Adoptie
Home Up Over dit boek Vragen Adoptie Recensie

bullet 

Elk jaar worden in Vlaanderen ongeveer 250 kinderen langs officiële weg geadopteerd. Daarbovenop zijn er nog een 100-tal adopties waarbij geen adoptiedienst tussenkomt. Hoe moeilijk is het om een kind te adopteren? Wie komt in aanmerking? Welke hindernissen wachten ouders voor en na de adoptie? En hoe ervaren adoptiekinderen hun situatie?

Cijfers en geschiedenis

In een fractie van de gevallen gaat het om binnenlandse kinderen. Maar veruit de meeste geadopteerden zijn afkomstig uit het buitenland, waarbij India, Vietnam en China momenteel koplopers zijn. Meestal gaat het om baby’s of kleine peuters: ongeveer 40% van de kinderen is jonger dan 1 jaar, 30% is tussen 1 en 2 jaar oud.

Zowat de helft van de adoptiekinderen komt terecht in een tot dan toe kinderloos gezin. Dat betekent dat de anderen het jongste broertje of zusje worden in een gezin waar al één of meer kinderen wonen. De adoptieouders zijn meestal tussen 30 en 45 jaar.

Adoptie is van alle tijden. Sommige adoptiekinderen haalden de geschiedenisboeken: Julius Caesar bijvoorbeeld adopteerde de latere keizer Augustus. Maar in het verleden speelden speelden over het algemeen andere motieven een rol dan nu. Het ging vaak vooral om het belang van de familie of om politieke redenen. Door een erfgenaam aan te duiden moest het erfgoed veiliggesteld worden.

Pas in de twintigste eeuw, na de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog die een groot aantal weeskinderen veroorzaakte, werd het belang van het kind vooropgesteld. Vanaf dan werd adoptie gezien als een middel om zoveel mogelijk kinderen te laten opgroeien in een familiale situatie. In ons land kwamen (internationale) adopties echt goed op gang vanaf de jaren ’60 en ’70.

Gemengde gevoelens

Aan de basis van een adoptie ligt bijna altijd heel wat verdriet. Afstandsmoeders waren ongewenst zwanger en niet in staat om het kind te verzorgen. Gedwongen door de omstandigheden hebben ze afstand gedaan van hun kind. Geen enkele moeder doet zoiets zonder pijn. Het adoptiekind zal vroeg of laat beseffen dat het niet gewenst was door zijn biologische ouders, om welke redenen dan ook. De adoptieouders van hun kant waren vaak ongewild kinderloos.

Maar een adoptie brengt ook heel wat vreugde. De meeste adoptieouders en adoptiekinderen zijn heel gelukkig met elkaar. Het kind kan opgroeien in een gezin waar het heel gewenst is. De adoptieouders krijgen de kans om echt ouder te zijn. Bovendien kan de afstandsmoeder op een wettelijke manier de zorg en opvoeding van haar kind overdragen aan andere liefdevolle volwassenen.

Nog meer dan in een gewone relatie tussen ouders en kinderen spelen allerlei soms tegenstrijdige gevoelens een rol in een adoptiesituatie. De ouders moeten meer dan bij een eigen kind wennen aan hun spruit. Zoeken naar erfelijke gelijkenissen kunnen ze niet. Het kind is soms gekwetst in zijn vroege levensjaren en voelt zich daardoor onzekerder. Het zal extra steun nodig hebben van zijn adoptieouders. Vooral op belangrijke momenten in zijn leven (zoals bij de studiekeuze, bij het aangaan van een vaste relatie en zeker tijdens een zwangerschap) is een adoptiekind vaak bezig met zijn afkomst.

Precieze cijfers zijn er daarover moeilijk te vinden, maar vaststaat dat de opvoeding van een adoptiekind gemiddeld meer problemen meebrengt dan van een eigen kind. Soms loopt de relatie tussen kind en adoptieouders zodanig vast, dat het voorgoed tot een breuk komt. Begeleiding van een adoptiedienst kan helpen om dergelijke problemen te vermijden of ze zo goed mogelijk aan te pakken.

Adoptiedriehoek

Tussen een kind en zijn biologische ouders is er een (bloed)band, wat er verder na de geboorte ook gebeurd is. Een geadopteerd kind heeft nu eenmaal het leven te danken aan zijn biologische ouders en dat schept hoe dan ook een vorm van verbondenheid. Maar ook met de adoptieouders heeft het kind een band. Zij hebben voor het kind gezorgd en het opgevoed.

