EEN GEPLUNDERD EN GESTUT HUIS

Welke eieren gaat 2010 in de korf van Guatemala leggen? Ik herinner me nog levendig de woorden vorig jaar van een Europarlementslid met een hoge functie: “Guatemala dreigt een mislukte staat te worden.”

De nodige ingrediënten zijn alleszins voorhanden: een ondermijnde staat, een vederlichte staatskas, een zwakke regering, buschauffeurs als aangeschoten wild, honger en ondervoeding bij de bevolking, homeopathisch verdunde diensten in de gezondheidssector, het onderwijs, de huisvesting en onder de boerenbevolking, springlevende maffia en een kerngezonde georganiseerde misdaad, een Congres dat wetten in het belang van het algemeen welzijn afremt, magistraten die doof zijn voor de roep van het volk om gerechtigheid en weigeren om de stal van Justitie uit te mesten en te zuiveren van corruptie, de tendens om het recht in eigen hand te nemen en misdadigers standrechtelijk en collectief op straat te lynchen, voortschrijdende concentratie van gronden in handen van minder eigenaars, een leger dat glunderend weer de straat op kan, weliswaar als begeleiders van de Nationale Civiele Politie, de weigering van de rijke elites om meer belastingen te betalen en de voortdurende dreiging van een staatsgreep, de ongehinderde plundering van de grondstoffen en de rijkdom van het land door buitenlandse, ook Europese, bedrijven.

Geen gunstig gesternte
2010 is niet van start gegaan onder een gunstig gesternte. Als de regering al bereid gevonden zou worden om diepgaande structurele veranderingen door te voeren, stoot ze onvermijdelijk “op een holbewonersoppositie en wil daarom zowel God als de duivel te vriend houden,” zoals journalist Miguel Angel Albizures het uitdrukte.
Zo zien we dat de regering vandaag volkskeukens opricht, kliniekjes op vier wielen het land instuurt, arme gezinnen zakgeld toestopt om hun kinderen de school in te krijgen. Maar tezelfdertijd omdat ze boerenfamilies, die plaats moeten maken voor de ontginning van ertsen en voor de uitbreiding van grootschalige aanplantingen van suikerriet voor bio-ethanol en Afrikaanse palm voor biodiesel, dikwijls met geweld van hun gronden. En stelt ze zich tevreden met de aalmoes van 1% op de winsten van al het goud, zilver en nikkel dat buitenlandse bedrijven wegsleuren.


Het gevaarte stutten
Guatemala lijkt soms op een huis dat, geplunderd, op invallen staat. Maar dan snellen van alle kanten buitenlandse regeringen en internationale instellingen toe in een poging om het gevaarte te stutten met hun permanente aanwezigheid, vergezeld van geld, programma’s en advies. De vraag die men zich hierbij kan stellen is of hun eerste belangstelling uitgaat naar het welzijn van het wankele huis dan wel van dat van hun aanwezige bedrijven.

Maar ook tal van internationale NGO’s zijn actief en steunen de waaier van de Guatemalaanse “civiele maatschappij,” bewust als men is van het feit dat het uiteindelijk de bevolking zal zijn die een nieuwe samenleving moet opbouwen. Daar doorheen wriemelen de ontelbare solidariteitsgroepen, die men in België de “Vierdepijlerorganisaties” is gaan noemen en die samen met de inwoners in de volkswijken rond de stad of in het binnenland waardevolle projecten opzetten.

Een opsteker voor zowel de mensen van hier als van Guatemala. Als men dan bedenkt dat er, in vergelijking met de tijd van de militaire dictatuur, nu meer politieke vrijheid en democratische ademruimte is, kunnen we hopen dat het huis, in plaats van in te vallen, uitgebouwd wordt tot een stevig onderkomen voor de hele bevolking.


Guido De Schrijver