De Geschiedenis van het Regiment

index De korpscommandanten favoriete interesses Afrika plechtigheden.htm De Geschiedenis.htm

                    Je moet de laatste maanden wel op een andere planeet geleefd hebben om niet te weten dat 2005 een bijzondere verjaardag inhoudt voor ons land.  De media hebben sinds het begin van het jaar inderdaad uitvoerig bericht over de gebeurtenissen in de herfst van 1830 die uiteindelijk zouden leiden tot het ontstaan van een  onafhankelijke Belgische Staat.  Reportages, documentaires, artikels en nieuwe boeken, zelfs een groots opgevatte Tv-show in het hartje Brussel op 21 juli, volgden elkaar op met de regelmaat van een klok, om de woelige septemberdagen van 1830 op basis van historische gegevens en documenten te belichten en onder de aandacht te brengen.  Het feit dat 25 jaar Belgisch Federalisme aan deze historische verjaardag zou gekoppeld worden was even voorspelbaar als onvermijdelijk en hoeft dus te verwonderen noch te storen.  Het levert veeleer het daadwerkelijk bewijs voor het democratisch gehalte van onze grondwet die dateert uit die tijd en die o.m. de vrijheid van meningsuiting veilig stelt.

België viert dus zijn 175-ste verjaardag maar dat geldt ook voor het Regiment Carabiniers dat ontstond op de barricades van het Brusselse Warandepark en gevormd werd door enkele patriotten van het eerste uur die vochten maar helaas ook het leven lieten in het streven naar onafhankelijkheid.  Voldoende aanleiding en redenen om bij deze gelegenheid een korte historiek te schetsen van dit Regiment ten behoeve van de grote familie die ontstond na de fusie Carabiniers-Grenadiers in 1992.  Kort want gebonden aan het bestek van dit artikel.  De geïnteresseerde lezer/lezeres kan trouwens uitvoeriger kennis maken met deze historiek in de uitstekende documentatie opgesteld onder leiding van Kolonel SBH b.d. J. Verspreet (2).

X – X - X

Het Carabiniersverhaal begint op maandag 27 september 1830 wanneer de kruitdampen van de gevechten in het Warandepark zijn opgetrokken en de Hollandse troepen van Prins Frederik de stad hebben verlaten.  Bezorgd om de verwoestingen, plunderingen, brandstichtingen e.d. die in de voorbije weken en dagen de hoofdstad hebben geteisterd en geconfronteerd met de onbekwaamheid c.q. de onbetrouwbaarheid en onmacht van de geregelde troepen en de lokale politiemacht en hun chefs om hieraan te verhelpen, vaardigt het Voorlopig Bewind een proclamatie uit om de verstoorde orde en rust te herstellen.  Alle opstandelingen worden opgeroepen en aangemaand wapens en munitie in te leveren.  In het park van Brussel worden door don Juan Van Haelen, de Spaanse bevelhebber van de reguliere troepen, wapens en munitie uitgedeeld aan de opgekomen patriotten die gegroepeerd worden in compagnies en bataljons.  Baron d’Hoogvorst, lid van het Voorlopig Bewind en verantwoordelijke voor de veiligheid in de stad, reorganiseert ondertussen ook zijn Burgerwacht.

Gedurende de rellen en opstootjes van de maand augustus en in de aanloop naar de gevechten van 24 september had een zekere J.B. Van den Elskens dit Borremans, een 26-jarige brouwerszoon uit de omgeving van de oude Graanmarkt in de Brusselse binnenstad, rondom zich een groep van zowat 200 vrijwilligers-patriotten verzameld die hij de “Chasseurs de Bruxelles” heette en die ondergebracht werden in de brandweerkazerne in deze wijk.  Deze groep had o.a. deelgenomen aan de gevechten van 22 en 23 september tegen de naderende Hollandse troepen om zich vervolgens te onderscheiden in de bloedige strijd om de Warande en de toegangen tot het park van Brussel.  Op 27 september worden de Chasseurs de Bruxelles door het Voorlopig Bewind erkend als “geregelde troepen” en aldus –als eerste infanterie-eenheid opgenomen in het nieuwe veldleger.  Aan deze troep worden dezelfde dag nog 200 vrijwilligers uit de streek van Ath toegevoegd.  Aan het hoofd van dit vrijkorps dat nu officieel “Chasseurs de Bruxelles” heet; zowat 450 man telt verdeeld over zes compagnies en een staf en dat een reglementair tenue draagt (blauwe kiel, gekleurde lendenband,zwarte politiemuts met flap en driekleurige cocarde), maakt Borremans snel carrière: majoor op 28 september, luitenant-kolonel op 5 oktober. Graden en bevelsfuncties zijn in die tijd wel meer verbonden aan “verdienstelijkheid” maar worden soms ook “gevorderd en gekocht”(3).

Op 1 november decreteert het Voorlopig Bewind de oprichting van het 1 Regiment Jagers te Voet met als kern de Chasseurs de Buxelles van Van den Elskens dit Borremans. Decreet dat bekrachtigd wordt door het Nationaal Congres bij zijn eerste bijeenkomst op 10 november.  Het zal evenwel nog tot 25 februari 1831 duren vooraleer Borremans, ditmaal als “kolonel” zijn droom verwezenlijkt ziet en effectief commandant wordt van dit regiment dat, verdeeld over twee bataljons, ondertussen is aangegroeid tot 950 man.  Het krijgt Brussel als hoofdstandplaats toegewezen en is o.m. verantwoordelijk voor veiligheid en ordehandhaving.  En hier begint de ster van Borremans te tanen.  Hij raakt , ongewild (?), onbewust (?), verstrikt in een ingewikkeld en onfris kluwen van tegenstellingen, naijver, intriges, beschuldigingen en samenzweringen tussen “republikeinen en monarchisten”, “klerikale en antiklerikalen”, “orangisten, reunisten of ratachisten en belgicisten” die, terwijl het Voorlopig Bewind en het Nationaal Congres pogen een grondwet op te stellen en een koning te vinden voor de nieuwe staat, het politiek klimaat zijn komen vergiftigen.  Op 31 mei 1831 wordt hij door het Hoger Militair Gerechtshof veroordeeld en geschrapt uit de militaire rangen wegens: “het niet bekend maken van een complot tegen de Belgische staatsveiligheid”; het Regiment wordt verplaatst naar Aalst-Dendermonde.  Borremans die de beschuldiging altijd heeft ontkend, zal gratie verleend worden bij het huwelijk van koning Leopold I en de gevangenis verlaten in september 1832.(4)

In het kader van de maatregelen getroffen door koning Leopold I, conform de jonge grondwet chef van het leger, om de dreiging van een inval door Nederland vanuit Maastricht op te vangen, wordt het 1 Regiment Jagers te Voet in juni 1831 ingedeeld bij het Maasleger van generaal Daine.  In de schoot van de 1-ste Brigade betrekt het kantonnementen tussen Hasselt en Tongeren. - Dit wordt de eerste maar niet de laatste kennismaking met Limburg en de 1-ste Brigade!-  Gedurende de Tiendaagse Veldtocht van 2 tot 12 augustus wordt het betrokken bij gevechten in Herderen, Houthalen, Riemst, Kermt en Kortessem.  Deze vuurproef en eerste kennismaking met de realiteit van een echte oorlog werd geen onverdeeld succes voor het jonge en onervaren Belgische Veldleger.  De Jagers te Voet, ingezet per bataljon, gaven blijk van strijdvaardigheid en inzet maar moesten wijken voor een sterkere en meer ervaren tegenstrever.  Dit moest en zou gevolgen hebben inzake organisatie, uitrusting, opleiding en training.