Het is heel belangrijk dat een adoptiekind die twee vormen van verbondenheid openlijk mag tonen en beleven. Als de adoptieouders helemaal niet openstaan voor de belangstelling van het kind voor zijn oorsprong, komt het terecht in een loyaliteitsconflict. Het kind heeft dan het gevoel dat het een keuze moet maken tussen loyaal zijn aan de afstandsouders of loyaal zijn aan de adoptieouders. En dat is een onmogelijke keuze.

Vroeger waren de meeste adopties gesloten. Dat betekent dat elke contact- en informatiemogelijkheid tussen biologische ouders en adoptiekind verbroken werd bij de adoptie. Men dacht dat dit de beste garantie vormde voor een geslaagde adoptie: de biologische ouders konden het “ongelukkige voorval” in hun leven vergeten, de adoptieouders konden zoveel mogelijk vergeten dat het kind niet helemaal hun eigen kind was en het kind moest opgroeien in een zo normaal mogelijke situatie. Zwijgen en vergeten waren de sleutelwoorden.

Nu is er veel meer openheid. Van jongs af aan wordt aan kinderen verteld waar ze vandaan komen en waarom ze afgestaan zijn. Ze krijgen informatie over hun biologische ouders (of alleen de moeder). In het adoptiegezin wordt daar heel open over gesproken. Als het kan, blijft de biologische moeder op de hoogte van de evolutie van haar kind. Het kind hoeft zich dan niet heen en weer geslingerd te voelen tussen zijn verschillende verlangens: die van nieuwsgierigheid naar zijn oorsprong en die van trouw aan zijn adoptieouders.

Soms wil een adoptiekind wel eens zien waar het geboren is. Zo’n zoektocht naar zijn roots is een ingrijpende ervaring, die goed voorbereid en begeleid moet worden, zowel voor het kind als voor de biologische moeder. Want die laatste heeft intussen misschien een nieuw leven opgebouwd, waarin niet meteen plaats is voor het afgestane kind.

Adoptieouders hebben het soms moeilijk met dat verlangen van hun kind, omdat ze bang zijn het op die manier te verliezen. Toch is die angst bijna altijd ongegrond. De meeste adoptiekinderen gaan wel op zoek naar hun biologische ouders, maar eerder omdat ze informatie willen en niet om hun adoptieouders “in te wisselen”. Ze ervaren hun adoptieouders immers meestal als hun “echte” ouders.

Wetten en regels

In de media duiken af en toe wilde verhalen op over kinderen die voor veel geld van hun moeder afhandig worden gemaakt en op de “adoptiemarkt” worden gegooid. Bij ons is het verboden om je kind te verkopen. Maar dat is niet overal zo. Soms zijn mensen zo wanhopig om aan een kind te geraken, dat ze er alles – en dus ook handenvol geld – voor over hebben. Natuurlijk zijn er dan handige jongens die daar misbruik van maken en een illegaal handeltje opzetten met adoptiekinderen uit arme landen voor het rijke Westen. Er bestaan ook veel manieren om arme afstandsmoeders onder druk te zetten om hun kind af te staan. Internationale verdragen moeten misbruiken vermijden en alle betrokken partijen beschermen.

Voor wie een kind wil adopteren gelden dus (nationale en internationale) regels. Het internationale verdrag van Den Haag over interlandelijke adoptie (1989) bepaalt bijvoorbeeld dat men eerst moet proberen om de adoptie binnen het land van herkomst te houden. Pas als dat niet kan, mag het kind geadopteerd worden in het buitenland. Daarvoor hebben zowel de kandidaat-adoptieouders als het te adopteren kind een toestemming van hun land nodig. De centrale autoriteit die in Vlaanderen de adoptieprocedure bewaakt is Kind en Gezin. Voorwaarden zijn bijvoorbeeld dat de leeftijd van de adoptant (ouder) minstens 25 is en dat er voor het kind een toestemming is (vanwege bijvoorbeeld de moeder) voor adoptie. Zowel een getrouwd koppel als een alleenstaande mogen adopteren.

Veel geduld

Wie beslist om een kind te adopteren moet een strikt afgebakend pad volgen en ... veel geduld hebben. De kandidaten worden verplicht een voorbereidingsprogramma te volgen. Die cursus is verspreid over 2 maanden en neemt ongeveer 4 halve dagen en één hele dag in beslag. In een kleine groep (max. 16 personen) komen volgende thema’s aan bod: motieven die een rol spelen bij de adoptiewens, achtergrond van buitenlandse adoptiekinderen, specifieke opvoedingstaken voor adoptieouders, risico’s bij de opvoeding van adoptiekinderen, gevoelens, ervaringen en getuigenissen van alle betrokkenen in de adoptiedriehoek en informatie over de adoptieprocedure.

