Over dit boek
Home Up Over dit boek Heksenprocessen Fragment Lesbrief Recensie Boekbespreking

bullet 

  1. Hekserij en het geloof daarin heeft altijd bestaan en zal ook altijd blijven bestaan

-     Het geloof in hekserij en raadselachtige verschijnselen kan vele vormen aannemen: men geloofde dat mensen over onverklaarbare krachten beschikten, die ze ten goede of ten kwade van andere mensen konden aanwenden (witte of zwarte magie). Hun toverkunsten werden uitgevoerd met behulp van kruidenbrouwsels, overlezingen, mensen die zich in dieren veranderden, toverspreuken, behekste voorwerpen, enz. (verhalen uit Heksen en Spoken)

-    Tegen het gevaar van toverij was wel verweer mogelijk: medailles en andere gewijde voorwerpen, zakjes zout onder de drempel van de woning, kruisbeelden, hulp van paters en pastoors…

-     Een verklaring voor het geloof in hekserij en aanverwanten moet niet te ver gezocht worden. Vroeger konden vele rampen niet op wetenschappelijke manier verklaard worden, zoals ziektes, dood, brand, sterfte van vee. In verlaten en afgelegen streken (de Kempen) was het geloof in hekserij sterker en bleef het langer bestaan. Tijdens de lange winteravonden vertelde men elkaar verhalen die steeds angstaanjagender werden, en op de duur door vele mensen werden geloofd. Iedereen kende de details van hoe bijvoorbeeld heksen hun duivels ontmoetten, en dat verklaart de vele gelijklopende verklaringen op heksenprocessen.

-     Veel beelden en verhalen rond heksen zijn eeuwenoud: de bezem waarop je door de lucht kunt vliegen, de wratten, het gezelschap van dieren zoals zwarte katten en padden, het gevaar van middernacht,…

-     Ook nu zijn er nog heel wat mensen die hun toevlucht nemen tot magische praktijken, tot bijgeloof, zeker als ze het gevoel hebben dat bijvoorbeeld de gewone geneeskunde hen niet kan helpen. Denken we maar aan horoscopen, kaartlegsters, helderzienden, allerlei genezingsrituelen. (Meneer Heraba – de kettingbrief).

  1. Hoe kwam het tot de massale heksenvervolgingen van de 16de en 17de eeuw in onze streken?

Voordien kwam beschuldiging van hekserij ook wel voor, maar dan richtte men zich uitsluitend tot de aanklacht en de geleden schade. De heks moest ophouden met haar kwade praktijken en haar betovering ongedaan maken. Hekserij werd nog niet gezien als een maatschappij-bedreigende sekte.

a)      politiek – economische crisissituatie:

Het Duivelskind speelt zich nog net af in het beruchte decennium 1580-1590 in Lier. Dit was voor Lier een verwarde en ellendige periode. Het was de tijd van de godsdienstoorlogen en de opstand tegen Spanje. In 1580 had een afgevaardigde van het Liers schepencollege de Unie van Utrecht ondertekend. Daardoor bevond Lier zich dus openlijk in het kamp van de protestanten. De katholieken werden vervolgd, de Kerk geplunderd (beeldenstorm). De soldaten van de Staten –Generaal werden dikwijls te weinig of te laat betaald zodat zij geregeld de bevolking lastig vielen met het opeisen van levensmiddelen of het afpersen van geld, ook al was dit door hun oversten verboden.

In 1582 viel Lier door verraad van een Schotse huurling weer in Spaanse handen (Farnese). Daarop volgde een bloedige inname van de stad, met dood en vernieling tot gevolg (Spaanse Furie van Lier). Ook de aanhangers van de protestanten werden niet ontzien.

Noodgedwongen schaarde Lier zich in 1582 bij de steden van de Unie van Atrecht. De katholieke eredienst werd hersteld en de katholieken kregen opnieuw alle macht. Nu waren het de protestanten (zowat 30% van de bevolking) die wegtrokken naar het noorden.

De streek bleef onrustig. Er waren voortdurend muitende troepen onderweg. Mensen werden buiten de stad overvallen en beroofd. Dorpen werden verwoest. Nijlen, waar Het Duivelskind zich afspeelt, werd verwoest en de kerk werd in brand gestoken. Akkers en weiden lagen er verlaten bij. Handel (veemarkt) was er haast niet meer. De industrie (wol/borduur) ging verloren.