Na de verwachte reorganisatie van het Veldleger per 25 augustus 1831 wordt het Regiment Jagers te Voet opgenomen in de 1-ste Brigade met Hoofdkwartier in Antwerpen. Het wordt gekazerneerd in Berchem, Deurne en Borgerhout.  Het regiment is nu 2.900 man sterk, telt drie bataljons met elk zes compagnies (vier jagers, één voltigeurs en één carabiniers) en een bataljon Depot belast met de opleiding van de nieuwkomers en de logistieke steun van het geheel.  In oktober volgt, alweer , een nieuwe reorganisatie waarbij het Regiment ingedeeld wordt bij de 1-ste Divisie.  De blijvende toestand van “waakzaamheid” t.o.v. Nederland, waarmee wij tot april 1839, (de aanvaarding van het Verdrag der XXIV Artikelen door Willem I), op voet van oorlog zullen blijven, zorgt voor een periode van voortdurende omzwerving en verhuizing naar verschillende garnizoenen door het Noorddeel van het land met het kamp van Diest als draaispil en uitgangsbasis.  In deze carroussel wordt de provincie Limburg het vaakst bezocht.  In 1935 zal het 1 Regiment Jagers te Voet voor de eerste maal zijn intrek nemen in het nieuw opgerichte Kamp van Beverlo dat Diest als basis komt vervangen.  In oktober 1835 keert het 1 Regiment Jagers te Voet terug naar Brussel (één bataljon blijft in Ath) en neemt zijn intrek in twee kazernes: het toenmalige Klein Kasteeltje (het door de Oostenrijkers gerestaureerde oud-kasteel Ansillon) en de “Lorreinenkazerne” in de omgeving van de Grote Zavel.  Het Regiment zou vanaf nu een meer geregeld leven gaan leiden.  Zo werd tenminste vooropgesteld en gedacht!

Bij Koninklijk Besluit (7 augustus 1836) wordt op 1 september  van dat jaar het befaamde Korps der Partizanen  van Capiaumont als vierde bataljon toegevoegd aan het 1 Regiment Jagers te Voet.  Dit vrij-buiterskorps was na de debacle van de Tiendaagse Veldtocht op bevel van de koning opgericht om de uitvalsgarnizoenen van Venlo, Roermond en Maastricht te bewaken en af te schermen.  Bij KB van 20 oktober ’36 kreeg het de naam “Partizanen van Limburg”.  De verantwoordelijkheid inzake rekrutering, opleiding, organisatie en uitbouw werd opgedragen aan Majoor Alexis Capiaumont, ordonnansofficier van Koning Leopold I; hij kreeg hiervoor zéér ruime bevoegdheden.  Capiaumont, geboren in Bergen in 1798 had zeer jong gekozen voor een militaire carrière.  Hij had als officiercadet aan het hoofd van een elitecompagnie Jagers van het Koninkrijk der Nederlanden deelgenomen aan de Slag bij Waterloo en had zich daarbij flink onderscheiden.  In 1829 maakte hij als luitenant deel uit van het 2-de Elite Jagers van het Koninkrijk der Nederlanden met garnizoen in Brussel.  Na de gebeurtenissen van september 1830 trad hij in dienst van het nieuwe België en werd als kapitein toegevoegd aan de Staf van het Maasleger van generaal Daine.  Voor de oprichting en organisatie van het Partizanenkorps zocht Capiaumont inspiratie in de strijd van de Poolse partizanen gedurende hun opstand tegen de Russische Tsaar in 1831.  Het korps dat zes compagnies van 150 man zou tellen bestond uit een mengeling van elite jagers en cavaleristen, uitgerust met een karabijn (later een percussiekarabijn) voorzien van een sabelbajonet of een cavaleriesabel en een pistool.  Het uniform, dat bestond uit een Poolse geklede jas van groen laken, een laken broek met beenstukken, een zwarte lederen gordel met munitietas en een laken politiemuts met een kleurenband die de onderscheiden compagnies aanduidde (deze muts zal later op aandringen van Capiaumont vervangen worden door de Corsicaanse hoed met omgeslagen rand), was voor die tijd zeker speciaal en onderscheidde de Partizaan van de rest van het Veldleger.  Bij de samenvoeging van Jagers te Voet en Partizanen wordt Luitenant-Kolonel Capiaumont de commandant van het nieuwe regiment.  Gedurende zijn commando-periode (1836-1845) zal hij streng de hand houden aan orde en tucht; van nabij de militaire opleiding en vorming van het personeel volgen; veel belang hechten aan de intellectuele, culturele, en fysieke vorming en ontwikkeling van kader en troep; zich bekommeren om het maatschappelijk welzijn van de militairen en hun families.  Dit resulteert in een hoog en algemeen erkend professioneel niveau van het Regiment. Kledij,uitrusting en bewapening worden verder gemoderniseerd en “geuniformiseerd” naar het model van het vroegere partizanenkorps.  Nog steeds onder de dreiging van een inval uit Nederland zwerft het Regiment opnieuw van garnizoen tot garnizoen met het Kamp van Beverlo als draaischijf.  Zijn specifieke commandostijl en de talrijke vernieuwingen die werden ingevoerd onder zijn bevel, bezorgen Capiaumont terecht de vleiende benaming“Vader van de Carabiniers”.  Hij bleek inderdaad een officier en een chef die in conceptie en uitvoering ver vooruit was op zijn tijd(5)

Op 9 juli 1847 wordt de benaming van het regiment bij Koninklijk Besluit opnieuw gewijzigd, het heet voortaan: 1 Regiment Jagers-Carabiniers Het omvat nu drie actieve bataljons met elk zes compagnies, waarvan twee elitecompagnies Carabiniers, en een reservebataljon met een Schoolcompagnie en een compagnie Depot.  Tijdens de sociale onrust en opstanden die in 1848 diverse Europese landen waaronder  Frankrijk, in rep en roer zetten, worden de Jagers-Carabiniers naar de Zuidgrens gezonden ter versterking van de troepen die de revolutionaire indringers moeten opvangen en terugdrijven.  Deze bij herhaling terugkerende opdrachten “grensbewaking” ( 1831-1839: Nederland, 1848: Frankrijk en 1870: Pruisen en Frankrijk) hebben waarschijnlijk inspirerend gewerkt bij de tekstschrijver van de Mars der Carabiniers uit 1872 en verklaren de dringende oproep in de aanhef van deze mars: “Welaan Carabinier:  Te wapen! Te Wapen! Men wil bij ons de vrijheid wegkapen. Te Wapen! Moedig staat op, loopt vlug de grens bewaken”.

Omwille van algemene besparingsredenen worden in augustus 1848 de effectieven van het Regiment teruggeschroefd tot 1200 man in afwachting van een grondige reorganisatie in 1850.  -Er is deze dagen echt wel niks nieuws onder de zon!-  Bij deze reorganisatie worden de voltigeurs van het Regiment Grenadiers toegevoegd aan de Carabiniers die voortaan vier actieve en één reserve bataljon tellen.  Ook het uniform wordt gewijzigd: de kapotjas wordt vervangen door een donkergroene colberttuniek met dubbele rij knopen en een met lichtgele bies afgezette kraag, de broek is van heldergrauw laken.  De Thouveninkarabijn model 1848 komt de Delvigne-Poncharra, die geen voldoening gaf, vervangen en het Regiment heet nu kortweg: Regiment Carabiniers.

De lezer/lezeres die meer wenst te weten over de aanwerving, de opleiding en training, de inkwartiering, de logistieke verzorging en de omkadering van de Carabiniers uit deze periode, zal ongetwijfeld zijn/haar gading vinden in de Kroniek van de Belgische Karabiniers (6) Onthouden wij alvast dat de troep bestond uit zowel vrijwilligers als miliciens die bij loting waren aangeduid en gedurende acht jaar (waarvan vijf jaar effectief onder de wapens) ter beschikking van de natie stonden.  De militiewet van 1853 bracht de actieve diens terug tot twee jaar en zes maand voor de infanterie; Carabiniers en Grenadiers moesten evenwel drie jaar en vier maand “kloppen”.  Conform de reglementering van 1814 waren de gemeentelijke autoriteiten van de garnizoens-localiteiten verantwoordelijk voor de kazerning of legering van de troepen. Onnodig te zeggen dat enge behuizing in oude of aftandse gebouwen (vaak oude kloosters) de algemene regel was.  Als wederdienst dienden de gelegerde troepen wacht- en bewakingsdiensten te verzekeren aan stadspoorten en officiële gebouwen.

In deze belabberde toestand inzake kazernering komt voor de Carabiniers verbetering in 1847.  Na eindeloze palavers besluit de Brusselse gemeenteraad zijn verantwoordelijkheid na te komen en schrijft een bedrag van 150.000 frank in op zijn begroting voor de bouw van een nieuwe kazerne op de plaats van het verouderde Klein Kasteeltje.  De afbraak van het oude gebouw en de nieuwbouw starten in het begin van 1850.  In september 1852 wordt het nieuwe Klein Kasteeltje plechtig ingehuldigd door burgemeester de Brouckère in aanwezigheid van Koning Leopold I, Kroonprins Leopold, de Graaf van Vlaanderen en de betrokken ministers.  Enkele dagen voordien hadden de Staf van het Regiment en twee bataljons reeds hun intrek genomen in hun nieuwe kazerne.(7).

