Bewustzijn, Liefde en
Spiritualiteit
|
Wat is het bewustzijn? Wat is het verschil
tussen verliefdheid en liefde? Wat is het verband
met spiritualiteit? Laat de discipel eindeloze
liefde jegens alle schepselen aankweken. DE BOEDDHA Inhoudsopgave A. Ontstaan van het bewustzijn 1. Het ontluiken van het bewustzijn: het ego. 3 2. Redelijkheid: een kwantumsprong naar een hoger bewustzijn. 8 Een steeds
groter wordend bewustzijn 3. De overgang tussen de fasen11 4. Het hogere bewustzijn: de stroom van zijn. 11 1. Liefde als emotie: voorwaardelijke liefde. 11 2. Liefde als keuze: onvoorwaardelijke liefde. 11 Geen
vervulling van behoeften. 3. Geluk: liefde voor het leven11 Inleiding Bewustzijn correleert met vrijheid.
Levenloze systemen reageren volgens onveranderlijke wetmatigheden van actie
en reactie. Bij een levend wezen worden echter interne processen op gang
gebracht waardoor het een respons heeft in plaats van alleen
maar een reactie. In vergelijking met andere organismen heeft
de mens een zeer grote vrijheid. Gregory Bateson (1904-1980) wees erop dat als men een steen een
schop geeft, deze precies zo ver zal vliegen als men hem energie heeft
toegediend, maar dat als men een hond een schop geeft, het dier niet alleen
een eind zal vliegen maar bovendien vervolgens de keuze heeft tussen gaan
lopen, blijven liggen waar hij terechtgekomen is, of terugkomen en bijten.
Dat terugkomen en bijten gebeurt niet met de energie die hem door de schop is
toegediend, maar met de energie van interne processen in de hond zelf. De
hond heeft dus een zekere vrijheid. Als men een mens een schop geeft, kan hij
misschien ook een eind vliegen, maar zijn reactiemogelijkheden, zijn
vrijheden, zijn haast onbeperkt. Hij kan niet alleen gaan lopen, hij kan ook
blijven waar hij is, hij kan terugkomen en bijten, maar hij kan ook op wraak
zinnen, een aanslag beramen, een gedicht schrijven, een schilderij maken, zich
van het leven benemen of kiezen voor een verdere carrière als psychiatrisch
patiënt. Door deze grote vrijheid kan het individu
zijn leven steeds beter beveiligen en van een steeds groter comfort voorzien.
Hij kan dit zelfs op een dermate overdadige wijze
doen, dat daardoor schade berokkend wordt aan anderen en aan de planeet. Het
idee dat meer behoeftebevrediging tot meer geluk zal leiden, leidt inderdaad
tot het opdrijven van de ego-intentionaliteit, ook als dit ten nadele gaat
van anderen of van het milieu. Op het niveau van de menselijke samenleving
is deze evolutie gekenmerkt door de overgang van een archaïsche
overlevingsmaatschappij, gericht op toenemende behoeftebevrediging en
comfortvergroting, naar een moderne consumptiemaatschappij met een toenemende
mate van overvloed, en uiteindelijk naar een wegwerpmaatschappij. Maar het onstuitbaar groeiende bewustzijn
kan ook voor problemen zorgen. Eens het bewustzijn groter is geworden dan wat
noodzakelijk is voor de overleving, ontstaat immers een overschot aan
vrijheid. De invulling van deze ruimte kan problematisch zijn. De hand van
een kind is gauw gevuld maar om de hand van een volwassene te vullen is meer
vereist. Deze vrijgekomen ruimte, die we in bewustzijnstermen de spirituele
ruimte kunnen noemen, leidt maatschappelijk tot een samenleving met een
overschot aan vrije energie, vrije tijd, en vrij geld. Als deze ruimte niet
gevuld wordt met als zinvol ervaren reflectie over de existentie, ontstaat
het fenomeen van spirituele leegte. Dit kan oorzaak zijn van depressie en
andere vormen van onbehagen. In onze moderne samenleving wordt deze vrije
ruimte grotendeels ingevuld door de gebruikelijke praktische beslommeringen
(carrière, kinderen, bezittingen …) en wat rest wordt verder zo goed mogelijk
opgevuld door een amusements- en verwenmaatschappij
met een overmatige nadruk op jongerencultuur. De klemtoon ligt daarbij op zo
veel mogelijk genieten met als paradox dat er minder dan ooit wordt genoten.
Dat alles maakt dat de nood aan zinvolle spirituele invulling vaak slechts
tegen het einde van het leven wordt ervaren, als de carrière, de kinderen
enz. geen invulling meer geven. A. Ontstaan van het bewustzijn Aangezien elk mens
het leven begint als een organisme zonder enig bewustzijn, moet hij een
evolutie doorlopen. De evolutie van het bewustzijn is een proces waardoor
levensenergie in toenemende mate bevrijd wordt uit een gebonden, immanente
vorm naar een vrije, transcendente vorm. 1.
