I-Jan Judocus Colaes  X  Amelberga De Rijck

 

A- Leven en werk:

 

JAN JUDOCUS COLAES is geboren te Bazel op 23 juli 1708 als zoon van Jan en Judoca Van Haelst. Dezelfde dag ontving hij het sacrament van het doopsel Jan Ruys was peter en Margareta De Wael was doopmeter. Jan Judocus werkte op de steengelagen van zijn vader. In 1738 kocht hij samen met zijn broer Piet dit steengelaag en baatte het verder uit. Hij huwde te Beveren op 5 februari 1740 met AMELBERGA DE RIJCK. Deze was dochter van Paschaci ( te Beveren, 2 maart 1734, 73 jaar) en Catharina Ogiers ( Beveren, 15 januari 1724, 49 jaar) Zij was geboren te Beveren op 5 april 1716 en werd ´s anderendaags gekerstend. Doopheffers waren: Judocus Ogiers en Catharina Franssens.

 

Jan Judocus bewoonde het huis van zijn ouders, genaamd "het Huylenhooft", gelegen dicht bij de hoek van de huidige Lepelstraat en de Gelaagstraat te Steendorp, tegen de Schelde. Daar ook stond de steenoven, lagen de droogplaatsen voor de ongebakken steen en stak hij de grond uit. Vandaar werd de steen vervoerd met kar en paard ofwel via de Schelde. De aanlegkade lag vlak tegenover zijn huis en deze kade heette Sint-Jozefkade. Toen de kinderen groot waren hielpen ze mee op de steenbakkerij

 

Jan Judocus overleed te Bazel in zijn huis op 22 juni 1767, bijna 59 jaar Er waren toen nog minderjarige kinderen in het gezin en daarom werd er een inventaris opgemaakt van zijn goederen. Pieter Colaes, broer van Jan Judocus, Paesschier Van Landeghem werden aangesteld als voogden over de minderjarige kinderen. Zij legden hun eed van voogd af op 19 september 1767 voor de vierschaar van Bazel.

 

In deze “Staet ende Inventaris van goede"  lezen we over de doodschulde,

 

-Alvooren betaelt aen den costèr deser prochie over de kercken rechten van den overledenen over den heer pastoor onderpastoor ende coster, baercleet organist ende sondaeghs gebeth alsmede leveringhe van waslicht t'samen neghen en dertigh guldens vijfthien stuyvers.

 

-item aen de swerte suster over het afleggen van het doodt lichaem van den overledenen tot twee guldens acht stuyvers.

 

-van gelijcken over de doodtkiste zes guldens.

 

-Insgelijcken aen den gravemaecker 8 stuyvers.

 

-Item betaelt aen Jacobus Van Raemdonck over het drincken van bruyn bier op de uytvaert van den overledenen gegeven aen de ghebueren 11 guldens 10 stuyvers.

 

-Van gelijcken betaelt aen de weduwe van Jan Pieter Mys over het leveren end backen van eenen sack roggen uytgedeelt aenden armen deser prochie op de uytvaert van den overledenen tot 5 guldens 8 stuyvers.

 

-Insghelijken betaelt aen den daelder 1 gulden 10 stuyvers.

 

-Item over de doodtschult van het gulde van retoricqua binnen rupelmonde 6 guldens 6 stuyvers.

 

-Insgelijckx aen den officier Jacobus Beestman over sijn present recht van gedient te hebben de vrienden op de uytvaert: 1 gulden."

 

De begrafenisonkosten, met alles wat daarbij komt kijken bedroegen dus in totaal 74 gulden en 5 stuivers. Ook aan de zielerust van Jan Judocus werd gedacht: “Van ghelijcken brienght men alhier bij gemeene consente voor schult de sommen van 14 guldens over het te doene jaergetijde van den overledenen met het backen ende uyt te deelen eenen sack roggen aenden armen deser prochie di de misse sullen comen hooren, het waslicht daer inne begrepen: 14 guldens".

 

De boedelbeschrijving van de huisraad werd opgemaakt onder het waakzame oog van de schepen Pieter Stuer en de gewezen-schepen Matthijs De Roeck. Deze beschrijving leert ons wat Jan Judocus bezat en geeft ons tevens een beeld hoe onze voorouders leefden en werkten:.

 