Kazernering in de hoofdstad Brussel betekende ook deelname aan de grote nationale gebeurtenissen en aan het sociaal leven, erewachten en escortes leveren bij bezoeken van vreemde staatshoofden of aankomsten van nieuwe ambassadeurs e.d..  In augustus 1853 wordt het Regiment bij KB andermaal gereorganiseerd en telt nu zes bataljons waarvan twee in reserve.  Regionaal blijft het verspreid over Brussel, Antwerpen en Mechelen.  Dit laat niet alleen toe het hoofd te bieden aan de opdrachten “garnizoensdienst” maar stelt het hoger Commando in staat aan elke divisie één bataljon Carabiniers toe te kennen bij maneuvers en operaties.  Toekenning die steunt op het tactisch gebruik en mogelijke opdrachten die op dat ogenblik gelden voor de inzet van Jagereenheden te voet en te paard.

Besparingen in budget en uitgaven als gevolg van de economische recessie en de schijnbare vrede sinds 1839 -(er is werkelijk weinig nieuws onder de zon!)-, zetten halfweg de eeuw een rem op de werking van het leger.  Deelname aan buitenlandse operaties bood de militairen een welgekomen gelegenheid om te ontsnappen aan de routine en verveling van het leven in garnizoen.  De begeleiding en beveiliging van het nieuwe, door de Europese mogendheden en vooral Frankrijk aan Mexico opgedrongen keizerspaar: Aartshertog Maximiliaan van Oostenrijk en zijn echtgenote Prinses Charlotte, dochter van koning Leopold I, was één van die gelegenheden.  De aanwervingcommissie die in augustus 1864 de inschrijvingslijsten opende in Oudenaarde , ondervond dan ook geen moeilijkheden om vrijwilligers voor deze opdracht aan te trekken.  Het begeleidend expeditiekorps dat in totaal 1600 man zou tellen omvatte naast een bataljon Grenadiers en een bataljon voltigeurs ook een detachement Carabiniers onder het commando van kapitein Loiseau.  Het korps dat voor de gelegenheid in een kleurrijk “Mexicaans” operette-uniform was gestoken, vertrok per schip vanaf half oktober in drie opeenvolgende contingenten richting Vera Cruz.  Na aankomst van alle elementen in Mexico-stad werd vanaf 21 februari 1865 het Keizerin Charlotte Regiment “operationeel”; het omvatte 1.542 manschappen en 15 marketentsters onder het commando van Luitenant-Kolonel Vander Smissen, een gereputeerde vechtjas.  De tragische en dramatische afloop van de expeditie is ons voldoende bekend en de term “fiasco” is dan ook volkomen gepast om de calvarietocht van de Belgische deelnemers aan deze veldtocht aan te duiden: 56 doden, 42 gewonden en 148 overledenen door ziekte is inderdaad een trieste balans.  In januari 1867 scheept het regiment na zijn ontbinding terug in en komt naar huis met in zijn midden de ongelukkige  prinses die na de executie van haar echtgenoot op 19 juni ongeneeslijk krankzinnig zal worden.(8)

X X X

De internationale onrust die, als gevolg van de groeiende spanningen en conflicten tussen diverse Europese staten, vanaf 1866 de politieke scène beheerst zet de regering aan om, onder impuls van koning Leopold II, maatregelen te treffen die de soevereiniteit van het land en de integriteit van het grondgebied  moeten veilig te stellen.  In april 1868 wordt bij wet de militaire inspanning van België vastgelegd; de nationale doctrine en strategie worden hiermee in overeenstemming gebracht evenals de getalsterkte en organisatie van de strijdkrachten.  De Regimenten Carabiniers, Grenadiers en 3 Jagers te Voet vormen samen de 9 Brigade van de 4 Divisie met hoofdkwartier in Brussel.  Het Regiment telt nu 129 officieren en 1.982 onderofficieren en manschappen.  De snelvurende Terssenkarabijn met achterlader en “yagatan-bajonet” (9) vervangen de percussiekarabijn.  De nieuwe karabijn behoort op dat ogenblik met het Pruisisch geweer en de Franse Chassepot tot de beste infanteriewapens in Europa.  De kleuren van de onderscheiden bataljonwimpels worden bij Ministrieel Besluit gewijzigd: rood voor het 1-ste, driekleurig voor het 2-de, geel voor het 3-de en zwart voor het 4-de bataljon; in het centrum van de wimpels staat een jachthoorn met het nummer van het bataljon.  -Het zijn de kleuren en attributen die nu nog terug te vinden zijn in de wimpels en sjerpen van de hedendaagse compagnies- Dit is de toestand van het Regiment wanneer in juli 1870 de oorlog tussen Duitsland (Pruisen) en Frankrijk losbarst.  De Carabiniers worden overeenkomstig hun Jagers-opdracht ontplooid in versterking van het observatieleger tegenover de Oost- en de Zuid-grens met de bedoeling indringing van één van de strijdende partijen te beletten en de aangekondigde neutraliteit van het land te handhaven. - “Welaan Carabiniers: Te Wapen! Te Wapen! Eens te meer.”-  Het Belgisch Leger vervult met succes zijn opdracht en na de Franse capitulatie en de gevangenneming van Napoleon III, die met een Belgische escorte doorheen België naar Kassel wordt afgevoerd, keren de legerkorpsen vanaf 4 september terug naar hun standplaatsen en worden de opgeroepenen huiswaarts gestuurd. Op 27 september wordt het leger terug op vredesvoet geplaatst.

De periode tussen 1870 en 1914, bekend als “la Belle Epoque”, werd voor het Regiment Carabiniers gekenmerkt door een aantal reorganisaties, aanpassingen en andere gebeurtenissen die een bijzondere plaats innemen in zijn historiek: overhandiging van een Regimentsvaandel, verblijf van ZKH Prins Boudewijn in het Regiment, betrekken van het nieuwe kwartier op het Daillyplein, oprichting van een eenheid wielrijders in de schoot van het Regiment, beproeven en uittesten van nieuwe materiëlen.(10).

Vermits de Carabiniers en de Jagers te Voet als “gespecialiseerde troepen” meestal in onafhankelijk bataljonsverband of in steun van een grote eenheid waren opgetreden, werd de noodzaak van een Regimentsvaandel niet aangevoeld.  Na de campagne van 1870 wenst koning Leopold II aan deze tekortkoming te ver-helpen.  Op 20 augustus 1872 worden de korpscommandanten en een escorte van de Regimenten Carabiniers, 2-de en 3-de Jagers te Voet uitgenodigd op het Koninklijk Paleis te Laken om er, in aanwezigheid van talrijke militaire autoriteiten, hun regimentsvaandel uit de handen van de koning te ontvangen.  Begeleid door een eredetachement wordt het vaandel naar het Klein Kasteeltje gebracht waar het voor de eerste maal plechtig aan het verzamelde Regiment wordt voorgesteld.