Het ontluiken van het bewustzijn: het ego De ontwikkeling van het bewustzijn, van geboorte tot
volwassenheid verloopt doorheen een aantal fasen. In elke fase zijn er
specifieke waarden, manieren van denken en van de wereld bekijken, manieren
van lijden en liefhebben en van relaties aangaan. Het gaat om een evolutie waarbij aan de reeds
bereikte toestand telkens een nieuwe laag met nieuwe mogelijkheden wordt
toegevoegd. De oudere lagen blijven echter altijd nog aanwezig en in bepaalde
omstandigheden kan men altijd terug op een lager niveau gaan functioneren. Elk mens begint zijn leven in een toestand van
totale eenheid (symbiose) met het lichaam van de moeder. Van daaruit krijgt
het pas ontstane en zich ontwikkelende leven alles wat het nodig heeft:
zuurstof, voedende bestanddelen, warmte, enz. Het leeft in een volledige
biologische eenheid (symbiose genoemd) die ook na de geboorte nog blijft
verder bestaan. Dit is de zogenaamde archaïsche fase (fig. 1) waarin
het kind zich nog van niets bewust is en alleen betrokken is op zijn
overleving. De baby leeft uitsluitend in een stroom van
lichamelijke, emotionele behoeften en impulsen in de vorm
van emoties. Daaruit volgt onmiddellijk dat het een misvatting
zou zijn te denken dat emoties niet rationeel zouden
zijn. Emoties zijn immers het resultaat van miljoenen jaren evolutie en zijn
dan ook zeer rationeel, maar hebben een rationaliteit die uitsluitend op de
biologische overleving in de natuur is gericht, en niet op bijv. het
persoonlijke levensgeluk in een complexe cultuur als de onze. Naarmate het kind letterlijk en figuurlijk de ogen
opent en zich bewust wordt van de buitenwereld, ontdekt het kind dat het
omringd is door (in zijn ogen) grote en machtige figuren, een soort goden,
die alle macht over hem hebben. Zo hebben zij de macht om hem te voeden of
niet te voeden, hem warm in te dekken of kou te laten lijden, hem lekker te
knuffelen of hem alleen te laten. De baby leeft dus in een soort magische
wereld waarin hij onderworpen lijkt te zijn aan machten waarop hij
aanvankelijk geen enkele invloed lijkt te kunnen uitoefenen. Dit gevoel van
onmacht is de basis voor alle latere angsten en voor de behoefte aan Geleidelijk zal het kind echter ontdekken dat hij
toch een zekere invloed op de machtige figuren om hem heen kan uitoefenen,
namelijk door te lachen of te huilen. Op die manier ontdekt hij dat hij een
weliswaar beperkte, maar toch zeer reële macht op de omgeving kan uitoefenen.
De baby ontdekt hoe hij door bepaalde handelingen en gedragingen kan maken
dat het leven aangenamer wordt en dat er meer gewenste dingen naar hem toe
komen. Hij ontdekt bijv. dat hij meer geknuffeld wordt als hij lacht. Op die
manier leert de baby de basisregels van het leven kennen. Leven, zowel voor
een plant als voor een dier of voor een mens, betekent immers altijd voldoen
aan bepaalde behoeften door gewenste elementen en omstandigheden uit de
omgeving aan te trekken en ongewenste elementen en omstandigheden af te
weren. Naarmate de ontwikkeling van het kind verdergaat,
leert het zijn omwereld steeds beter waarnemen. Het
kind doet met name de belangrijke ontdekking dat hij
voorwerpen in de omgeving kan leren manipuleren, bijv. blokken uit een
blokkendoos. Hij leert zijn wil op te leggen aan de
omgeving. Een nog belangrijker ontdekking is dat hij niet alleen voorwerpen
in de omgeving kan manipuleren, maar dat hij voorwerpen als het ware in zijn
hoofd kan halen. Hij kan zich met andere woorden dingen voorstellen die er
niet zijn. Deze wonderlijke mogelijkheid is het begin van het bewustzijn dat
maakt dat hij over dingen kan nadenken die er in Door dit denken krijgt het kind toegang tot de volwassen wereld van de
cultuur en van de verhalen. Het kind gaat zijn begrip van de wereld
conceptualiseren en structureren in verhalen (sprookjes) die het in zijn
gezin of zijn groep van afkomst hoort of die het zelf verzint. Dat is het
begin van de mythische fase, d.i. de fase van de verhalen, de sprookjes,
de overtuigingen, de mythen over hoe de wereld en de anderen in elkaar zitten,
of die vriendelijk of onvriendelijk zijn, over wat hoort en niet hoort en
over hoe zijn invloed en zijn macht in en op de wereld vergroot kan worden.
Het kind heeft, zoals elk mens, immers de behoefte de werkelijkheid concreet
te maken zodat ze begrijpelijk en hanteerbaar wordt. Dit is de fase van het
zogenaamde prepersoonlijke, prerationele, conventionele, conformistische
denken omdat het kind in deze fase alleen nog maar kan denken zoals de
familie, de groep, de stam waarin het geboren is. Het heeft immers nog geen
persoonlijk denkvermogen ontwikkeld, het heeft alleen de culturele verhalen
en mythen die aangeven wat binnen de eigen groep als normaal en passend wordt
beschouwd. Het kind denkt dan ook vaak in termen van moeten en mogen.
Figuur 1 De hoger besproken archaïsche, magische en mythische fasen vormen
samen wat het lagere bewustzijn, het ego of ook wel het valse
bewustzijn wordt genoemd. Het is een mentale stroom van emotionele en
mentale gebeurtenissen, in tegenstelling het hogere of echte bewustzijn
dat verder besproken zal worden en dat als een stroom van zijn kan worden
beschouwd
Bevestiging door identificatie Dit ego is evenwel nog steeds een angstig ego
dat zoekt zich te bevestigen, aanvaard te worden, zich te onderscheiden,
bijzonder te zijn, aandacht en macht te krijgen en veiligheid te vinden. Een
eerste strategie om zich gerust te stellen is “te weten wie het is” door zich
te identificeren met lichamelijke eigenschappen, bezittingen, functies en
rollen. Het ego denkt aantrekkelijk te zijn door het bezit van een
aantrekkelijk (jong) lichaam gehuld in modieuze kleren. Het denkt groot te
zijn door het bezit van een indrukwekkende auto of een imposante woning. Het
denkt machtig te zijn door het verwerven van een rol of een functie met veel
macht. Het ego probeert met andere woorden iets te “zijn” door zich te
identificeren met iets “hebben” of iets “doen”.
