee. Hoe woelig en stormig het aan de oppervlakte ook is, als je diep genoeg duikt vindt je altijd rust en sereniteit en schoonheid. Je moet alleen beseffen dat die plaats er altijd is en altijd beschikbaar is!
Gelukkig zijn of niet-gelukkig zijn, is immers een manier van zijn, een patroon, een dans die niet bepaald kan worden door wat zich in de buitenwereld voordoet.
Als je nu niet gelukkig bent, dan zal niets van wat zich in de buitenwereld kan voordoen, kunnen maken dat je wél gelukkig bent. Niets uit de buitenwereld kan je immers anders maken dan je bent. Niets uit de buitenwereld kan iets toevoegen of iets wegnemen van wat je bent.
Het heeft ook weer iets te maken met de verwarring tussen plezier en geluk. Uiteraard is het plezierig, fijn en heel aangenaam als je in goede gezondheid bent, als het mooi weer is, als je in een fijn restaurant kunt eten, als mensen vriendelijk voor je zijn, als je een goede baan hebt, als je op vakantie kunt gaan, als je een lieve partner hebt, enz. Maar toch zijn al deze plezierige dingen geen noodzaak of garantie voor geluk. Eens je iets gekregen hebt en de eerste verrukking daarover voorbij is, keer je meestal immers al snel terug naar je gewone manier van zijn. Heel wat mensen die al die dingen hebben, zijn overigens allerminst gelukkig (zie ook vraag 3). Als je daarover nadenkt, dan kan de enige conclusie alleen maar zijn dat niets je manier van zijn kan veranderen, tenzij jezelf. En om zelf je manier van zijn te veranderen, heb je helemaal niets nodig uit de buitenwereld! Alleen je eigen bewustzijn is nodig, en is ook voldoende.
Probeer je eens iets voor te stellen wat je denkt nodig te hebben om gelukkig(er) te zijn. Iets wat je gelukkig zou “maken”. Probeer je dan voor te stellen dat dát wat je denkt nodig te hebben om gelukkig te zijn, er al zou zijn. Probeer je voor te stellen hoe je je dan zou voelen. Als je je kunt voorstellen dat je je dan gelukkig zou voelen, dan kun je dat ook nu, ook zonder de aanwezigheid van dat wat je dacht nodig te hebben. Je hoeft je welzijn niet langer te laten afhangen van uiterlijke omstandigheden. Het gaat om jezelf en er is niets essentieels aan jou veranderd. Al wat je nu kan, kan je dan ook en al wat je dan zou kunnen, kan je ook nu. De wereld is immers nog steeds dezelfde en jijzelf bent ook nog steeds dezelfde. Laat die ervaring tot je doordringen en besef dat het een gebeuren in jezelf is, een ervaring van jou die je kunt vasthouden, die bij jou hoort en op elk moment beschikbaar is, zodat je ze in feite op elk willekeurig moment kunt ervaren.
Het is dus niet zo verstandig je ervaring van geluk te laten afhangen van het al dan niet aanwezig zijn van bepaalde dingen of ervaringen. Het is veel verstandiger nu meteen gelukkig te zijn. Als je echt gelukkig wil zijn, wees het dan!
Maar maak ik me dan niets wijs? Maak ik me niet blij met een dode mus?
Dan maak je je alleen niet langer wijs dat je gelukkiger zou zijn met een levende mus. Dan maak je je gewoon niet langer wijs dat je geluk afhankelijk zou zijn van het feit of een mus levend of dood is. Daar gaat het dan niet meer over. Dan kijk je naar het grotere geheel. Dan kijk je naar het mysterie van een wereld waarin zowel levende als dode mussen voorkomen. Net zoals er levende en dode mensen zijn.
Een
Oosters gezegde zegt: “Een goed tuinman ziet de roos in de compost en de
compost in de roos.” Hij treurt niet om de roos of om de compost en hij is er
evenmin blij mee. Hij beleeft de dingen op een hoger niveau waarin hij het complexe
samenspel van rozen en compost ziet. Hij begrijpt Dat is het niveau van David Hume die zei: “Wanneer ik dood zal zijn, zullen de bestanddelen waaruit ik ben samengesteld, nog steeds deel uitmaken van het universum en zij zullen even nuttig zijn in het grote geheel als toen zij deel uitmaakten van dit individuele organisme.” Dat doet mij dan weer denken aan een ander gezegde (van een mij onbekend auteur) dat zegt: “De levenden sluiten de ogen van de doden. De doden openen de ogen van de levenden.”
Als je op dat niveau naar de dingen kijkt, dan kom je ook tot een ander niveau van emotionaliteit. Dan leer je gelukkig te zijn om de enige goede reden: het feit dat je in leven bent, dat je deel mag zijn van dit wonderlijke proces waarin zovele levende en overleden mensen een rol hebben gespeeld en spelen.
Het antwoord op de vraag wat dingen betekenen, hangt dan ook af van het antwoord op de vraag: voor wie? Dat geeft een heel andere kijk op de nobele waarheid van de Boeddha dat alle lijden een gevolg van onwetendheid is.
Kan ik mij dan altijd en overal goed voelen?
Ja.
Kunnen mensen met een ziekte, met kanker of met een invaliditeit ook gelukkig zijn?
Ik hoop dat u niet denkt van niet want dan zou u heel wat mensen veroordelen tot ongelukkig zijn. Ik heb ooit een vrouw die ter wereld was gekomen met spina bifida (een zgn open rug) en die dus heel haar leven in een rolstoel moest doorbrengen, horen zeggen: “Het enige verschil tussen normaal leven en leven met een beperktheid, is dat je met een beperktheid heel wat meer over het leven moet nadenken.”
Waarom is lijden dan zo universeel?
Evolutionaire psychologen nemen aan dat dit soort vaste patronen, dat zo frequent en universeel is, een evolutionaire functie moet hebben. Het is inderdaad een patroon dat iedereen, van baby tot bejaarde, lijkt te kennen, zonder dat het expliciet aangeleerd of voorgedaan moet worden. Het voordeel lijkt te zijn dat men daardoor aandacht en hulp aantrekt. Ook bij dieren komt dit gedrag voor. Gelukkig-zijn zou dus nadelig kunnen zijn: mensen gaan denken dat het je goed gaat en dat je niets nodig hebt. Op die manier kan men kansen missen… Maar is het soort aandacht dat men daardoor krijgt, wel het soort aandacht dat men wenst? Zielig-doen wekt weliswaar emoties op, maar dat gaat al snel om emoties van medelijden (“die arme kerel!”) en niet van respect of liefde. Medelijden leidt bovendien al snel tot minachting en zelfs tot misprijzen (“de sukkel, de zielepoot!”). We hadden best kunnen begrijpen dat Nelson Mandela als een gebroken en lijdend man uit de gevangenis was gekomen, maar we zouden hem er niet om bewonderd hebben. Liefde vereist een minimum aan respect en bewondering…
Moet ik dan alles zomaar aanvaarden en goed vinden?
Gelukkig zijn en aanvaarden dat de dingen zijn zoals ze zijn, betekent niet dat je alles ook goed moet vinden. Maar net zoals het geen zin heeft om het weer van morgen te bestellen, heeft het geen zin te eisen dat het leven zich op een bepaalde manier zou gedragen. Natuurlijk is er veel lijden en zijn er veel dingen die veel beter zouden kunnen. Gelukkig zijn betekent niet dat je alles beoordeelt en vaststelt dat alles volmaakt is. Gelukkig zijn betekent bewust zijn van het grotere geheel en dankbaar zijn omdat je er bij mag zijn en omdat je mag bijdragen aan het verminderen van de onvolmaaktheid in de wereld. Maar dat doe je dan niet vanuit een ervaring van frustratie en onwelzijn, maar vanuit een ervaring van enthousiasme en volheid.
Kan ik zo ook anderen gelukkig maken?
Je kan anderen niet gelukkig maken. Je kan anderen ook niet ongelukkig maken. Mensen kunnen alleen zichzelf gelukkig of ongelukkig maken. Maar jouw manier van zijn kan anderen wel inspireren. Je zaait als het ware geluk om je heen. Maar of het zaad ook wortel zal schieten, daar heb je geen macht over, en dus ook geen verantwoordelijkheid. Je verantwoordelijkheid is alleen wat je zelf doet.
|
|
|
12. Ik word achtervolgd door zwarte gedachten en ik ben vaak angstig of boos. Hoe kan ik die gedachten loslaten?
Gedachten en de daarbijhorende emoties zijn een gevolg van evolutionaire, sociale en theatrale scenario’s die zich in ons afspelen. Wij kunnen niet beletten dat zij in ons ontstaan. Er zijn echter geen gedachten die mensen kunnen “achtervolgen”. Gedachten zijn nooit een probleem. Mensen hebben alleen een probleem als ze hun gedachten verwarren met de realiteit, als ze hun gedachten geloven en voor waar nemen. Dan ontstaan emoties. Emoties zijn reacties op realiteiten. Emoties als reactie op gedachten zijn zinloos. Gedachten zonder emoties leiden tot voorzichtigheid en verstandige maatregelen. Gedachten mét emoties leiden tot angst en paniek, en tot onverstandig gedrag. Hoe meer je inziet dat je niet je gedachten bent maar de waarnemer van je gedachten, hoe minder gedachten in staat zullen zijn je allerlei emoties te geven of ongelukkig te zijn. Gedachten zijn simulaties van de realiteit en zijn bedoeld om de realiteit te onderzoeken, net zoals een piloot leert vliegen in een simulator. Als hij weet dat hij in een simulator zit, kan hij rustig de mogelijkheid onderzoeken zonder bang te zijn om te crashen.
Emoties als angst en boosheid zijn in aanleg uitingen van evolutionaire reacties en mechanismen die in ieder van ons aanwezig zijn. Zij zijn het gevolg van de zogenaamde fight or flight reacties. Elk dier is in wezen angstig omdat angst in de evolutie nuttig was voor de overleving. Dieren worden voortdurend, tientallen keren per dag, in hun overleving bedreigd en alleen dieren die voldoende angstig waren, hebben overleefd. Alle dieren kunnen ook agressief zijn, omdat ook agressie bijdraagt tot de overleving. Dieren hebben immers geen andere mogelijkheden om belangenconflicten over territorium, voedsel, partners, enz. te regelen. Het evolutionaire spel is louter op voortbestaan gericht, niet op individueel welzijn. Veel van wat wij als “elementaire“ menselijke morele eigenschappen beschouwen, komt in de natuur niet voor. Zo zijn gelijkheid en rechtvaardigheid geen natuurlijke eigenschappen maar slavernij, misleiding en uitbuiting wel. Het evolutionaire spel heeft dus niets te maken met onze geestelijke individualiteit en onze echt “menselijke” opvattingen. Het heeft geen morele dimensie en is ook niet bedoeld voor individueel geluk.
Het bewustzijn, dat uniek is voor de mens, is enerzijds een verdere ontwikkeling van deze evolutionaire mogelijkheden, en stelt ons anderzijds in staat deze te overstijgen. Het bewustzijn heeft van de mens een formidabele overlevingsmachine gemaakt. In tegenstelling tot dieren die niet kunnen overleven als ze uit hun biotoop verwijderd worden, kan de mens inderdaad overal overleven. Dit is een rechtstreeks gevolg van de ongelooflijke menselijke mogelijkheden om te leren. Dieren kunnen alleen uit eigen ervaring leren. De mens kan, dankzij de taal, snel en gemakkelijk uit de ervaring van anderen leren. De mens kan daardoor voortbouwen op de kennis van anderen en kan daar originele oplossingen voor problemen aan toevoegen. Daardoor heeft de mens mogelijkheden waarmee hij ook ongehoord veel onheil kan aanrichten. Hij kan immers ook de verkeerde dingen leren. Hij is onderhevig aan het sociale spel van heersende opvattingen en overtuigingen. Ook dat is dus niet onze echte individualiteit maar is een maatschappelijk spel dat in ons gespeeld wordt…
Onze emoties worden
immers niet bepaald door wat zich in de buitenwereld voordoet. Gebeurtenissen
in de buitenwereld zijn gewoon feitelijkheden. Onze emoties worden
Er zijn geen gedachten die mensen achtervolgen, er zijn alleen gedachten die steeds weer terugkeren omdat wij er geen plaats aan gegeven hebben en er ons tegen verzetten. De gedachten die “spontaan” in ons opkomen en die wij doorgaans aan een “ik” toeschrijven, zijn in de meeste gevallen niet-onderzochte uitspraken afkomstig uit de samenleving. Zij doen zich voor in de taal van de samenleving en met de woorden van de samenleving die wij tijdens onze opvoeding geleerd hebben. Gedachten die wij “zwarte gedachten” noemen, zijn gedachten die wij niet willen hebben. Maar juist door onze pogingen om ze niet te hebben, blijven ze terugkomen. Dat waar je aandacht en energie aan besteed, hou je precies in stand. Dat waar je probeert niet aan te denken, is daardoor uiteraard juist in het denken aanwezig (probeer maar eens niet aan een roze olifant te denken). Het is als jengelende kinderen die je wel even het zwijgen kunt opleggen, maar die even later alweer daar zijn en die doorgaan tot ze hun zin gekregen hebben of tot je een andere regeling hebt getroffen die de zaak afsluit. Zolang wij bepaalde gedachten niet hebben dóórgedacht en ze op die manier een plaats hebben gegeven, zullen ze terugkomen. (zie de vraag over angst)
Door zijn bewustzijn heeft de mens de mogelijkheid om zijn echte individualiteit te uiten en het evolutionaire en sociale spel te overstijgen. De mens kan begrijpen dat zijn echte individualiteit, zijn echte zijn, méér is dan de fenomenen die zich in hem voordoen. Deze fenomenen zijn immers geen onontkoombare fataliteiten. De mens kan er afstand van nemen en een echt auteur worden van een eigen scenario in plaats van een speelbal van onpersoonlijke krachten.
- Maar hoe kan ik mijn verleden dan loslaten? - Wat zou dat loslaten voor jou betekenen? - Dat de gedachten aan het verleden er niet meer zijn, dat ze mij niet meer achtervolgen en kwellen! - Dat is niet loslaten, dat is hopen dat er een mirakel zou gebeuren. - Ja maar, hoe kan ik het verleden dan loslaten? - Door te beseffen dat er niets los te laten is. Het verleden is voorbij. Je hoeft het niet meer los te laten. Het is al losgelaten. Het idee van loslaten is een misverstand. - Ja maar de gedachten aan het verleden kwellen mij nog. - Dat is niet omdat je die gedachten nog niet hebt losgelaten, maar omdat je er nog niet in het reine mee gekomen bent. Je bent er niet klaar mee. Gedachten blijven actief en komen terug zolang je er niet klaar mee bent. - Wat moet ik daar dan voor doen? - Ophouden met proberen die gedachten niet te hebben! - Ja maar ze kwellen me! - Gedachten kunnen je niet kwellen. De kwelling is alleen je eigen poging die gedachten niet te hebben. - Wat moet ik dan doen? - Die gedachten dóórdenken, ze afhandelen zodat je ze te ruste kunt leggen. - Hoe moet ik dat doen? - Door de realiteit waarnaar die gedachten verwijzen, te aanvaarden. - Maar wat is aanvaarden? - Zoals je bijv. de regen aanvaardt. Als je de regen aanvaardt, dan blijf je er niet over kankeren. Zolang je over de regen kankert, heb je hem niet aanvaard. Je hebt hem aanvaard als je er geen emotie van verzet meer bij hebt. Als er geen neen-gedachten meer zijn. - Hoe kan ik mijn verleden aanvaarden? - Door erover dóór te denken en al je neen-gedachten om te vormen tot ja-gedachten. Ja is het woord van de aanvaarding. Het is ook het woord van de vrede. Je aanvaard je verleden door vrede te sluiten met het verleden. - Hoe weet ik dat ik in vrede ben? - Als het niets meer uitmaakt of de gedachte komt of niet komt. Zo lang je zelfs maar hoopt dat de gedachte niet zal komen, heb je ze niet aanvaard. - Ja maar het verleden heeft toch nog gevolgen voor het heden! - Dat is een onoverkomelijke wetmatigheid van het leven. Ook daar zul je vrede moeten mee sluiten. Iedereen heeft te maken met gevolgen van keuzes die door hemzelf of door anderen in het verleden gemaakt zijn. - Maar dat blijft mij kwellen! - De kwelling is je neen-zeggen, je vechten, je strijden met de wereld zoals ze is. Het is weigeren de wereld te aanvaarden en te bewonen zoals ze nu is. - Dus het komt neer op aanvaarden? - Ja, het komt neer op een radicaal pacifistische houding tegenover de dingen die je nu eenmaal niet kunt veranderen. - Ja maar dat is gemakkelijk gezegd … - Ja hoor eens, dat is nu eens een gemakkelijke cliché-opmerking… de vraag is niet of het gemakkelijk gezegd is of niet, de vraag is of je ermee opschiet.
|
|
|
13. Hoe kan ik dan met angst omgaan?
Praktisch komt het
erop aan vriendschap te sluiten met onze angsten en dat kunnen we doen door
in te zien dat angst voortkomt uit oude vertrouwde verhalen die we verzonnen
“Ik heb verlatingsangst. Ik ben zo bang dat mijn partner mij zal verlaten.” “En wat dan?” “Dan ben ik alleen.” “En wat dan?” “Dan ben ik eenzaam.” “En wat dan?” “Dan ga ik mij slecht voelen.” “En wat dan?” “Dan ga ik misschien de hele dag huilen.” “En wat dan?” “Misschien kan ik niet meer ophouden met huilen.” “En wat dan?” “Dan krijg ik er vroeg of laat waarschijnlijk toch genoeg van om te huilen en dan word ik moe en ga ik slapen…”
Vaak weet de geest immers niets meer te verzinnen en begint alles absurd te lijken. Wat is er immers om bang voor te zijn? Welkom in de volwassen wereld! Nu we volwassen zijn kan niemand ons echt “in de steek laten”. De enige persoon die ons echt kan afwijzen zijn wijzelf…
Telkens we deze “En
wat dan nog?”-methode op onze angsten toepassen, wordt de angst minder groot.