- * -

Prins Boudewijn, Hertog van Saksen, Prins van Saksen-Coburg en oudste zoon van Prins Filips, de Graaf van Vlaanderen en de broer van koning Leopold II, werd bij ontstentenis van een troonopvolger in rechtstreekse lijn en door de afstand van de opvolgingsrechten door zijn vader, zeer jong de effectieve troonopvolger.  Geboren in 1869 voegt hij zich bij het einde van zijn stages aan de Koninklijke Militaire School (35 Promotie IC) in 1886 als onderluitenant bij het Regiment Grenadiers waar hij de officierseed aflegt in aanwezigheid van de koning en zijn familie.  Het begin van de gelegenheidstoespraak door de koning zal later in de tradities van de Grenadiers opgenomen worden:”Het is niet zonder een diepe ontroering dat…”  .Na zijn promotie als luitenant gaat hij op 10 januari 1889 over naar het Regiment Carabiniers waar hij die dag erkend wordt voor de troep en achtereenvolgens als kapitein en als kapitein-commandant de 1-ste compagnie beveelt tot zijn onverwacht overlijden op 23 januari 1891.  In de korte periode waarin de Prins bij het Regiment verbleef slaagde hij erin door zijn schranderheid, zijn zachtmoedig karakter, zijn belangstelling en zijn inzet, zijn eenvoud en zijn afkeer voor officiële drukdoenerij, zowel bij de troep als bij het officieren- en onderofficierenkader van het Regiment een uitzonderlijke sympathie en bewondering te wekken.  Ook de pers had zich bij herhaling lovend uitgelaten over de troonopvolger.  De verslagenheid bij zijn overlijden was dan ook groot en algemeen.  De massale belangstelling in de straten van de hoofdstad bij zijn begrafenis getuigde van de sympathie die deze prins genoot in de brede lagen van de bevolking.  In februari 1898 schenken HHKKHH de Graaf en de Gravin van Vlaanderen een borstbeeld van hun zoon Prins Boudewijn aan het Regiment als blijvende herinnering aan zijn verblijf bij de Carabiniers.  -Borstbeeld dat thans samen met een levensgroot geschilderd portret van de Prins het bureau van de Korpscommandant cachet verleent-.  Bij de terugkeer uit Duitsland in 1974 en de installatie in het infanteriekamp Leopoldsburg, zal het nieuwe kwartier officieel omgedoopt worden tot Kwartier Prins Boudewijn  Traditiegetrouw brengt een delegatie officieren en onderofficieren onder leiding van de Korpscommandant op 23 januari een bezoek aan de Koninklijke Crypte te Laken om er bloemen neer te leggen aan het graf van ZKH Prins Boudewijn als herinnering aan zijn verblijf in het Regiment.(11)

- * -

De nieuwgebouwde kazerne Klein Kasteeltje die in 1852 aan de Carabiniers was toegewezen, bleek van bij de ingebruikname reeds te klein om de effectieven van het volledige Regiment te herbergen.  Dit tekort aan logementcapaciteit verklaart waarom ondereenheden op andere locaties in het garnizoen Brussel of in andere steden werden ondergebracht.  In 1873 nam de Staat evenwel de verplichting van de kosten van bouw en beheer over van de gemeenten en werd een plan voor bouw en herstructurering van militaire gebouwen uitgewerkt. Zo werd in de Brusselse regio een nieuw hospitaal in gebruik genomen, werd een nieuwe kazerne gebouwd voor het Regiment Grenadiers, bestonden er plannen voor een nieuwe Militaire School en…werd voor de Carabiniers een nieuwe kazerne gebouwd op de terreinen van de verouderde Nationale Schietstand van de Burgerwacht in Schaarbeek.  Deze kazerne was gebruiksklaar in september 1894.  Het imposant rechthoekig complex van 3,5 hectare groot bood plaats aan de vier actieve bataljons en het kadergeraamte van de twee reserve bataljons.  Het hoofdgebouw met de ingang gaf uit op het Daillyplein en bevatte naast de lokalen voor de verschillende stafdiensten ook een paviljoen voor de officiersmess en een vleugel voor gehuwde militairen  Op 12 september marcheert het Regiment, muziek op kop, van het Klein Kasteeltje (dat aan het 9 Linieregiment werd overge-dragen) door de stad naar zijn nieuwe standplaats in Schaarbeek en neemt zijn intrek in de Kazerne Prins Boudewijn.  De intocht en verwelkoming van de Carabiniers is voor gemeente en bevolking aanleiding tot een echt volksfeest waarover uitgebreid en lovend bericht wordt in de pers en waarvan de sociale impact nog jaren voelbaar blijven.  In januari 1895 wordt de officiersmess plechtig ingehuldigd in aanwezigheid van o.m. de Graven van Vlaanderen en van Kroonprins Albert. Hun handtekeningen en deze van tal van andere prominenten sieren de eerste bladzijden van het Gulden Boek van het Regiment dat bij deze gelegenheid geopend wordt.(12)

- * -

In november 1890 ontving het Regiment bij Ministrieel Omschrijven opdracht om in de schoot van de eenheid een experimentele sectie wielrijders op te richten die zou kunnen gebruikt worden bij de volgende divisiemaneuvers.  Deze opdracht wordt toevertrouwd aan de Regimentsschool in Waver.  De sectie is klaar voor operationele inzet in de lente van 1891 en trekt, per fiets, naar het Kamp van Beverlo om technisch en tactisch getest te worden.  De testen geven voldoening en bij wet wordt de oprichting van het “korps der militaire wielrijders” aangekondigd.  Het Regiment organiseert nog een opgelegde proefrit over 3 à 4 dagen en een afstand van 351 kilometer waarbij de bruikbaarheid van de wielrijders-estafetten wordt bevestigd.  En het experiment wordt uitgebreid.  In augustus 1896 wordt bij Ministerieel Besluit aan het Regiment opdracht gegeven een testcompagnie wielrijders samen te stellen voor de herfstmaneuvers. Luitenant Beirlaen, een sportief en gedreven fietser en verdediger van het tactisch gebruik van de fiets in militaire operaties wordt belast met deze opdracht.  Een gedroomde gelegenheid voor de stichter van de TCB (Touringclub van België) en medestichter van het tijdschrift “La Pédale Militaire”, om zijn ideeën in de praktijk om te zetten.  Met succes trouwens want hij zal nadien naar Frankrijk gezonden worden om daar kennis en ervaring te verzamelen over mogelijke materiëlen en hun gebruik.  Zijn rapport en voorstellen zullen in 1898 gebruikt worden als vertrekbasis voor de oprichting van de eerste Belgische “wielrijderscompagnies”.  De Minister van Oorlog beslist in hetzelfde jaar nog in elk bataljon Carabiniers één compagnie wielrijders uitgerust met Belgica-vouwfietsen op te richten.  Deze compagnies krijgen  hoofdzakelijk beveiligings-, verkennings- en liaisonopdrachten bij cavalerie-eenheden toegewezen.  In juni 1911 worden bij een zoveelste reorganisatie van het Regiment de vier compagnies wielrijders gegroepeerd in één bataljon dat onder het commando van Majoor SA Collyns het V-de bataljon wordt.  Deze structuur zal behouden blijven tot bij de vooravond van de Eerste Wereldoorlog.  Op 11 november 1913 wordt het V-de Bataljon volledig onafhankelijk; het wordt aangehecht aan de Cavaleriedivisie en verhuist naar Vilvoorde.  In december wordt deze eenheid officieel Bataljon Karabiniers-Cyclisten; naam die later zal evolueren naar Karabiniers-Wielrijders. Let op het verschijnen van de schrijfwijze Karabinier met “K”….(13)

- * -

Na de experimenten met de compagnies wielrijders, worden de Carabiniers in 1911 aangeduid om de eerste mitrailleurstypes uit te testen die zouden kunnen gebruikt worden door het Veldleger.  Luitenant Van de Putte, een verwoed hondenliefhebber en begaafd hondendresseur, had een paar jaar voordien op eigen initiatief een hondenkar uitgetest voor het vervoer van zware bagages tijdens de lange voetmarsen.  Met een collega-Carabinier bestudeert hij nu de mogelijkheid om hetzelfde transportmiddel te gebruiken voor het vervoer  van deze logge en zware wapensystemen doorheen alle terrein en in oorlogsomstandigheden. Tijdens vergelijkende testen met door paarden getrokken vervoermiddelen worden de hondenkarren superieur bevonden.  In 1912 wordt het Regiment door de Minister van Oorlog aangeduid als pilooteenheid voor de invoering van de Maximmitrailleuse in het Belgisch leger.  Er mochten hiervoor veertig trekhonden aangekocht worden.  Uiteindelijk beslist de Minister tot de aankoop van 104 Maximamitrailleurs voor de infanterie-eenheden.  Met de invoering van deze wapensystemen en de hondengespannen doken nieuwe problemen op inzake organisatie en trainig.  De “vaders” van het project:Van de Putte en Blancgarin, zullen hiervoor de passende handleiding opstellen.