Datgene waarmee het ego zich identificeert, datgene wat het denkt “nodig” te
hebben, kan veranderen, maar het proces blijft hetzelfde. Een veelvoorkomende manier van het ego om het zelfgevoel te vergroten
is de identificatie met een groep in de vorm van een onderneming, een
voetbalclub, een volk, een partij, een ideologie, een religie, enz. Op die
manier ontstaat een collectief ego dat dezelfde kenmerken vertoont als een
individueel ego (bijv. de behoefte aan een externe vijand) maar dat bovendien
doorgaans nog minder bewust is dan een individueel ego. Een groep kan daden
stellen waartoe een individu buiten de groep niet in staat zou zijn, gaande
van hooligans en straatbenden tot genocide. Elke identificatie leidt evenwel slechts tot
een kortstondige bevrediging van het ego dat altijd angstig en onvervuld
blijft en daardoor altijd op zoek is naar nieuwe identificaties om zichzelf
te vinden in een vollediger zelfgevoel. Niet alleen kinderen maar ook
volwassenen worstelen immers voortdurend met de diepgewortelde vraag of ze
wel “goed genoeg zijn”. Het ego vertaalt dit gevoel van niet genoeg zijn als niet genoeg hebben en probeert
dit op te vullen met meer hebben.
Aangezien geen enkele identificatie hier blijvend aan kan voldoen, is het ego
nooit bevredigd en heeft nooit genoeg. Niets uit de buitenwereld kan immers
blijvend Bevestiging door verzet Een tweede manier van het ego om zich te bevestigen en te versterken,
is zich af te zetten tegen iets of iemand, tegen omstandigheden, tegen het
verleden of tegen het lot. Niets versterkt het ego zozeer als woede,
zelfrechtvaardiging, verdediging, beschuldiging, vechten en strijden, zich
afzetten tegen en gelijk hebben tegenover anderen die “ongelijk” hebben. Dit
is een bekende strategie bij pubers en jonge volwassenen en ook een baby
leert al zeer vroeg de macht van het “neen” zeggen door bijv. niet te willen
eten. Zich tegen anderen afzetten en ze als minder goed beoordelen geeft
immers impliciet aan dat men superieur en beter is dan die anderen. Als je
niet groot en machtig bent door het hebben van bezittingen of van een
machtige functie, kun je toch groot en machtig voelen door aan te tonen dat
je anders (en beter) bent dan de anderen, door je af te zetten tegen de
maatschappij met haar gevestigde waarden. Niets is daarentegen zo ondraaglijk voor het
ego als niet-aanvaard of afgewezen te worden. Een bijzondere vorm van verzet is zeuren en klagen over de ongunstige
omstandigheden of de Pas als men zich bewust wordt van deze processen in zichzelf, kan men
er zich los van maken. Zoals alle mythen en illusies, kunnen ook deze
illusies ontmaskerd en ontmanteld worden door in te zien dat het illusies
zijn. Door het herkennen van illusies, verliezen ze hun macht. Niets uit de
buitenwereld heeft immers ook maar iets te maken met wie je in werkelijkheid
bent. Geen enkel bezit of functie kan een antwoord geven op de vraag wie je
bent. Een bezit of een functie is alleen maar een verhaal waarin de gedachte
aan “ik” verbonden is met de gedachte aan “iets in de buitenwereld”.
Gehechtheid aan dingen valt vanzelf weg als men zich niet langer in dingen
probeert te vinden.
2.
Redelijkheid: een kwantumsprong naar een hoger bewustzijn Pas later komt het kind, als adolescent, in een fase
van persoonlijk, kritisch, redelijk denken, (fig. 2) waarin
hij steeds meer als een volwassen mens kan gaan denken. Het volwassen
bewustzijn gaat daarbij steeds meer de mythen uit de vroegere perioden onderzoeken.
De mens gaat zich steeds meer afvragen of het wel redelijk is nog te blijven
geloven wat hij zolang gelooft heeft, wat tijdens de opvoeding of de
opleiding als waar werd voorgehouden en wat misschien nog steeds als waar
wordt voorgehouden. De mens gaat steeds meer vragen stellen bij de culturele
verhalen, sprookjes, mythen, clichés en oneliners. Hij
beseft niet alleen dat Sinterklaas niet bestaat, maar ook dat vele andere
mythen niet langer steek houden. Dat is de kwantumsprong van
collectief, mythisch denken, naar zelfstandig, persoonlijk, postconventioneel,
postconformistisch denken. Door deze kwantumsprong van de rede kan de mens
afstand doen van de magische wereld van het kind en van de daarbijhorende mythische verhalen en overtuigingen. Door
de rede kan hij wakker worden uit zijn magisch-mythische
slaap en uit de automatische, onbewuste gedragspatronen. Alleen als mensen
meer wakker en bewust worden, gaan zij een meer persoonlijk en vrij gedrag
vertonen. Naarmate mensen onbewuster leven, vertonen zij inderdaad een meer
clichématig, stereotiep, onvrij gedrag en vertonen dan ook grote
gelijkenissen met andere onbewuste mensen. Alle angstige mensen zijn zeer
vergelijkbaar en zeggen grotendeels hetzelfde. Alle boze
mensen zeggen dezelfde zinnetjes. Alle emoties lijken op elkaar. Een kind
functioneert op basis van leuk/niet-leuk,
lekker/niet-lekker, goed-voelen/niet-goed-voelen
en van moeten en mogen. Een volwassene handelt niet op
basis van aangename gevoelens of lichamelijk genietingen
of genoegdoeningen maar op basis van algemene waarden en ethische
principes, d.i. in termen van abstracte principes die voor
iedereen gelden. Een kind is emotiegedreven, volwassenen zijn waardegedreven.