Dezelfde methode is overigens ook bruikbaar voor andere emoties, bijv. verdriet.
Als wij diep in onszelf en in onze emoties kijken, vinden wij altijd vrede en
rust. Maar vaak geven we te snel op en worden we door een “neen!”
overweldigd.
Telkens wij voor de angst terugdeinzen, is het gevolg dat de angst groter wordt en dat ons vertrouwen kleiner wordt. De bankrekening van ons vertrouwen wordt kleiner. Telkens wij voor iets angst voelen maar besluiten het toch te doen, wordt ons vertrouwen groter en wordt de angst kleiner. Onze vertrouwensbankrekening gaat naar boven. Voor de meesten onder ons waren de eerste schooldag, de eerste keer op een grote fiets, de eerste keer in het zwembad, het eerste afspraakje en de eerste kus allemaal beangstigend. Maar toch hebben we het gedaan en daardoor werden ze gemakkelijk.
Niet zelden kunnen mensen maar moeilijk geloven of aanvaarden dat hun zwaarwichtig lijkende probleem, waarvoor ze al zo lang een oplossing zoeken, zo ontnuchterend eenvoudig kan zijn. Vaak hebben mensen, soms met de hulp van therapeuten, naar de “diepere oorzaken” gezocht en kunnen zij maar moeilijk aanvaarden dat die er gewoonweg niet zijn. Zij kunnen niet geloven dat zij zichzelf eigenlijk al zo lang gewoon voor de gek hebben gehouden.
Overigens mag angst niet verward worden met voorzichtigheid. Voorzichtigheid is op een volwassen manier rekening houden met mogelijke (ongewenste) scenario’s die zich kunnen voordoen en die men in het bewustzijn redelijk kan onderzoeken. Het is een inbeelding zonder emotie. Angst daarentegen is een emotie die een redelijk onderzoek juist bemoeilijkt omdat er een alarmsignaal afgaat. Het is reageren alsof de ingebeelde toestand een realiteit was. Een kind kan angstig zijn voor vliegtuigen, liften of tunnels. Een volwassene weet dat reizen met het vliegtuig een risico inhoudt, net zoals het gebruik van liften en tunnels. Hij kent dat risico en aanvaardt dat het deel uitmaakt van het moderne leven, net zoals natuurlijke risico’s deel uitmaakten van het leven van onze voorouders in de natuur.
|
|
|
14. Ik weet niet wat ik met mijn leven moet doen! Niets interesseert mij. Hoe kan ik iets vinden dat mij interesseert?
De Spaanse filosoof Ortega y Gasset zei: “Zo vele dingen interesseren ons niet omdat zij in onze geest geen bodem vinden waarop zij kunnen gedijen. Wat wij moeten doen is de ruimte in onze geest vergroten zodat veel meer ideeën er een plaats kunnen vinden.”
Wij moeten niet zoeken naar iets wat ons kan interesseren, wij moeten leren geïnteresseerd zijn. Alles in het leven is immers interessant: keien, insecten, planten, dieren, mensen, de aarde, de sterren, de kosmos, wetenschap, techniek, geschiedenis, politiek, kunst… De wereld is gewoon boordevol interessante dingen. Het is aan ons om een geest van openheid en verwondering te cultiveren in plaats van te verwachten (of te eisen) dat het leven iets zal doen om ons te interesseren of te amuseren. Het is niet aan het leven om aan te tonen dat het de moeite waard is, het is aan ons om ons open te stellen voor het leven. Dingen worden interessant als je de tijd neemt om ze van naderbij en met aandacht te bekijken. En aandachtig zijn is gewoon een ander woord voor liefde. Alles wordt interessant als je er je liefde aan geeft.
Als we gewoon bewust worden en met een open geest (d.i. met mindfulness) om ons heen kijken, is alles verbazingwekkend, mooi, fascinerend en mysterieus, en kunnen we vervuld zijn van geluk omdat we gewoon mogen deelnemen aan het ongelooflijke en wonderlijke proces van het leven. Zoek niet naar het wonder, wees verwonderd!
|
|
|
15. Ik ben na een moeilijke periode in een depressie terecht gekomen en ik vrees te zullen hervallen…
Een depressie is niet iets waar je zomaar kunt “in terecht komen”. Het is ook geen ziekte die je zomaar overkomt of waar je zomaar aan ten prooi valt. Er is dus ook geen sprake van “genezen” of “hervallen”. Al deze termen schieten tekort om de existentiële werkelijkheid te kunnen vatten of verklaren. Een depressie heeft ook niets met een sterke of zwakke persoonlijkheid te maken, en nog minder met een gebrek aan wilskracht. Mensen met een depressie begrijpen meestal niet wat hen overkomen is en lijden door hun onmacht om iets aan hun toestand te veranderen. Dat lijden is echt.
Alle pogingen om depressie als een “ziekte” volgens het medische model te zien en als dusdanig te behandelen, dit wil zeggen door het opsporen van een “oorzaak” en het wegnemen van die “oorzaak”, hebben gefaald. Het feit dat een depressieve toestand gepaard gaat met veranderingen ter hoogte van de neurotransmitters en op CT-scans van de hersenen, betekent niet dat een depressie daardoor ook veroorzaakt wordt. Al wat wij doen gaat immers gepaard met veranderingen in de hersenen, ook tango dansen of verliefd worden, maar dat betekent niet dat onze neurotransmitters bepalen wanneer we tango dansen of verliefd zullen worden. In diverse studies werd inmiddels dan ook aangetoond dat antidepressiva, die op de neurotransmitters inwerken, nauwelijks beter werken dan placebo. De meest directe manier om de werking van de hersenen te beïnvloeden, is nog steeds het woord…
Ondertussen heeft dit er evenwel toe geleid dat mensen veel beter vertrouwd zijn met deze inmiddels achterhaalde ideeën over depressie dan met de ware aard van het probleem. Het idee van “ziekte” heeft als gevolg gehad dat mensen zich als “patiënten” zijn gaan gedragen die “behandeling” door deskundigen nodig hebben. Deze houding van machteloosheid, deresponsabilisering en disempowerment draagt op zijn beurt nog bij tot de depressieve toestand. De betrokkenen gedragen zich als machteloze slachtoffers die verontwaardigd en verongelijkt reageren als een responsabiliserende taal wordt gesproken. Dit wordt dan als theorie en als een gebrek aan “begrip” gezien, terwijl inzicht en responabilisering juist de enige uitweg is.
In haar verhelderende boek “De Depressie-Epidemie” laat psychologe en wetenschapsfilosofe Trudy Dehue zien dat de betekenis van de term “depressie” in de loop van de geschiedenis diverse betekenissen heeft gehad en in verschillende denkstijlen is ingebed. Zo is er het psychodynamische model geweest waarin depressie gezien werd als een reactie van de betrokkene op bepaalde gebeurtenissen (bijv. woede die onderdrukt werd en vervolgens tegen de persoon zelf werd gericht). In het hedendaagse biologische model wordt depressie evenwel gezien als het gevolg van een achterliggende stoornis, een ziekte die los staat van de persoon die erdoor getroffen wordt. In hetzelfde boek maakt zij ook op ontluisterende wijze duidelijk wie bij deze biologische psychiatrie baat heeft en welke rol de farmaceutische industrie speelt in het wetenschappelijke en medische onderzoek terzake, niet alleen in Amerika maar ook bij ons.
Het is evenwel helemaal niet duidelijk wat een depressie dan “echt” zou zijn. Al wat vastgesteld kan worden is immers alleen maar een bepaald gedrag van een bepaald persoon in een bepaalde situatie. In de medische wereld werd tussen vakgenoten afgesproken dat als dat gedrag aan een aantal criteria voldoet (zoals die van de DSM IV*), dat gedrag dan “depressie” mag worden genoemd. Dat is echter niet meer dan een handige benaming die artsen kunnen gebruiken voor een bepaalde reeks verschijnselen, een bepaald gedragspatroon, net zoals we bepaalde bewegingen een “tango” mogen noemen als de bewegingen een bepaald afgesproken patroon volgen. Het feit dat een bepaald gedrag met de term “depressie” kan worden benoemd, zegt evenwel niets over de oorzaken of de dynamiek van dat gedrag. Toch hebben mensen, ook professionelen, al te vaak de illusie dat de labels uit de DSM IV ziekten zijn die de oorzaak zijn van de verschijnselen die ze beschrijven. De absurditeit van dit soort verwarring wordt duidelijker als iemand zou zeggen dat hij niet getrouwd is omdat hij “aan celibaat lijdt” of dat hij “celibaat heeft”. Het is duidelijk dat celibaat niet iets is wat men kan “hebben”. Het gaat om het gedrag van een persoon, die daar allicht zijn redenen voor heeft, en niet om het gevolg van een ziektetoestand. Als je niet getrouwd bent is dat omdat je bijv. nog niet besloten hebt iemand ten huwelijk te vragen, niet omdat je aan een ziekte lijdt die “celibaat” zou heten. Deze verwarring tussen een definitie of beschrijving van fenomenen en de verklaring van de beschreven fenomenen toont de haast hypnotiserende kracht van woorden waar zelfs professionelen vaak moeilijk helderheid in krijgen …** (Een gelijkaardige gedachtengang geldt ook voor verslavingen. Zie ook de vraag over verslaving evenals de vraag over taal)
Een depressie is geen “ziekte” die we kunnen “krijgen” (nog minder een “put” waar we kunnen “invallen”) maar een proces, een patroon, een manier van doen, zoals een dans. Een depressie kan best omschreven worden als een bepaalde relatie tot het leven, net zoals liefde een bepaalde relatie tot een partner, dat wil zeggen een manier om zich tot de realiteit van de partner of van het leven te verhouden. Een depressie is dan als een liefdesrelatie waar de pit uit is, men is er op uitgekeken, men heeft er geen zin meer in. Alleen is de partner in dit geval het leven zelf. Wie depressief is verliest zich in eindeloos zoeken naar de zin van het leven. Wie enthousiast is, ervaart de zin van het leven. Om enthousiast te zijn en de zin van het leven te ervaren, is het niet nodig eerst alle filosofische vragen over de zin van het leven op te lossen.
Evolutionaire psychologen nemen aan dat dergelijke vaste, clichématige gedragspatronen, die zo frequent zijn en die in alle tijden en in alle culturen blijken voor te komen, een evolutionaire functie moeten hebben, net zoals dat het geval is voor verliefdheid, kwaadheid of angst. Een depressie is iets als koorts: men weet wel dát er iets is, maar men weet niet wát er is, het is zeer aspecifiek. Bij belangrijke levensgebeurtenissen die een belangrijke verandering in een levensproject met zich kunnen brengen, bijv. in verband met het werk, de status, de gezondheid, de materiële middelen, de sociale relaties of de partner, kan het inderdaad belangrijk zijn voldoende tijd te nemen om de toestand te overdenken en niet overhaast tewerk te gaan. Net zoals koorts of lichamelijke pijn een teken is dat er ergens moet ingegrepen worden, zouden verdriet, rouw en zelfs depressie een uitnodiging kunnen zijn om even te stoppen met wat we aan het doen waren om te onderzoeken of dat misschien niet de oorzaak van de gebeurtenissen kan zijn geweest. Te veel optimisme en enthousiasme zouden dan immers nadelig kunnen zijn. We moeten onze roze bril even afzetten en onze doelstellingen en strategieën nuchter opnieuw bekijken om verdere schade te beperken. De Dalaï Lama zei het als volgt: “Pijn is een toespraak die je lichaam houdt, over een onderwerp dat voor jou van levensbelang is, op een wijze die het best je aandacht trekt.”
Ook enthousiasme is een relatie met de realiteit, die een gevolg is van het zien van het mooie, het verbazingwekkende en het mysterieuze van het leven, en van het bewustzijn deel uit te maken van een groter geheel, deel te nemen aan het leven als aan een kosmische dans. Enthousiasme zet ons aan tot deelnemen, zoals de ongeveer tienduizend miljard cellen in ons lichaam deelnemen aan het organisme dat maakt dat we zijn wie we zijn. We zijn wie we zijn omdat al die cellen “enthousiast” doen wat ze te doen hebben op de plaats waar ze zijn. Als een aantal van die cellen er de brui aan zouden geven of het niet meer zouden zien zitten, is het met ons gedaan…
Een depressie daarentegen is een relatie die ontstaat als men het leven als negatief, vijandig of zinloos is gaan zien en als men zichzelf daarbij als waardeloos, hopeloos, machteloos en hulpeloos ziet. Het is de afwezigheid van ervaring van het mooie en het mysterieuze en de afwezigheid van de ervaring deel uit te maken van een groter en inspirerend geheel. We hebben ons uit het web van menselijke interacties teruggetrokken en we zijn dan als een lichaamscel die het niet meer ziet zitten, die niet meer in relatie tot het grotere geheel wil functioneren, maar die daardoor ook haar zin verliest en niet meer weet wat ze te doen heeft. Dat soort cellen leidt uiteindelijk tot een proces dat we kanker noemen…
Een depressie gaat dan ook meer over een schema dan over een thema. Ongeacht het concrete thema, omvat het schema van een depressie altijd de irrationele stappen van een negatieve beoordeling en een idee van waardeloosheid, hulpeloosheid en machteloosheid (niemand kan mij helpen) die als permanent (altijd) en pervasief (overal) worden gezien. Dat is de depressieve dans. De hieruit volgende depressieve stemming maakt rationeel denken nog moeilijker zodat men in een depressieve spiraal terecht komt. Alle mensen met een depressief gedrag, lijken op elkaar en doen vergelijkbare uitspraken, die doorgaans neerkomen op machteloosheid. Disempowerment leidt tot depressie. In een beroemd geworden experiment heeft Martin Seligman dit patroon zelfs bij dieren aangetoond.
De negatieve gedachten leiden tot negatieve stemmingen en emoties en tot eindeloos piekeren, frustratie, stress en zelfkwelling. Deze vele negatieve emoties zijn oorzaak van een toename van de hoeveelheid REM-slaap en een vermindering van de hoeveelheid diepe slaap, met als gevolg een minder goede kwaliteit van de slaap en toenemende lichamelijke vermoeidheid en uitputting. Dit alles draagt uiteraard bij tot de negatieve spiraal van de depressie.