- * -

Nog op de vooravond van de Eerste Wereldoorlog wordt door de regering en het parlement de tot dan toe belangrijkste reorganisatie van de strijdkrachten doorgevoerd. Het contingent wordt verhoogd tot 32.000 man en de diensttijd van de infanterie wordt op 15 maand gebracht.  De organisatie van legerdivisies en brigades worden grondig gewijzigd..  Alle regimenten bestaan voortaan uit een staf, drie bataljons à vier compagnies, drie bataljonsstaven voor ontdubbeling, drie vestingbataljons à drie compagnies en een schoolcompagnie.  Onnodig te zeggen dat deze ingrijpende hervorming de betrokken commandanten en staven voor heel wat problemen stel-den  De beschikbare tijd vóór het uitbreken van de oorlog zal onvoldoende blijken om alle personeels- en materieelproblemen op te lossen.  In volle zomer maneuvers wordt het Regiment op 29 augustus 1913 ontdubbeld in het 1 Regiment Carabiniers en het 2 Regiment Carabiniers(gevormd uit III-de en IV-de bataljon).  Beide Regimenten blijven gekazerneerd in de kazerne Prins Boudewijn in Brussel.  Met deze reorganisatie verloor het Regiment Carabiniers zijn typische eigenheid van Jager-elite-regiment en werd van dan af op dezelfde leest geschoeid als de andere infanterieregimenten.  Bij de mobilisatie en het uitbreken van de vijandelijkheden in 1914 zal opnieuw ontdubbeld worden en ontstaan het3 en 4 Regiment Carabiniers.  Ook de Vestings-regimenten worden gemobiliseerd  Een regiment type 1913 telt nu (theoretisch) 1.633 manschappen waarvan 111 officieren, 195 onderofficieren, 38 muzikanten, 1.289 korporaals, klaroenen en soldaten. Een actieve compagnie omvat 6 officieren, 12 onderofficieren en 80 manschappen.  Bij mobilisatie kan ze opgesplitst worden in twee groepen van 50 man die de kern vormen voor compagnies van ongeveer 150 man  Het “moederregiment” Carabiniers heeft aldus in korte tijdspanne een echte aderlating ondergaan; aderlating die o.m.-resulteert in een gebrekkige encadrering; gebrek dat zich zal laten voelen vanaf augustus 1914.(14)

- * -

Wij herinneren ons allen de tragische gebeurtenissen in Sarajevo die, in de zomer van 1914, de aanleiding vormen voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog en de onmacht c.q. reacties van de Europese mogendheden om de uitslaande wereldbrand te voorkomen of te blussen.  Het neutraal verklaarde België zal door zijn geografische positie niet ontsnappen aan het opganggebrachte inferno van dood en vernieling.  Na het onaanvaardbare en arrogante Duitse ultimatum op 2 augustus volgt de onvermijdelijke inval op 4 augustus 1914.  In een bijzonder Legerdagorder roept Koning Albert Vlamingen en Walen op om vereend de vrijheid en soevereiniteit van het land te verdedigen.  Voor de Carabiniers klinkt opnieuw de kreet: Te wapen! Carabiniers:te wapen…!

De 6 Legerdivisie waartoe alle regimenten Carabiniers en Grenadiers behoren, wordt in reserve van het Veldleger ontplooid in de streek van Waver; de gemobiliseerde klassen 1899 en 1900 vullen de rangen van de Vestingsregimenten aan.  De eerste oorlogsweken (6 tot 18 augustus) bestaan voor de Carabiniers vooral uit het innemen van diverse opstellingen en het veelvuldig wisselen van kantonnement.  Niet erg bevorderlijk voor zenuwen en moreel!  Als gevolg van de Duitse doorbraak en opmars ten Noorden van de vesting Luik en de bedreiging doorheen Haspengouw, moet het Belgisch Veldleger zich terugplooien achter achtereenvolgens: de Gete (Slag bij Halen) de Demer (Aarschot) de Dijle (Leuven) om zich defensief te hergroeperen rond de vesting Antwerpen, de zogeheten “Versterkte Stelling Antwerpen”: de Nationale Redoute.  Om de druk op de Britse en Franse strijdkrachten, die de Duitse opmars naar Parijs trachten op te vangen, te verlichten krijgt het Belgisch leger opdracht de Duitse Noordflank aan te vallen.  Dit zal tussen 25 augustus en 29 september resulteren in drie offensieve uitvallen vanuit de vesting Antwerpen; opdrachten waarvoor het Veldleger uitgerust noch voorbereid was.  De eerste uitval ( 24 tot 26 augustus ) betekende voor Carabiniers en Grenadiers de echte vuurdoop in de gevechten rond Schiplaken en Elewijt.  De uitval kende succes want de Duitsers werden verplicht reserves af te wenden tegen deze bedreiging uit het Noorden. Hij eiste evenwel een zeer zware tol inzake “verliezen”.  Na de terugtocht binnen de perimeter van de vesting Antwerpen hadden de uitvallende troepen meer dan 3.000 man verloren; de Carabiniers telden een 600-tal doden en gewonden waaronder 15 officieren. Ook de tweede uitval (9 tot 13 september) die op initiatief van koning Albert I plaatsvond en de 6 LD met haar Carabiniers en Grenadiers in een brede omtrekkende beweging over Tremelo en Werchter tot in Tildonk op het kanaal Leuven-Mechelen bracht, stootte op hevige weerstand en een krachtige Duitse tegenaanval.  De uitputting nabij na drie dagen intense gevechten en marsen werden de “uitvallers” opnieuw verplicht onder uiterst slechte weersomstandigheden het vertragingsgevecht te voeren richting Antwerpen.  Ook deze maal vielen de verliezen bijzonder zwaar uit: 25 officieren en 1.400 Carabiniers waren gesneuveld of gewond geraakt.  De effectieven waren bij de beide uitvallen zo uitgedund dat de overblijvende Carabiniers werden samengebracht in twee regimenten; het 3-de en 4-de Regiment hielden op te bestaan.  De derde uitval (26 tot 29 september) heeft vooral tot doel bij te dragen tot de verdediging van de Vesting door de aanval te richten op de Westflank van de Duitse aanvallers die ondertussen 130.000 man in lijn hebben gebracht.  De sterkte van de vijand verplicht de Koning de aanvalsobjectieven beperkt te houden tot de omgeving van Londerzeel, Malderen, Ramsdonck.  De aanval bloedt letterlijk en figuurlijk dood tegen deze overmacht; de “uitvallers” worden verplicht terug te plooien en zich op te stellen op inderhaast opgeworpen verdedigingsstellingen.  De Carabiniers reorganiseren zich op 29 september in de buurt van Lippelo, Puurs en Hingene.  Ondertussen is ook de belegering van de Vesting Antwerpen daadwerkelijk begonnen en woedt de slag op de buitenperimeter in alle hevigheid.  Geconfronteerd met de Duitse successen en de groei-ende bedreiging beslist Koning Albert op 28 september de legerbasis Antwerpen (depots, stocks levensmiddelen en munitie, hospitalen e.d.) te verhuizen naar het Westen; de verdediging moet dus standhouden om deze evacu-atie per spoor (slechts één lijn beschikbaar!) mogelijk te maken.  De vestingstroepen waaronder de twee Vestingsregimenten Carabiniers in stelling op de buitenperimeter tussen Lier en Walem, houden inderdaad stand, evenwel ten koste van zware verliezen.  Het 2 Regiment Carabiniers wordt vanaf 4 oktober als reserve van het Leger ingezet om de verdediging van de perimeter op de Nete te versterken.  In dat kader krijgen zij in de nacht van 5/6 oktober opdracht een gecombineerde nachtaanval uit te voeren om de posities op de Nete te herstellen in de omgeving van Duffel.  Een hoogst ongewone en riskante operatie in een onbekend terrein, zonder aangepaste middelen noch enige ervaring, zonder ernstige voorafgaande coordinatie.  De aanval wordt dan ook een volkomen mislukking door de chaos en de verwarring die ontstaat.  De verliezen zijn opnieuw zeer zwaar maar men slaagt er wonderwel in de overlevenden te hergroeperen in de buurt van Duffel.  De evacuatie van de legerbasis nadert haar voltooiing en op 6 oktober beslist Koning Albert, in samenspraak met Britten en Fransen, de Belgische troepen terug te trekken achter de linkeroever van de Schelde.  De uitvalsoperaties worden daarmee afgesloten; de troepen zijn uitgeput door de opeenvolgende zware gevechten en de afmattende lange verplaatsingen te voet.  Antwerpen wordt de eerste eervolle vermelding op het vaandel van de Carabiniers.  Het Belgisch Leger maakt zich klaar voor een diepe terugtocht richting West; terugtocht die uiteindelijk zal eindigen achter de IJzer en die zal overgaan in een vierjarige stellingoorlog waarvan de gruwel en verschrikkingen ons voldoende bekend zijn. 

