Geschiedenis van de Tour De France

Het ontstaan van de Tour de France heeft naar alle waarschijnlijkheid een zuiver commerciŽle achtergrond. Henri Desgrange, directeur van het sportblad L'Auto, had zakelijke belangen op het oog. Desgrange wilde de concurrentie aangaan met het toentertijd concurrerende blad Le Velo dat een oplage van 80.000 kende. Zijn eigen blad werd op het moment van de eerste Tour de France gedrukt met een op lage van iets meer dan 20.000 kranten. In een poging zijn blad een duw te geven, bedacht hij het plan voor een wielerronde door heel Frankrijk. Uit de naam van zijn blad viel echter al op te maken dat Desgrange meer toekomst zag in de autosport dan in de wielersport. Daarom liet hij de berichtgeving over aan zijn assistent. Bij het vertrek van de eerst Tour de France waren er een paar honderd toeschou-wers toegestroomd. De kranten koppen werden dagelijks groter en de oplage steeg zomaar naar 65.000 exemplaren. Bij aankomst in Parijs waren tienduizenden supporters toegestroomd om de eenentwintig over gebleven renners te verwelkomen. De geschiedenis van de Tour de France is er een met legendes en mythes. Maar een aantal van die mythes, zelfs uit de begin dagen van de Tour de France houden geen stand. Zo is het niet waar dat de organisatoren het pas kort voor de eerste wereld oorlog aandurfden bergen in het parcours op te nemen. In de eerst Tour moest de col de la Republique worden beklommen en in 1905 werd ook de ballon d'Alsace opgenomen. In 1910 kregen de renners voor het eerst te maken met de PyreneeŽncols. Het pionierstijdperk van de Tour eindigt aan het begin van de Eerste wereld oorlog. Tour-winaars zoals als Petit-Breton, Lapize en Faber zouden op de slagvelden sterven. De rondes na de Eerste Wereld oorlog vanaf 1919 werden geleidelijk langer en telden meer etappes. De wegen werden beter, waardoor ook gaandeweg beter de voedingsmethoden veranderden en de fietsen werden lichter, waardoor ook gaandeweg de gemiddelde snelheid omhoogging. De eerste naoorlogse tour valt samen met de introductie van de gele leiders trui (maillot jaune). Journalisten en officials beklaagden zich er bij Desgrange over dat de leider van het algemeen klassement niet herkenbaar genoeg was. Ook voor het publiek zou het aantrekkelijk zijn wanneer het bij de doorkomst van de renners makkelijk kon zien waar de klassementsleider zich op dat moment van de wedstrijd bevond. Daarop bedacht Desgrange de gele trui, die in 1919 na de elfde etappe boor het eerst werd uitgereikt aan de Franse renner Eugene Christophe, een legendarische pechvogel die de tour nooit wist te winnen. De Tours tussen 1919 en 1930 waren voor de Fransen sowieso een aaneenscha-keling van traumatische nederlagen. Slechts eenmaal, Henri Pelissier in 1924, wist een Fransman de 'eigen ronde' op zijn naam te brengen. Om het teruglopen van de belangstelling een halt toe te roepen bedacht Desgrange een geniaal plan dat onmiddellijk succes opleverde. Hij voerde in 1930 de landenformule in en liet hij de beste renners uit Frankrijk, ItaliŽ, BelgiŽ, Spanje en Duitsland in truien met de nationale kleuren strijden om de oeverwinning. Desrange had zich geen beter winnaar kunnen wensen dan zijn landgenoot Andre Leduq, die de Italiaan Guerra en de Fransman Magne ruim voor wist te blijven. De Fransen wonnen ook het ploegenklassement. Bovendien zorgen de invoering van de landenformule ervoor dat de populariteit van de Tour ook in het buitenland toenam. De Tour de France werd in de jaren dertig wereldnieuws en voor de Fransen zelf een van de geliefdste vakantiebestedingen. De landenformule maakte overigens geen einde aan de individuele strijd. Het primaire doel van de wedstrijd was nog steeds dat de renners afzonderlijk streden voor de eindoverwinning, al waren er knechten die het vuile werk moesten opknappen voor de kandidaten voor de eindzege. Geleidelijk aan werden diverse nevenklassementen geÔntroduceerd. In 1933 werd voor het eerst een bergklassement opgemaakt dat werd gewonnen door de Spanjaard Vicente Trueba. Een jaar later werd het bergklassement officieel door Desgrange in de Tour ingevoerd. De groene trui voor de leider in het puntenklassement werd pas na de Tweede Wereldoorlog geÔntroduceerd. De Tweede Werel-doorlog zorgde voor een tweede lange onderbreking in de geschiedenis van De Tour de France. Tussen 1939 en 1947 kon de Tour door de oorlogsperikelen niet verreden worden. De eerste naoorlogse editie in 1947, gewonnen door Jean Robic, heeft Desgrange niet meer meegemaakt. Hij overleed in 1943 en werd als Tourdirecteur opgevolgd door het koppel Jacues Goddet en Felix Levitan. Zij waren directeur, respectievelijk chef sport van het sportblad L'Equipe en het Dagblad Le Parisien Liberte. Deze kranten namen de organisatie van de Tour over van L'Auto, dat na de oorlog verboden werd omdat het ten tijde van de bezetter was blijven verschijnen.