Een pessimistische cognitieve stijl is de belangrijkste risicofactor die zal maken dat men op als moeilijk beoordeelde omstandigheden met een depressie kan reageren, d.i. de keuze om uiteindelijk op te geven. Een optimistische cognitieve stijl is een gevolg van meer zorgvuldig, concreet en specifiek denken en waarnemen waardoor duidelijk wordt dat niets ooit helemaal negatief is, dat niets altijd en overal waar is en dat er altijd zinvolle mogelijkheden zijn. Confucius zei dat niets van wat ons overkomt erg is als we er de lessen uit leren en er de vruchten van plukken. Dat is een empowerende, creatieve levensstijl.
Hoe ontstaat een dergelijke levensstijl?
Een mens leeft uiteraard niet in een vacuüm. Van bij de geboorte is hij ingebed in een cultuur waarin hij in een bepaalde taal leert spreken en denken en waarin bepaalde waarden en overtuigingen als “normaal” worden bestempeld. Na het leven in de biologische baarmoeder leeft hij als het ware in een culturele baarmoeder of matrix. Uiteindelijk zal die culturele matrix in zijn bewustzijn gaan leven. Ouders en school zorgen voor het noodzakelijike inpassen van een kind in de samenleving. Dat geldt ook voor familie, vrienden en kennissen. De cognitieve stijl die een individu hanteert, is uiteraard aangeleerd en overgenomen uit de omgeving, d.i. het gezin en de samenleving waarin de betrokkene is opgegroeid. Een cultuur heeft altijd min of meer zichtbare opvattingen en beelden over het leven, over de samenleving, over het individu en over de plaats van het individu in dat alles. Deze opvattingen worden niet zozeer door een bepaalde klasse of een bepaald instituut verkondigd of opgelegd, maar zijn als strategie in de diverse geledingen van de werkelijkheid ingenesteld De belangrijke en grotendeels onbewuste invloed van de taal van de cultuur werd onder meer door Heidegger en later ook door Sartre, Jacques Lacan, Michel Foucault en de Franse structuralisten overtuigend beargumenteerd. Vooral Foucault benadrukte dat de mens een minder autonoom en rationeel denkend wezen is omdat hij altijd ingekapseld is in de dynamiek van de machtsstructuren van zijn tijd en omgeving.
Er zijn goede redenen om de huidige samenleving depressogeen te noemen, d.w.z. depressie-bevorderend. Dat komt tot uiting in de stijgende cijfers voor levensmoeheid, depressie, burn-out en zelfmoord. Schematisch kan gesteld worden dat de huidige samenleving vooral de nadruk legt op onmiddellijke behoeftebevrediging als strategie om tot geluk te komen. Daardoor wordt de illusie gewekt dat het bezit van allerlei materiële bezittingen en het deelnemen aan allerlei recreatieve activiteiten, niet alleen een recht maar ook de enige weg naar geluk is. Bovendien wordt de illusie gewekt dat als dit om een of andere reden niet het geval is, men zich terecht een slachtoffer kan noemen. Denken in termen van recht en het bijhorende slachtofferdenken worden als normaal gezien, en de normale “humane” reflex is het slachtoffer ter hulp te snellen om in zijn behoeftenbevrediging te voorzien. Dit reduceert het verklaarde slachtoffer evenwel tot de ontvanger van hulp, m.a.w. tot een disempowerende levensstijl. Dit leidt tot een circulaire causaliteit, een zogenaamde vicieuze cirkel: naarmate men zich meer uit het leven terugtrekt, lijkt het leven nog meer zinloos en zal men nog minder zin hebben om er aan deel te nemen en zal men zichzelf als nog zwakker en waardelozer gaan zien.
Alleen een meer volwassen, d.i. een meer bewuste, meer overwogen, meer doordachte levensstijl, met meer inzicht en mededogen, kan ons bevrijden van de depressogene invloed van de omgeving. Dat is de betekenis van mindfulness. Ons bewustzijn is onze mogelijkheid om ons van de onbewustheid en de afhankelijkheid te bevrijden en tot een meer volwassen, meer autonome en meer mededogende levensstijl te komen.
De enige echte behandeling van depressie en de enige echte preventie, is dan ook een houding van mededogen die tot enthousiasme en verliefdheid op het leven leidt (zie de vraag over geluk). Wie enthousiast of verliefd is, kan immers niet depressief zijn. De beste manier om het leven zinvol te vinden is er op een zinvolle wijze aan deel te nemen. Dit leidt tot een positieve circulaire causaliteit: naarmate men enthousiaster is, zal men meer aan het leven deelnemen en zal men nog enthousiaster worden.
Maar de wetenschap heeft toch aangetoond dat een depressie te maken heeft met neuronen en neurotransmitters in de hersenen?
De wetenschap heeft ook aangetoond dat het oplichten van het olielampje in uw auto iets te maken heeft met een verandering in de stroom van elektriciteit in de draden naar het lampje. Als u dan zou besluiten dat u dit kunt “verhelpen” door de elektriciteit in die draden te “behandelen”, dan hebt u wel niet begrepen waar een olielampje voor dient. Zo zou je ook kunnen zeggen dat als je computer niet wil printen, dit iets te maken heeft met elektronen… De wetenschap heeft echter ook aangetoond dat het woord nog altijd de meest directe manier is om de neurofysiologie van de hersenen te beïnvloeden. Regelmatige lachsessies doen meer voor het geluksgevoel dan antidepressiva… Zie ook onderstaande voetnoot en het antwoord op de vraag over chemische reacties.
________________
*Diagnostic and Statistical Manual of Mental Diseases, versie IV, uitgegeven door de American Psychiatric Association (APA). Voor wie nog mocht geloven dat ziekten objectieve entiteiten zijn, illustreert dit werk, en zijn opeenvolgende versies, de subjectiviteit van wat als ziekte wordt beschouwd. Zo werd homoseksualiteit tot 1973 als een stoornis gedefinieerd.
**Om de gang van zaken duidelijker in te zien, kunnen we ons proberen in te beelden wat er zou gebeuren als artsen het probleem “hoest” zouden bestuderen zoals de moderne psychiatrie het probleem “depressie” bestudeert. Artsen zouden eerst “hoeststoornissen” definiëren en objectieve criteria vastleggen voor het stellen van de diagnose. De criteria zouden bijv. kunnen stellen dat er sprake is van een hoeststoornis als de patiënt in een periode van twee dagen meer dan twee keer per uur hoest of een hoestaanval heeft die langer dan 2 minuten duurt. Onderzoekers zouden dan naar verschillende speciale gevallen van een hoeststoornissen kunnen kijken zoals hoest in combinatie met een lopende neus en koorts, hoest in verband met allergie en blootstelling aan pollen, hoest bij rokers, en hoest die doorgaans fataal afloopt. Vervolgens zouden zij deze subtypen van hoest kunnen onderzoeken door bij mensen met hoeststoornissen de afwijkingen in de neurofysiologische processen te onderzoeken. De ontdekking dat hoesten gepaard gaat met een toegenomen activiteit in de zenuwen die instaan voor de contractie van de borstspieren zou de vraag doen rijzen welke neurologische mechanismen oorzaak van de toegenomen activiteit in deze zenuwen zouden kunnen zijn. De ontdekking van een hoestcentrum in de hersenen zou duidelijk maken dat een afwijking in dit centrum de oorzaak van de hoest zou kunnen zijn. De verdere ontdekking dat codeïne het hoesten kan stoppen, zou tot verder onderzoek leiden op grond van de hypothese dat hoesten het gevolg zou zijn van een tekort aan codeïne-achtige substanties in de hersenen. Men zou dan verder kunnen kijken naar welke genen deze afwijking veroorzaken om aldus voorbeschikte personen op te sporen… Dit plan is natuurlijk absurd, maar het absurde is alleen maar duidelijk omdat we goed weten dat hoest geen ziekte is maar een beschermend afweermechanisme van het organisme. En dus moeten we niet in de spieren of in de zenuwen of in de hersenen gaan kijken, maar in de prikkels, de aanleidingen die de beschermende hoestreflex uitlokken. Dat sluit niet uit dat er enkele eerder zeldzame gevallen kunnen zijn waarin hoest inderdaad het gevolg is van afwijkingen in de hoestmechanismen, maar in de overgrote meerderheid van de gevallen zal het om een beschermende reflex gaan die bedoeld is om vreemde deeltjes uit de luchtwegen te verwijderen.
|
|
|
Niemand verlangt naar de dood want niemand kent de dood. Men kan niet verlangen naar wat men niet kent, men kan alleen verlangen naar iets waarvan men zich voorstelt dat het beter zal zijn dan wat er nu is. Men verlangt omdat men niet tevreden is met wat er nu is. Zo kan men naar een andere partner verlangen en is het begrijpelijk dat iemand voor wie het leven elke dag lijden is, naar een ander leven verlangt. Als een ander leven onbereikbaar lijkt, kan de dood dan de enige mogelijkheid lijken om een einde te maken aan het lijden. Dat kan bijv. het geval zijn op het einde van het leven of in geval van een ongeneeslijke ziekte die gepaard gaat met veel lijden.
Dat betekent dat men aanneemt dat het in bepaalde omstandigheden “begrijpelijk” is dat mensen hun leven beëindigen, dat er dus omstandigheden zijn waarin het leven niet langer het leven waard is en dat zelfdoding dan een logische handelwijze zou zijn.
Behalve op het einde van het leven of in geval van een ongeneeslijke ziekte met veel lijden is zelfdoding in vele gevallen een gevolg van de conclusie dat het leven (bijv. na een ingrijpende gebeurtenis) geen zin meer heeft. Dat is een volstrekt onjuiste gedachtegang. Het aanvaarden van deze denkwijze zou immers betekenen dat men van mening is dat het leven in bepaalde omstandigheden een zin heeft en in andere omstandigheden niet. Als het leven een zin heeft, dan moet die zin er altijd zijn, ongeacht mogelijke individuele lotgevallen. Als het leven na een bepaalde gebeurtenis geen zin meer lijkt te hebben, dan kan dat alleen maar betekenen dat men over de zin van het leven nog niet diepgaand genoeg had nagedacht. Niemand kan alle aspecten van het leven voldoende onderzocht hebben om te kunnen “weten” dat het leven geen zin zou hebben, zoals niemand kan zeggen dat hij alle mannen of alle vrouwen onderzocht heeft en weet dat hij of zij nooit nog verliefd zal kunnen worden. Niemand kan zeggen dat het leven, een proces dat ruim 3,5 miljard jaar geleden begonnen is, geen zin zou hebben.
Het leven is geen persoonlijke zaak. Niemand heeft het eigen leven, het eigen lichaam, het eigen bewustzijn zelf gemaakt. Het leven is geen privé-bezit. De burgerlijke moraal van het privé-bezit is niet van toepassing op het leven. Wij zijn kinderen van het leven. Het leven is ons gegeven. Wij zijn uitgenodigd er te zijn. Net zoals wij het leven van anderen niet mogen nemen, mogen wij ook het leven in ons niet nemen. Wij zijn deel van een fabelachtig proces. Wij zijn uitgenodigd om deel te nemen aan een kosmisch proces dat onze individuele voorkeuren ver overschrijdt. Het getuigt van een arrogante onwetendheid te denken dat het leven het ons naar de zin zou moeten maken en dat wij kunnen oordelen of het leven wel de moeite waard is en of wij dat wel “aankunnen”.
Zelfdoding is geen gevolg van omstandigheden maar is een persoonlijke keuze. Het is een weigering het leven te aanvaarden zoals het zich voordoet. Het is een weigering de wereld te bewonen zoals ze nu is. Het is een weigering bij te dragen tot de verdere evolutie van het leven. Het is een keuze die wel met mededogen aanvaard kan worden, maar die nooit begrepen kan of mag worden. Waarom zou anders niet iedereen in vergelijkbare omstandigheden hetzelfde doen?
Maar er zijn mensen die het zo niet zien. Er zijn mensen die denken het leven van anderen te mogen nemen, zoals er mensen zijn die denken het leven in zichzelf te mogen beëindigen. We kunnen alleen met mededogen kijken naar mensen die er zo over denken. In hun ogen is dat waarschijnlijk de beste beslissing of ze zagen geen andere uitweg uit een leven dat te veel lijden met zich bracht
|
|
|
17. Hoe kan iemand met een depressie geholpen worden?
Omgaan met iemand met een depressief gedrag is een oefening in ontmoediging. Dergelijke mensen zijn inderdaad pessimistisch en hopeloos en geloven dat alles slecht zal aflopen. Zij hebben een cynische blik op de wereld en doen meewarig over de “naïevelingen” die het leven zonniger bekijken. Ze hanteren veralgemenende clichés als “alles draait toch maar om geld” en “je kunt niemand vertrouwen” en zij hebben er vaak een soort grimmig plezier in als hun sombere verwachtingen ook uitkomen. Zij zien de wereld als een akelige plaats waarin alles alleen nog maar erger wordt (“life is a bitch and then you die”). Zij hebben een dodelijke invloed op vergaderingen en relaties.
Hoewel het verleidelijk is een depressie met iets als een “ziekte” te vergelijken, is dit een misleidend beeld. Depressief gedrag is niet het gevolg van iets dat om een of andere reden “fout” is gegaan. Het is veeleer een aangeleerde gewoonte, een gedragspatroon, zoals een dans een bepaald gedragspatroon is. Het is een manier van doen, een relatie, een manier om met de realiteit om te gaan, net zoals liefde een relatie tot de realiteit is, dit wil zeggen een manier om met de realiteit om te gaan. Depressief gedrag heeft dus ook niets met een sterke of zwakke persoonlijkheid te maken. (zie de vraag over depressie)
Het minder goede nieuws is dat je niet in iemands bewustzijn kunt binnentreden om daar de kijk op de dingen te veranderen of in orde te maken. Je kunt iemands beleving niet veranderen. Net zoals je iemand er niet zomaar kunt toe brengen rozen of Bach of Mozart mooi te vinden. Je kan anderen alleen uitnodigen om nog eens te kijken of te luisteren in de hoop dat ze het dan ook zullen ervaren. Als iemand op een partner uitgekeken is, dan kan niets dat veranderen. Dat zegt natuurlijk weinig over die partner (in dit geval het leven) en veel maar over de manier van kijken van de betrokkene. Maar iemand die zegt er niets in te zien omdat het allemaal geen zin heeft (de typische depressieve reactie) kun je niet echt overtuigen. Ook professionelen kunnen dat niet. Ook antidepressiva kunnen dat niet. Antidepressiva werken als een roze bril. Ze maken dat de dingen er wat roziger en wat zonniger uitzien, en dat is uiteraard een pluspunt, maar ze maken niet dat men enthousiast zal worden voor het leven.* Als men de periode van tijdelijke beterschap dan niet gebruikt om meer fundamentele wijzigingen door te voeren (zie verder), zal het globale resultaat niet heel positief zijn. Dat geldt ook voor het veelgehoorde advies om wat meer “leuke dingen” te gaan doen en “jezelf te verwennen” onder het motto van “zelfzorg”. Hoewel dat op zich niet verkeerd is, zijn dat geen fundamentele oplossingen. Bonbons zijn ook niet verkeerd, maar ze kunnen geen kanker genezen. Het beste wat men kan doen is tonen hoe men zelf gefascineerd, geboeid en verliefd op het leven is.
Het goede nieuws is dat de betrokkene er zelf veel kan aan doen, maar daartoe dient hij/zij zich bewust te worden van een aantal dingen. Daarbij kan hij/zij wel geholpen worden door mensen uit zijn of haar omgeving, vooral als dat inspirerende voorbeelden zijn. Een oudere dame met een diagnose van depressie vertelde me eens dat niets in haar leven nog zin had. Toen ik haar vroeg of er toch niet nog iets was dat nog enige vorm van vreugde in haar leven bracht, zei ze: “Alleen mijn kleine katje geeft mij nog enige vreugde. Als ik naar haar kijk zie ik de schoonheid en het mysterie van dat diertje.” Die ene ervaring volstond. Haar interne wereld was niet dood. Haar ervaring was een onomstotelijke realiteit. Toch was het niet eenvoudig haar ervan te overtuigen dat het niet haar poesje was dat haar die ervaring gaf, maar iets in haarzelf. Het diertje gaf haar namelijk helemaal niets. Het was er gewoon. Het was voor die dame alleen de concrete gelegenheid, de aanleiding, waardoor zij iets in haar zelf kon ervaren, namelijk de mogelijkheid om het mooie en het mysterieuze in haar omgeving te zien. Het was de manier waarop zij naar dat poesje keek, die haar de ervaring van vreugde bezorgde. Als men naar een dergelijke niet-te-ontkennen ervaring kan teruggrijpen, kan men die gebruiken om die interne mogelijkheid te ontdekken en vervolgens uit te breiden naar andere aspecten van het leven en van de wereld. Op die manier kan een depressie een mogelijkheid zijn om tot meer fundamentele inzichten en tot meer bewustwording te komen, die tot een blijvende verandering kunnen leiden. Maar sommige mensen zullen ook dat maar met moeite kunnen geloven. Vaak blijven zij vasthouden aan het idee dat zij door de omgeving “gemaakt worden” en dat sommige dingen hen bang of depressief “maken” terwijl andere hen blij “maken”. Het is altijd gemakkelijker om de schuld bij anderen of bij de omgeving te leggen. Het is moeilijker om in eigen boezem te kijken.