"In de keucken ghepresen twee branders, twee tanghen, hangel, ijsere keeten, neusken (ijzeren ketting met haak om een pot boven het vuur te hangen), vurschip, staenijzer ende voordere prondelinghel lt saemen met de coukpan, drij ijsere potten met de scheelen, eenen cooperen keter, merremiet (kookketel die boven het vuur word gehangen), gieter, meleksijde (melkzeef), trefter, vispaen, twee lampen met twee kandelaers, alle de gelaerde schotels ende tailloiren (eetborden), vijf bierpotten en vier inten met de scheelen ende bierghelaesen met de roomers, teinne comme waeter (tinnen waterkom), ende treckpot, drij mostaertpotten ende drij soutvaeten alsmede 20 lepels, drij spinnewielen (één voor Amelberga en 2 voor de dochters), neghenthien biese stoelen alsmede een tafelken, alle de theetaskens met de schotelkens, theebusselje ende botellier, allen het handewerck bestaende in schotels, teilen, zantpotten ende boterpotten, het botervat, staf ende melckcuyp met een schráeypraeyken, drie spaeyen (spaden), eenen riek met drij schippen (schuppen), een bijle, capmes met eenen ijseren hamer, een cleercasse, coeffer (koffer) ende lessenaer, eene staende horlogie in de groote camer, een pluymen bedde, hooftpullen, twee caffen slaepelaeken ende sargien, alle de cleermanden, vurschaucleederen (bekleding aan de schouw) met drij paer gordijnen, eenen bierboom (bierton), twee banken met eene taefel op de bovencamer alsmede de reepe {touw) ende vleeschblock, twee schrapraeykens op de bovenkamer, twee heekels vlaskammen), cafzeeft ende buyel (bloemzeef), een pluymen bedde, hooftpullum, laeckens ende sargien, een bedde met laeckens ende sargien, het verckenvleesch met de cuype ende het verckenssmeer, 35 pont grauw gaeren, twee bierschraven in de kelders, alle de boter, de ghedorssen haever op den solder, wat hop met de cuype, een zeyl met de sacken ende wat raepsaet, seven sacken en alf terwe, het cooren met drij maeten en alf lijzaet maet ende strijckstock, de wan (om het kaf van het koren te scheiden), het draeghvat, alle het stroey (stro), den mutsaert (opgestapelde takken) en branthoudt alsmede de rebanck (hierop werd het hout gelegd dat moest stuk gezaagd worden), allen het ongheswingelt vlasch, een calfcoeye met een coeye, alle de biertonnen, wastobbe ende schraeffen met eenen coeyeback met wat pennen, allen het mest men den beerput, allen den rauwen en onghebacken steen staende in de logien (droogloodsen), alle de cordewaeghens met de spillen ende wielen (soort kruiwagen waarmee de steen vervoerd werd op de steenbakkerij), alle de scherm ende cruynhoutt de voorentaeffel (hierop werd de klei zijn vorm gegeven), sandtback, hoosvat met de graefspaeyen (graafspaden), den quaeyen bleeken cleynen derdelinck steen (slechte steen, derdelinck slaat op de grootte van de steen), den goeden bleecken cleynen derdelinck en grooten steen, een partije grooten dicken ende platten steen, een partije cleyne gebacken steen op de caey, een partije derdelinck gebacken steen staende op de caey, den ghebacken steen staende actuelijcken in den steenhoven, de coolen op desen steenghelaeghe ende ten desen sterfhuyse te bevinden sijn nog te betaelen, een hoopen clinequaert (soort steen), thien paer slaeplaeckens met eene dwaele, een crapken nieuw lijnwaet met de servetten ende flauwijnen met den handtdoecken, eenige hamelaeckens (tafellakens), twee waterheemers met elf innen (kippen) enden den haen, alle cleederen ende lijnwaeten alsmede onghemunt silver ghedient hebben voor den overledenen, haere cleederen ende lijnwaeten alsmede alle haer onghemunt gaudt ende silver ghedient wordende voor haeren hals ende lijve (klederen, enz. van Amelberga), en ten laatste alles wat op het land aanwezig was van voedsel, zaad, gewassen met de struiken en opgaande bomen”.

 

Na het overlijden van Jan Judocus baatte Amelberga, samen met haar twee dochters en drie zonen verder de steengelagen uit. Zij heeft maar één van haar kinderen weten huwen, namelijk Isabella Theresia in het jaar 1779. Amelberga overleed te Bazel op 7 augustus 1782 in de ouderdom van 65 jaar. Zij werd begraven met de hoogste kerkelijke dienst.

 

B-Inkomsten.

 

Inkomen in het gezin van Jan Judocus en Amelberga bestond in hoofdzaak de opbrengst van het werk op de steengelagen. Een tweede voorname bron van inkomsten was het werk op het land door Jan Judocus en zijn kinderen: naast steenbakker was Jan Judocus ook landbouwer. Dit maken we op uit de inventaris opgemaakt na zijn overlijden. Er is sprake van varkensvlees, haver, hop, raapzaad, tarwe, koren, lijnzaad, korenwen, stro, het vlas, een kalfje met een koe, de mest en de beerput.... Wat op het land stond aan vruchtgewassen, zaad, bomen en struiken werd zelfs geschat op 100 gulden. De produkten van de landbouw en de veeteelt zullen hoofdzakelijk bestemd zijn geweest voor eigen gebruik.

 

Op de grond van zijn steengelaag, tegen de Schelde aangelegen, stonden verschillende kleine huisjes op cijnsgrond, en deze werden door Jan verhuurd. De verdeling van deze huisjes onder de kinderen vinden we verder onder het hoofd stuk “Kaveling". Hieronder het inkomen van deze huisjes toen Jan Judocus overleed:

 

“Van ghelijcken vint desen sterfhuyse goedt ten laste van Adriaen Smet de somme van seventhien guldens sesthien stuyvers over twee jaeren ende eenigher acte scheynspacht van eenighen gront van desen sterfhuyse in schey, genomen ende gebruyckt van een deel van den gront van den steengelaeghe commende jeghens de Schelde, t´leste jaer daer van staende te verschijnen met den eersten der toecommende maent maert, 1768 volgens scheynsbrief. Insghelijckx vint men goet ten laste van Peeter De Decker de somme van seven guldens over een jaer cheyns van wat gront bij den selven van desen sterfhuyse in cheyns ghebruyct wordende t´leste jaer staende te verschijnen met den eersten meerte 1768 volgens cheynsbrief. Item vint men oock ten laste van Jacobus Segers tot acht guldens over twee jaeren cheynspacht van wat gront bij den selven van desen sterfhuyse in cheyns gebruyckt ende daerop ghebauwt een huys als de voorgaende ende oock nevens de voorgaende, t´leste jaer daer van staende te verschijnen met de eersten merte 1768 volgens cheynsbrief wordende een deel van den selven gront bij naer scheyns ghebruyckt bij Cornelis De Keirsmaecker (deze was de zwager van Jan Judocus Colaes) ende bij den selven separatelijck betaelt. Van ghelijcken vint men oock goet ten laste van de weesen van Dominicus De Roeck ende Paulus Van Raemdonck alsmede hoirs ten sterfhuyse van Jan Van Raemdonck bij coope van Martinus Vermachelen de somme van sesthien guldens over twee jaeren cheynsgrondt oock bebauwt met een huysken deel van den gront vanden voorseyden steengelaege t´leste jaer... Insghelijckx is Martinus Vermachelen aen desen sterfhuyse schuldigh de sonne van eenentneghentigh guldens voor derthien jaeren cheynspacht van een deeltjes verscheynsden gront bij hem van desen sterfhuyse in cheyns ghebruyckt ende gebauwt met een huysken deel van den voorseyden steenghelaeghe in advenante van seven guldens t´jaers

t´leste jaer...