Het ligt niet in de bedoeling alle acties van de Carabiniers in deze vier jaren oorlog en ellende te belichten; het moge volstaan te verwijzen naar de eervolle vermeldingen die uiteindelijk de regimentsvaandels zullen sieren om te begrijpen dat de Carabiniers betrokken waren bij de cruciale fazes in de gevechten in en om de IJzervlakte en dat zij deden wat van hen verwacht werd: het beste van zichzelf geven en hun faam in ere houden.(15)  IJzer, Westroosebeke, Rumbeke, Tervaete, Veldtocht 1914-1918 (Alle Regimenten), Steenstraet (2 en 4 Carabiniers), Nieuwendamme (3 Carabiniers), Passendale (4 Carabiniers) herinneren inderdaad aan het heldhaftig gedrag en het ultieme offer van zovelen in deze uiterst moeilijke en vaak onmenselijke omstandigheden.  In een gelegenheidstoespraak bij de onthulling van het Dodenmonument voor de gesneuvelde Carabiniers in het Kwartier Prins Boudewijn op 22 oktober 1921 zal Koning Albert I zijn bewondering en waardering voor het optreden van de Carabiniers uitdrukken als volgt: “Ik heb eraan gehouden mij van ganser harte aan te sluiten bij de hulde die gij brengt aan de 2.509 officieren, onderofficieren, korporaals en soldaten van de Regimenten Carabiniers die gevallen zijn voor het land.  Het is een mooie en vrome idee die de oprichting heeft ingegeven van dit monument waarin de namen van onze glorievolle helden staan geschreven.  Hun wapenfeiten sieren een van de kostbaarste bladzijden van de verdediging van België.  De onvergelijkbare dienststaten van de verschillende Carabinierseenheden tijdens de oorlog dwingen de bewondering af.”

Onder  de 2.509 gesneuvelde Carabiniers moet het Regiment ook de dood betreuren van Kolonel SA Bremer die aan het hoofd van zijn regiment tijdens het finale bevrijdingsoffensief sneuvelde op 14 oktober 1918 in de omgeving van Rumbeke.  Zijn naam zal in herinnering gehouden worden door de inhuldiging van de Kolonel Bremerplaats in Schaarbeek in 1930 en de benaming gegeven aan de kazerne die het Regiment vanaf juli 1951 betrekt in Siegen-DBR: Kwartier Kolonel SA Bremer.  Bij de terugkeer naar Leopoldsburg in 1974 wordt deze benaming overgedragen op de Stafblok van het nieuwe Kwartier Prins Boudewijn.(16)

- * -

In januari 1919 zijn de Carabiniers na een kort verblijf in Tienen teruggekeerd in hun vertrouwd kwartier in Schaarbeek. Niet voor lang want in de lente wordt het regiment dat ondertussen is teruggebracht tot het 1 Regiment Carabiniers ingeschakeld bij de bezetting van de Rijn waar het verschillende standplaatsen zal innemen tussen Dusseldorf en Aken.  In 1923 nemen de Carabiniers deel aan de bezetting van het Ruhr-gebied die tot de zomer van 1925 zal duren.

  X

Terug “thuis” neemt het Regiment in 1930 deel aan de luisterrijke viering van het 100-jarig bestaan van de Natie.  In het kader van deze feestelijkheden wordt het op 21 juni vereremerkt met de nestel met de kleuren van de Leopoldsorde.  Op de nationale feestdag van het jubileumjaar verleent Koning Albert het Regiment officieel de toelating de naam van zijn overleden broer toe te voegen aan zijn benaming; voorrecht dat nadien nog slechts éénmaal zal verleend worden ( 12 Linieregiment Prins Leopold).  Sindsdien luidt de officiële benaming: Regiment Carabiniers Prins Boudewijn.  De feestelijkheden worden op 27 november afgesloten met de viering van de 100-ste verjaardag van het Regiment en een grootse parade op de binnenkoer van de Boudewijnkazerne in aanwezigheid van de Koning die de troepen schouwt en de in juni verleende onderscheidingen opspeldt.  Op het afsluitend avondbanket, waar ook de Hertog van Brabant, Kroonprins Leopold aanzit, zegt deze in zijn wederwoord op de gelegenheidstoespraak door de Voorzitter van de Vereniging der Officieren en Oud-Officieren Carabiniers en dezes wens dat ZKH de Graaf van Henegouwen, de pasgeboren Kroonprins Boudewijn, ooit zou mogen deel uitmaken van het Regiment Carabiniers: “Ik ben zeer getroffen door de wens dat mijn zoon op zekere dag op zijn beurt plaats zou nemen in het Regiment waarvan hij de naam draagt.  Indien deze wens werkelijkheid wordt, zal ik fier zijn Boudewijn te zien plaatsnemen in een eenheid waarvan de naam synoniem is voor levenskracht, moed en heldhaftigheid”.

De redenen waarom deze vrome wens niet in vervulling kon gaan zijn ons allemaal bekend; de relatie tussen de Prins en het Regiment met zijn naam bleef wel bestaan.  Zo bracht de jonge Prins in 1937 een uitgebreid kennismakingsbezoek aan het Regiment waarbij hij een ruime uitleg ontving over de samenstelling,de uitrusting en de bewapening.  De gelegenheidsfoto’s met de jeugdige Prins in blauw marinepakje die nieuwsgierig en geboeid luistert naar de uitleg over mitrailleurs en kanonnen die hem verstrekt wordt door de Commandant en de officieren van het Regiment, zijn naast vertederend ook bijzonder opmerkelijk omdat zij haast een  vroege en perfecte afdruk vormen van het beeld en de belangstelling die de latere Koning Boudewijn zal tonen bij zijn bezoeken aan het Regiment en andere militaire eenheden of installaties.  De band tussen de Kroonprins en het Regiment wordt in de daaropvolgende jaren nauwgezet onderhouden. Gedurende vele jaren zal in begin december een delegatie van het Regiment in privé-audientie ontvangen worden op het Paleis om er de Prins, later de jonge Koning het klassieke Sint Niklaasgeschenk te overhandigen: meestal een verwezenlijking in en door het Regiment.

  -

De historiek van het “Interbellum” vertoont nog belangrijke leemten.  Oorzaak hiervan is de inbeslagname van de nationale archieven over deze periode door de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog en de overbrenging van deze archieven naar Rusland door de Sovjettroepen na de inname van Berlijn.  Recentelijk werden deze documenten teruggeven en ondergebracht in een depot in de Antwerpse Kempen waar zij wachten op classering en exploitatie.  Er is dus nog (véél) werk aan de winkel voor de historici.

  X

Ondertussen hebben zich vanaf 1938 opnieuw dreigende oorlogswolken samengetrokken boven Europa.  Voor de tweede maal  in amper 25 jaar stevenen wij af op een verwoestend wereldconflict.  Ook nu stelt België zich neutraal op maar zal het om dezelfde redenen als in 1914 niet ontsnappen aan dood en verschrikking; het zal zelfs erger worden vvor soldaat en burger.  -Eens te meer:Welaan  Carabiniers: Te Wapen! Te Wapen!

Bij de afkondiging van de faze A van de mobilisatie in augustus 1939, op de vooravond van de Duitse inval in Polen en het feitelijke begin van de Tweede Wereldoorlog, bestaat het Regiment, dat onder bevel staat van Kolonel SBH Oor, uit de lichting ’39; de klassen ’36, ’37 en ’38 worden wederopgeroepen en het Regiment wordt gesplitst om de vorming van het 2-de en 3-de Regiment Carabiniers mogelijk te maken. Met de klas ’40 zal het 4 Regiment Carabiniers gevormd worden.  Wij krijgen dus opnieuw toestanden als in augustus 1914: gebrekkige encadrering en materiële uitrusting ! De miraculeuze vermenigvuldiging van de broden blijft dus werkelijk beperkt tot een Bijbelverhaal!.  Opdrachten en defensieve opstellingen volgen elkaar op in versneld tempo.  Op 30 augustus verlaat het Regiment Carabiniers Schaarbeek en het Prins Boudewijnkwartier en zal er nooit meer terugkeren….Over Halle-Ninove (augustus-oktober), Bilzen-Munsterbilzen op het Albertkanaal (november 1939-februari 1940), Lombardsijde-Oostende (rust- en trainingsperiode in maart) belanden zij uiteindelijk opnieuw achter het Albertkanaal, deze keer in de omgeving van Eindhout en Vorst waar zij in barre winteromstandigheden het 2 Regiment Carabiniers aflossen.  Voor derde maal in zes maand beginnen de Carabiniers aan zware veldwerken om een twee echelons diepe verdedigingsstelling klaar te maken.  De buren zijn 5 Jagers te Voet in het Westen, 9 Linie en 1 Grenadiers in het Oosten.  Aan de vooravond van de fatale 10 mei telt het Regiment 95 officieren, 379 onderofficieren, 410 korporaals en 2.908 Carabiniers, verdeeld over drie bataljons à drie compagnies van 230 (!) man en een steunbataljon met één compagnie mitrailleusen, één compagnie anti-tankkannonnen van 47 mm en één compagnie mortieren76 mm.  Dit bataljon wordt verdeeld over de fuselierbataljons. (17)