De Dalaï Lama heeft ergens geschreven dat lijden een boodschap van het leven is. Het is het leven dat tot ons spreekt op een wijze die het best onze aandacht trekt. Een depressie is een koninklijke boodschap die ons uitnodigt ons leven te verdiepen.
Sommige mensen hebben een longkanker nodig om te beseffen hoe waardevol hun longen waren. Sommige mensen hebben een hersentumor nodig om te beseffen hoe waardevol hun hersenen waren. Sommige mensen hebben een verlamming nodig om te beseffen hoe waardevol hun botten en hun spieren, hun armen en hun benen waren. Sommige mensen moeten een ziekte van Crohn krijgen om te beseffen hoe waardevol hun maagdarmstelsel was. Sommige mensen moeten de dood in de ogen gekeken hebben om te beseffen hoe waardevol het leven is…
Maar voor sommige mensen is die ervaring dan ook een moment van inzicht en verlichting, een metanoia, een “road to Damascus moment”. Dat verklaart dat sommige mensen verklaren dat een ontslag, een scheiding, een kanker of een depressie het beste was wat hen overkomen is…
__________________ * Om de neurochemie van de hersenen te beïnvloeden en de dingen zonniger en opgeruimder te bekijken is er waarschijnlijk niets zo effectief als de aloude Indische praktijk van de lachsessies, al naargelang de invalshoek ook lach-therapie of lach-meditatie genaamd. Norman Cousins (auteur van Anatomy of an Illness) ontwikkelde voor zichzelf een programma om zijn onbehandelbare pijnen te verlichten, op basis van het systematisch bekijken van komische video’s. Het is aangetoond dat lachen weldadige en helende gelukshormonen in het lichaam vrijmaakt, net zoals zorgen en stress stresshormonen in het lichaam vrijmaken. Zie ook “Lachen is echt gezond” in de rubriek “Uit de pers”.
|
|
|
18. Ik heb zoveel gegeven dat ik nu leeggegeven ben. Het wordt nu tijd dat ik eens wat terugkrijg!
De mythe van het geven is een interessante metafoor die evenwel misleidend is omdat er in de liefde nu eenmaal niets gegeven wordt en ook niets moet gekregen worden. Geven en krijgen horen thuis in de sfeer van de behoeftebevrediging. Bevrediging van behoeften is uiteraard niet verkeerd maar is geen liefde. Hooguit
zou men kunnen zeggen dat men aandacht geeft. Dat men zijn aanwezigheid
geeft. En liefde is inderdaad dat: op een aandachtige wijze aanwezig zijn bij
de ander, Liefde is dan ook geen beloning omdat de ander zo goed of zo lief is geweest of zo goed aan onze behoeften heeft voldaan. Liefde is een houding van bewust aandachtig bij de ander zijn. En dat kan ook als die ander dingen doet die ons niet zinnen, die wij niet begrijpen, als de ander ons niet mag of ons zelfs vijandig gezind is. Volgens Spinoza is liefde de vreugde om het zijn van de ander. Men is gewoon vervuld van vreugde omdat men getuige mag zijn van het zijn van de ander. Net zoals men door een bloem kan vervuld worden van vreugde, gewoon omdat die bloem er is en omdat men er bij mag zijn, omdat men er getuige van mag zijn.
Aangezien er niets gegeven of gekregen wordt, kan men ook niet teveel geven of leeggegeven zijn.
|
|
|
19. Ik ben mijn zoon van 20 verloren na een vreselijke ziekte. Het is toch normaal dat ik daaronder lijd?
Elke ervaring heeft een interne structuur, ook het lijden. Het zijn niet de gebeurtenissen die ons doen lijden, maar onze interne representatie (d.i. woorden, beelden) van de gebeurtenissen, meer bepaald het verschil tussen onze interne voorstelling van hoe de realiteit zou moeten zijn en de externe realiteit die is wat ze is. Iedereen heeft min of meer vaststaande ideeën of beelden over hoe de realiteit zich hoort te gedragen en wat al dan niet mag gebeuren. Mensen kunnen maar moeilijk van die ideeën of beelden afstappen. Maar de
realiteit is altijd veranderlijk. Lijden is precies het vasthouden aan een
rigide interne voorstelling en het weigeren
Je kan dat normaal noemen, en dat is het ook in de zin dat het veel voorkomt. Maar het is niet het beste wat je kunt doen. In feite zeg je “Neen, dit kan niet!” tegen het leven en de ervaring van dat “Neen” is je lijden. Het is begrijpelijk dat je begint met “Neen” te ervaren. Het verwerkingsproces is precies het omzetten van dat “Neen, dit kan niet!” in een “Ik aanvaard dit, ik kan ermee leven”. Het rouwproces is het aanvaarden van de realiteit en het ophouden te pogen je interne realiteit aan de externe realiteit op te leggen. Het is de beslissing de wereld te bewonen zoals ze voortaan zal zijn. Dat betekent niet dat je wat gebeurd is goed of wenselijk moet vinden of dat je er vrolijk om moet zijn. Het betekent alleen dat je een andere interne representatie kiest, waarin je erkent dat het gebeuren weliswaar onbegrijpelijk is, maar dat het leven altijd onbegrijpelijk blijft en dat je beslist dat te aanvaarden en op een waardige wijze verder te leven. Hoe lang je verwerkingsproces zal duren, hangt alleen maar af van je niveau van bewustzijn en van hoezeer je daar mentaal vooraf al had over nagedacht, met andere woorden welke denkinstrumenten en representatiemogelijkheden je ter beschikking hebt. Het probleem is dat men in onze cultuur van genietingen en amusement daar juist zo weinig mogelijk over nadenkt. Als een bepaalde gebeurtenis zich dan toch voordoet, reageert men getraumatiseerd en is men nauwelijks in staat tot redelijk denken. Dan valt men al gauw in een slachtofferrol en in allerlei vormen van archaïsch en magisch/mythisch denken.
Maar er is toch het verdriet, het gemis? “Verdriet” en “gemis” zijn geen feitelijkheden maar zijn mentale voorstellingen. Er is verdriet en gemis zolang je een voorstelling hebt waarin je tekort gedaan bent. Spreken over verlies en gemis is een manier om het leven te verwijten dat je onrecht is aangedaan. In feite zeg je dat die mens niet mocht sterven omdat je hem nog nodig had. Je gaat er dus van uit dat mensen alleen maar mogen sterven als jij beslist hebt dat ze mogen gaan omdat je ze niet meer nodig hebt…
Je zoon
was niet je bezit. Je zoon was geen recht. Je zoon was niet vanzelfsprekend.
Je zoon was een geschenk en een ervaring. Je kan dankbaarheid cultiveren voor
dat niet-vanzelfsprekende geschenk, ook al is dat geschenk nu niet meer
fysiek in je leven. Dat is een andere voorstelling, die je in staat stelt met
meer liefde te reageren. Liefde is immers aandacht voor de
Maar ik kan toch niet aanvaarden dat zo een jongen moet sterven? Het is een mythe te denken dat wij de keuze zouden hebben om gebeurtenissen te aanvaarden of niet te aanvaarden. Zij doen zich gewoon voor en in werkelijkheid aanvaarden we gebeurtenissen dus altijd. We kunnen gewoon niet anders. Als je redelijk bent kun je begrijpen dat wij geen keuze hebben om wat zich in de wereld voordoet al dan niet te aanvaarden. We hebben alleen keuze in hoe we de gebeurtenissen zullen aanvaarden: op een volwassen manier, met elegantie en waardigheid, of op een manier die lijden in stand houdt door koppig te blijven beweren dat we de gebeurtenissen niet kunnen aanvaarden. We hebben keuze in welke mentale voorstelling we daarvan gaan maken. We kunnen een voorstelling maken die een ervaring van afwijzing en van verzet in ons bewustzijn onderhoudt. Op die manier onderhouden we ook het lijden want lijden is alleen een toestand van in onmin leven met een voorstelling van de werkelijkheid. We kunnen gebeurtenissen ook op een volwassen wijze aanvaarden, ook al kunnen we ze niet begrijpen. We kunnen op een redelijke wijze begrijpen dat we het leven niet kunnen begrijpen. Ook dat is het mysterie van het leven. We kunnen dat meer liefdevol benaderen. Liefde is immers precies het aanvaarden van wat er is, ook - en vooral - als we dat niet kunnen begrijpen.
Maar mijn hele wezen, mijn lichaam verzet zich daartegen! Dat verzet is begrijpelijk. En toch kun je leren heel bewust, heel langzaam en heel aandachtig “ja” te zeggen in jezelf: “Ja, ik kan dit aanvaarden. Ja, ik wil dit aanvaarden. Ja, ik aanvaard dit.” Dan zal je merken dat je lijden langzaam afneemt en dat er vrede en liefde voor in de plaats komt. Het verzet dat je in je lichaam voelt, is niet het verzet van je lichaam. Het lichaam is gewoon de plaats waar je je eigen verzet voelt. Het lichaam is geen instantie die los van jou staat en eigen intenties of gevoelens zou hebben. Het zijn jouw intenties en gevoelens die je in je lichaam voelt.
Maar als ik niet zou lijden, dan zou dat toch betekenen dat ik niet om mijn zoon gegeven heb? Ook dat is één van de vele mythen in onze samenleving die het lijden in stand houden. Mythen zijn verhalen die in de meeste gevallen niet weerstaan aan een redelijk onderzoek. Ook deze mythe is een structuur die oorzaak is van lijden. Zij zegt dat hoe meer lijden je ervaart, hoe meer je om de ander hebt gegeven. Dat maakt dat vele mensen zich gewoon niet toestaan om zich beter te voelen. Het is dus niet omdat ze zich niet beter kunnen voelen, maar omdat ze zich niet toestaan zich beter te voelen. Ze zouden zich als het ware slecht voelen als ze zich beter zouden voelen! Om tot een redelijker houding te komen, kun je de vraag stellen: “Is het wel waar dat mijn lijden met liefde te maken heeft?” Je kan je afvragen hoe je bent als je gelooft dat het waar is en hoe je zou zijn als je dat niet meer zou geloven. En je kan je dan verder afvragen of je een goede reden hebt om te blijven geloven dat het waar is… In feite kun je redelijk inzien dat lijden niets met liefde te maken heeft maar alleen maar over jezelf gaat. Verdriet is zelfbeklag om iets wat er niet meer is, om wat je niet meer “hebt”. Dat gaat over jezelf. Op die manier kan je de overledene niet eren. Als je de overledene wil eren en je liefde wil geven, kan je de overledene dankbaar zijn om het mooie en het goede dat hij of zij in je leven heeft gebracht. Dan gaat het over de ander. Je moet dan wel de volwassenheid hebben om ook te kunnen omgaan met het oordeel van anderen die snel zullen oordelen dat je ongevoelig bent of dat je geen liefde had. Maar dat is een ander probleem.
Wordt je dan niet ongevoelig en onverschillig? Dat is inderdaad wat vele anderen zullen zeggen en er is natuurlijk ook onze vrees om ongevoelig en onverschillig over te komen. Maar dan verwart men gevoeligheid met gevoelerigheid. Je emoties op sleeptouw laten nemen door de gebeurtenissen is geen gevoeligheid maar is gevoelerigheid. Echte gevoeligheid heeft veel meer met liefde te maken en is aandacht voor de ander in plaats van voor het eigen idee van gemis. Gevoelerigheid komt van het ego dat altijd bang is om tekort te hebben. Echte gevoeligheid en liefde komen uit een groter bewustzijn, een bewustzijn van overvloed van waaruit je aandacht en liefde aan de ander kunt geven, ook aan mensen en gebeurtenissen die niet onmiddellijk aangenaam of plezierig zijn. Liefde leidt immers niet tot ongevoeligheid en onverschilligheid, maar juist tot gevoeligheid en het verlangen goed te doen voor de ander …
Maar er is toch het rouwproces? Er is toch de verliesverwerking? Verdriet is de weigering de wereld te bewonen zoals hij na een bepaalde belangrijke verandering geworden is. Het rouwproces en de verliesverwerking bestaan er juist uit het verzet op te geven en de wereld zoals hij nu is te leren aanvaarden. Ieder doet dat op zijn manier en neemt daarvoor de tijd die hij nodig heeft. Het indelen van deze emotionele respons in rigide categorieën – kwaadheid, ontkenning, onderhandelen, depressie, aanvaarding – is echter een negativistische en deshumaniserende benadering die de indruk wekt dat men zich aan een onontkoombaar en onpersoonlijk “proces” dient te onderwerpen. De tijd die iemand nodig heeft, zal immers niet bepaald worden door een onpersoonlijk proces maar door de mate van bewustwording die al eerder gebeurd was. Alleen als men nog in de illusie leefde dat alles voor eeuwig verworven was en dat niets ooit zou veranderen, zal elke verandering als een verlies ervaren worden.
Een interessant concept is het idee van vóór-rouwen. Dat bestaat eruit zich bewust en concreet te realiseren dat al wat er nu is: bezittingen, sociale status, naastbestaanden, ouders, geliefden, gezondheid, het eigen leven… er ooit niet meer zal zijn. Bij mensen die de dood in de ogen gekeken hebben, bijv. door een ziekte of een ongeval, krijgt het leven plots een heel andere betekenis. Zij onderscheiden plots duidelijk het wezenlijke van het onbelangrijke. Zij beseffen dat zij willen leven en dat alleen het leven zelf werkelijk belangrijk is. Op dezelfde wijze kan deze gedachteoefening in wijsheid en aandachtig zijn bijdragen tot het intensiveren van het gevoel van dankbaarheid om wat er nu is en tevens voorbereiden op de ervaring van dingen en personen die op elk ogenblik uit ons leven kunnen verdwijnen. Het probleem is dat deze oefening door de meeste mensen niet wordt gemaakt, omdat dit als “zwarte gedachten” wordt bestempeld, die men onder het motto van “zelfzorg” maar best zo snel mogelijk kan vergeten door aan andere dingen te denken of méér “leuke dingen” te gaan doen. Sommige professionelen aarzelen niet hierin een teken van “depressie” te zien en stellen zelfs voor om de “zwarte gedachten” desnoods met medicatie te verdrijven. Het is alsof u tijdens het rijden met de wagen een verdacht geluid uit de motor zou opmerken en uw garagist u zou voorstellen om de autoradio dan maar wat luider te zetten of dopjes in uw oren te stoppen om het verdachte geluid niet meer te horen. Het gevolg is dat mensen in de illusie blijven leven dat alles altijd zal blijven zoals het was en onvoorbereid en geheel uit het lood geslagen zijn als dergelijke veranderingen, “trauma’s genaamd”, zich dan toch voordoen. Het “rouwproces” en de “rouwarbeid” die dan noodzakelijk is, is in feite niets meer dan de bewustwording die niet eerder werd gedaan.