Na het voorbereidingsprogramma worden de kandidaten geëvalueerd op hun opvoedingsdraagkracht (duur: 3 tot 6 maanden). Een positief advies leidt tot een beginseltoestemming. Daarmee kunnen de kandidaat-adoptieouders dan naar een adoptiedienst stappen (er zijn talloze diensten met contacten in diverse landen) of via eigen bemiddeling proberen een kind te adopteren. Dat laatste houdt wel meer risico’s in: ondanks alle goede bedoelingen kunnen adoptanten ongeweten verzeild geraken in criminele circuits van gestolen of verhandelde kinderen. Ook voor de nazorg en eerste begeleiding staan ze er alleen voor. Meestal helpt een adoptiedienst daarbij wel.

Een buitenlands adoptiekind komt als vreemdeling met een visum ons land binnen. Pas wanneer de adoptieakte door de rechtbank is gehomologeerd en in de registers van de burgerlijke stand is ingeschreven, is het kind Belg. Alles bij elkaar gaan vaak jaren van wachten voorbij, eer de adoptieouders het kind in hun gezin mogen opnemen.

 

Interview met Dorien

Ik wil liefst dat iedereen zo gewoon mogelijk doet.

 Dorien (17) spreekt met hetzelfde accent als haar streekgenoten. Ze heeft veel vrienden en doet het goed op school. Toch zie je meteen dat ze niet hier geboren is: haar huid is donkerder dan die van haar klasgenoten en haar bouw is zo fijn als die van een prinses. Ze is geboren in India en werd als baby geadopteerd door Vlaamse ouders.

 Wanneer besefte jij dat je geadopteerd bent?

Ik heb dat altijd geweten. Bij ons thuis werd daar nooit een probleem over gemaakt. Ze waren er heel open over. En ik zag ook wel dat ik anders was dan mijn ouders. Ik voel me dus ook een beetje anders dan andere kinderen. Op sommige momenten val je gewoon meer op. Maar ik voel me er niet slechter door.

Heb je het er wel eens moeilijk mee gehad?

Nee, niet echt. Er waren soms wel vervelende momenten, vooral als mensen er een opmerking over maakten. Ik wil liefst dat iedereen zo gewoon mogelijk doet. Soms denk ik er veel over na. Ik heb ook een speciale band met India, het land waar ik vandaan kom. Maar dat is juist fijn.

Verlang jij wel eens naar je biologische ouders?

Ik heb mijn ouders nooit gekend. Ze hebben me verteld dat ze gestorven zijn, toen ik nog maar ongeveer een jaar oud was. Ik heb ze dus niet echt gekend. Soms vraag ik me wel eens af hoe ze eruitzagen, wat voor karakter ze hadden, enzovoort. Dat zal ik waarschijnlijk nooit te weten komen.

Wil jij ooit teruggaan naar India?

Ja. Niet om daar te gaan wonen, maar gewoon op bezoek. Over een paar jaar, als ik er klaar voor ben en er geld voor heb, ga ik het zeker doen. Het is niet mijn bedoeling mijn herkomst echt terug te vinden. Ik ga meer uit pure nieuwsgierigheid. Wat is dat voor een land, waar ik vandaan kom? Hoe ziet het eruit, hoe leven de mensen er, waar zijn ze mee bezig? En hoe zal ik me daar voelen? Ben ik helemaal verwesterd of stroomt er toch nog Indisch bloed door mij heen?

Heb je ooit last gehad van racisme?

Heel af en toe. Maar als er zoiets gebeurt, komen mijn vrienden altijd voor me op. Racistische opmerkingen komen meestal van mensen die me niet kennen. Op de basisschool had ik er ook wel eens last van. Ik reageer daar nooit op. Ik doe alsof me dat niets doet, terwijl dat innerlijk soms heel hard aankomt.

Zou jij mensen aanraden om kinderen te adopteren?

Ja, tenminste als ze echt een kind willen en het hun niet kan schelen of het een meisje of een jongen is. Zo kunnen ze misschien een kindje uit een arm land gelukkig maken.

 

Meer info:

- VAG (Vereniging voor Kind en Adoptiegezin) tel. 050/33 13 58

- De Adoptielijn, PB 111, 9030 Gent tel. 078/152 151

adoptielijn

(Deze dienst, die in 1999 werd opgericht, beantwoordt vragen van jongeren en jongvolwassenen die worstelen met hun afkomst.)

Leestip: Bruin zonder zon, van Diane Broekhoven.