De eerste drie dagen zijn een periode van bang afwachten, onrust door schaarse informatie en ongecontroleerde geruchten, verwarring en ontgoocheling door een reeks bevelen en tegenbevelen die resulteren in een bevolen terugtocht in de vroege nacht van 11 mei zonder één enkel “contact” met de vijand; een “rechts-om-keer” en terugkeer naar de oorspronkelijke stelling onder vijandelijk vuur op 12 mei; een nieuw, ditmaal definitief, bevel tot terugtocht in de nacht van 13 mei nadat de eerste verliezen geleden zijn. Dit zenuwen vooral krachtenslopend “epos”was slechts mogelijk dank zij een voorbeeldige tucht, een hoog moreel en opmerkelijk uithoudingsvermogen waarvan kader en troep blijk gaven.  De Regimentscommandant, Kolonel SBH Oor, bewees in woord en daad dat ook hij van een uitzonderlijk hoog professioneel niveau was.  - Deze gebeurtenissen zullen in 1976 door Kolonel SBH Verspreet overgenomen worden als basisscenario voor de organisatie van de “Marsen van de Carabiniers”, een jaarlijkse traditie en zware fysieke proef in dezelfde streek (Vorst-Laakdal, Westerlo, Booischot, Tessenderlo),over dezelfde wegen en paadjes, binnen hetzelfde tijdsbestek maar…zonder vijandelijke dreiging.

De terugtocht van achter het Albertkanaal zal het Regiment uiteindelijk via opeenvolgende etappes en evenveel defensieve opstellingen en contacten met de vijand, waarbij vanaf 21 mei ook verliezen te betreuren vallen en er ook stevig gevochten wordt zoals op het afleidingskanaal van de Leie (25 ,26 en 27 mei), in de omgeving van Oostkamp brengen waar de Carabiniers op 28 mei het bericht van de capitulatie en het einde van de vijandelijkheden vernemen.  In afwachting ontwapend te worden, moeten zij zich hergroeperen eerst in Loppem, nadien in Aardenburg.  Vooraleer in krijgsgevangenschap te vertrekken overhandigt de Regi-mentscommandant op 10 juni aan alle Carabiniers een persoonlijk getekende afscheidsbrief waarin hij hen dankt voor de geleverde inspanningen en hen oproept trouw te blijven aan Koning en Vaderland: “…Trouw aan de Koning, onze Chef, die alleen de verantwoordelijkheid voor de leiding van het land draagt, zult gij wachten tot de dagen voorbij gaan en het ogenblik komt waarop U een nieuwe weg wordt aangeduid.  Gij zult Hem op deze weg volgen, vervuld van de kostbare herinnering aan het Regiment waarvan wij de fiere soldaten blijven, en samen met Uw Kolonel die U nogmaals dankt en tot weerziens zegt, zult gij blijven geloven in een betere toekomst voor het Vaderland

Voor hij zich aanbiedt op het gestelde RV in Lokeren gaat Kolonel Oor nog langs Brussel voorbij om het regimentsvaandel, dat hij sinds 28 mei persoonlijk bij zich draagt, in verzekerde bewaring te geven.  Bij zijn terugkeer uit krijgsgevangenschap op 9 juni 1945 zal één van zijn eerste bezorgheden het terug ophalen van dit vaandel zijn.  Een uitzonderlijk en plichtsbewust officier: een boegbeeld in de galerij van de Korpscom-mandanten.(18)

Om het beeld van de 18-Daagse Veldtocht en het optreden van de Carabiniers-regimenten te vervolledigen past het te herinneren aan de heldhaftige gevechten het 2 Regiment Carabiniers rond de brug over het Albertkanaal in Veldwezelt op 10 mei tegen een vijand die geniet van een technische verrassing en superioriteit (het zal hiervoor trouwens de vermelding Albertkanaal op zijn vaandel krijgen) en deze van het 3 Regiment Carabiniers op het Kempisch Kanaal in Arendonk op 12 en 13 mei aan de zijde van het Franse 4-ième Régiment Dragons Portés.  De rekruten van het 4 Regiment Carabiniers zullen geëvacueerd worden naar Moux in Zuid-Frankrijk en nooit bij de campagne betrokken geraken.  Het 1 Regiment Carabiniers van zijn kant zal bij KB van 11 september 1953 de vermelding Slag van België  toegewezen krijgen voor zijn tucht en korpsgeest tijdens deze veldtocht en voor zijn optreden op 26 en 27 mei 1940.

  X

Na de bevrijding van België wordt het Belgisch leger heropgericht en gereorganiseerd.  Er worden met de opgeroepen dienstplichtigen van diverse klassen, vrijwilligers en “anciens” van 1940 vijf brigades samen-gesteld die na hun vorming in België via Schotland naar Ierland worden gezonden voor een versnelde en harde opleiding en training.  Deze brigades dragen een naam die herinnert aan een belangrijk wapenfeit in de geschiedenis van het Belgisch Leger (IJzer, Rumbeke, Steenstraete, Merkem, Deinze).(19)  De 3 Infanteriebrigade “Rumbeke” met o.m .het 1 Bataljon onder bevel van Majoor Leestmans, wordt opgericht in Oudenaerde op 12 maart en vertrekt naar Ierland op 22 maart.  Het is terug in België eind september en vertrekt op 11 november naar Duitsland waar het in Werdohl deel gaat uit-maken van de Bezettingsstrijdkrachten onder Brits commando.

Bij de ontbinding van de Brigade Rumbeke in maart 1946 worden bij Besluit van de Prins Regent van 11 april 1946 het vaandel en de tradities van het 1 Regiment Carabiniers Prins Boudewijn toegekend aan het 1-ste Bataljon van de brigade dat vanaf deze datum het groene kraagschild met de jachthoorn draagt.(20)  Een analoge reorganisatie heeft plaats in de schoot van de 4 Infanteriebrigade “Steenstraete” waar het 2 Bataljon onder commando van majoor Thomas de tradities en het vaandel van het 1 Regiment Grenadiers erft.  De vaandels worden op 4 mei plechtig overhandigd aan de respectieve korpscommandanten op het Poelaertplein in Brussel.  En dan begint een reeks van opeenvolgende verhuizingen in het bezette Duitsland die het Regiment uiteindelijk op 12 juli 1951 naar Siegen brengt waar het zijn intrek neemt in het Kwartier Kolonel SA Bremer. Het zal hier blijven tot zijn terugkeer naar België in mei 1974.

- * -

Bij de 125-ste verjaardag van het Regiment Carabiniers beslist de gemeente Schaarbeek het peterschap te aanvaarden over het Regiment dat sinds 1894 op zijn grondgebied gestationeerd was.  Tijdens een indrukwekkende parade op het Daillyplein ontvangt de Korpscommandant, Majoor Horion, op 2 oktober 1955 de plechtige aannemingsoorkonde uit de handen van burgemeester Blum.  Dit peterschap zal in de volgende jaren zorgen voor goede relaties met het Gemeentebestuur, het politiekorps en de bevolking van  Schaarbeek.  Zo kon, dank zij de medewerking van de gemeentelijke autoriteiten, het monument dat ter herdenking van de gesneuvelde Carabiniers in oktober1921 in het kwartier Prins Boudewijn aan het Daillyplein werd ingehuldigd, bij de ontmanteling van deze kazerne in 1980 gered worden.  Het werd overgebracht naar en weer opgebouwd in de L. Bertrandlaan in Schaarbeek.  Het is sindsdien het verzamelpunt geworden voor de jaarlijkse herdenkingsplechtigheid georganiseerd door de Verbroederingen met medewerking van het gemeentebestuur bij gelegenheid van de Dagen van de Carabiniers in de maand oktober.  Externe factoren zoals communautaire heibel en politiek gekibbel waren er oorzaak van dat de relaties en samenwerking tussen “peterstad en petekind” delicater en dus minder intens werden.