De rouwarbeid bestaat er niet uit te proberen “het trauma te vergeten” of te wachten tot “de tijd zijn werk heeft gedaan”, maar uit het bewust en actief omgaan met de gebeurtenissen, met wijsheid en sereniteit. Men is daarmee klaar als men zonder lijden aan het gebeuren kan denken. In het geval van een overlijden, betekent dit dat men met liefde en dankbaarheid aan de overledene leert denken in plaats van met lijden. Lijden richt de aandacht op de eigen persoon. Liefde richt de aandacht op de ander. In de mate dat er liefde is, is er geen lijden. In de mate dat er lijden is, is er geen liefde.
|
|
|
20. Ik kan toch onmogelijk gelukkig zijn als ik zoveel verloren ben?
Je bent niets verloren. “Verlies” is een mentale representatie. Er valt niets te verliezen. Het concept “verlies” veronderstelt dat er een “bezit” was. Er was ook geen bezit. Bezit is een verhaal, een interne representatie waarin de gedachte “ik” gekoppeld is aan de gedachte aan “iets”. (Tolle) Dat verhaal is het enige wat je kan verliezen. Je kan alleen maar de illusie verliezen dat je iets bezat. In werkelijkheid heb je nooit iets in de buitenwereld bezeten. Je hebt het alleen mogen bekijken. Je bent er mogen bij zijn. Je hebt er je mogen in verheugen. Je hebt het mogen gebruiken. Wat je kan verliezen heb je niet echt bezeten en wat je echt bezit kan je niet verliezen. Je bent naakt en zonder enig bezit ter wereld gekomen en alles wat je “hebt”, zijn geschenken, geen bezittingen: je lichaam, je opvoeding, je ouders, je kennis en je inzichten, al je “bezittingen”, je sociale relaties, je kinderen, al wie je kent. Af en toe verdwijnt er ook weer iets uit je leven van het vele dat je gekregen hebt. Dat is alles. De enige houding die van een volwassen bewustzijn getuigt, is dan ook dankbaarheid. Ook als een bepaald geschenk op een bepaald moment ophoudt er te zijn, kan je nog altijd dankbaar zijn omdat je het gekregen hebt. Het was immers geen recht. Als je een mooie reis gemaakt hebt, zeg je daarna toch niet dat je je reis verloren bent en dat je leven nu leeg is? En na een goed gesprek zeg je toch niet dat je dat gesprek nu kwijt bent? Je bent toch dankbaar om wat er in je leven gekomen is en wat dat je aan wijsheid bijgebracht heeft? Je bent toch blij met de blijvende mooie herinnering?
We zijn niet vaak dankbaar meer omdat we alles als een vanzelfsprekend recht zijn gaan beschouwen, en voor een recht hoef je niet dankbaar te zijn, dat is gewoon een recht. Het is iets wat je “nodig” hebt en wat men je gewoon “moet” geven. Zo zijn we ook de mensen en de relaties in ons leven als een recht gaan beschouwen, als een eigendom dat je kunt verliezen. En als je verliest, heb je het recht om je slachtoffer te noemen en kwaad te zijn.
Deze kromme manier van denken is oorzaak van heel wat negativiteit en lijden in het dagdagelijkse leven. Volwassen worden is gewoon ervan bewust worden dat al die feitelijkheden en gebeurtenissen geen recht zijn en niet “nodig” zijn. Ze zijn aangenaam en het is goed ervan te genieten als ze er zijn, maar ze zijn niet “nodig” om te kunnen deelnemen aan het proces van het leven en om je te kunnen verwonderen over de mysterieuze schoonheid ervan.
|
|
|
21. Maar is dat dan niet egoïstisch?
Het onderscheid tussen egoïsme en altruïsme is een verwarrend onderscheid. Wie iets doet voor anderen, heeft daar immers altijd ook zelf een goed gevoel bij. Voor wie doet hij het dan? En wie iets voor zichzelf doet en daardoor een gelukkiger mens wordt, zal niet kunnen beletten dat ook anderen daar beter van worden. Wie voor jezelf de zon laat schijnen, kan niet beletten dat anderen daar ook warmte van hebben. Voor wie doe je het dan? Anthony de Mello zegt: “Er zijn twee vormen van egoïsme. De eerste is als ik mezelf het genoegen doe om mezelf een genoegen te doen, de tweede als ik mezelf het genoegen doe om anderen een genoegen te doen.” Als je iets goeds doet, ongeacht of het zogenaamd voor jezelf is of zogenaamd voor anderen, doe je dat voor het leven en daar wordt iedereen beter van.
Wat wij egoïsme noemen is in feite een klein bewustzijn, een bewustzijn dat nog niet tot volwassenheid en dus zeker niet tot spiritualiteit gegroeid is. Een klein bewustzijn gaat niet verder dan zichzelf. Een groot bewustzijn omvat ook de anderen. Egoïsme is dus in feite een tekort aan ego, althans aan een volwassen en verantwoordelijk ego. Een volwassen ego begrijpt immers dat wij allemaal deel zijn van het leven en dat wat wij doen altijd gevolgen heeft die iedereen ten goede komen of iedereen schade berokkenen. Een volwassen ego begrijpt dat een geluk in isolatie niet mogelijk is. Wij leven altijd met anderen. Een volwassen ego begrijpt dat het eigen welzijn gekoppeld is aan het welzijn van anderen.
Een klein ego is gekenmerkt door kleine emoties die gaan over het “ik”: angst, woede, jaloersheid, frustratie, verdriet, lijden … Het afleggen van dit kleine ego leidt tot rust en sereniteit, wat in het Boeddhisme “peace of mind” wordt genoemd. Het aannemen van een groter ego leidt tot grotere emoties die gaan over de anderen: dankbaarheid, bewondering, mededogen, mildheid, medeleven, liefde. Dat leidt tot een leven van duurzaam geluk.
|
|
|
Deze (ongemakkelijke) vaststelling leert ons iets belangrijks over het lijden, namelijk dat het lijden niet over de ander gaat maar altijd over onszelf. Er is inderdaad geen enkel aantoonbaar verschil tussen een “eigen” kind dat sterft of een kind in een ver land dat sterft. Het verschil zit niet in die twee kinderen, het verschil zit in onszelf, in het feit dat we het ene kind als “van ons” zijn gaan beschouwen, zodat het verlies als een onrecht en als een bron van lijden wordt ervaren, terwijl het andere kind als “niet van ons” wordt beschouwd, en we het sterven van dat kind dus niet als een onrecht of als een bron van lijden ervaren. Het is overigens opmerkelijk en tekenend dat over “verlies” wordt gesproken. Dat wijst er immers op dat het betrokken kind eerst als een “bezit” werd beschouwd, als een deel van een (affectief) patrimonium dat ons toebehoort. Door het geleden “verlies” zouden we dus armer geworden zijn. Vaak wordt dit ook beargumenteerd door te verwijzen naar een “bloedband” of een emotionele band, alsof dit objectief bestaande entiteiten zouden zijn. Dergelijke “banden” zijn nochtans louter fictief en bestaan alleen voor wie er in gelooft. Het is alleen maar een andere manier om het affectieve patrimonium te benoemen.
Een meer respectvolle manier om naar mensen en dus ook naar kinderen te kijken is dat het niet om bezittingen gaat maar om geschenken. Een geschenk dat we gekregen hebben, blijft immers voor altijd in ons leven en kan een bron van rijkdom en van dankbaarheid blijven, ook als de persoon in kwestie niet langer lichamelijk aanwezig is. We kunnen het nooit meer “verliezen” en het kan ons nooit meer afgenomen worden net zoals we een mooie zomer niet meer kunnen “verliezen”. (zie ook de vraag over verlies)
Voortbouwend op deze gedachtengang kunnen we bij uitbreiding gemakkelijk inzien dat lijden in feite altijd over onszelf gaat, over iets dat ons is aangedaan of iets dat wij verloren zijn. Als we lijden gaat al onze aandacht naar onszelf. We lijden niet om de ander. We lijden om onszelf. Daarom is lijden ook het omgekeerde van liefde, want bij liefde gaat onze aandacht naar de ander. Dat leidt tot mededogen en het verlangen het lijden van de ander te verminderen. Waar liefde is, is geen lijden. Waar lijden is, is geen liefde.
Vanuit een houding van liefde, d.i. van aandacht voor de ander, zal het overlijden van een naastbestaande geen bron van lijden zijn, maar een bron van aandacht voor de ander en van dankbaarheid omdat de ander in ons leven is geweest.
|
|
|
We kunnen dat onaanvaardbaar vinden, maar helaas gebeuren onaanvaardbare dingen ook. Ook dat is natuurlijk onaanvaardbaar, maar op die manier komen we dus niet uit de paradox van de onaanvaardbaarheid…
Ik heb ooit een vrouw die ter wereld was gekomen met spina bifida (een zgn open rug) en die dus heel haar leven in een rolstoel moest doorbrengen, horen zeggen: “Het enige verschil tussen normaal leven en leven met een beperktheid, is dat je met een beperktheid heel wat meer over het leven moet nadenken.” Inderdaad. Gelukkig zijn als het leven meezit is geen kunst. De kunst is gelukkig te zijn als het leven of het lot je niet zo gunstig gezind is. Dan is het leven een uitdaging, een test met diverse moeilijkheidsgraden. In de school komt normaal eerst de les en dan komt het examen. In het leven komt vaak eerst het examen en dan komt de les…
Dat wordt geïllustreerd door een bekend Zen-verhaal. Stel dat je met je bootje rustig op een rivier aan het varen bent en dat er plots een ander bootje tegen je opbotst. Het is begrijpelijk dat je dan geïrriteerd en boos zult reageren, tot je merkt dat het andere bootje gewoon leeg is… Dan verdwijnt toch je boosheid? Dan ga je toch niemand aanklagen en bestraffing eisen? Het voorval is nog wel vervelend, maar er is domweg niemand om boos op te worden. Je boosheid verdwijnt dan ook meteen… Je duwt het bootje weg en vaart door met je eigen bootje. De les en het inzicht is dat de ander vaak als een leeg bootje is. De ander is gewoon dermate opgeslorpt in zijn eigen leven en zijn eigen problemen, dat hij onoplettend tegen jouw bootje is gevaren. Je was gewoon toevallig op die plaats. Met andere woorden: zie het gedrag van de ander als een veruitwendiging van de problemen van die ander en niet als een vijandige aanval op het eigen leven en welzijn.
Stel dat je over straat loopt en een kind komt naar je toe en geeft je een flinke trap die je flink pijn doet. Waarschijnlijk zult u behoorlijk ontstemd zijn, maar gaat u dat kind een even krachtige trap terug geven? Gaat u bestraffing eisen? Als u even nadenkt begrijpt u dat dat kind handelde uit een boosheid die niets met u te maken had. Dat is nu eenmaal wat boze en ongelukkige kinderen doen: zij trappen tegen alles in de buurt, tegen mensen, tegen meubelen. Als u een trap terug zou geven, zou u precies hetzelfde doen en zou u zich evenzeer als een boos kind gedragen. Ofschoon u pijn hebt, zult u het kind dus proberen uit te leggen dat dergelijk gedrag niet kan.
In deze denkwijze kunnen we nog een stapje verder gaan. Stel dat je met je kind rustig in een bos aan het wandelen bent en heel mooie ervaringen hebt. Plots is er een windstoot die een boom doet kraken waardoor die op je kind valt. Je kind is dood. Tegen wie zal je woede zich dan keren? Ga je de wind aanklagen? Ga je de boom aanklagen? De natuur? De kosmos? Wie zal je dan antwoord geven op de vraag “Waarom?” Wie zal er gestraft worden zodat jij “eindelijk aan je rouwproces kunt beginnen”? De enige bijkomende stap die je nu nog moet maken, is mensen die kwaad doen te leren zien als boze, ongelukkige kinderen die geen andere (en betere) manier kennen om uiting te geven aan hun boosheid en hun ongelukkig zijn.
Vaak is ons lijden het gevolg van het feit dat wij ons domweg op een plaats bevonden waar onbekende, blinde krachten samengekomen zijn en ons getroffen hebben. Waarom maakt het voor uw lijden een verschil uit of de krachten het gevolg waren van de wind of van de psychopathie van een ander mens? Uw lijden is toch in beide gevallen hetzelfde? Beide zijn “onaanvaardbaar”. Waarom is het ene dan toch makkelijker te “aanvaarden” dan het andere?
Als wij “gerechtigheid” en bestraffing eisen, dan doen wij net hetzelfde: wij willen uiting geven aan onze boosheid door een trap terug geven, door te eisen dat de ander bestraft wordt en lijdt. Wij denken dat ons lijden zal verminderen door het lijden van de ander…
Zie verder de vraag over gevangenisstraffen.
Maar zo kun je het toch niet zien? Dat is een keuze. Wij hebben geen keuze in wat ons overkomt, maar wij hebben altijd keuze in hoe wij daar mee omgaan.
In persoonlijke gesprekken en meldingen in de media blijkt echter altijd weer dat vele betrokkenen niet op de eerste plaats bezig zijn met zich weer goed voelen in het leven. Velen willen zelfs niet gelukkig zijn want dat zouden ze onaanvaardbaar en een verraad tegenover hun vermoorde kind vinden. Zij zoeken daarentegen erkenning en gerechtigheid, zij zoeken genoegdoening en wraak. Zij willen een bestraffing van de dader. Zij voelen zich “gestraft” doordat zij lijden omdat iets hen werd “afgepakt” en zij zoeken een “bestraffing” van de dader. Zij denken dat het lijden van de dader ertoe zal leiden dat zij zich beter zullen kunnen voelen. En als de dader geen in hun ogen voldoende zware straf krijgt, noemen zij zich “dubbel gestraft”. Daarvoor worden vaak fortuinen besteed aan dure advocaten. Dit populaire geloof wordt ook in de media, in verenigingen en in zelfhulpgroepen uitvoerig besproken en toegelicht. Al te weinig wordt beseft dat de betrokkenen met hun haat alleen zichzelf verder pijnigen en vergiftigen. Daar wordt niemand beter van.
Daardoor wordt in feite hetzelfde schema gevolgd als dat van de dader, namelijk slecht voelen leidt tot zinloze agressie in de hoop zich beter te voelen. Zoals een kind dat zich slecht voelt en wild om zich heen trapt in de hoop zich daardoor beter te zullen voelen. Deze hoop blijkt meestal ijdel. Uit vele getuigenissen van betrokkenen en hulpverleners blijkt inderdaad dat dit niet het geval is. Het lijden (de “straf”) van de ander brengt geen vrede in het eigen hart. Het vergif van de haat blijft bestaan en het lijden blijft.
Hoe kun je die moordenaars verstaan? Mensen proberen altijd gebeurtenissen te “begrijpen”. Dat “begrijpen” is een illusie. We kunnen mensen niet “begrijpen” zoals we machines kunnen begrijpen. Het gedrag van machines kunnen we voorspellen. Het gedrag van mensen kunnen we nooit voorspellen. We vinden dus nooit de “reden” of de “oorzaak” van het gedrag van mensen. Dat kunt u gemakkelijk vaststellen als u over uw eigen gedrag nadenkt. Waarom denkt u dat de uitkomst van de rechtszaak belangrijk is voor uw welzijn? Ook dat kunt u niet verklaren. U gelooft dat omdat u dat gelooft. Ook op die “waarom” vraag is er geen afdoende antwoord.
In een debat na de uitzending “Faites entrer l’accusé” van 24 januari 2010 op de Franse zender France 2 werd een verband gelegd tussen een ongestructureerde jeugd (met materiële, affectieve, intellectuele en/of spirituele armoede, met andere woorden met een tekort aan moederlijke én vaderlijke functie) en delinquent gedrag op latere leeftijd. Met andere woorden: achter elk delinquent gedrag vinden we een mens die lijdt. Een bekend advocaat die aan het debat deelnam, verklaarde dat hij nog nooit een beklaagde had moeten bijstaan waarvoor dat niet het geval was. De omgekeerde redenering gaat evenwel niet op: een ongestructureerde jeugd leidt niet noodzakelijk tot delinquent gedrag. En dat is juist de moeilijkheid: er is geen lineair verband dat altijd waar is. Sommige mensen komen in de delinquentie terecht, andere niet. Daarin ligt juist de vrijheid en dus de onvoorspelbaarheid van de individuele mens. Dat maakt dat op de vraag “waarom” nooit een bevredigend antwoord kan worden gegeven.
Maar is er überhaupt een antwoord denkbaar dat het lijden van de betrokkenen zou kunnen verlichten?
Toch kan niets ons de vrijheid ontnemen om met een hogere wijsheid te reageren. Lao Tse zei: “Behandel goede mensen goed. Behandel niet-goede mensen ook goed. Op die manier komt goedheid tot stand.” Zie ook het verhaal van Gary Zukav in de vraag over gevangenisstraffen.
|
|
|
24. Ik heb zo weinig zelfvertrouwen en ik hou niet van mezelf. Kan ik leren meer van mezelf te houden?
Op de eerste plaats moet onderscheid gemaakt worden tussen zelfwaardering en zelfvertrouwen.