Item is Jan De Kerf aen desen sterfhuyse schuldigh de somme van tweeentwintigh guldens thien stuyvers over neghen maenden raete huyshuere van een deel van den huyse bij hem van desen sterfhuyse bewoont ende verschenen t´sedert den eerste meye lestleden tot ende met den le deser maent february 1768. Van ghelijcken is Jacobus Engels, Gilles De Kerf ende Francies Polfliet aen desen sterfhuyse tsaemen schuldigh de somme van sevenenvijftigh guldens vijfthien stuyvers over ghelijcke neghen maende raete huyspacht van de woonsteden bij hun van desen sterfhuyse bewoont....

 

 

 

Martin Vermachelen woonde eigenlijk gratis, om de doodgewone rede dat hij niet kon betalen, de arme stakker. Zijn achterstallige schulden kon hij niet betalen, en dit reeds 13 jaar lang "ter causen vande sobere ghestaethede van den debiteur”.

 

Jacob Segers was in het omgekeerde geval: hij kon wel betalen maar hij vertikte het en Jan Judocus Colaes daagde hem voor de vierschaar te Bazel op 5 juli 1766:

“Supplierende verthoont reverentelijck Jan Colaes steenbackersbaes binnen dese prochie dat hij deughdelijck is goet vindende tot laste van Jacobus Seghers filius Pieters, schipper van style binnen dese prochie, en dien aen hem onvergolden schuldigh is de soimie van veertigh guldens over ende ter causen van thien jaren verloopen sheyns in advenante van vier guldens s' jaers, t´leste verschenen den eersten meert seventhien hondert sesensestigh van veertigh voeten erve in breede ende lengde ghelegen aen s´heerenstraete op de steenghelagen... verschene cheynsen te voldoen niet tegenstaende verscheyde vriendelijcke vermaninghen en faute dus vervallen... “

 

De uitspraak van de vierschaar had plaats op 30 juni 1766 en Jacob Segers werd veroordeeld tot directe betaling van zijn schulden.

 

Jan Judocus verpachtte verschillende stukken grond. De gronden op de Oeverkouter waar hij zelf woonde baatte hij zelf uit, 't zij als steenbakker, 't zij als kleine landbouwer. Op het einde van haar leven ontving Amelberga De Rijck meer dan 260 gulden aan pachtgelden van gronden. Pachters van de gronden, met het pachtgeld dat te betalen was per jaar, worden verder vermeld onder "Aankoop van de gronden" of bij "Verkaveling onder de kinderen".

 

Als laatste inkomen hebben we de intresten van uitgeleend geld:

 

-Er werd 300 gulden geleend aan Pieter, Anna Marie, Joanna Catharina en Sella Claus, kinderen van Judocus, wonende te Rupelmonde, met een intrestvoet van 4 %.

-Jozef Van Kerckhoven, ook wonende te Rupelmionde, leende van Jan Judocus 100 gulden, ook aan 4 %. Deze “croiserende obligatie” bleef nog te vereffenen na de dood van Amelberga en Petronella Colaes erfde deze schuldvordering van haar ouders.

 

Toen Jan Judocus het "Huylenhooft" kocht van zijn vader deed dit huis dienst als herberg. De inventaris van de goederen na het overlijden van Jan Judocus wijst er niet op dat hij ook herbergier was. We vonden ook geen openbare verkopingen die plaats hadden in het "Huylenhooft" tijdens het leven Jan Judocus.

 

Naast de balans van inkomen komt altijd deze van de uitgave en deze uitgaven waren voor Jan Judocus: kleding en voedsel, onderhoud van woonhuis, belastingen op de gronden maar vooral de leningen bezet op zijn goederen die moesten afbetaald worden. Over deze soms zware hypotheekleningen vinden we meer onder het hoofdstuk "Rente".

 

 

C-Gronden – 1-Overzichtstabel.

 

De gegevens over de gronden vinden we terug in de quoteboeken (deze boeken dienden tot de vaststelling van een soort grondbelasting, genaamd setting of pointing) van Bazel, in de aankoop- en verkoopakten, in de donatieakte van petronella Colaes (zie verder), in de verkavelingsakte onder de kinderen, in de inventaris van goed opgemaakt na de dood van Jan Judocus Colaes, in de rentebrieven en ten slotte in het nog bewaarde familiearchief. Al deze gegevens werden vergeleken, vele verschillen werden vastgesteld, vooral in verband met de grootte van de gronden.

 

De overzichtstabel vermeldt: aankoopjaar, naam van de verkoper, ligging van de grond (wijk en nummer), grootte. Tevens wordt nog aangestipt wat er gebeurde met de grond, nog tijdens het leven van Jan Judocus Colaes en zijn vrouw Amelberga (verkoping) ofwel na hun dood (erfenis onder de kinderen).

 

 

1-1738 - Koop van zijn vader, samen met zijn broer Pieter, steengelagen op de Oeverkouter 52 en deel van 53 en 54. Zie verder onder 4 en 7.

 

2-1740 - Bij haar huwelijk had Amelberga twee gronden in eigendom, erfenis van haar ouders:

A - stuk landt 343 roeden, gelegen in de Meireninnedam nummer 37 te Beveren.

 

            B -stuk landt 579 roeden, Meireminnedam nr. 70 te Beveren.

 

Deze twee gronden werden verkocht in 1742 aan Michiel Vergauwen.

 

3-1742 - Koop van Jan Dheyaert, op de Oeverkouter, helft van nr. 249, 1 gemet 23 roeden. Judocus erfde deze grond.

 

4-1744 - Kaveling tussen Jan Judocus Colaes en zijn broer Pieter. De grond op de Oeverkouter nr. 52, 1 gemet 144 roeden werd toegewezen aan Jan Judocus en ook het huis "het Huylenhooft". Pieter kreeg een ander huis toegewezen. De grond uit nummer 53 en 54 bleef verder gemeenschappelijk: Jan Judocus en Pieter bleven deze grond samen uitbaten als steengelaag. De grond uit nummer 52 werd geërfd door Isabella Theresia Colaes en Judocus erfde "het Huylenhooft". Zie verder onder nummer 7.