In de geest van integratie in de Natie en goede nabuurschap, ging het Regiment op 9 april 1992. in op het aanbod van de gemeente Tessenderlo om een nieuw peterschap aan te gaan.  Zo ontstond een nieuwe en vruchtbare relatie.  Sindsdien zijn de Carabiniers graag geziene (ere)gasten op tal van officiële plechtigheden en sociale en culturele gebeurtenissen in hun peterstad.

De 150-ste verjaardag van het Regiment in 1980 ging gepaard met en aantal feest- en herdenkingsplechtigheden uitgesmeerd over het activiteitenprogramma van dat jaar: onthulling van het monument 1 Carabiniers in Vorst-Laakdal bij het afsluiten van de 5-de Mars van de Carabiniers, onthulling van het heropgebouwde Dodenmonument in Schaarbeek  en onthulling van het monument “150 Jaar Carabinier” van de hand van Aalmoezenier Herregods in het Kwartier bij gelegenheid van de Regimentsfeesten, inhuldiging van het vernieuwde stadsmonument op het marktplein van Tessenderlo op het Feest van de Koning, galaconcert met de Muziekkapel van de Gidsen in Leopoldsburg, uitgave van een luxe-editie van de “Carapat” met een bijgewerkte historiek van het Regiment, uitgave van een herinneringssticker, deelneming aan het roependefilé op  21 juli, ontvangst van President Mobutu van Zaire op Zaventem, uitreiking van de nieuwe infanteriemuts, met als toetje en kers op de taart de kampioenstitel in het Militair Voetbalkampioenschap.  Het werd een welgevuld jaar…

-*-

In het kader van de reorganisatie van de Strijdkrachten in het algemeen, de Landmacht in het bijzonder, als gevolg van de gewijzigde politieke en militaire toestand in West-Europa na de val van het IJzeren Gordijn in 1989 en de haast waarmee sommige politieke verantwoordelijken meenden het “vredesdividend” te moeten opeisen, beslist de Stafchef van de Landmacht een aantal eenheden  te ontbinden, af te schaffen of naar de reserve over te plaatsen.  Deze beslissing lokt omwille van de gevolgde werkmethode heel wat commentaren, kritiek, protesten en tegenvoorstellen uit (21))  De Stafchef blijft evenwel bij zijn beslissing, zij het in licht gewijzigde vorm, en beveelt o.m. de fusie tussen 1 Carabiniers en 1 Grenadiers.  Bij gelegenheid van de “Dag van de Landmacht” wordt op 27 juni 1992, in aanwezigheid van ZKH Prins Filip, tijdens een wapenschouwing op het Chazalplein in Leopoldsburg, de fusie geconcretiseerd door de overhandiging van het Grenadiersvaandel aan de korpscommandant Carabiniers: Majoor SBH M. De Muyer, die aldus de eerste korpscommandant wordt van het nieuwe Regiment Carabiniers Prins Boudewijn – Grenadiers.  In de namiddag worden in het Kwartier de eerste Regimentsfeesten van de nieuwe eenheid gehouden.  Een nieuwe geschiedenis kan beginnen….

  X

Met de fusie 1992 verloren de Carabiniers een stuk “eigenheid”, kwam er een eind aan ruim 160 jaar “groen-gele” geschiedenis.  Verlies dat voor sommigen die een belangrijk deel hiervan hadden gekend en beleefd, moeilijk te aanvaarden en te verteren bleek.  Een gevoel dat om evidente redenen ook aanwezig is bij de andere betrokken partij  De nostalgische zielen onder ons moeten evenwel aanvaarden dat de historiek van een regiment meer is dan een relaas van data, feiten, daden en gebeurtenissen die om de duur een eigen leven gaan leiden.   Het is vooral, en op de eerste plaats, het verhaal van een groep mensen die bezield door een zelfde gevoel van plicht, verantwoordelijkheid, trouw en samenhorigheid, op verschillende tijdstippen en in diverse omstandigheden bewezen hebben dat zij het in hen gestelde vertrouwen door Vorst en Natie waardig waren.  Misschien kan de lectuur van de geschiedenis van beide regimenten de twijfelaars overtuigen dat deze samenhorigheid c.q. samenwerking als een rode draad loopt door de gemeenschappelijke geschiedenis van Carabiniers en Grenadiers: twee regimenten die zich terecht kunnen en mogen beroepen op een glorierijk verleden.  Nu telt evenwel het heden en de toekomst.  Ter overweging: afscheidnemend Divisiecommandant Generaal-majoor J. Segers zei bij zijn afscheidsparade op het ereplein van het Regiment op 26 juni 1979 terecht: “Een eenheid heeft geen waarde door wat zij vroeger heeft gedaan, wel door wat zij vandaag kan en morgen zal kunnen”.  In die zin ziet de toekomst van het Regiment Carabiniers-Grenadiers er, naar mijn gevoel althans, zéér hoopvol en veelbelovend uit.

 

                                                                                                                          W. V.

                                                                                                          64-ste Korpscommandant


 


(1) Rolf Falter. 1830 De scheiding van Nederland, België en Luxemburg.  Uitgeverij Lannoo 2005

(2) J. Verspreet. Kroniek der Karabiniers . 4 Delen.

(3) Rolf Falter ops. Cit. blz 129  &  Prof L. Devos. Belgische militaire geschiedenis aan de hand van documenten.  KMS.  Blz 5. & J. Verspreet Ops. Cit. Deel 1 blz 3

(4) J. Verspreet . ops. Cit. Deel 1 blz 8

(5) J. Verspreet. Ops. Cit. Deel 1 blz 21

(6) J. Verspreet. Ops. Cit. Deel 1 blz 32 en L. Devos. Ops. Cit. blz 17

(7) J. Verspreet. Ops.Cit.  blz 43 & L. Devos ops.cit. blz 24

(8) J. Verspreet. Ops. Cit. Deel 1 blz 48  & L. Devos. Ops. Cit.  blz 47

(9) Bajonet in de vorm van een Turkse sabel met gebogen kling , voorzien van een haak om een aanval met lans door cavalerist op te vangen en af te weren.

(10) J. Verspreet.  Ops. Cit. Deel 1 blz 57

(11) J. Verspreet. Ops. Cit.  blz 67

(12)  idem  blz 137

(13) Bij decreet van het Voorlopig Bewind  (16 oktober 1830) was Frans de officiële taal in het leger. Decreet bevestigd door Nationaal Congres in februari 1831. De Franse benaming voor “karabijn” werd overgedragen op de gebruikers.  In de militaire briefwisseling wordt sindsdien de benaming Carabiniers gebruikt.  Ook de dag van vandaag.  Om praktische reden verkies ik deze schrijfwijze te behouden.

(14) J. Verspreet. Ops. Cit. Deel 1 blz 152

(15)  De veldtocht 1914-1918 wordt uitvoerig beschreven in Deel 2 van de Kroniek der Karabiniers door J. Verspreet

(16) J.Verspreet. Ops. Cit. Deel 1 blz 143, Deel 2 blz 170

(17) R. JJ. Everaert.  Avec le Régiment des Carabiniers Prince Baudouin à la Campagne des XVIII jours. Ad Goemare Bruxelles 1952. Omstandig relaas van de Veldtocht in de schoot van het Regiment Carabiniers²     

(18) idem. Blz 533 & 570

(19) De Belgische Landmacht 1945-1980.  Forum van de Landmacht 1982. Blz 23

(20) De groene kraagspiegel afgeboord met gele bies stemt overeen met de kleuren van het Carabiniersuniform dat bij KB op 5 maart 1850 werd vastgelegd.  De jachthoorn behoort sinds 1870 als attribuut bij het uniform van de Carabiniers en herinnert aan de oorsprong van het Regiment.  Het naoorlogse mutskenteken met infanteriekroon en de letter “B” is een ontwerp van Luitenant-Kolonel Vigoureux, 44-ste korpscommandant

(21) ) Geschiedenis van de Belgische Regimenten Grenadiers 1993 Vierde deel blz 177 en bijlage 00.