home

poëzie

proza

essay

inzendingen

redactioneel

links

In het landjuweel

Afgemeten aan het aantal literaire wedstrijden gaat het goed in Letterenland. Pluspunt blijft dat dit literaire circuit gedegen werk van dichters tegen het daglicht houdt dat buiten de canons valt van commerciële uitgeverijen en tijdschriften. In voorliggend blad brengen we daar enkele voorbeelden van.

 Het aantal wedstrijden is nauwelijks te overzien. De kwaliteit ervan wisselend en de impact op doorbraak of erkenning van de laureaten onduidelijk. De winnaars wacht de kortstondige roes van de erkenning. De verliezers vinden troost in de stelligheid dat de jury niets begrijpt van waar het in poëzie om gaat. Nog meer helend moet voor hen de uitspraak zijn dat literaire prijzen vooral hulde brengen aan de middelmatigheid. Waarom ze er dan aan meedoen? Te gęnant die vraag, waarop de gedupeerde meewarig wegkijkt naar de volgende gelegenheid om zijn of haar kunnen te bewijzen.

 Laatst was ik als ‘VIP’ uitgenodigd op de uitreiking van zo’n literaire prijs. Volgens de uitnodiging werden enkele ‘belangrijke literaire journalisten’ uitgenodigd. Toegegeven. Mijn ego tuimelde uit mijn borst van opwinding, al bleef een vervelend fluisterstemmetje herhalen dat ik niet ‘belangrijk’ ben, niet eens een ‘literaire journalist’. Op de gebruikelijke receptie en de al even obligate maaltijd hoofdzakelijk goedgebuikte heren en onder lagen cosmetica gemaskerde dames: het lokale ‘chic’ en lieden die dit soort evenementen te baat nemen om te zien of gezien te worden.

 Het lijkt of Justus de Harduwijn[1] elk ogenblik in het deurgat kan verschijnen. In het tegen duur geld gerenoveerde établissement blijft het oude zich eindeloos herhalen. Het obscene is wat zich toont. Ik zie hoogwaardigheidsbekleders, hoog opgooiende gesprekken van goedverdienende burgers, maar weinig wat erop kan wijzen dat het om een literair gegeven draait. Literatuur houdt niet van dit soort salons. Literatuur dient zich nauwelijks aan. Literatuur is iets wat achteloos op schouders tikt. Een machteloos verzoek van de schrijver tot dialoog met de lezer.

 Aan tafel val ik samen met een handvol journalisten en een dame die tot de jury blijkt te behoren van de uit te reiken literaire prijzen. De mot zit er al van bij de aanvang in: “Hoe de selectie van inzendingen was gebeurd?” “Hoe de jury was samengesteld en hoe de bekendmaking van de wedstrijd was verlopen?” “Welke criteria de dame als jurylid zelf hanteerde?” De vragen zijn van de hand van een journalist van een lokale TV zender. De snoodaard.

 Spreken is goed. Zwijgen is beter. De ogen van het jurylid spijkeren de journalist vast aan een denkbeeldig kruis waartegen hij blijft hangen als een soepmorsende Christus. Naarmate haar argumenten dichtslibben onder een dijkbreuk van woorden stijgen wrevel en spanning tot liphoogte. De dame zet de spurt in naar haar Groot Gelijk en wijkt niet meer af van haar lijn. Zij kijkt niet eens om of iemand nog volgt. Het bedenkelijke ligt minder in wat zij ‘goed’ vindt dan in wat zij afkeurt. Uit alles wat zij ‘verkeerd’ vindt in de etalage van het literaire aanbod vernemen we wat ‘literatuur’ en ‘kunst’ voor haar behoren te zijn. Ons pleidooi voor enige voorzichtigheid en ‘clementie’ voor al het andere wat buiten haar bereik ligt valt in dovemansoren. Laat het een troost betekenen voor de verliezers van literaire wedstrijden.

 Critici kunnen schrijvers des te meer waarderen naarmate zij meer op hen gelijken. Veelal zitten ook zij gevangen achter de tralies van hun eigen subjectiviteit. Er is geen ontkomen aan. Uitgedaagd komen zij vaak niet veel verder dan wat verdoezelende retoriek. Anderen heiligen een vermeende objectiviteit welke beroep doet op ‘feiten’. ‘Feiten’ bestaan echter enkel in de mate men er aandacht voor heeft, ze in ons bewustzijn ‘een belletje laten rinkelen’. Onder die objectiverende blik worden gedichten bedacht met kenmerken, welke vervolgens verondersteld worden te behoren tot het gedicht zelf. We vergeten gemakkelijk dat kenmerken worden ‘toegeschreven’ en zo meer deel uitmaken van onze eigen betekenisgeving dan van het gedicht op zich. Het ontleedmes van de literaire analyse verwacht van het gedicht dat het zich gedraagt als een wetenschappelijk feit. Hoe meer die verdingelijking plaats ‘grijpt’, des te meer trekt het gedicht zich terug achter wijkende oevers. Tussen het gedicht en de blik van de criticus gaapt een kloof welke geen poëtica kan dichten. Elk weten immers belemmert het zicht.