 

5-1745 - Koop van Jozef Annens, in de Schaudries 36, 450 roeden. In 1779 op Gilles Verest als pachter. Deze grond kwam na 6 jaar pacht op Isabella Theresia Colaes door erfenis.

 

6-1749 - Koop van Pieter Weynacker fs Mattijs, grond op de Oeverkouter nr. 48, 2 gemeten, leen onder Geelhauts. Geërfd door Pieter Jan Colaes.

 

7-1755 - Jan Judocus koopt het deel dat Pieter toebehoorde uit nr. 53 en 54 op de Oeverkouter, ook het huis van Pieter hoorde daarbij. Na het overlijden van Jan Judocus en Amelberga erfden de kinderen:

-uit nr. 54 ging 47 roeden op Pieter Jan en 28 roeden op Jacob,

-uit nr. 53/54 erfde Pieter Jan 144 roeden, Isabella Theresia 153 roeden en Jacob 297 roeden. -uit nr. 54 had Jacob dan nog 75 roeden.

 

Nummer 53 en 54 had dus een totale grootte van 744 roeden.

 

8-1761 -Koop van Gilles Lijssens, gelegen in het Hemelrijk nr. 12, 1 gemet 22 roeden. In 1767 op Judocus Van Hoyweghen.

 

9-1762 -Koop van Gilles Lijssens, Oeverkouter nr. 61, 522 roeden. Geërfd door Isabella Theresia Colaes.

 

 

 

 

 

10-1763 - Koop van Adriaan d'Eer in huwelijk met Amelberga Stoop, gelegen Gravenbroek nummer 2 te Rupelmonde, 2 gemeten 21 roeden. Door erfenis op Judocus.

 

11-1765 ~ Koop van Egide De Lamper, stuk grond in de Braspolder vierde broekwijk nummer 25 te Bazel, 2 gemeten 40 roeden. Door erfenis op Jacob.

 

12-1773 - Koop van Matthijs De Roeck, Oeverkouter, deel uit nummer 56, 16 1/2 roeden. Het stuk grond nummer 56 werd de Boomakker genoemd. Geërfd door Pieter Jan Cblaes.

 

13-1778 - Koop van Jan Baptist Heirman, Schaudries nummer 49, 407 roeden. op Petronella.

 

14-1778 - Koop van Jan Maes, grond in Gravenbroek nummer 67 te Rupelmonde, 400 roeden. Op Isabella Theresia.

 

15-1778 - Koop van Jan Baptist De hoeck fs Servaas, gelegen op de Oeverkouter nummer 51, 2 gemeten 6 roeden. Op Isabella Theresia Colaes.

 

16-1780 - Koop van Domin De Roeck, Roomkouter nummer 47, 40 roeden. Op Pieter Jan Colaes.

 

17-Geen juist jaartal - Grond aan de Haagtestraat, Kraakwij,t 463 roeden, grond onder de heerlijkheid van "ten Dorent”. Geërfd door Pieter Jan Colaes.

 

181781 - Koop van Pieter Jacob De Roeck en Matthijs Boel, gelegen in de derde Haagstraatwijk nummer 18 en 80, 1 gemet 195 roeden, onder de heerlijkheid van Coolem. Op Isabella Theresia Colaes.

 

19-Na het overlijden van Jan en Amelberga: gezamenlijk aangekocht door de kinderen in 1784, Koop van Jan Baptist De Meester, wijk "ten Dorent”, 500 roeden, leen onder de heerlijkheid van Cauwerburg. Jacob kocht dit stuk grond van zijn broers en zusters in 1787.

 

Acht gronden lagen dus op de Oeverkouter te Bazel (grondgebied van Steendorp, deze kouter lag tegen de Schelde ten oosten van de Gelaagstraat. Dicht tegen de Schelde en de Gelaagstraat stond het huis van Jan Judocus Colaes. Ten westen van de Gelaagstraat strekt zich de Roomkouter uit, hier bezat Jan Judocus één stuk grond. Aanleunend in het zuiden tegen de Oeverkouter ligt Schaudries, verder begrenst ten noorden door de Kapelstraat en ten oosten door Rupelmonde. Hier kunnen we twee gronden situeren. De andere gronden lagen verder verspreid over Steendorpse of Bazelse grond. Twee poldergronden lagen zelfs te Rupelmonde.

 

 

B-Gronden – 2-Bespreking

 

1- Jan Judocus Colaes en zijn broer Pieter kopen grond op de Oeverkouter van hun ouders Jan en Judoca Van Haelst. Datum: 30 april 1738.

 

De koopakte luidt als volgt:

“Op heden den 28 april 1738 bekende Jan Colaes en met hem bij sijne consente en authorisatie midtsgaders haere acceptatie sijne huysvrouwe Josijne Van Aelst inwoonders op baesel mits desen finalijck ende absolutelijck vercoght thebben aen hunne sonen Jan en Pieter Colaes......

- een steengelaeghe met alle de logien (droogloodsen) steenhove en colenhuys groot van gront de twee gemeten, daer inbegrepen een stuck lants daer tegens gheleghen waer de steenaerde ghesteken iwort,

- item een caeye en twee huysen met de appendentien en dependentien van diere daer op staende genaemt het huylenhooft en St-Josefscaeye, de selve huysen jegenwoordigh bewoont respectivelijck bij Cornelis De Keersmaecker midtsgaders Adriaen en Jan De Kerf, den gront van de voorseyde caeye ofte huylenhooft groot ontrent een half gemet, gheleghen op de prochie van baesel onder de keure, paelende al tsaemen oost d'heer en meester M. Van Royen, suy de reviere de Schelde, west Servaes De Roeck en noort Jacobus Claus en den selve heere Van Royen, ende noch een stuck lants gheleghen op het voorseyde baesel paelende oost.

 Servaes De Roeck.... groot vijfhondert roeden.