De redelijkheid verlost ons van onze onbewuste behoeften en onze
automatische, ondoordachte emoties. Wakker worden is inzien dat de zogenaamde
behoeften, voor een volwassene geen behoeften meer zijn maar hoogstens nog
wensen. Wij kunnen inzien dat voor een volwassene niets meer moet. Dit redelijke, persoonlijke, kritische denken neemt
in feite de rest van het leven in beslag en is nooit beëindigd. Het is de
basis van de hele filosofie en van wat wij wetenschap noemen. Filosofie en
wetenschap is het nooit eindigende proces van
nadenken over de mens en over de natuur. De fase van “Het niet-onderzochte leven is niet waard geleefd te
worden,“ zei Socrates. Door de redelijkheid is de mens in staat zich bewust
te worden van zijn biologische, evolutionaire, automatische mechanismen. Bewust
worden betekent afstand nemen, toeschouwer worden. Zodra men bewust is van het feit dat men droomt, droomt men niet
meer maar is men wakker. Het bewustzijn is de instantie in de mens die
toekijkt op wat hij doet en die zich vragen stelt.Daardoor
Dat wordt soms als een verlies benoemd. De
volwassene zou iets verloren zijn dat het kind nog had en volwassenen zouden
moeten proberen terug te keren naar de toestand van het kind. Dat is de mythe
van het kind als volmaakt wezen en van de volwassene die iets verloren zou
zijn, de mythe van de val uit het paradijs, van de mens die voor zijn drang
tot weten gestraft werd door verjaging uit de paradijselijke tuin van Eden. Wij denken dat het juister is te spreken van een
ontwaken uit de paradijselijke slaap, van een opstaan uit de tuin van Eden.
Het geluk in het paradijs was immers geen menselijk geluk. Het was het geluk
van een dier of van een kind, een geluk dat geen weet heeft van zichzelf en
daardoor geen echt menselijk geluk is. De mens moet zijn toestand van
samenvallen met zijn omgeving en met zichzelf verlaten om op die manier tot
een echt menselijk, spiritueel geluk te komen. De
kortste weg daar naartoe is rede. De rede is geen hinderpaal voor geluk, maar
is er juist een toegang toe. Door de rede kunnen we bewust worden van onze
magische en mythische wijzen van functioneren. Door zijn bewustzijn kan de
mens steeds meer gaan beseffen wat hij niet is. In elke
fase wordt hij zich meer bewust van wat hij niet is: hij is niet de moeder,
hij is niet zijn lichaam, hij is niet zijn emoties, hij is uiteindelijk ook
niet zijn denken. Maar ook dat kan hij alleen maar ontdekken doorheen
het denken. Hij heeft het denken nodig om te beseffen dat hij zelfs niet zijn
denken is. Alles waarvan we ons bewust kunnen worden, kunnen we immers niet
zijn. Zoals een oog niet kan zijn
wat het ziet. Al wat het oog kan
zien, kan niet het oog zelf zijn. Op dezelfde wijze kan al datgene waarvan
wij ons bewust kunnen worden, niet het bewustzijn zelf zijn. Zoals Sartre het zei: “Al wat we over onszelf kunnen zeggen,
zijn we zeker niet.” In het centrum van de mens kan alleen het bewustzijn
zelf overblijven, geen bewustzijn van iets, maar gewoon bewust zijn. Dat brengt ons tot de echte
bevrijding van het hogere bewustzijn (zie verder). Een steeds groter
wordend bewustzijn Parallel met de hoger geschetste ontwikkeling is er
een beweging naar een steeds groter wordend bewustzijn:
van een egocentrisch bewustzijn (ik-bewustzijn) naar een groepsbewustzijn
(etnocentrisch wij-bewustzijn) en ten slotte naar
een globaliserend wereldbewustzijn dat
alle mensen omvat (wij allemaal). Een kind is van nature egocentrisch. Een
volwassene kan de mythe van de verheerlijking van de eigen persoon en de
eigen groep doorzien en kan door de redelijkheid inzien dat alle mensen
gelijk zijn en kan aldus tot een wereldbewustzijn De redelijkheid geeft ook toegang tot de nog latere
fasen van een nog groter, zogenaamd spiritueel bewustzijn dat niet
alleen alle mensen omvat maar ook de hele natuur, het hele leven en het hele
universum. Dat leidt tot mystieke ervaringen en tot een andere vorm van
geluk. Een kind kan dit volwassen geluk niet kennen. Een kind kent plezierige
ervaringen, met name het voldoen aan behoeften. Een plezier
is de ervaring dat je iets goeds uit de omwereld te
beurt valt: lekker eten, een auto, een woning, een leuke relatie, een reis.
Plezier berust op het voldoen aan een behoefte. Geluk is echter de
ervaring dat er iets goeds van je uitgaat naar de omwereld.
Dat kan alleen maar als je innerlijk in vrede leeft met je emoties en met je
behoeften. Je kan niets betekenen voor de omwereld als je aandacht in beslag genomen wordt door de
binnenwereld, als je gegijzeld bent door emoties. Plezier is het geluk van de
dwazen. Geluk is het plezier van de wijzen.
Figuur 2 3.
De overgang tussen de fasen De overgang tussen fasen verloopt via een proces van
differentiatie, desidentificatie en integratie. Datgene
waarmee het “ik” zich in een bepaald stadium identificeerde (bijv. het
lichaam of de gevoelens), wordt Een baby moet zich eerst letterlijk differentiëren
van het lichaam van de moeder, maar blijft nog bijna geheel geïdentificeerd
met het eigen lichaam. Naarmate zijn verbaal en
conceptueel bewustzijn ontwaakt en toeneemt, kan het zich van het lichaam
differentiëren en het vanop een zekere afstand
bekijken. Het lichaam is nu een object geworden van het mentale subject.