 Hugo Verstraeten

[1] Justus de Harduwijn (1582-1636), Zuid-Nederlands Rederijker.

 

Redactioneel

 L.S.,

 Zelfs de intiemste dagboeken blijken geschreven om ooit door iemand gevonden en bijgevolg ook gelezen te worden. De eerste mens was een groep beweert pater Teilhard de Chardin: mens zijn is in relatie treden. De taal is het instrument bij uitstek van deze verbondenheid. Communicatie als koppelteken tussen individuen die op zich niet kunnen bestaan.

 Ik werkte met psychisch vastgelopen kinderen. Wanneer zij zich vrij en projecterend in schilderijen konden uiten brachten zij in hun werkjes thema’s naar voren die daarbuiten niet bespreekbaar waren. Zij leken in die beveiligde context vooruit te lopen op een potentiële ontmoeting met een helpende en liefdevolle volwassene. Dit geldt in bepaalde opzichten eveneens voor een van de belangrijkste artefacten door de mens ooit voortgebracht: het schrijverschap. Schrijven is een ‘zich uitspreken’: niemand spreekt voor zichzelf. Het zou om te beginnen weinig getuigen van geestelijke gezondheid. De schrijver schrijft vanuit het besef dat er iemand meekijkt. Meeleest in dit geval. Het doet me denken aan een uitspraak over het geweten: het is een innerlijke stem die ons waarschuwt dat  iemand ons ziet.

 Er is altijd een veronderstelde lezer. Hoe breed of select dit toekijkende publiek is laat ik in het midden. Misschien moeten we schrijvers meer benaderen vanuit hun ingebeelde publiek. Voor wie schreef Van Ostayen zijn ‘Bezette stad’? Wie keek over de schouder mee toen Claus aan ‘Een geverfde ruiter’ werkte? Was het een criticus, een uitgever? Een geliefde? Enkele intimi, linkse of rechtse massa’s of betrof het een schim die niet uit het eigen spiegelbeeld kon wijken?

De relatie tussen de schrijver en zijn publiek levert interessante gezichtspunten. Aan de ene kant is het maar de vraag of de schrijver en de literatuur in het algemeen wel zo’n autonome positie heeft. Of de schrijver niet meer dan hem lief is gestuurd wordt door uitgevers en hun markten, op hun beurt flirtend met aan modes en trends gekoppelde grillen van het publiek. Wat dat publiek bereid is te waarderen of te betalen bijvoorbeeld. Tot welke sociale of culturele klasse het behoort. Lezers maken hun schrijvers. ‘Een geverfde ruiter’ uitgegeven in Gezelles 19de eeuw zou een literair non-event betekenen. Omdat niemand het pennengewricht als literatuur kon herkennen.

 Lezers stellen aan hun schrijvers vragen als: wat bedoelt hij? Wat betekent dit? Waar wijst hij naar? Toch kunnen die vragen maar gesteld worden omdat de vraagsteller daar al weg mee weet, zijn of haar antwoord minstens gedeeltelijk al klaar heeft. Schrijven houdt in dat men tekens volgens bepaalde regels over een (meestal) wit vlak verdeelt. Schrijvers bedoelen met die tekens bepaalde dingen. Zij betekenen. Maar begrijpt de lezer hun bedoeling? Betekenen lezer en schrijver hetzelfde? Wittgenstein wees er op dat dit niet het geval is, niet omdat in dit taalspel de lezer de regels niet kent, maar omdat hij al een ander spel beheerst. Schrijvers worden door hun lezers zelden goed begrepen. Woorden zijn uniforme tekens die verscheidene functies kunnen hebben, die bij verschillende lezers verschillende betekenissen of ervaringen oproepen. Net als de visuele waarneming is lezen geen passieve receptie. Het oog is geen neutrale lens, heeft meer weg van een diaprojector. Het menselijke brein projecteert betekenissen op zinloze en op zich inwisselbare tekens. 

Literatuur sterft niet bij gebrek aan schrijvers, maar bij gebrek aan publiek. Wie schrijft die blijft, echter enkel als de schrijver nog gelezen wordt. Misschien moet in het wereldje der letteren meer recht gedaan aan de lezer. Elk gedicht heeft vele schrijvers. Lezen is herschrijven. Meeschrijven op zijn minst.

 Hugo Verstraeten