Eén van de leden van de studentenvereniging van de staatsuniversiteit San Carlos (USAC) tussen 1975 en 1979 merkt op dat “de studentenbeweging kan rekenen op een politiek bewustzijn, historisch gegroeid en overgedragen van leider op leider over verschillende generaties heen.
Geplaatst voor dezelfde sociopolitieke situatie wordt het heersende regime vroeger en nu nog altijd in vraag gesteld.” Eén van de leiders van de nieuwe generatie van de studentenbeweging is Calixto Morales, van de “Nationale Organisatie van Guatemalteekse Studenten” (ONEG). Dat is de enige studentenvereniging van het middelbaar onderwijs. Ze wil een integrale educatieve hervorming, staat de studenten van de middelbare scholen bij en creëert en verbreedt de mogelijkheden voor de studenten om te participeren.
Morales zegt dat “de student gehoord moet worden omdat hij of zij een mening heeft, rechten heeft, zich wil uitdrukken, activiteiten wil organiseren en hiervoor kansen moet krijgen.
De student moet zich kunnen organiseren om zijn of haar mensenrechten te verdedigen”. Sinds ze vanaf juli 2006 intense acties organiseerden, onder andere een persconferentie en verschillende mobilisaties, zijn al verscheidene leden van de ONEG bedreigd. “
We kregen dreigtelefoontjes, werden aangevallen en onze gsm werd gestolen. Een medewerker uit Cobán kreeg zelfs doodsbedreigingen. De daders hebben informatie die we via de telefoon uitwisselden. Ze kenden vergaderplaatsen en uren, wisten wanneer iemand zijn of haar huis verliet. Ook stelden we verschillende keren vast dat één van onze deelnemers achtervolgd werd.” Morales verklaart dat hij ondanks alles toch voortgaat met de beweging omdat participatie één van de weinige middelen is waarmee de angst vernietigd kan worden die heerst in de Guatemalteekse samenleving.
Hij voegt eraan toe dat een samenleving zonder deelname van de jeugd dood is, aangezien er geen vernieuwing van ideeën is en strijdbaarheid aan de basis ontbreekt. Volgens Alfonso (Poncho) Bauer Paiz “gaan de onderdrukking en het geweld tegen de beweging voort, niet zoals in de jaren ‘80, maar wel constant. ”
De jongeren moeten zich verenigen, opdat de samenleving hun rechten zou respecteren.” Morales merkt ook op dat “elke organisatie natuurlijk haar eigenheden heeft en daardoor zijn de strijdpunten verschillend. Maar we zouden moeten streven naar hetzelfde doel. Soms zitten we op de goede weg, niet altijd.”
Godínez, een derde woordvoerder, legt uit dat “de situatie veranderd is. Vroeger was het anders…, dan werd je tegengehouden door de repressie, de politie, alles, de religie, maar nu hebben de jongeren af te rekenen met andere bedreigingen van het huidige systeem. Heel het bombardement door de reclame, de televisie en de videospelletjes, heel de ideologie van het geweld is nu veel toegankelijker.” Morales spreekt ook over een cultuurwijziging die de jeugdbeweging verzwakt: het ontstaan van de ‘anti-waarden’, een term die bijvoorbeeld verwijst naar de versterking van het individualisme en de bevordering van het egoïsme.
Deze culturele verandering zorgt ervoor dat elkeen begint te kijken naar wat alleen interessant is voor hem of haar, niet naar wat belangrijk is voor de ander. Toch kan men, zelfs met deze culturele veranderingen, zien dat de studentenbeweging in Guatemala vandaag voor dezelfde uitdagingen staat als die van vroeger. ‘Don Poncho’ herinnert ons eraan dat “de verandering van de jeugd zelf moet komen, en zo is het altijd geweest in de geschiedenis van Guatemala.”