Jacques Goddet kreeg als eerste opvolger van Desgrange alle tijd om een ronde-nieuwe-stijl op te zetten, wat in de praktijk betekende dat de commercie de Tour in haar greep kreeg. Niet allen werd de wedstrijd na de Tweede Wereldoorlog vergezeld door een heus mediacircus, ook werd het wielerpeloton sindsdien voorafgegaan door een gigantische reclame karavaan, die samen met de etappeplaatsen borg stond voor een groot deel van de financiering. De beginjaren vijftig werden gekenmerkt door internationalisering van de wielersport en door de intrede van sponsors van buiten de wielerspot in het peloton. De toegenomen internationale belangstelling steeg nog verder door de Tour de France uitstapjes over de grens te laten maken. In 1954 startte de Tour in Amsterdam, in 1958 in Brussel en daarnaast weren steden als Luik, Gent Antwerpen, Namen, Charleroi, Geneve, Zurich, Lausanne, Turijn, Aosta en Barcelona in die jaren etappeplaatsen. De tour van 1967 is een memorabele, omdat het met die van 1968 een 'overgangstour' is. Het was niet alleen de tour van het grote dopingtrauma rond Simpson, maar ook de eerste waarin een proloog (een korte tijdrit waarin wordt vastgesteld wie de eerste etappe in de gele trui mag vertrekken) verreden werd, gewonnen door de Spanjaard Errandonea. Het was bovendien de voorlaatste Tour waarin de formule van landenploegen opnieuw werd toegepast. Het experiment was overigens gedoemd te mislukken, zoals al enigszins blijkt uit het bericht in een Nederlands krant aan de vooravond van de tour van 1967 (onder de kop krijgt Tour de France dit jaar een Nederlandse winnaar? Jan Jansen getipt als grote favoriet") Na vijf jaren waarin de commercie de toon aan-gaf, is het tweemanschap Goddet-Levitan teruggekeerd naar de formule van de landenploegen. Officieel heet het dat zij dit besluit hebben genomen om de belangstelling van het grote publiek voor de Tour, die de laatste jaren kennelijk slonk, terug te winnen. Aannemelijker is echter het gerucht, dat zij bezweken zouden zijn voor de aandrang van de Franse overheid, die steeds minder bereid zou zijn de nationale economie ter wille van de reclame door de Tour te laten ontwrichten. Het heeft de Franse regering wel een subsidie van f 400.000 gekost omdat de kosten anders niet op te brengen zouden zijn. De landenformule verhulde dat er allerlei dwarsverbanden in het peloton waren. Zo had Jan Janssen naast zijn Nederlandse renners, die hem lang niet allemaal zo trouw steunden als de bedoeling was, de hulp van de Fransen Delberghe, Ducasse, Etter, Izier, Milliot en Samyn, van de Belgen Monty en Van de Kerkhove en van de Luxemburger Schleck, aangezien al deze renners deel uitmaakten van zijn ploeg Pelforth. De herinvoering van de landenformule hield maar twee jaar stand.Vanaf 1969, de eerste Tour die Eddy Merckx won waren er merkenploegen, en dat is zo gebleven. Met de naam Merckx is de Tourgeschiedenis aangeland in de moderne tijd. Goed, aan het materiaal, de voeding en de medische begeleiding is tussen 1970 en 2000 nog heel wat veranderd, maar niet aan de formule volgens welke de Tour verreden wordt. De beginjaren zeventig vallen samen met de heersersjaren van Eddy Merckx. Hij won de Tour met een onderbreking in 1973, vijf keer tussen 1969 en 1974. Merckx' overmacht was imposant, maar het wedstrijdverloop was ook dermate voorspelbaar dat de belangstelling terugliep, zo-wel van het publiek als van de wielrenners. Eind jaren zeventig had de organisatie van de Tour soms de grootste moeite om meer dan honderd renners aan het vertrek te krijgen. De kentering kwam in de tweede helft van de jaren tachtig