Tegelijk is het lichaam in dat subject geïntegreerd, het is er een onderdeel
van geworden. Daardoor ontstaat ook de mogelijkheid om actief met het lichaam
om te gaan. Zo moet het kind zich ook differentiëren en desidentificeren van zijn emoties en uiteindelijk van
zijn denken. Het is echter belangrijk te beseffen dat de vorige
stadia weliswaar overstegen (getranscendeerd) kunnen worden, maar daardoor
niet verdwijnen. Er komt alleen telkens een laag bij. Dat betekent dat men
ook altijd, uit bewuste keuze of vaker uit gewoonte, de optie heeft om weer
vanuit een vroeger stadium te gaan functioneren. De vroegere stadia en de daarbijhorende strategieën zijn immers ouder en dieper
biologisch verankerd. Dat betekent dat ook een volwassene, zelfs op hoge
leeftijd, nog altijd de mogelijkheid heeft zich te gedragen als een baby die
in een magische of mythische wereld leeft en probeert door huilen of eisen te
krijgen wat hij denkt nodig te hebben. Dat is neurotisch gedrag: het
functioneren vanuit een vroeger ontwikkelingsstadium. De oudere mechanismen
zijn immers nog altijd aanwezig. Bewust leven, wakker zijn, betekent juist
vanuit een hogere laag een bewuste sturing geven aan het leven. Maar de
neiging is altijd aanwezig om weer in een onnadenkend, automatisch gedrag
terecht te komen, om weer in een magische en mythische slaap te vallen. Elke overgang gaat echter gepaard met loslaten van
het bekende en bijgevolg angst voor het onbekende.
Een eerste mogelijk probleem bij deze overgang is dan ook dat men de vorige
fase niet los durft te laten. Er is als het ware in een fixatie in de vorige
fase. Men kan bijv. de emotionele veiligheid van de nabijheid van de moeder
niet loslaten. Omgekeerd kan men juist zo snel mogelijk naar de
volgende fase willen gaan en met de vorige fase niets meer te maken willen
hebben. In dat geval is er sprake van dissociatie in plaats van
differentiatie. Men snijdt zich af van belangrijke delen in zichzelf, bijv.
van emoties, die dan verdrongen of onderdrukt worden en op die manier tot
problemen kunnen leiden. Terecht wordt immers gezegd dat emotie zonder rede
blind is, maar dat rede zonder emotie lam is. Beide zijn nodig. Plato zei dat
emoties goede dienaren zijn maar slechte meesters. Emoties zijn als paarden,
we kunnen er veel plezier aan beleven maar we moeten ze niet laten beslissen
waar we naartoe zullen gaan want dan weten we niet waar we zullen uitkomen. De blindheid en de catastrofale gevolgen van emotie die niet door
de rede wordt gestuurd, wordt treffend en verscheurend geïllustreerd in de
film “Damage” van Louis Malle, waar de hoofdfiguur
(Jeremy Irons), een
succesrijk zakenman en minister, verliefd wordt op het liefje (Juliette Binoche) van zijn zoon. Wat begon als een
idyllische romance, wordt al spoedig een nachtmerrie en op het einde van de
film is de hoofdfiguur alles kwijt: vrouw, kinderen, status, geld… 4.
Het hogere bewustzijn: de stroom van zijn Op grond van het voorgaande kan gemakkelijk begrepen
worden wat het hogere bewustzijn zal zijn: het is een bewustzijn dat met
behulp van de redelijkheid wakker is geworden uit de magisch-mythische
slaap van het lagere bewustzijn, uit de mentale stroom. (fig. 3) Het is het
doorzien van alle verhalen en strategieën van het ego. Het hogere bewustzijn
is de vrijheid van het verlost zijn van de neiging van de geest om te willen
hebben of juist niet Het loslaten van de gehechtheid aan dingen is
gemakkelijk als men niet meer probeert zichzelf te vinden in dingen door ze
aan het zelfgevoel te verbinden. Als men beseft dat elk bezit een verhaal is
en dat geen enkel ding iets te maken heeft met wie men is, is men verlost van
elke gehechtheid en elke verslaving. Het loslaten van klagen en lijden is gemakkelijk als
men inziet dat alle klagen en lijden een mentaal bouwsel is, een construct,
een verhaal dat het ego heeft verzonnen en waarin men gelooft, een verhaal
met als titel: “Waarom ik niet gelukkig kan zijn.” Anderen vergeven gaat vanzelf als men inziet dat klagen
niets met de ander te maken heeft, die immers alleen maar zijn eigen weg en
zijn eigen evolutie volgt. Klagen heeft geen ander doel dan het zelfgevoel
van het eigen ego te versterken door zichzelf beter te vinden dan de ander.
Zichzelf als goed benoemen en de ander als fout is één van de belangrijke
vormen waarmee het ego probeert zichzelf te versterken. Als dit alles doorzien en losgelaten wordt, als men
begrepen heeft dat men niets bijzonders hoeft te zijn, niet hoeft te “weten
wie men is”, is men verlost en blijft alleen nog de loutere vreugde van het Helaas kan deze ervaring spoedig ook weer verdwijnen
en komen we al snel weer in de oude, vertrouwde gedachtepatronen terecht. Het
doel van spirituele oefeningen in bewustwording is deze momenten van aandacht
voor het NU doorheen de redelijkheid actiever en bewuster te beleven en
langer te laten duren. Zolang men “iets anders” zoekt en verlangt, verklaart
men eigenlijk dat het moment van NU niet goed genoeg is. Er is de verwachting
van “iets anders” in de toekomst dat beter zal zijn dan de schijnbare
onvolmaaktheid van het dagelijkse leven. Het leven is echter alleen maar
onvolmaakt omdat we niet echt aandachtig zijn. Daardoor stellen we de
bewustwording eindeloos uit en verwachten ze de volgende dag, het volgende
jaar of bij iemand anders. Dat leidt tot de ervaring van spirituele leegte die
een gevolg is van het feit dat het bewustzijn onvoldoende is ingevuld. Het is
als het ware te groot geworden voor de bestaande invulling die doorgaans
bestaat uit de gebruikelijke dagdagelijkse beslommeringen (carrière,
kinderen, bezittingen …). Wat rest wordt verder zo goed mogelijk opgevuld met
futiel vermaak en zinloze ontspanning (activiteiten, evenementen, vakanties,
uitstappen, festiviteiten…). Als ook dit gaat
vervelen wordt de ervaring van spirituele leegte en depressie onafwendbaar.