Zelfwaardering is de erkenning van het recht om te bestaan, om er te zijn. Twijfel aan het recht om te bestaan kan ontstaan bij mensen die als kind niet voldoende ervaren hebben dat het goed was er te zijn omwille van het loutere feit er te zijn. Dit zijn kinderen die vaak beoordeeld (d.i. goedgekeurd of afgekeurd) werden op hun gedrag en hun prestaties. Deze kinderen leren dat liefde voorwaardelijk is en een beloning is van goed gedrag. Iemand die als kind geen zelfwaardering heeft geleerd, kan als volwassene toch nog tot het inzicht en de overtuiging komen dat het recht om te bestaan niet van anderen gekregen kan worden. Men heeft het recht er te zijn, gewoon omdat men geboren is. Men krijgt het recht er te zijn van het leven zelf. Een kind kan dit soort overwegingen niet maken en heeft de ervaring nodig. Een volwassene kan door reflectie alsnog tot deze ervaring komen. Denken dat men niet het recht heeft er te zijn, is immers een gebrek aan inzicht in het leven. Men heeft het recht er te zijn, omdat men er is.
De liefde van ouders is vaak immers van een bedenkelijke en oordelende kwaliteit en geeft vaak een verwrongen beeld van wat liefde is. Weinig mensen hebben heldere ideeën over wat liefde eigenlijk inhoudt. De liefde van andere mensen is vaak zeer voorwaardelijk en weinig betrouwbaar en wij geloven ook niet meer dat er een god is die van ons houdt. Wij lijken dus op niemand te kunnen rekenen om van ons te houden, zodat er ons niets anders rest dan van onszelf te houden. Maar daar hebben wij weinig modellen voor en dat vergt een reflectie waar een kind niet toe in staat is. Een kind kan het gebrek aan liefde alleen begrijpen als een gevolg van het feit dat het zelf niet goed genoeg is en geen liefde waard is.
Van jezelf houden is niet verliefd zijn op jezelf of jezelf bewonderen voor je eigenschappen of kwaliteiten, maar is open staan voor en respect hebben voor het leven dat zich in je afspeelt, dat ieder van ons in zich draagt, en dat wij “ik” noemen. Het heeft meer te maken met verwondering en respect dan met verliefd zijn. Het is verwonderd dankbaar zijn voor het geschenk van het leven, voor de uitnodiging er te mogen zijn. Het is blij zijn met het leven waarvan je als individu een manifestatie bent. Het meest liefhebbende dat je voor jezelf kunt doen, is ja-zeggen tegen het leven in jezelf, jezelf toestaan te zijn zoals je bent met de talenten die je gekregen hebt, net zoals liefde voor anderen betekent de anderen aanvaarden zoals ze zijn. Als je jezelf niet kunt aanvaarden, zul je ook anderen niet kunnen aanvaarden. Niet-aanvaarden is de basis van elke agressie, zowel naar jezelf als naar anderen. Liefde voor jezelf betekent het aanvaarden van jezelf, d.i. het onvatbare, wonderlijke wezen dat in jezelf leeft en dat je “ik” noemt. Het is alleen door onze neiging alles (wetenschappelijk) te verklaren en te begrijpen en vooral te beoordelen en te evalueren, dat we niet meer verwonderd zijn. Wat we denken te kennen, wekt geen verwondering meer. Verwondering ontstaat als we begrijpen dat we niet kunnen kennen en alleen maar niet-begrijpend en niet-oordelend aanwezig kunnen zijn…
Toch blijft dit een merkwaardige conceptuele oefening met een in tweeën gesplitst “ik”: een “ik” dat waardeert en een “ik” dat gewaardeerd wordt. Zelfwaardering moet echter meer zijn dan een concept, een zelfbeeld of een dialoog met jezelf. Het moet een manier van in jezelf wonen zijn. Elk idee over jezelf is immers alleen maar een idee dat het “ik” nooit kan vatten. Elk denken over het “ik” is niet het “ik”. Het “ik” is precies de denker die zich op elk ogenblik manifesteert. (Op dit ogenblik is dat de denker die denkt over de denker die denkt over het “ik”.) Het “ik” is geen vaststaande entiteit maar een levende aanwezigheid, een dynamische stroom van ervaringen in elk moment waarop je jezelf toestaat er gewoon te zijn als een niet-oordelend bewustzijn, zonder enig concept (“goedkeuring” of “afkeuring”) over jezelf, als een geïnteresseerde, neutrale getuige van wat er in je geest gebeurt. Door die geestestoestand vriendelijk en mededogend te omarmen, voel je een groter bewustzijn dan die geestestoestand, zoals de zon groter is dan de wolken, zelfs als die de zon verduisteren…
Zelfvertrouwen daarentegen heeft te maken met vertrouwen in de mogelijkheden om dat te doen waarvoor je er gekomen bent, namelijk het leven te leven en op een waardige en verstandige wijze met moeilijkheden om te gaan. Zelfvertrouwen is in de moderne maatschappij een kwestie en een probleem geworden wegens het grote belang dat gehecht wordt aan allerlei prestaties en te bereiken doelstellingen.
In de individualistische hedendaagse samenleving gelooft de mens nog alleen in zichzelf. Er is geen hogere instantie meer die vertrouwen geeft. Er is geen grote hemelse papa meer die alles in orde zal brengen en ook de wetenschap wekt weinig vertrouwen na de vele rampen die de “verlichte” mens over de mensheid heeft gebracht. In onze op prestaties en competitie gerichte samenleving worden vragen als “zelfwaardering”, “van jezelf houden”, “zelfvertrouwen” enz. dan ook als vragen naar persoonlijke eigenschappen en prestaties gezien. Men kan alleen nog in zichzelf geloven. Van de samenleving krijgt men “liefde” en wordt men gewaardeerd als men het even goed of bij voorkeur beter doet dan de anderen. Allerlei idolen worden bejubeld. Vooral mensen met een onvoldoende ontwikkelde zelfwaardering gaan daardoor overmatig belang hechten aan meetellen door “goed presteren”. Zij proberen hun bestaansrecht af te kopen met goede prestaties.
Onze houding tegenover onszelf is een weerspiegeling van onze houding tegenover anderen. In een samenleving waar anderen hard en meedogenloos geoordeeld, veroordeeld en gestraft worden, zullen mensen ook hard en meedogenloos over zichzelf oordelen. Als we anderen niet vertrouwen, zullen we ook onszelf niet vertrouwen. Als we onszelf niet kunnen bevrijden van onze eisen en verwachtingen, zullen we ook anderen niet kunnen bevrijden van onze eisen en verwachtingen.
Dat leidt tot een soort zelftwijfel van de ondermijnende soort die het gevolg is van angst om tekort te schieten of ongeschikt bevonden te worden. Er is een soort angst om betrapt te worden op tekortkomingen waardoor mensen zichzelf juist daardoor een brevet van onvermogen geven. De angst om niet goed genoeg bevonden te worden en om afgewezen te worden is waarschijnlijk de moeder van alle angsten. Het is een angst waar iedereen zal moeten leren mee omgaan om tot een solide basis van emotionele maturiteit te komen. In die zin moet een te veilig en warm nest zelfs als een handicap worden gezien omdat men dan onvoldoende stevigheid heeft verworven en door elk teken van afwijzing door anderen geheel van streek kan raken. Hoewel het fijn zeilen is als het water rustig is en de zon schijnt, brengt dat weinig grote zeilers voort…
Bij zelfvertrouwen gaat het in wezen evenwel helemaal niet om persoonlijke eigenschappen. Zelfvertrouwen is gewoon vertrouwen in het leven dat in ons is. Als wij een trap oplopen, dan weten wij niet hoe wij het doen om de nodige zenuwbanen en spieren aan te sturen. Al wat wij doen is een voornemen maken, een intentie formuleren, en vervolgens vertrouwen wij er gewoon op dat het lichaam onze intentie zal uitvoeren. Het lichaam is de uitvoerende instantie. Als wij spreken, beginnen wij gewoon aan een zin en wij vertrouwen erop dat iets in ons, onze hersenen bijvoorbeeld, de woorden in de juiste volgorde zullen produceren. Net zoals wij een bepaalde auto “vertrouwen” omdat wij de fabrikant vertrouwen, omdat hij van een goed merk is, niet omdat wij hem helemaal onderzocht hebben, zo kunnen wij onszelf vertrouwen, omdat wij de fabrikant kunnen vertrouwen, omdat wij van een goed merk zijn! Namelijk van het merk “mens”. Net zoals wij een auto niet zelf gebouwd hebben, heeft niemand zijn leven, zijn lichaam of zijn mentale vermogens zelf bedacht of gebouwd. Ons lichaam, onze emoties en ons denkvermogen zijn ontwikkeld in een evolutionair proces van research and development dat al vele miljoenen jaren bezig is. De evolutie heeft daarbij heel wat ervaring opgedaan en is redelijk betrouwbaar gebleken. Wij kunnen ze dus redelijk vertrouwen. Ons leven en ons lichaam zijn geschenken van deze evolutie. Het zijn tevens onvermijdelijke partners in de dans van het leven.
Men kan denken aan iemand die op de oceaanbranding surft. Het zogenaamde zelfvertrouwen van de surfer betreft niet alleen hemzelf, maar het hele proces van het surfen. Hij vertrouwt evenzeer op de golf die hem draagt als op zijn lichaam dat zich op de juiste wijze laat dragen. Wij begrijpen niet hoe de zee dat doet. Wij begrijpen ook niet hoe het lichaam dat doet. Wij weten alleen dat we het hele proces kunnen vertrouwen, net zoals wij het lichaam kunnen vertrouwen als het bijv. ademt, de bloedsomloop in stand houdt of een trap oploopt. Wij kunnen vertrouwen op het leven dat in ons is en ons draagt. Speciale gaven zijn niet nodig, vertrouwen in het leven volstaat. Het leven is als een goede moeder die zelfs een angstige, protesterende, huilende en ongelukkige baby liefdevol in de armen sluit.
Het begint er evenwel op te lijken dat men het idee heeft dat men het leven moet kunnen kiezen en inruilen, net zoals men een auto kan kiezen en zo nodig inruilen. Het idee ontstaat dat men “recht heeft” op een even “goed” leven of een even “mooi” lichaam als de buurman, als de anderen. Daarbij vergeten wij dankbaar te zijn omdat we sowieso een leven hebben, omdat we een lichaam hebben waarmee we kunnen deelnemen aan het leven op deze aarde. We krijgen geen stempel “goed genoeg” omdat we even goed of beter zijn dan anderen, we zijn “goed genoeg” omdat het leven ons heeft uitgenodigd om er te zijn en om bij te dragen tot het leven. We zijn niet “goed genoeg” vanwege onze persoonlijke prestaties of eigenschappen, maar omdat we deel uitmaken van een groter geheel. Net zoals de cellen in ons lichaam goed genoeg zijn omdat ze hun functie in het grotere geheel vervullen.
Het is merkwaardig dat in landen waar huwelijken gearrangeerd worden, er niet meer echtscheidingen of ongelukkige huwelijken zijn dan in onze landen waar we de vrije keuze hebben. Dat komt omdat er een mentaliteitsverschil is. Wij beoordelen of wat we gekregen hebben wel goed genoeg is en of het wel aan onze wensen en verwachtingen beantwoordt. In andere culturen leert men te waarderen wat men gekregen heeft, wat er is. Daardoor leert men gelukkig te zijn, in plaats van zich af te vragen of wat er is wel gelukkig kan maken.
De gedachte dat wat er is niet goed genoeg is, is de basis van alle ongeluk. Leren liefhebben wat er is, is de basis van alle geluk.
|
|
|
25. Ik laat voortdurend over mij heen lopen en als ik neen zeg voel ik mij schuldig. Mensen zeggen soms dat ik te goed ben. Wat moet ik doen om meer assertief te zijn? Hoe kan ik mij beschermen en mijn grenzen stellen?
Stel u gerust: te goed zijn is even onmogelijk als te gezond zijn.
Als mensen “over zich heen laten lopen” is dat meestal uit angst voor afwijzing door de anderen. Zij sloven zich uit om de aanvaarding en de goedkeuring van anderen te krijgen. Zij zijn bang om “mensen te kwetsen” omdat ze bang zijn niet aanvaard te zullen worden. Die angst berust op de biologische angst van elk zoogdier om niet aanvaard te worden en uit het nest of uit de groep gestoten te worden. Ook voor kinderen is aanvaard worden een levensnoodzaak. Volwassenen begrijpen dat die aanvaarding weliswaar nog altijd plezierig is, maar niet meer levensnoodzakelijk. Volwassenen begrijpen ook dat je altijd wel door sommigen aanvaard zult worden en door anderen niet.
Mensen die bang zijn om anderen te “kwetsen” beseffen ze niet dat zij er daarbij impliciet van uitgaan dat de anderen niet voldoende volwassen zijn om in staat te zijn voor zichzelf te zorgen. Maar daardoor bewijzen de anderen geen dienst. Door hun (over)bezorgdheid behandelen ze anderen immers als zwakke en incompetente personen die beschermd moeten worden. Zij maken anderen afhankelijk van hun “hulp” en helpen ze niet om op langere termijn voor zichzelf te kunnen zorgen. In ernstige gevallen spreekt men van co-dependentie, d.i. een afhankelijkheid van de afhankelijkheid van anderen. Zij hebben mensen nodig die geholpen willen worden omdat zij het nodig hebben mensen te kunnen helpen om zich goed te kunnen voelen. (Vraag: wie helpt dan wie?)
Het is belangrijk te begrijpen dat deze mensen in werkelijkheid niets doen “voor anderen”, maar alleen voor zichzelf. De zogenaamde “opoffering” is een illusie. Niemand “offert zich op”. Hun gedrag is immers gebaseerd op hun eigen behoeften en emoties en gaat dus niet over de ander. Voor sommigen lijkt het moeilijk te aanvaarden dat mensen in feite altijd voor zichzelf handelen. Als iemand iets doet “voor een ander”, is dat immers omdat hij het zelf nodig of belangrijk vindt om dat voor die ander te doen. Mensen doen dus altijd wat ze willen en ze doen dat altijd om hun eigen redenen. De eigen reden is in de meeste gevallen angst om afgewezen te worden. De eigen reden komt dus neer op de behoefte om aanvaard te worden.
Maar in werkelijkheid is het zo dat mensen veel gemakkelijker door anderen aanvaard worden als ze beginnen met zich goed te voelen in plaats van dat van anderen te laten afhangen. Anderen reageren immers ook altijd op ons gedrag. De manier waarop je je tegenover jezelf gedraagt, is voor anderen een model voor hoe zij zich tegenover jou zullen gedragen. Je moet niet verwachten dat anderen meer respect zullen tonen dan je voor jezelf toont. Niemand kan “over je heen lopen” als je rechtop blijft staan, maar als je je als een voetmat gedraagt, dan zul je mensen aantrekken die hun voeten willen vegen. Als je toont dat de kwaliteit van je leven voor jou niet zo belangrijk is, dan moet je niet verwachten dat anderen dat wel zullen doen.
Het gevolg is wel dat je jezelf tot een zeurend en klagend iemand maakt. Klagen lucht wel even op maar uiteindelijk maak je het daardoor erger voor jezelf. Door je afhankelijkheid geef je anderen een macht over jou en stel je je zwak op. Je traint jezelf in het ongelukkig zijn en klagen. Je geeft de ander dus niet de beste versie van jezelf. Als je echt iets voor de ander zou willen doen, dan kun je dat alleen maar doen door de beste versie van jezelf te geven. De ander heeft geen behoefte aan een slachtoffer of aan een slaafje, maar aan iemand waar hij kan naar opkijken. En als de ander toch een slaafje zou willen, dan bewijs je hem geen dienst door daar op in te gaan. Dan zou je hem juist een grotere dienst bewijzen door hem er vriendelijk op te wijzen dat andere mensen geen slaafjes zijn.
Als je de anderen en jezelf een echte dienst wil bewijzen, creëer dan in je geest de best mogelijke versie van het grootst mogelijke idee van jezelf en handel dienovereenkomstig. In feite is het veel gemakkelijker door anderen aanvaard te worden als je begint met je goed te voelen! Mensen zoeken het gezelschap van mensen die zich goed voelen, niet van zwakke en bange mensen.