 

Geschiedende dese vercoopinghe om ende voor de somme van vijf duysent vijf hondert guldens courant gelt op conditie dat daer op sal valideren voor eerste betaelinghe eerst eene rente van seventhien hondert guldens wisselgelt capitaels croyserende (rente'opbrengen) mits prompte betaelinghe vier percent courant in proffyte van d'heer Joseph Bosschaert tot Antwerpen beset soo op het voornoemde steengelaeghe en eerstgenoemde stuck lants als op de voornoemde caeye en huysen midtsgaders op een ander stuck landts dese vercoopers competerende ghelegen op Baesel onder de heerelijckheid van Cauwerborgh en ten tweede eene rente van drij hondert guldens wisselgelt capitaels croyserende mits prompte betaelinghe oock vier ten honderden ten proffijte van het clooster van de swertte susters tot Rupelmonde....

 

“ De koopakte werd ondertekent door Jan Judocus in eigen naam als meerderjarige, en in naam van zijn minderjarige broer Pieter. De koop werd bekrachtigd door de vierschaar van Bazel op 30 april 1738. Enkele verkoopsvoorwaarden:

 

1/ Het stuk land gelegen onder de heerlijkheid van Cauwerburg moest ontlast worden van de rente van 1700 gulden en de rente bleef dus staan op de hier verkochte gronden.

2/ De renten mogen blijven staan op de gronden en de intresten te betalen door de kopers zullen beginnen lopen vanaf 1 mei 1738.

3/ De verkoper zal de gronden nog mogen gebruiken mits tussen te komen in het betalen van de intresten van de renten.

4/ Het stuk land van 500 roeden was nummer 52 op de Oeverkouter. Hierover zegt de koopakte dat “s´vercoopers dochter Josijne Colaes intdien haer gelieft haer leven ghedverende sal mogen ghebruycken" mits voor een deel tussen te komen in de rentelast. We vinden deze grond maar ingeschreven in de quoteboeken onder Jan Judocus in 1745- Zijn vader betaalde er dus de belasting op en zal dit stuk grond in gebruik hebben gehad tot 1745.

5/ Jan Judocus en Pieter betaalden nu:

a - de intresten van de renten,

b - de rente van 1700 gulden en de rente van 300 gulden bleef op de grond staan ten hunne laste,

c-"blijvende naer deductie noch drij duysent een hondert eessenentsestigh guldens derthien stuyvers en halven courant gelt”. Deze som werd niet uitbetaald maar wel de jaarlijkse intresten. De vereffening moest gebeuren "de een d'helft ten overlijden van eerste stervende van de vercoopers en d´ander helft ten sterfhuyse van den lesten stervende” Aan deze betalingsvoorwaarde werd volledig voldaan op 29 mei 1753

 

 

 

2/ Door zijn huwelijk komt Jan Judocus in het bezit van twee stukken grond gelegen te Beveren. Deze gronden bezat zijn vrouw Amelberga uit de erfenis van wijlen haar ouders.

 

De beide gronden lagen in de Meireminnedam te Beveren met kaartnummer 37 en 70. Het eerste stuk was 343 roeden en het tweede 579 roeden groot. Op dit laatste stuk werd door Jan Judocus een rente bezet: zie verder onder "Rente”.

 

De grond nummer 37 werd verpacht aan Michel Vergauwen voor de prijs van “twee jaeren tot seven gulden en ses jaeren tot acht gulden". De grond was belast met een “halven napt (korenmaat) cooren aen de armen van Beveren en voetwegh".

 

De grond nummer 70 werd verpacht aan Judocus Vergauwen voor 12 gulden per jaar. De pachter moest daarbij nog betalen: “... twee veertelings (naam van een maatt van koren of andere droge waren) kooren aen het clooster van Beveren”.

 

Jan Judocus Colaes verkocht deze beide gronden aan Michel Vergauwen voor 718 gulden te vermeerderen met de waarde van 9 bomen die op deze gronden stonden. De verkoop werd gesloten te Beveren op 9 februari 1742 en bekrachtigd door de vierschaar op 21 februari 1742.

 

3/ Koop van de erfgenamen van Jan Dheyaert, Oeverkouter 24 op 3 febr. 1742.

 

Om uit onverdeeldheid te treden verkochten de erfgenamen van Jan Dheyaert en Elisabeth Van Bogaert een stuk grond gelegen op de Oeverkouter te Bazel, ingeschreven op de kaart onder nummer 24, belast met een onlosselijke rente van 10 stuivers aan de kerk van Bazel en aan de armen van Rupelmonde en met overweg aan de achterliggende gronden. Bij de instel werd de grond toegewe~ zen voor 430 gulden aan Pieter Stuer fs Gilles op 20 december 1741. De prijs werd daarna nog verhoogd door Pieter Stuer met 10 gulden, op 23 december met 15 gulden door Jan en Pieter Breynaerts, daarna met 10 gulden door Jan Colaes en Pieter Stuer verhoogde het nog met 8 gulden. De definitieve toewijzing gebeurde op 3 februari 1742 en Jan Colaes verhoogde het laatste bod met 3 gulden. Uiteindelijk bedroeg de totale prijs, onkosten inbegrepen, 576 gulden. Oppervlakte grond: 1 gemet 23 roeden.

 

4/ Kaveling tussen Jan Judocus Colaes en zijn broer Pieter.

 

Op 25 Juni 1744 huwde Pieter Colaes te Bazel met Ida De Rijck en het gevolg was dat de gronden die ze gezamenlijk aankochten van hun vader op 28 april 1738 verdeeld werden onder hun beide. Deze verkaveling gebeurde op 30 juli 1744. Het stuk grond op de Oeverkouter nr. 52 kwam op Jan Judocus met het huis "het Huylenhooft”. Het huis ernaast werd toegewezen aan Pieter. De overige gronden, samen met de steenbakkerij, bleven gemeenschappelijk en natuurliJk bleef ook de rente op deze gezamenlijke gronden gemeenschappelijk te betalen.