Daarvoor wordt dan vaak een beroep gedaan op medische deskundigen en
therapeuten. Spiritueel ontwaken is niet het geloof dat je een
onsterfelijke ziel of een geest bent, want dat zijn niet meer dan
interessante gedachten. Spiritueel ontwaken wil
zeggen dat je duidelijk ziet dat wat je waarneemt, ervaart, denkt of voelt,
niet is wie je bent. Wat dan overblijft is het
bewuste zijn als ruimte waarin
waarnemingen, ervaringen, gedachten en gevoelens kunnen plaatsvinden. Het is
de stilte achter de muziek, de ruimte achter de dingen. Dat is de essentiële
identiteit. De essentiële spirituele boodschap is: Niets uit de buitenwereld kan
je heler maken dan je al bent. Niets uit de buitenwereld kan je minder maken dan je
bent.
Figuur 3 1.
Liefde als emotie: voorwaardelijke liefde Liefde als emotie is zeker de best gekende, de meest
bezongene en besprokene, en de meest verlangde en
begeerde vorm van liefde. Het is de ervaring van verliefdheid, de ervaring
dat iemand in ons leven verschijnt die zo oogverblindend mooi en
begerenswaardig is, dat alles in ons als het ware onweerstaanbaar “JA!” Wat deze emoties op gang brengt, is echter de
verwachting van vervulling van onze behoeften. We worden als het ware
meegesleept door onze emoties die de mogelijkheid van vervulling van
behoeften zien. We zijn als een baby die lacht naar wat hij als aangenaam
heeft ervaren. Een baby geeft inderdaad zijn liefde als beloning voor het als
wenselijk beoordeelde gedrag van anderen. Zoals gezegd dienen emoties ook precies om de omwereld zodanig te beïnvloeden dat er meer gewenste
dingen op ons afkomen en ongewenste dingen uit onze buurt weggehouden worden.
Onze emoties zijn in de evolutie immers ontstaan om onze overleving te
bevorderen en leven betekent voor ons, zoals voor alle andere vormen van
leven: het nodige doen om aan onze behoeften te voldoen. Emoties zijn dus
biologisch zeer rationeel. Het voldoen aan behoeften geeft ons voldoening en
maakt dat we ons goed voelen. We zullen de omwereld
dan ook belonen met een lach en met vriendelijk gedrag om te kennen geven dat
wat zich net heeft voorgedaan, liefst nog veel meer mag gebeuren. De baby
lacht naar de moeder om te kennen te geven dat ze hem nog meer mag oppakken
en lekker knuffelen. Een baby “gebruikt” die strategie natuurlijk niet
bewust. Hij “weet” niet dat hij dat doet en hij “kiest” niet voor dat gedrag.
Hij wordt als het ware geleefd door een oeroud, archaïsch patroon dat in de
loop van miljoenen jaren haarfijn afgesteld is om het leven te bevorderen.
Hij leeft als een bij die nectar verzamelt zonder te weten dat zij daarmee
bijdraagt aan het proces van het leven. Een baby is in
zekere zin nog een jong zoogdier dat archaïsch leeft, alleen gericht
op zijn overleving. Een baby is van nature egoïstisch. Verliefdheid is van
nature egoïstisch. Dat verklaart echter ook dat haat en liefde dicht
bij elkaar lijken te liggen, zoals ook de volksmond het zegt. Dat is niet
helemaal waar, zoals we verder zullen zien, maar we kunnen gemakkelijk
begrijpen dat als deze “liefde” opgewekt wordt door (de belofte van) het
voldoen aan behoeften, omgekeerd het niet-voldoen
aan behoeften tot onaangename gevoelens zal leiden. Deze negatieve gevoelens
maken dat we ons op zodanige manier zullen gedragen dat de oorzaak van ons onwelzijn uit ons leven verdwijnt. Ook dat “weet” een
baby perfect en hij kan met grote kracht te kennen geven dat hij iets niet
wil. Een baby kan zich op zijn rug gooien en krijsen tot hij krijgt wat hij
wil. Ook dat doet hij niet bewust, het is eveneens een biologisch overgeërfd
gedragpatroon dat bedoeld is om onze overleving veilig te stellen. Dat zelfde gedrag is ook bij volwassenen nog
aanwezig en het grote lijden (het zogenaamde “verdriet”) dat we zien als een
relatie verbroken Maar de logica lijkt onverbiddelijk: als we toestaan
dat we door iets of iemand gelukkig gemaakt worden, dan bereiden we ons erop
voor ongelukkig te zullen zijn als dat iets of die iemand uit ons leven
verdwijnt of dreigt te verdwijnen. In beide gevallen geven we de macht over
ons welzijn aan anderen omdat we niet geleerd hebben deze macht zelf in
handen te nemen. Vele mensen beleven dan ook zich steeds herhalende cyclussen
van verliefd worden en gelukkig zijn, gevolgd door het verdwijnen van de
verliefdheid en ongelukkig zijn. De grotendeels automatische, onbewuste, niet-doordachte aard van deze
ervaringen berust op de vele magische opvattingen en mythische overtuigingen
in verband met “liefde”: de romantische opvatting dat de liefde je moet
“overkomen”, dat je “het geluk moet hebben” de liefde te vinden, dat liefde
een kwestie van geven en nemen is, dat liefde niet van één kant kan komen,
dat “echte liefde” alles overwint, dat liefde alle wonden heelt, dat het
lijden na een scheiding of na een overlijden een gevolg van liefde is, enz
Figuur 4 Figuur 4. Mythen leiden tot
hinderlijke gewoonten als negatief zijn en bezitsdrang evenals tot eisen en
oordelen. Deze houdingen leiden op hun beurt tot een houding van
“NEEN”-zeggen en tot negatieve gevoelens.