Ben ik dan nog wel gewapend tegen de anderen? Ik moet mij toch beschermen? Dan heb je geen wapens en geen bescherming meer nodig! Wapens en bescherming zijn tekens van zwakte en angst die je alleen maar nodig hebt als je denkt in vijandig gebied te zijn. Maar de anderen zijn je vijanden niet en de beste afweer tegen de negativiteit van anderen is een schild van positiviteit en vriendelijkheid. De gedragsmatige uiting van vriendelijkheid is een glimlach. Daardoor “ontwapen” je de ander en toon je dat de ander geen macht over jou heeft, dat je de macht over jezelf in handen hebt.
Maar de mensen zijn zo negatief en agressief! De vraag is niet hoe de mensen zijn of hoe je ze kunt beoordelen, de vraag is hoe je zelf wil zijn! Mensen zijn agressief en gewelddadig als zij geen andere mogelijkheden meer zien en zich bang en machteloos voelen. Zij zijn vaak als kinderen die uit machteloze woede en frustratie tegen de meubelen schoppen. De samenleving reageert daarop vaak op haar beurt met geweld (straffen, gevangenissen, oorlog … ) omdat zij evenzeer geen andere mogelijkheden ziet. Dat houdt de cyclus van geweld en agressie in stand. Op die manier blijft men in de barbaarsheid. De oplossing voor het probleem van geweld is immers niet nog méér geweld, maar de overgang naar andere, geweldloze en meer liefdevolle wijzen van denken en gedrag.
|
|
|
26. Ik weet niet wie ik ben. Hoe kan ik weten wie ik echt ben?
Niemand van ons weet wie hij echt, werkelijk, authentiek, diep… is. Je weet alleen hoe je tot dusver geweest bent als gevolg van de talloze aangeleerde overtuigingen en patronen van denken en handelen. Dat is “Ikzelf, versie 1.0”. Die versie 1.0 kun je leren kennen zoals je elk mens leert kennen: door te luisteren naar wat je zegt en (vooral) door te kijken naar wat je doet. De belangrijkste vraag is dan niet hoe dat zo gekomen is, maar wel: wil je zo verder doorgaan? Ben je van plan zo te blijven of wil je voortaan een andere versie van jezelf neerzetten? Een versie 2.0 of 3.0?
Al die versies ben je nochtans heel echt. Je bent namelijk altijd echt. Zelfs als je je onecht zou voordoen, zou dat echt zijn wat je op dat ogenblik wil zijn! De vraag is dus niet zozeer wie je echt bent, maar wel wie je wil zijn! De vraag is wat de waarden en overtuigingen zijn waar je wil voor staan. Je moet immers niets. Een volwassene moet niets, ongeacht wat anderen ook denken of verwachten. Moeten en mogen zijn woorden uit de kinderwereld en de kindertaal. Een kind wordt immers verplicht om dingen te doen en heeft daarbij geen keuze. Maar een volwassene moet niets en heeft altijd keuze. Er zijn misschien keuzen die men niet wenst te maken, maar dat neemt niet weg dat het keuzen zijn. Die vrijheid is de basis van creativiteit. Een volwassene handelt dus niet omdat hij iets moet of mag, maar omdat hij kiest en bepaalde beslissingen neemt. Een volwassene beslist op grond van waarden en redelijkheid. Een volwassene leeft (in principe) waardegericht. Alleen kinderen (en sommige volwassenen) die de redelijkheid van bepaalde beslissingen nog niet kunnen inzien, moeten in hun eigen belang verplicht worden tot bepaalde keuzen. Kinderen kunnen bijv. niet alleen maar dingen eten die zij lekker vinden, zij moeten ook dingen eten die goed en voedzaam zijn, ook al begrijpen ze dat nog niet. Een volwassene eet bepaalde voedingsmiddelen omdat hij weet dat die gezond zijn. Een volwassene rijdt rechts en betaalt belastingen omdat hij de redelijkheid van het verkeersreglement en van het betalen van belastingen inziet en begrijpt dat dit in ieders voordeel is, niet omdat hij verplicht moet worden…
Elk mens die over zichzelf nadenkt, vindt in zichzelf een onoverzichtelijk landschap van verlangens, waarden, deugden, kwaliteiten, punten van zorg, en angsten. Het is moeilijk daarin niet de weg te verliezen.
Een mens leeft ook altijd in maatschappelijke, culturele, technologische krachtenvelden. Die zijn als de zwaartekracht: je kan er niet aan ontsnappen. Meer nog: je hebt ze nodig. Het is juist dankzij de zwaartekracht dat de mens zich kan verplaatsen en zelfs kan vliegen. Het is dan ook tegen de achtergrond van die krachtenvelden dat de mens het eigen leven vorm moet geven. Dat is de constructie van het denkbeeldige personage dat ‘ik’ heet en dat meer uitgevonden dan gevonden moet worden.
In de posttraditionele, neoliberale maatschappij ligt de nadruk vooral op de vrijheid van het individu. Maar wie vrij is van de zwaartekracht, begint zich in een staat van gewichtloosheid en kan zich niet meer positioneren. Hij heeft geen ijkpunten meer en tolt als een astronaut in de ruimte die het contact met zijn moederschip is kwijtgeraakt. Dat is het beeld van de moderne mens, die van alles vrij is. Maar die geen ijkpunten meer heeft. Het is een negatieve vrijheid, een vrijheid van. Hij kan zijn vrijheid niet gebruiken om iets positiefs tot stand te brengen en vervalt dan maar in een commerciële lifestyle.
De opdracht van de mens in deze laatmoderne tijd is dan ook zijn vrijheid te gebruiken om een positieve vormgeving te creëren. Onze psychologische realiteit, onze ervaring van wie wij op dit ogenblik zijn en hoe wij in de wereld staan, kunnen wij niet zo goed in abstracte, algemene concepten weergeven, maar kunnen wij het best vatten en begrijpen in een beeld, een metafoor. Dat neemt de vorm aan van een uitspraak als: “Ik voel mij als…” Vaak zal een dergelijk beeld onbewust zijn. Dat neemt niet weg dat het onze kijk op onszelf en op de wereld bepaalt. Het loont dan ook de moeite deze beeldvorming bewuster te laten worden. Voor wie zichzelf bijv. omschrijft als een gevangene, is dat de beleefde, de psychische realiteit. Dat is zijn psycho-logica, ongeacht hoe rationeel of logisch die uitspraak verder ook moge zijn. Voor wie zichzelf omschrijft als iemand die verloren is in de mist of die zijn “roots” kwijt is, zal dat de realiteit zijn.
Tussen alle mogelijke verlangens die de mens in zich aantreft, moet hij een keuze maken en zich met één of enkele van die verlangens identificeren, ze tot de zijne maken, ze ter harte nemen. Dat is een positieve vrijheid. Die opdracht is nooit netjes afgewerkt. Het leven is altijd slordig. Het leven werkt niet met nette, bureaucratische oplossingen. Men leert al doende. De mens vaart op een schip dat hij altijd weer moet verbouwen, maar waar hij tegelijk ook altijd moet mee varen.
Daarnaast is het van belang een positief beeld, een visie voor de toekomst te ontwikkelen. Dat is een vorm van leiderschap die essentieel is voor een creatief, scheppend leven. De mens wordt immers meer bepaald door zijn beeld van de toekomst dan door gebeurtenissen in het verleden. Hoe wil ik mezelf in de toekomst gaan zien? Wil ik mezelf als een kleine, bange muis blijven omschrijven? Geloof ik misschien dat dat mijn lot is of dat ik geen andere keuze heb? Dan zal ik een andere levenservaring tegemoet gaan dan iemand die zichzelf ziet als een adelaar die in zijn vlucht niet gestoord wordt door het geblaat van schapen…
|
|
|
27. Waarom trek ik schijnbaar altijd de verkeerde mensen of gebeurtenissen aan?
Mensen en
gebeurtenissen komen in je leven om een bepaalde reden, omdat ze je iets te
leren hebben. Ze zijn een feedback of een correctie van het leven.
De Dalaï Lama zei: “Pijn is het leven dat tot je spreekt, op een manier die het best je aandacht trekt.” Aanvaard en leer dus…
|
|
|
28. Mijn partner irriteert mij vaak en we hebben vaak ruzie. Hoe kan ik daar beter mee leren omgaan?
Zolang men alleen is, kan men gemakkelijk het idee koesteren dat men een bijzonder spiritueel wezen is en dat men “peace of mind” heeft bereikt, maar een relatie is de uiteindelijke test, het laboratorium (en soms de arena) voor onze levenskunst.
Elke relatie is een weerspiegeling van de relatie met jezelf. Zolang er boosheid en agressiviteit in jezelf aanwezig is, zal er ook boosheid en agressiviteit in je relaties zijn. Ruzie is wederzijdse agressiviteit. Elke agressiviteit en elk geweld begint bij het idee dat de ander niet goed is zoals hij is en gecorrigeerd moet worden. Het idee is dat de ander “fouten” of “tekortkomingen” vertoont die ons het recht geven ons te ergeren en op te winden en die wij moeten bijsturen. De boosheid en agressiviteit kan heel openlijk en zichtbaar tot uiting komen als psychisch geweld in de vorm van verwijten en beledigingen of zelfs als fysiek geweld, maar kan ook ogenschijnlijk heel zachtaardig zijn in de vorm van verwachtingen, ontgoochelingen, verdriet en andere vormen van affectieve agressie en emotionele chantage.
Boosheid en agressie wijzen erop dat de ander niet als een volwaardig mens wordt gezien, maar als een bij te sturen onvolkomen mens. Dat is een fundamenteel gebrek aan liefde en respect. Daardoor ontaardt elke relatie onvermijdelijk in een oorlogsgebied waarop een machtsstrijd wordt uitgevochten. De meest gebruikte wapens zijn zwaar emotioneel geladen beledigende en vernederende uitspraken als “egoïstisch zijn”, “niet willen inzien”, “van slechte wil zijn”, “verraad”, “bedrog”, “profiteren”, “misbruik maken”, “in de steek laten”, e.d. Op die manier projecteren we negatieve eigenschappen op de ander die daardoor de “slechte ander” wordt waarop we terecht boos kunnen zijn omdat hij ons “boos heeft gemaakt”. De ander is dus de schuld van onze boosheid.
Om tot een leven met minder ruzie te komen, is een fundamenteel pacifistische houding wenselijk. Daartoe zijn maar twee ingrediënten noodzakelijk: verwijten en agressie van de ander minder persoonlijk nemen, en zelf minder verwijten en agressie produceren.
Het eerste punt wordt geïllustreerd in een bekend Zen-verhaal. Stel dat je met je bootje rustig op een rivier aan het varen bent en van de natuur geniet, en dat er plots een ander bootje tegen je opbotst. Het is begrijpelijk dat je dan geïrriteerd en boos zult reageren, tot je je omdraait en merkt dat het andere bootje gewoon leeg is… Dan verdwijnt toch je boosheid? Het voorval is nog wel vervelend, maar er is domweg niemand om boos op te worden. Je boosheid verdwijnt dan ook vrijwel meteen… Je duwt het andere bootje weg en je vaart door met je eigen bootje. Het inzicht is dat de ander vaak als een leeg bootje is. Er is niemand die je bewust heeft willen ergeren of boos maken. De ander was gewoon zo bezig met zijn eigen leven en zijn eigen problemen, dat hij onoplettend tegen jouw bootje is gevaren. Met andere woorden: zie het gedrag van de ander als een veruitwendiging van de problemen van die ander en niet als een vijandige aanval op het eigen leven en welzijn.
Het tweede punt vereist dat we niet langer van de ander eisen dat hij aan onze behoeften voldoet. Daardoor maken we de ander immers tot een instrument van onze behoeftenbevrediging. Dan gaat het om onszelf en niet om de ander terwijl liefde juist aandacht voor en aanvaarding van de ander is… Een moeilijkheid is dat we zo vaak niet durven zeggen wat we echt willen of nodig hebben. Daardoor geven we ons immers bloot en denken we dat we zwak en kwetsbaar zijn. We worden dan immers afhankelijk van de ander. In de plaats daarvan is het gemakkelijker en stoerder om de ander te verwijten niet voldoende aandachtig of liefdevol voor ons te zijn. We projecteren ons ongenoegen op de ander. Het gevolg is dat de ander zich aangevallen zal voelen en zich zal verdedigen door op zijn beurt verwijten en beschuldigingen te uiten. De remedie hiervoor is meer transparant te worden en gewoon uit te spreken wat men zelf echt voelt en wenst, op basis van de eigen behoeften, in plaats van zich te verschuilen achter verwijten en beschuldigingen. Dat is de basis van geweldloze communicatie. Daartoe zal het ook nodig zijn een meer pacifistische en respectueuze taal te leren spreken in plaats van de hogergenoemde zwaar emotioneel beladen taal. Men kan bijv. spreken over de “keuze” die de ander gemaakt heeft in plaats van over “verraad” of “onwil”. Het komt er dus op aan een meer respectvolle, beschrijvende taal te leren gebruiken in plaats van een oordelende en veroordelende. Wederzijds respect is de bottom-line van een relatie. Als die bodem eruit gevallen is, wordt de relatie een strijdtoneel.
Daartoe moet wel even stilgestaan worden bij de eigen gevoelens van irritatie en boosheid, om te onderzoeken wat men nu in feite echt verlangt. Dat kan dan ook uitgesproken worden in de vorm van een wens, een verlangen, in plaats van als een eis, een bevel of een verwijt.
|
|
|
29. Mijn partner is ontrouw geweest. Hoe kan ik hem/haar nog vertrouwen?
On-trouw is een on-woord. Het wijst op iets slechts, iets verkeerds, iets negatiefs, de afwezigheid van iets goeds. Zoals de woorden on-weer, on-mens. Het is vergelijkbaar met woorden met het voorvoegsel mis- of wan-: misdaad, misbruik, mistoestand, misverstand, wandaad, wangedrag, wantoestand …
Dat zijn negatieve manieren om de realiteit te benoemen, een negatieve kleuring, een negatieve lezing van de feiten, een negatief interpretatiekader. Het gebruik van dergelijke woorden is geen beschrijving maar een beoordeling en zelfs een veroordeling. Dergelijke woorden zijn als gekleurde etiketten die op de realiteit geplakt worden om een gevoel van afkeuring uit te drukken. Daardoor drukt u uit dat de ander naar uw mening een slecht mens is met waarschijnlijk slechte of alleszins verkeerde bedoelingen. Tegelijk is het gebruik van dergelijke negatieve woorden oorzaak van nog meer negatieve gevoelens. Op die manier ontstaat dus een zelfonderhoudend proces: negatieve gevoelens => negatief interpretatiekader => nog meer negatieve gevoelens. Het is dus belangrijk in te zien dat uw gevoelens veel meer bepaald worden door het negatieve interpretatiekader dan door de feiten zelf, terwijl anderzijds uw gevoelens juist het negatieve interpretatiekader in stand houden.
Stel dat u aan de overkant van de straat een bekende ziet lopen. U groet vriendelijk. Stel dat die persoon uw groet niet beantwoordt. Hoe zult u reageren? U kunt denken: hij doet alsof hij mij niet ziet, of: hij wil niets meer met mij te maken hebben. Dat is een ongunstige lezing, een kwaadwillige kleuring, een negatief interpretatiekader. U kunt ook denken: hij had net zijn bril niet op, of: hij heeft mij niet herkend, of: hij was dermate in gedachten verzonken dat hij eigenlijk niet echt keek. Dat is dan een gunstige lezing, een welwillende kleuring, een positief interpretatiekader.
Een kwaadwillige lezing gebruiken we voor mensen die we niet in ons hart dragen. Een welwillende lezing gebruiken we voor mensen die we wel in ons hart dragen.
Stel dat u van iemand die u niet in uw hart draagt, verneemt dat hij/zij een bijkomende (buitenechtelijke) relatie heeft. Dan is de kans groot dat u zult zeggen: natuurlijk, trouw zijn kan hij ook al niet, niet verwonderlijk van zo’n onnozele sufferd… Dat is de taal van kwaadwilligheid, vijandigheid en oorlog. Maar stel dat u van uw beste vriend(in) verneemt dat hij/zij een bijkomende relatie heeft, dan zult u met veel meer menselijkheid en begrip reageren, zo in de aard van: waarschijnlijk komt hij/zij toch wel iets tekort in zijn/haar relatie, eigenlijk toch wel normaal dat hij/zij een hulpverloofde heeft, hij/zij heeft toch ook recht op affectie, dat is toch menselijk… Dat is de taal van welwillendheid, vriendelijkheid en liefde.