 

 

 

 

5/Aankoop van Jozef Annens in Schaudries, nummer 36 op 8 maart 1745.

 

“op den achtsten meerte in den jaere 1745 soo bekennen Joseph Annens, hauder gebleven ten sterfhuyse van Josijne Scheirs, te voorent weduwe Servaes Claus… verkocht te hebben aen Jan Colaes fs Jans, steenbacker, .... een half bunder ( = 450 roeden) landtst geleghen int schauwdries op Baesel nummer 36, op dit stuk land stond, samen met andere landerijen, een rente van 120 gulden. Bij de aankoop werd de grond ontlaat van deze rente. Jan Judocus kocht de grond voor 860 gulden op 8 maart 1745.

 

Na het overlijden van Jan Judocus verpachtte zijn vrouw Amelberga deze grond aan Gilles Verest in 1779 voor een periode van 6 jaar. Isabella Theresia Colaes, dochter van Jan Judocus, werd in 1785 eigenares van deze grond. De grootte van de grond wordt nogal verschillend opgegeven: de koopakte spreekt van 450 roeden, daarentegen geven de quoteboeken maar 408 roeden.

 

6/Koop van Pieter Weynacker fa Matthijs, Oeverkouter 48.

 

“... hebben gecocht van Pieter Van Weynacker fs.'Matthijs een seker stuck landts geleghen binnen dese gemelde prochie van Baesel op den hoevercauter nummer 48, ontrent de twee gemeten (de quoteboeken geven 1 gemet 244 roeden) wesende twee hooftleenen onder den hove ende heerelijckheid van geelhauts ende belast met een vat spijcker rente (korenrente) s´jaers aen den heere van den spijcker, landende... noort de themschestraete, gecocht boven den voorseyden last voor de somme van 800 gulden wisselgelt volgens contracte van den 7 april 1748"

 

7/ zie hierboven nummer 4 - Kaveling tussen Jan Judocus Colaes en zijn broer

 

Pieter. Jan Judocus koopt alles van zijn broer Pieter op de Oeverkouter.

 

Alles werd aangekocht door Servaes De Roeck als "nalinc". Hij bezat het naastenrecht: recht om bij verkoop van een onroerend goed binnen een bepaalde termijn in de plaats van de koper te treden en dit recht kwam hem toe als eigenaar van de aangrenzende gronden. Servaes trad dus op als koper in naam van Jan Judocus Colaes. Pieter verkocht ook zijn woonhuis dat hem toegewezen was bij de verkaveling in 1744. Hij ging namelijk naar Rupelmonde wonen. De gegevens hieronder vermeldt uit de koopakte van 1755 staan niet in de akte van 28 april 1738. Beide akten wijken nogal wat van elkaar af, wat begrijpelijk is, er zijn immers 17 jaren verlopen.

 

-eerst een seker huys, schuer ende stallen met den grondt van diere, den vercooper competerende bij vereavelinghe tussen hem ende sijnen broeder Jan...

 

- een deurgaende helft van een steengelaege danof de wederhelft is competerende aan voornoemde Jan Colaes...

 

- item oock een stuck landts groot ontrent vier honderd roeden waerinne desen vercooper ingegelijcx de deurgaende helft is competerende, waer uyt d´aerde tot het maecken van de steen wort gesteken...

 

- een stuck lands waer van aende vercooper oock de deurgaende helft is toecomende groot twee gemeten in pachte aen Gilles Lijssens (zwager van Jan Judocus Colaes) tleven van zijn vrouw gedurende, midts betaelinge voor de somme tsamen 28 guldens tjaers...

 

- eyndelinge de deurgaende helft van ontrent een half gemet erfve achter het Huylenhooft jegens de Schelde waerop gebaut staen vier huysen ende een schuere bij forme van cheynse het eerste van diere bij Jacobus Seghers ten prijse van vier guldens tjaers, het tweede te weten de schuere van Cornelius De Keirsmaker (ook zwager van Jan Judocus Colaes) ten

 

 

 

 

 

prijse van vijf guldens tjaers, item het tweede huys bij Adriaen Smet ten prijse van acht guldens tjaers, item het derde huys bij Pieter Deckers ten prijse van seven guldens tjaers, eyndelinghe het vierde huys bij Mertens Vermaghelen, voorders is op de erfve van den voorschreven eersten huyse gebauwt bij forme van gelijcken cheynspachte eerst een huys bij Jan Van Raemdonck ten prijse van acht guldens tjaers, alsmede een gelijck huis bij Philip De Roeck in advenante van vijf schellinge groten courant tjaers tgone aen den vercooper in 't gheel is competerende volgens voorseyde cavelinghe..."

 

De koop werd gesloten op 14 juni 1755 voor 3900 gulden. De goederen waren belast met de helft van een rente van 2200 gulden. Pieter Colaes mocht het huis nog bewonen tot 1 mei 1756, hij behield tevens het gebruik van zijn schuur en steengelaag tot deze datum.

 

In de koopprijs was niet inbegrepen: de goederen op de steenbakkerij zoals spaden, kruiwagens, de gebakken en ongebakken steen... Hiervan werd een schatting gemaakt en Jan Judocus moet de helft van de waarde uitbetalen aan zijn broer met Kerstmis 1755

 

 

8/ Aankoop van Gilles Lijssens, grond in het Hemelrijk.

 

Deze grond werd door Jan Judocus Colaes gekocht, waarschijnlijk in 1760. Oppervlakte 1 gemet 22 roeden en gelegen Hemelrijk nummer 12. Gilles Lijssens was de zwager van Jan Judocus Colaes. Deze laatste verkocht de grond in 1766/1767 aan Judocus Van Hoyweghen. Aankoop- en verkoopakte werden niet teruggevonden.

 

 

9/ Koop van Gilles Lijssens, Oeverkouter nummer 61, 522 roeden.

 

Aangekocht in 1761 of 1762. Deze grond werd na het overlijden van Jan Judocus verpacht aan zijn dochter Isabella Theresia en na het overlijden van haar moeder erfde zij deze grond.