Als gevolg hiervan nam het risico van hongersnood toe. 1586 was een echte hongerwinter, een samenloop van een bevoorradingsstop en enkele uitzonderlijk natte zomers. Het graan, ook de minderwaardige soorten, werd onbetaalbaar.

b)      godsdienstig orde-op-zaken-stellen:

Door de opkomst van het protestantisme kwamen grote delen van de bevolking in de ban van deze nieuwe leer. De katholieke Kerk wilde de volksmassa’s behouden of heroveren voor het katholicisme. Heksenprocessen speelden daar een rol in. Ze waren een soort verlengstuk van de processen tegen ketters (inquisitie). Hekserij werd plots niet meer als een losstaand verschijnsel gezien, maar de heksen werden beschouwd als een nieuwe, geloofsbedreigende sekte, die als dienaressen van de duivel aan het hoofd stonden van een anti-kerk. Men dacht dat de heksen een verbond of pakt met de duivel hadden gesloten, waardoor zij hem met lichaam en ziel toebehoorden. Ter bevestiging daarvan moesten zij geslachtelijke omgang hebben met een duivel in mensengedaante. Men nam aan dat de sekteleden elkaar kenden van geheime bijeenkomsten met de duivel: de heksensabbat. De heksen moesten zoveel mogelijk onheil stichten en zoveel mogelijk mensen naar de kant van het duivelsrijk lokken. Om dit gevaar te bestrijden ontstonden de georganiseerde heksenprocessen.

Enkele documenten speelden hierbij een grote rol:

-     De Bul van paus Innocentius VIII (1484): tegen de hekserij, een oproep tot de kerkelijke overheid om streng op te treden.

-     De Heksenhamer (Malleus Maleficarum) (einde 15de eeuw): het werk van twee Duitse theologen, Institoris en Sprenger, met aanwijzingen voor de precieze en gedetailleerde aanpak van het heksenprobleem (vragen).

De heksenprocessen waren dus slechts mogelijk door de samenwerking van kerkelijke en wereldlijke overheid, die het verschijnsel van hekserij als een onderdeel zagen van een maatschappij-bedreigende sekte. Men veronderstelde een heel complot achter elk individueel voorbeeld van hekserij. Een heks was niet zomaar een lelijke vrouw, maar een instrument van de duivel. Al met al was er in de Nederlanden slechts een beperkte periode van heksenvervolging, in vergelijking met Duitsland, Frankrijk en Engeland, waar de vervolgingen langer duurden en ook meer slachtoffers vroegen.

 3.      Slachtoffers

Er zijn een aantal mannen en kinderen als heks verbrand, maar de overgrote meerderheid van de slachtoffers waren vrouwen. Vooral arme en oude vrouwen liepen het grootste risico. Weduwen, dus vrouwen zonder bescherming, konden gemakkelijk beschuldigd worden en konden zich slecht verdedigen.

Men geloofde dat hekserij in zekere zin erfelijk was, dat heksen hun toverkunsten kregen aangeleerd door hun moeder of  door een tante. Zo gebeurde het dat men bij heksenprocessen naast de vrouw ook haar man of zoon of jonge kinderen oppakte. Als er in je familie eenmaal een geval van hekserij was gesignaleerd, was het bijna onmogelijk om vroeg of laat een nieuwe beschuldiging te vermijden.

Heksen die veroordeeld werden, moesten hun bezit afstaan aan de staat. Meestal schoot de overheid er eerder aan in, omdat de slachtoffers zo arm waren, maar er zijn ook gevallen bekend van vermogende mensen.

Uiteindelijk was niemand nog veilig voor de beschuldiging van hekserij, en zo liep het verschijnsel dan ook op zijn einde.

 4.      Verloop van het proces

Hiervoor vond ik alle gegevens in de tentoonstelling van het Rijksarchief.

a)      aangifte: Anneken wordt door enkele buren beschuldigd. (p.15)

Dit bestond uit een gewone mondelinge of schriftelijke mededeling aan de plaatselijke gerechtsofficier (hier schout Willem Brant) dat er vermoedens van toverij bestonden. Meestal ging het over het ziek maken van dieren of mensen.

In plaats van door een aangifte, kon een heksenproces soms ook starten na een afgeperste verklikking. Zo werd Cathelyne Van den Bulcke samen met haar zoon gearresteerd na een bekentenis van Anneken Faes onder tortuur, waarin ze verklaarde dat zij haar de toverkunst had aangeleerd en in haar huis vergaderingen van tovenaressen hield. (p.74 e.v.)

Soms kon een verdachte ook zelf een proces wegens eerroof aanspannen. De faam hebben een heks te zijn werd over het algemeen als een belangrijke aanwijzing beschouwd. Het was dus van belang bij beschuldiging of het toeroepen van scheldwoorden als heks, zich meteen van die beschuldiging te zuiveren door zelf een proces aan te spannen. Toch was dit niet ongevaarlijk, want het risico bestond dat men tot foltering werd veroordeeld en daar bekentenissen deed die tot de uiteindelijke terechtstelling zouden leiden.

b)      onderzoek: Getuigen werden opgeroepen en onder ede ondervraagd. Meestal vertelden zij een aantal gebeurtenissen die hen zondeling waren voorgekomen. Hun verklaringen werden zorgvuldig opgetekend opdat zij later als bewijs konden worden gebruikt.

Over Cathelyne vertelden de getuigen bijvoorbeeld dat zij een grote pad bij het haardvuur koesterde, dat zij de kerkgang verwaarloosde, dat zij zich niet had teweer gesteld tegen het verwijt een tovenares te zijn, dat zij soms van gedaante veranderde en daarbij een geel kleurtje kreeg en schudde en beefde alsof zij van de duivel bezeten was, dat zij eens verteld had door een geest aan haar linkerarm gekwetst te zijn, en dat koeien in wier nabijheid zij was gekomen, plotseling ziek waren geworden.