en niet allen omdat met de slijtage van Bernard Hinault (die andere alleenheerser) ook de wedstrijd spanning weer terugkeerde. De Tours in die jaren lieten geweldige gevechten zijn, onder meer die tussen Lemond en Hinaul, Fignon en Lemond, Roche en Delgado. Was de wielersport in de tweede helft van de eeuw al geÔnternationaliseerd nu mondialiseerde ze, wat in de Tour bewezen werd door de aanwezigheid van sterke renners uit bijvoorbeeld Colombia (Herrera en Parra), Amerika (Lemond en Hampsten en nu Armstong) en (voormalige)Oostbloklanden (Abdoesjaparov, Oegroemov, Ullrich). De huidige directeur Jean-Marie Leblanc heeft alleen in de marge wat gemorreld aan de opzet van de ronde Frankrijk, onder zijn leiding is het aantal wedstrijd dagen en kilometers ingeperkt. De Tours van de Jaren negentig en tweeduizend bestrijken meestal niet meer dan tweeŽntwintig dagen en tellen meestal niet meer dan 4000 kilometer. Om de wedstrijd heen is daartegen wel het nodige veranderd. De Tour de France  de UCI Ė wereldrang is onder zijn leiding uitgegroeid tot een wereldwijd gevolgd(en op televisie bekend) sportspektakel, waarin vele miljoenen guldens omgaan. Een groot deel van het budget verwerft SociŽteit du Tour de France ( de stichting waarin de organisatie van de Tour is ondergebracht) door het aantrekken van een klein aantal zeer kapitaalkrachtig sponsors. De Tour telt thans veel minder sponsors dan pakweg twintig jaar geleden. Ook het Tourdorp is in de jaren van Jean-Marie Leblanc enorm gegroeid. Dat wordt tegenwoordig bevolkt door een paar duizend journalisten van honderden kranten, televisie- en radiostations. En daartussendoor wandelen dan dagelijks nog duizenden genodigden 9 speciale gasten van de SociŽteit en de sponsors). Verder is er door de invoering vanglijsten (individueel en per ploeg) een einde gekomen aan de ballotage rond het toelaten van ploegen voor de Tour de France. De tourorganisatie is tegenwoordig verplicht de eerste zestien ploegen op de UCI - wereldranglijst direct toe te laten. De overige vier worden door het uitdelen van zogenaamde wild cards aangewezen, en gaan derhalve maar al te vaak naar kleine Franse ploegen. De Tour de France is een evenement van grote culturele historische en economische waarde. Het is Frankrijks grootste jaarlijkse publiciteitsstunt, maar het is ook een evenement dat de laatste jaren onder druk staat. Worden de publicitaire belangen niet te groot? Wegen ze wel op tegen de aanslag die de Tour jaarlijks pleegt op de Franse Natuur, tegen verkeer technische problemen die het rondreizende cir-cus veroorzaakt? Wordt er niet een te zware wissel getrokken op de gezondheid van de deelnemers? Het belang van het winnen van een Tour, of zelfs maar een etappe, is zo groot geworden dat volgens de criticasters, steeds vaker naar ongeoorloofde middelen wordt gegrepen. De TVM en Festina-affairen in de editie van 1998, die de geschiedenis in gaat als de Tour du Dopage, heeft het hele Peloton (terecht of niet terecht) in een kwaad daglicht gesteld. Het publiek reageert ambivalent op deze gebeurtenissen. Enerzijds heerst het gevoel dat de hele wielerwereld corrupt is en de koersen van a tot z vervalst worden, anderzijds is er de inleving en het mededogen met de slachtoffers. De populariteit van Richard Verenque is na zijn uitsluiting uit de Tour van 1998 alleen maar toegenomen. Maar de uitspraak blijft nog steeds het zelfde "Het zijn niet de renners die de Ronde maken maar het is de Ronde die de renners maakt". Of is het na 1998 geworden "Het zijn niet de renners die de Ronde breken, maar de Ronde die de renners breekt".
[top]