Naargelang u de betrokkene dus al dan niet in uw hart draagt, zult u een welwillende of een kwaadwillige lezing van de feiten geven, en dus een negatief of positief klinkende “beschrijving”, een taal van vijandigheid of van vriendelijkheid.
Het punt is dat als u beweert van uw partner te houden, dat dan zou moeten blijken uit uw taal en uit de beschrijving die u van het gebeurde geeft. Dan zult u met menselijkheid en begrip reageren. Dan doet u niet alsof de ander een vijand is die een vijandige daad heeft gesteld, waarvoor hij/zij nu zal moeten boeten.
U lijdt omdat u de ander als een slecht mens en als een vijand beschouwt. Martin Luther King zei: “We kunnen ons van een vijand ontdoen door ons te ontdoen van vijandigheid.” De gemakkelijkste manier om u van uw lijden te ontdoen, is uw partner weer met liefde te bekijken, in plaats van met gekwetstheid en wrok. Liefde is een oefening in het gebruik van een welwillend interpretatiekader.
Maar hoe kan ik hem/haar nu nog vertrouwen? U moet hem/haar niet kunnen vertrouwen. U moet alleen uzelf vertrouwen, dat u altijd liefdevol naar de ander zult kijken, wat er ook gebeurt. Dat u de ander nooit als een vijand of als een onmens zult zien. De ander is verantwoordelijk voor zijn/haar gedrag, maar u bent verantwoordelijk voor uw gedrag. In die zin is het gebeuren een test voor uw relatie. U mag vertrouwen ook niet verwarren met controle. U kunt het gedrag van uw partner niet controleren en paranoïde speurtochten in het leven van uw partner of in het verleden van uw relatie hebben meer te maken met controle dan met vertrouwen. Bovendien kan teveel detailkennis slopend zijn voor uw gemoedsrust. U raakt die beelden en verhalen dan nog maar moeilijk kwijt. Bedenk ook dat als de ander uw vertrouwen beschaamt, dit meer zegt over de ander dan over uzelf. Uw enige vraag moet zijn: kan ik die persoon nog liefhebben zoals hij/zij is? Inclusief zijn/haar bijzonderheden (zogenaamde “fouten” of “gebreken”)? Want u bent natuurlijk niet verplicht die persoon te blijven liefhebben… maar dan is het eventueel aan u om te erkennen dat u de ander niet (meer) kunt liefhebben. Dat betekent niet dat de ander fout of slecht is. Dat betekent alleen dat u hem niet (meer) kunt liefhebben zoals hij/zij is.
Maar dat is toch vernederend voor mij? Niets wat de ander doet kan u vernederen, tenzij u zo weinig in uzelf gelooft dat u denkt dat uw waardigheid afhankelijk is van wat de ander doet. Maar dan geeft u de ander een macht die hij/zij in wezen niet heeft. U bent altijd wie u bent, ongeacht wat de ander doet. De ander kan alleen zichzelf vernederen en u kunt alleen uzelf vernederen. Als de ander uw vertrouwen beschaamt, is dat uiteindelijk meer venederend voor de ander dan voor uzelf.
Hoe zal ik dat ooit kunnen vergeten? U hoeft niets te vergeten. Belangrijke gebeurtenissen vergeet men nooit. Daarom is het belangrijk het gebeuren een menselijk gelaat te geven, er met mededogen naar te kijken, zodat de herinnering geen pijn of kwaadheid meer oproept.
Hoe kan ik het dan vergeven? Vergeven heeft iets neerbuigends, alsof u vanop uw grote morele hoogte grootmoedig vergeving schenkt aan een arme zondaar die kwaad heeft gedaan. Uw partner is weliswaar een onvolmaakt mens, maar hij/zij is daarom geen slecht mens. Om te beginnen bent u gewoon getuige geweest van de menselijkheid van uw partner. Zolang een mens leeft, kan hij ontroerd worden door andere mensen. Het is die eigenschap die maakt dat hij ook bij u is. Bovendien doet u dan alsof u vlekkeloos en zonder zwakheden bent. Als dat zo zou zijn, dan zou dat inderdaad de verklaring zijn dat u de zwakheden van uw partner niet kunt begrijpen. Maar als dat niet zo is, dan zal het aanvaarden van uw eigen onvolmaaktheden u helpen om de onvolmaaktheden van uw partner te aanvaarden, en omgekeerd. Ten slotte is het gebeuren waarschijnlijk geen vijandige daad tegenover u geweest. Er is veel kans dat dit ook voor uw partner als een onvoorziene verrassing is gekomen waarop hij/zij niet was voorbereid. Tenzij hij/zij bij u weg wil, maar dan liggen de zaken helemaal anders.
Kan hij/zij dan zo maar met om het even wie een relatie beginnen? Deze vraag wijst op bijzonder weinig respect voor uw partner. Als uw partner met iemand een relatie zou beginnen, dan is dat waarschijnlijk niet om het even wie. Als u uw partner een waardevol persoon vindt, dan zou u er kunnen van uitgaan dat de persoon met wie hij/zij een relatie zou beginnen ook een waardevol persoon is (de welwillende interpretatie, remember?) En als hij/zij werkelijk met om het even wie een relatie zou beginnen, waarom bent u dan nog met hem/haar? U bent zelf toch ook niet om het even wie?
Maar moet ik dan alles zo maar goed vinden? In de liefde gaat het niet over goedvinden of niet-goedvinden. Wij zijn niet op de wereld gekomen om elkaar te beoordelen en liefde is geen beloning voor goed gedrag. Aanvaarden van de onvolmaaktheid van de ander, betekent niet dat u dat ook moet goedkeuren. Het betekent alleen aanvaarden. In de liefde gaat het om het zien van het mooie, het verhevene, het goddelijke en tegelijk het menselijke en onvolmaakte in de ander. (zie de vraag over liefde)
Onderstaand interview verscheen in het Franse tijdschrift Plurielles. Zo kan het dus ook.
|
|
|
30. Ik ben ontrouw geweest in mijn relatie. Hoe kan ik dat weer goedmaken?
U kunt dat niet weer goedmaken. Wat gebeurd is kan niet meer ongedaan worden gemaakt.
U kunt alleen het gebeuren aangrijpen als een nieuwe keuze voor elkaar, als een nieuw vertrek van uw relatie op een hoger niveau, met meer mededogen, meer maturiteit, meer menselijkheid en meer liefde, dat wil zeggen het oefenen van het gebruik van een welwillend interpretatiekader (zie vorige vraag).
U zult om te beginnen met mededogen naar uzelf moeten kijken. U moet verantwoordelijkheid nemen voor het gebeuren zonder uzelf nodeloos te kastijden. U bent immers geen slecht mens omdat u zwak geweest bent. U hebt niet de bedoeling gehad de ander kwaad te doen. U hebt alleen toegegeven aan een impuls in uzelf die zo krachtig was dat u daarbij niet aan de gevolgen of aan de ander hebt gedacht. In de dialectiek tussen natuur en cultuur, heeft de natuur even de bovenhand gehad. Het miljoenen jaren oude evolutionaire spel, waar de mens het altijd al moeilijk mee gehad heeft en dat voor talloze tragedies, komedies en tragikomedies heeft gezorgd, werd ook in u gespeeld. U bent aangetrokken geweest door een ander mens en dat bewijst alleen dat u niet dood bent. U bent een levend mens, een onvolmaakt mens, zoals alle andere mensen, maar geen slecht mens.
Verder zult u met mededogen naar uw partner moeten kijken, die door het gebeuren min of meer aangedaan zal zijn en er wellicht een reden tot verdriet of kwaadheid in zal zien. Ook dat zult u dan moeten aanvaarden. Evenals het feit dat uw partner tijd kan nodig hebben om het gebeuren te verwerken en van nutteloze emoties te ontdoen.
Wat kan ik doen opdat hij/zij mij zou vergeven? Daar kunt u nu eenmaal weinig aan doen. U zult uw partner de tijd moeten geven die hij/zij daarvoor nodig heeft. Dat zal een test zijn voor de liefde tussen uzelf en uw partner. U moet de verantwoordelijkheid voor het gebeuren aanvaarden, zonder u echter al te zeer als een onderdanige boeteling op te stellen. Al te vaak wordt het gebeuren door de ander aangewend om u emotioneel te chanteren en u verantwoordelijk te stellen voor de reacties en emoties van de ander. Daardoor krijgt de ander alle macht. Immers wat u ook doet, de ander kan altijd blijven beweren dat het nog niet genoeg is, dat het vertrouwen nog niet hersteld is, dat de “wonde” nog niet geheeld is, dat hij/zij nog steeds ongelukkig is en dat dat allemaal uw schuld is. Bedenk dat u wel verantwoordelijk bent voor uw eigen daden, maar niet voor de reacties en de emoties van uw partner. Bedenk dat u wel een onvolmaakt mens bent, maar geen slecht mens. U moet uw waardigheid behouden, en dat kan alleen maar als u daar zelf in gelooft.
|
|
|
Liefde is niet zozeer iets dat mensen elkaar kunnen “geven”, maar een gebeuren waarbij mensen elkaar tot liefde kunnen inspireren. Liefde maakt het mogelijk het mysterie van het leven en van het eigen wezen te ervaren en binnen te treden. Wat we voelen voor een geliefde, heeft in wezen dan ook minder met die geliefde te maken en meer met het leven en met onszelf. Liefde is als de zon ontdekken. Mensen kunnen elkaar de zon niet geven, maar kunnen elkaar inspireren om de ogen te openen voor de zon die er altijd al was, zelfs als ze verborgen was achter dikke wolken.
Als we verliefd zijn, projecteren wij onze verlangens op de ander, die daardoor een “ideale ander” wordt.* In werkelijkheid hebben we geen relatie met de ander, maar met ons beeld van die ander. Die narcistische illusie wordt vaak met liefde verward. Maar zelfs als we de geliefde veroverd hebben, blijft toch altijd nog een verlangen bestaan. Op de een of andere wijze komt er geen einde aan het verlangen. Het lijkt bodemloos: er is altijd nog een leegte die opgevuld moet worden, men verlangt steeds weer iets anders, iets méér…
We kunnen alleen vrede sluiten met de eindeloosheid van onze passie door het echte object van ons verlangen te leren zien. We kunnen dit concreet onderzoeken als we nadenken over sublieme ervaringen die in ons leven gekomen zijn. Zolang we geloven dat iets of iemand in de buitenwereld een speciale kracht of magie bezit die wij moeten proberen in ons leven binnen te halen, creëren we een obsessie, een verslaving aan iets of iemand uit de buitenwereld. Als ik terugdenk aan een moment dat ik diep geraakt en ontroerd was, bijv. door een strijkkwartet van Mozart, dan zou ik kunnen concluderen dat ik Mozart echt nodig heb om liefde te ervaren en gelukkig te zijn, dat mijn leven alleen maar zin heeft als ik nu elke dag naar Mozart kan luisteren en dat Mozart nooit meer uit mijn leven mag verdwijnen. Maar ik kan mij ook realiseren dat het niet echt om Mozart ging. Het gaat om iets – Mozart, een roos, een landschap, een geliefde – dat mij alleen maar een weg getoond heeft, dat iets in mezelf aangeraakt heeft en dat mij geholpen heeft om mij te openen om in contact te komen met de liefde en met mysterie van mijn eigen wezen, dat tegelijk de liefde en het mysterie van het leven zelf is. De echte kracht en de echte magie liggen in wat er binnen in mij opgewekt wordt, in een eigenschap in mezelf. Dat is een blijvende verrijking die ik dus ook nooit meer kwijt kan raken, ook niet als de relatie met deze partner zou eindigen. Net zoals je blijvend verrijkt bent door een mooie reis of een goed gesprek, ook als die reis of dat gesprek geëindigd is.
Als we ons op de zuivere energie van de ervaring richten in plaats van op de min of meer toevallige omstandigheid waardoor we die ervaring hebben gehad, op de strategieën die we zouden kunnen aanwenden om die ervaring vast te houden of méér te krijgen, of op de verhalen in ons hoofd, dan kunnen we de liefde als een altijd aanwezige vriendelijke aanwezigheid leren voelen, als een moeder die ons altijd omarmt en omsluit. Dan kunnen we er in ontspannen en er als het ware in oplossen. Dan kunnen we ons verlangen als het ware omsmelten tot liefde en dan hebben we altijd toegang tot liefde. Dan zullen we de anderen gemakkelijk met mededogen kunnen benaderen want mensen die zich goed voelen willen dat welzijn graag meedelen, zoals omgekeerd mensen die lijden ook anderen willen doen lijden. Pas als we de anderen niet meer nodig hebben om ons goed te voelen, kunnen we ze immers bevrijden van de last van onze verwachtingen en onze narcistische illusies en kunnen we ze echt met mededogen en liefde benaderen.
Verlangen is als een kompas dat naar de bron van alle liefde wijst. Door bemind te willen worden, zoeken we de ervaring van liefde die naar ons toe komt. Liefde is echter niet iets dat we aan anderen moeten zien te ontfutselen. In werkelijkheid is er altijd liefde, net zoals er altijd het licht en de warmte van de zon is, zelfs in de meest barre omstandigheden en zelfs als de wolken van onze kleine emoties de zon tijdelijk verbergen. De zon is immers altijd groter dan de wolken. De wolken zijn er maar dankzij de zon. Zo is ook liefde altijd groter dan haat. Het goede is altijd groter dan het kwade (zie verder). Het kwade is alleen maar een tekort aan het goede. We moeten alleen maar de ogen openen, nederig zijn, en niet-eisend in het leven staan…
_____________ * Dat is het omgekeerde proces van het projecteren van negatieve eigenschappen op de ander die daardoor een “slechte ander” wordt die als een vijand kan worden gezien. Zie hoger.
|
|
|
32. Hoe kan ik het kwade bestrijden?
Het kwade kan als dusdanig niet bestreden worden omdat het niet bestaat. Het hele idee van strijd klinkt heldhaftig en spreekt tot de populaire verbeelding, maar houdt in feite geen steek. Er is in de hele natuur niets dat we als “kwaad” of als “het kwade” zouden kunnen bestempelen. Zoals er in feite ook geen onkruid bestaat. In de hele natuur zien we alleen maar vormen van leven (virussen, bacteriën, biologische processen, planten, dieren, mensen) die precies hetzelfde doen als wijzelf: proberen te overleven en proberen een beetje geluk te vinden. Dat is wat wij als “goed” defniëren. Dieren en lagere vormen van leven doen dat onbewust, instinctief. Mensen kunnen dat met een groter of kleiner bewustzijn, en met meer of minder elegantie en wijsheid doen.
Er zijn geen organismen of vormen van leven die “het kwade” zouden willen. Dat wat wij als “het kwade” bestempelen en ervaren, is alleen maar een gevolg van de onvolmaaktheid van het leven zoals het nu is. Als we om ons heen kijken, zien we natuurlijk mensen die oorzaak zijn dat andere mensen pijn ondervinden. Maar als we met redelijkheid kijken, zien we dat mensen alleen maar andere mensen pijn doen omdat ze zelf pijn hebben en ongelukkig zijn. Met andere woorden, omdat ze onvolmaakt zijn. Mensen die gelukkig zijn doen anderen geen pijn. En ongelukkig zijn is uiteindelijk een gevolg van onwetendheid…
Als we begrijpen dat er geen kwaad is, is er ook geen reden meer tot “strijden”. We kunnen alleen het goede vermeerderen. Dat is de basis van een ethisch leven. Confucius zei al dat het zinloos is tegen het duister te strijden. Het volstaat een kaars aan te steken.
|
|
|
33. Hoe kan ik een bijdrage leveren? Hoe kan ik het goede doen?
Je kan
een positieve bijdrage leveren door een model te zijn van gelukkig zijn. Elk
moment dat je gelukkig bent is een geschenk aan de rest van de wereld.
Daardoor toon Telkens je niet gelukkig bent, moeten je partner, je kinderen, je vrienden en de rest van de wereld het stellen met een minder goede versie van jezelf. Je geeft ze minder dan het beste van jezelf.
Het goede doen kan alleen maar betek |