 

 

10/ Koop van Adriaen d'Eer, grond te Rupelmonde.

 

“Adriaen d'Eer in houwelijck met Amelberga Stoop fa Andries bekenden alsoo saemen met eenen palmslagh finalelijck verkocht thebben een seker stuck lants in twee stuck gelegen in s'Gravenbrouck te Rupelmonde, staende in staetsmetinge nummer 2, groot 621 roeden de vercoopers toecomen ter causen synder huysvrouw... onbelast, paelende noort den Gaenwegh, in pacht aen Pieter Boodts fa Gilles ten prijse van 39 guldens tsjaers... is desen coop gedaen voor ende omme een somme van 1175 gulden binnen de poorte ende stede Rupelmonde ter goeder trouwen den eersten february 1763.

 

Na de aankoop bleef Pieter Boodts pachter van deze grond maar het pachtgeld werd verhoogd tot 42 gulden per jaar.

 

 

11/ Koop van Egide De Lamper, vierde broekwijk nummer 25.

 

De definitieve toewijzing van deze koop “sal wesen met sonnen onderganck van Kersavont eerstcomende ofte wel met den clopslag vier uren des namiddags 1765." Notaris Egide De Lamper van Zele verkocht deze grond in de herberg "den Leeuw, binnen desen dorpe van Baesel", en de waard Pieter Van Hoeywegen wreef in zijn handjes, hij kon weer tappen van 't vaatje.

 

"... een stuck lants gelegen inden polder van Baesel inden vierden broeckwijck onder nr. 25 groot twee gemeten veertig roeden salvo justo, leenroerig onder d'heerelijckhede vanden Braspolder, landende oost ende west Jacob Lijssens, suyt den Bisschop van Antwerpen ende noort Joanne De Iamper met den armen van Baesel wordende in pachte gebruyckt bij Joos Van Acker voor seven ponden grooten.”

 

Jacques Lijssens bood eerst 925 gulden en Jan Judocus Colaes verhoogde dit bod met 93 gulden. De koopakte werd geregistreerd in “t'registre der wetthelijke passeringhe onderhouden voor haere Majesteyts heerlijken leenhove van Eckerghem geseyt den Braspolder” op 17 januari 1766 en Jan Judocus Colaes betaelde de volgende dag aan Egide De Lamper 1257 gulden 14 stuivers, “soo in voldoeninge van bovenstaenden coopschat als stellen conditien ende segel.

 

De grond was belast met “heerelijcke ende geestelijcke cheynsen ende graenrenten van audts daar op uytgegaen hebbende mitsgaeders dijckgeschoten (dijkgeld op polderbelasting) ende prochie lasten."

 

Na het overlijden van Jan Judocus Colaes werd de grond verhuurd door zijn vrouw aan Jan Baptist Breynaert fs Jans voor een termijn van zes achtereenvolgende jaren met ingang van "bamisse" 1768 voor de prijs van 44 gulden per jaar. Jan Baptist Breynaert moest daarbij de polderlasten en taksen op zich nemen "volgens t´gebruyck der geene saeyende inden lande van waes d'hooge landen en de voorseyde polderland als voor de deurbrake voorgevallen ten jaere 1715." Met de “deurbrake” wordt hier de grote dijkdoorbraak bedoeld te Rupelmonde op 3 maart 1715, waardoor de polders van Rupelmonde, Bazel en Krulbeke, blank kwamen te staan. De eigenaars van poldergronden of de pachters, werden toen omwille van de vele schade, vrijgesteld van belastingen voor een periode van 20 jaar, en deze periode werd daarna nog verlengd met 15 jaar. Bovenstaande grond, verpacht in 1768, genoot dus niet meer van belastingsvrijdom en daarom werd in het huurcontract vermeld dat de pachter moest voldoen aan de polderlasten zoals het gebeurde voor de dijkdoorbraak. De pacht~ overeenkomst werd afgesloten op 8 januari 1768.

 

Deze koopakte, daterende dus van 1765, is, voor zover we weten, de oudste bewaarde akte in de familie. Zij is meer dan 200 jaar oud en overleefde zes generaties.

 

De heerlijkheid en het leenhof van Eckergem of de Braspolder hoorde toe aan.

 

I”haere keyserlijke en koninglijke apostolijcke majesteyt als gravinne van Vlaanderen".

 

Het verhef van leen betreffende bovenstaande koop gebeurde op 20 april 1769. De lasten op de grond volgens dit verhef waren:

-voor verhef tien ponden parasyse (soort rekenmunt),

-twintig schelen parasyse voor camerlinck geld (soort zegelrecht of fooi bij het opmaken van bepaalde documenten), en ten slotte,

-'ten jaerelijks te gelden eenen cheyns van 6 schellingen parasijse t´elckens Sinte stevens daege  (=3 augustus).

 

 

12/ 1773 - Koop van Matthijs De Roeck, Oeverkouter 56, 16 1/2 roeden.

 

"Op heden den 20en oktober 1773 soo bekent Mathijs De Roeck wel ende deughdelijk vercocht te hebben aen Amelberga De Ryck, weduwe Jan Colaes, sesthien roeden en alf grond n° 56 wesende sijnen pottagiehof (groentetuin) volgens afmetinge op hedent gedaen bij de landtmeter Judocus Stoop, liggende ten noorden jegens het stuk landt nummer 61 aen dese cooperigge competerende ende scheedende met ene Spaensche haeghe ... de coop is gedaen voor ende omme de somme van 25 gulden par roeden uyt maeckende tIsamen 412 gulden 10 stuivers... “

 

Dit stukje grond was vierkant van vorm en werd door Amelberga speciaal aangekocht opdat men van het stuk grond nummer 52 gemakkelijk zou kunnen gaan naar grond nummer 61, beide toebehorende aan Amelberga.

 

De quoteboeken van Bazel geven voor dit stuk grond: '1778, bij afwijs van Jan De Roeck op d'Houvercauter uyt nr 371' en dit is volledig foutief.

 

 

13/Aankoop van Jan B. P. Heerman, Schaudries 49, 407 roeden.