Er waren getuigen pro en contra. Zo getuigde de pastoor van Herenthout en een aantal buren dat Cathelyne een eerbare vrouw was die regelmatig haar kerkelijke plichten vervulde en die zij helemaal niet van toverij verdachten. Zij had een tijdlang haar doodzieke man moeten verzorgen en zag er hierdoor vermoeid en vergeeld uit. Niemand van hen had haar van gedaante zien veranderen. De pad die in haar huis rondliep, was door haar personeel met een tang of schop verwijderd. Het betrof trouwens een normale pad: de poes speelde ermee en nam ze in haar mond zonder ziek te worden.

c)      aanhouding en opsluiting van de verdachte:

Anneken Faes werd opgesloten in de Gevangenenpoort in Lier.

De omstandigheden in de gevangenis waren vreselijk: kou, honger, slechte behandeling door de bewakers. Zelfdoding kwam veel voor. Lysbeth Stryckaets, Annekens moeder, verzoekt dus niet zonder reden om vrijlating. (p.36)

d)      eis en verweer:

De officiŽle beschuldiging wordt geformuleerd (schriftelijk), de advocaat van de verdachte antwoordt (bijvoorbeeld door te stellen dat de aanklacht afkomstig is van iemand die niet toerekeningsvatbaar of vijandig is) en er komt daarop weer een officieel antwoord.

e) het bewijs:

Het bewijs was strikt gereglementeerd. Voor een veroordeling was nodig:

-           een verklaring van twee eerbare ooggetuigen 

-           de bekentenis van de verdachte

-           bij een weigering tot bekennen en sterke aanwijzingen tot schuld, kon men besluiten tot foltering. Juridische waarde had zo’n afgedwongen bekentenis niet; zij moest ten minste 24 uur na de pijniging worden herhaald. (p.129, onder de blauwe hemel).

-           Wie bleef ontkennen werd uiteindelijk vrijgelaten of kreeg een mindere straf.

f) de scherpe examinatie of het pijnlijk verhoor:

Omdat men er van uitging dat heksen ook tijdens het verhoor door hun duivel werden bijgestaan, paste men de foltering in heksenprocessen veel harder toe dan bij gewone strafzaken. Zo werd in Kasterlee in 1566 een 80-jarige vrouw niet alleen gegeseld en in de palei opgehangen, maar ook een arm gebroken en in haar mond kreeg ze de verwarmde urine van een koe ingegoten. Haar beulen waren zelfs van plan haar teen- en vingernagels uit te trekken. De vrouw overleed echter de nacht voordien.

 Voor het pijnigen werden verdachten van hekserij kaalgeschoren en op hun lichaam onderzocht naar verborgen tovermiddelen en naar duivelsmerken. Dat teken zou de duivel aanbrengen tijdens het paren. Het kon een moedervlek, wrat of litteken zijn. Men stak er dan met een naald in om te zien of het pijn deed en bloedde, zoniet ging het zeker om een duivelsteken. (p.55 e.v.)

 De foltering zelf gebeurde op verschillende manieren: het rekken of ontwrichten van de ledematen, het ophangen aan een ladder, het optrekken aan een katrol of het in de palei hangen (p.118 e.v.), het opgieten met water, de vuurproef, het aanschroeven van beenijzers, het geselen en de tortuur met de halsband.

 Het folteren gebeurde door een beul. Omdat Lier geen eigen stadsbeul had, werd de beul van Antwerpen ingehuurd. De rekeningen van zijn verblijf en zijn loon zijn bewaard gebleven.

g) het eindvonnis en de terechtstelling:

-           In het geval van Cathelyne werd eerst nog het advies van een rechtsgeleerde in Antwerpen ingewonnen.

-           Uiteindelijk werd C      athelyne veroordeeld tot de dood door verbranding. Dit was voor heksen de normale straf. Bij wijze van gunst stond men praktisch altijd de voorafgaande wurging toe.

-           Financieel was het proces van Cathelyne een negatieve operatie voor de schout: de kosten voor de beul, het materiaal, de ordehandhaving en de pijniging bedroegen veel meer dan wat Cathelynes verbeurdverklaarde goederen opbrachten.

-           Wanneer de heks niet had bekend, slechts half had bekend of haar bekentenissen had ingetrokken, werd zij vrijgelaten of verbannen. De verbanning werd soms voorafgegaan door een tentoonstelling op een schavot of aan een schandpaal. Sommige heksen werden voor hun verbanning gegeseld. (p.150)

-           De verbranding vond plaats op de markt of op het galgenveld in aanwezigheid van een massa volk. De veroordeelde werd aan een staak vastgeketend. Rondom werd stro en hout gelegd dat in brand werd gestoken. Soms bouwde men een strooien hutje waarin de heks werd binnengeleid.