2.
Liefde als keuze: onvoorwaardelijke liefde Hogere liefde is de keuze om de realiteit op een
bepaalde manier te ervaren, namelijk vanuit een houding van JA. Dit is een
houding van vreugdevolle aanvaarding van wat er is. Liefde is niet wachten
tot we plots overweldigd worden door een ervaring die een JA laat opwellen
zoals bij verliefdheid. Liefde is het bewuste creëren van dergelijke houding.
Het is dus een keuze, een daad van bewustzijn. Als verliefdheid vergeleken
kan worden met een (aangenaam) natuurverschijnsel, dan is liefde daarentegen een kunstwerk, dat wil zeggen een creatie van
het menselijke bewustzijn. We kunnen weinig doen om liefde te krijgen. We
hebben heel weinig controle over het feit of anderen van ons houden. Maar we
kunnen alles doen om liefde te geven, om liefde te worden. We hebben alle
controle over de keuze om een liefdevol persoon te zijn. We kunnen besluiten een
liefdevol persoon te worden in plaats van liefde te zoeken. Liefde als keuze is, in tegenstelling tot liefde als
emotie, geen verwachting van vervulling van behoeften en is niet het belonen van
de ander omdat die zich zo voortreffelijk of zo lieftallig gedragen heeft.
Liefde is geen behoefte-economie. Er wordt niets gegeven of gekregen. Men kan
dus ook niet teveel gegeven en te weinig gekregen hebben! Het “geven” is een
metafoor, een manier om uit te drukken dat er iets gebeurt dat misschien op
geven lijkt. Maar er wordt zeker niets gegeven in de zin dat je dan iets
minder zou hebben en de ander iets meer. Er is namelijk niets dat je echt
kunt geven. Het enige wat je zou kunnen “geven” zijn dingen die je niet
toebehoren, zoals voedsel, onderdak of kleding, maar Het enige wat je kunt doen is kiezen voor een manier
van zijn. Je kunt aanwezig zijn, je kunt aandachtig zijn. Het is op een bepaalde manier
zijn, zonder dat er iets gegeven wordt. Je kan even
goed zeggen dat de ander je de kans “geeft” om zo te zijn! Je kan dus ook niet te veel geven
of leeggegeven zijn! Liefde is een houding waar je altijd kunt voor kiezen,
ongeacht wat de ander doet of niet doet. We kunnen dit vergelijken met het
kijken naar een bloem: men wil niets, men verwacht niets, er is geen enkele
behoefte die moet ingevuld worden, de bloem moet niets doen en ook jij moet
niets doen. Als je gewoon
aandachtig bent, dan word je gewoon
vervuld door de schoonheid van de bloem, dat is: door het zijn van de bloem. Er is alleen de
vreugde, de dankbaarheid dat je aanwezig mag zijn bij het zijn van
die bloem, dat je getuige mag zijn.
Maar daarvoor heb je niets moeten doen of geven. Alleen maar zijn. Liefde is een manier van zijn. Dat stemt volkomen overeen met
de definitie van Spinoza: Liefde is de vreugde om het zijn van de ander. Liefde is dus geen beloning voor het goede gedrag
van de ander, maar een erkenning van de schoonheid, de waardevolheid van het
zijn van de ander. Liefde is dan ook niet op de eerste plaats Dat is de basis van mystieke ervaringen. De ervaring van
schoonheid zelf is onbenoembaar. We kunnen er alleen bij komen als we
zwijgen. Als we niets meer te zeggen hebben over de roos (onze rationele
functie) worden we vrij om de schoonheid te ervaren (onze emotionele
functie). Dat wat onbenoembaar is, noemen we met een zo neutraal mogelijk
woord het mysterie. Mystiek is het ervaren van het mysterie. Mystici proberen
dan ook het onzegbare toch te zeggen. Het boeddhisme noemt deze ervaring de
leegte, maar het is alleen maar een conceptuele leegte, een ervaring van
sprakeloos zijn van het ego, een onderbreking van het eindeloze gebabbel.
Voor de westerling is deze leegte vaak beangstigend omdat hij dan niet meer
“weet” wie hij is, waar hij staat, waar hij aan toe is, enz. Volgens het
Boeddhisme is deze ervaring van leegte een zeer wenselijke toestand. Dit
sprakeloos zijn opent immers juist de deur naar een volheid van ervaring, die
we alleen maar kunnen ervaren door ze toe te laten. Het gaat dus letterlijk
om een ledigheid die tegelijk vol is, om een vol-ledigheid.
Daarom is liefde ook niet mogelijk vanuit het lagere
bewustzijn van het ego, dat immers altijd denkt dat het tekort heeft en dat
daarom relaties aantrekt met mensen die ook denken dat ze iets tekort hebben.