 

Jan Baptist Philip Heirman en zijn vrouw Joanna Theresia Roelants fa Gilles kochten deze grond op 12 november 1754 van Pieter Jan Verheyen. Na hun overlijden werd de grond verkocht door hun erfgenamen op 8 april 1778.

- 11... een secker stuck landts gelegen te Baesel in den wijck het Schauwdries, nummer 499 landende het selve oost Catharina De Weert weduwe Adriaan Colaes (deze Adriaan was oom van Jan Judocus Colaes), in huere gebruyckt wordende door Jan Vermeulen fs Jacques in advenante van 22 guldens 10 stuyvers waervan den cooper sal beginnen te proffiteren den loopende pacht tsedert kersavondt lestleden... “ De prijs bedroeg 1350 gulden + 14 gulden voor de opgaande bomen.

 

14/Koop van Jan Maes.

 

Elisabeth Hillegheer overleed op 9 juni 1777. Haar dochter Barbara Brigitte Van Raemdonck, in huwelijk met Jan Maes, erfde deze grond. Zij woonde te Temse en verkocht dit erfdeel. De koopdagen werden gehouden in de herberg “den Turck" te Rupelnonde op 5, 12 en 19 mei 1778 om 2 uur ´s namiddags. Op de eerste koopdag werd de grond voorlopig toegewezen aan Pieter Frans Breynaert voor 870 gulden. Op 12 mei verhoogde Pieter Jan Colaes, in naam van zijn moeder, dit bod met 30 gulden. “... ende gemercqt het sedert dies niet meer verhooght en is geworden soo is den voornoemden Pieter Joannes Colaes den absoluten cooper... " De koopakte werd ondertekend op 2 juni 1778.

 

 

15/ Aankoop in 1777 of 1778 van Jan Baptist De Roeck fa Servaas, gelegen Oeverkouter numer 51, 2 gemeten 6 roeden. (Geen koopakte te vinden.)

 

 

16/1780 - Koop van Domin De Roeck, stuk land gelegen te Bazel op de Roomkouter nummer 47, 40 roeden. (Geen koopakte te vinden.)

 

17/ Geen juist jaartal - Koop van stuk grond in de Kraakwijk te Bazel aan de Haagstraat, 463 roeden, onder de heerlijkheid van Den Dooren. (Geen koopakte gevonden.)

 

18/Koop in 1781 van Pieter De Roeck en Matthijs Boel, Haagtestraatwijk.

 

Pieter Jan Colaes kocht dit stuk grond voor zijn moeder Amelberga. Het lag in de derde Haagstraatwijk te Bazel, 1 gemet 195 roeden groot. De grond werd gepacht door Pieter Cornelis De Keersmaker voor 20 gulden per jaar. Het stuk grond hoorde toe aan Pieter Jacob De Roeck fs Jan Pieter "uyt den hoofde ende bij successIe van den voornoemden sijnen gewesen vader" en aan Matthijs Boel "bij coope gedaen jeghens den notaris Frans Joannes Verbraeken als geauthoriseerden van d'hoirs wijlent Jan Van Geem volgens contracte van den vijfden november 1768” Het gaat dus waarschijnlijk om twee verschillende stukken grond en bij de verkaveling onder de kinderen van Jan Judocus Colaes vinden we deze gronden aangeduid met nummer 18 en 80, dit in tegenstelling met de koopakte die alleen nummer 78 geeft. De koop werd afgesloten voor 1000 gulden courant geld. Het boomgewas was in de prijs begrepen en de koopakte werd ondertekend op 23 oktober 1781.

 

De grond was "verleende erfve onder den hove ende heerlijkhede van Coolem". Op 28 december 1782 legde Pieter Jan Colaes de eed af in verband met deze grond voor de baljuw van Coolem. De grond was belast met 5 penningen cheyns aan de heer van Coolem.

 

 

19/ Na het overlijden van Jan Judocus Colaes en zijn vrouw: gezamenlijke aankoop door de kinderen in 1784. Jacob kocht dit stuk land van zijn broers en zuster in 1787.

 

“Kennelijck sij een ider dat Jan Baptist De Meester, inwoonder der prochie van Sintnicolaes op schriftelijke conditien van den 24 juny 1784 publicquelijken met het doen van kerckgeboden heeft vercocht op absolut verblijf aan sieur Pieter Joannes Collaes fs Jans een seker stuck landts, voorteyts geweest twee stucken met de boomen daer opstaende behoudens het pachters recht volgens costume (gewoonterecht), suyver en onbelast, geleghen binnen de voornoemde prochie van Basel in den wijck genaemt den dooren groot 500 roeden salvo justo, wesende leen onder d'heerlijckheid van Cauwerborg, gebruyckt wordende bij Jacobus Braem tot en met Kersavont 1784 ten advenante van 25 guldens tsjaers, welck loopende jaer 1784 den pacht geheel aal wesen in proffijte van den cooper, geschiedende dese vercoopinge en coopinge alsoó omme en voor de somme van 1100 guldens courant gelt die den cooper moet betaelen twee ten honderden, aldus gecontracteert desen 20 juli 1784."

 

Het stuk land werd door de aankoop gemeenschappelijk bezit van Pieter Jan Colaes, zijn broers Judocus en Jacob en hun zuster Petronella. Jacob kocht het in 1787 voor zichzelf en betaalde zijn broers en zuster uit, ieder voor een vierde deel. Uittreksel: "Op heden 16 juni 1787 bekende ende verclaerde Pieter Joannes, Judocus ende Petronella Colaes fa Jans ex Amelberga De Rijck, bij forme van vrindelijcke uytgrotinghe ende veroorsaekinge vercocht ende gecedeert te hebben aen hunnen broeder Jacobus Colaes iders respectieve vierde paert en deel... geschiedende dese cessie ende transport van iders respectieve vierde paert en deel voor ende omme de somme van 280 guldens 10 stuivers beloopende teaemen over de drij vierde paerten tot 841 guldens 10 stuivers..."