Dat kan leiden tot een aangenaam gevoel van herkenning en van wederzijdse
bevrediging van behoeften, maar dat is natuurlijk een zeer wankele en
kwetsbare toestand. Men kan dit vergelijken met twee invaliden met één been
die als ze goed aan elkaar klitten samen wat stappen kunnen zetten, maar zodra
één van beide wankelt, gaan ze allebei onderuit. Dan komt de ontgoocheling,
het oordelen, het veroordelen, de kwaadheid, de haat omdat de ander niet
voldoet. Liefde uit keuze (“hogere” liefde) ontstaat uit de
diepdoorvoelde interne beleving van de fundamentele eenheid van alle leven in
plaats van uit een bedachte identiteit. Het ego ziet verschillen en zet zich
af, liefde ziet eenheid en gelijkheid en aanvaardt. Vanuit het ego ziet men
het ego van de ander. Vanuit het zijn
kijkt men doorheen het ego naar het zijn
van de ander. Een relatie van hogere liefde is er een die niet beheerst wordt
door het ego met zijn beeldvormingen en ambities. Liefde berust op open
aandacht voor de ander en daar is geen plaats voor willen of nodig hebben.
Liefde vereist een Liefde is een houding van leerling zijn, dat wil
zeggen van aanvaarding, van niet-oordelen. Van daaruit kan men JA zeggen tegen
de ander en kan men zich openstellen voor het
mysterie in de ander. Dat is een houding die voorbij de redelijkheid ligt,
maar die helemaal niet tegen de redelijkheid ingaat. Het is geen anti-rationele, anti-intellectuele houding. Wij kunnen
immers redelijk begrijpen dat wij het mysterie niet kunnen begrijpen, zoals
wij ook kunnen begrijpen dat wij de schoonheid van een bloem of van een
zonsondergang niet kunnen begrijpen. Wij kunnen een bloem in het laboratorium
analyseren en alles begrijpen van de biochemie, de fysiologie en het
metabolisme, maar we kunnen niet de schoonheid begrijpen. Daar kunnen we ons
alleen voor openstellen. Daartoe moeten we geen afstand doen van onze
redelijkheid, we moeten alleen begrijpen dat dit verder gaat dan de redelijkheid.
Het is geen terugkeer naar een vóór-redelijke
houding van behoefte en emotie, maar een spirituele houding, een
zijnstoestand die de redelijkheid overstijgt. Het enige probleem is ons ego dat zich voortdurend behoeftig voelt en denkt dat het dingen uit de
buitenwereld nodig heeft om zich heler te voelen. Daardoor hebben we
voortdurend de neiging om weer af te glijden in de voorgeprogrammeerde,
automatische denkpatronen van het ego. Vanuit het ego-denken
ziet men ook het ego van de anderen en heeft men de neiging anderen te
beoordelen en eisen op te leggen. Het hogere bewustzijn heeft geen behoefte
aan benoemen, verklaren of oordelen. Het kijkt doorheen het ego van de ander
en ziet ook het hogere in de ander. Het hogere bewustzijn kijkt doorheen de
vorm en ziet het hogere in de ander. Het herkent de roos, ook als ze in een
lelijke vaas staat. De enige uitdaging bestaat eruit elke dag wakker te
blijven en steeds meer wakker te worden. Dat leidt tot een houding van
mededogen en van onverstoorbare vriendelijkheid, van passionele
gelijkmoedigheid. Zoals klagen en lijden het handteken is van het ego, is
onverstoorbare vriendelijkheid het handteken van het hogere bewustzijn.
3.
Geluk: liefde voor het leven De Dalaï Lama zegt dat
geluk vanzelf komt als je liefde geeft, dat wil zeggen als je liefdevol bent.
Liefdevol zijn betekent niets anders dan aandachtig, mindful
zijn. Je wordt niet liefdevol omdat je gelukkig bent, je wordt gelukkig omdat
je liefdevol bent. Zo word je ook niet dankbaar omdat je gelukkig bent, je
wordt Het ideaal is alles in het leven lief te hebben.
Maar als je nog niet alles kunt liefhebben, begin dan met één ding, dat wat
je het meest dierbaar is, bijv. je partner of je kind. Ga
dan naar het volgende. Zo kun je verder gaan. Voor wie wakker is
geworden is contact met spiritualiteit een natuurlijke toestand, niet één of
andere wonderbaarlijke prestatie. Spiritualiteit is niet het toevoegen van
interessante concepten aan de inhoud van het verstand, maar het geworteld
zijn in het bewustzijn in plaats van verdwaald te zijn in het verstand of de
emoties. De ervaring van schoonheid is de ervaring van een
orde. Het ego kan alleen de orde begrijpen die het zelf, met het verstand, geschapen
heeft, die het kan benoemen en verklaren, bijv. de schoonheid van een
aangelegde tuin of van een wetenschappelijke theorie. De schoonheid van een
roos, de ervaring van de orde in een roos, kan men echter niet begrijpen. Men
kan er alleen ontvankelijk voor zijn door stil te zijn en te begrijpen dat
men niet kan begrijpen. Van die ervaring kan men verder gaan naar de ervaring
van de orde in een mens of in de natuur, en ten slotte naar de ervaring van
de grootste orde, de kosmische orde, die altijd een mysterie blijft, die we
niet met het verstand kunnen begrijpen. Spiritualiteit gaat
ook niet over geloven, verklaren of oordelen, maar over ontvankelijk zijn
voor de hoogste orde, voor het ervaren van de hoogste schoonheid, die we niet
kunnen verklaren of begrijpen, die we zelfs niet kunnen benoemen. Dat
is wat bedoeld wordt met stil worden: niet ophouden met denken maar ophouden
met dingen te benoemen en te verklaren. De traditionele manier
Figuur 5 Figuur 5. Liefde is de bewuste beslissing
om via de redelijkheid de NEEN (d.i. het lijden) te overstijgen en tot een JA
te komen. Dat leidt tot een houding van liefde voor het leven en voor de
mensen en tot gevoelens van welzijn en geluk. Stort jezelf in liefdevolle
benaderingswijzen, omhels je dochter alsof ze heel
de mensheid is, liefkoos je geliefde alsof hij
het lichaam van God is, aai je hond alsof hij het hele
leven in het universum belichaamt, schrob de vloer alsof het een
heilige offergave is. Frank Andrews |
