home

poëzie

proza

essay

inzendingen

redactioneel

links

 

 

Het huis in de schaduw

1

Het huis sneed een grijs vlak uit tegen de toch al grauwe lucht. Het verbrak nauwelijks de leegte rond het dorp dat iemand met reusachtige duimen uit de polderklei boetseerde. Een vermoeid gebaar van steen en glas. Ondanks eerste tekenen van verval  viel het op door de eigenzinnige stijl, die het op de verbouwdrift van verschillende eigenaars had weten te vrijwaren. Afbladderende verf en gebroken glas lieten langdurige leegstand vermoeden.

“Kan enkel de prijs drukken,” probeerde Lizzy  terloops terwijl ze in de handspiegel wat rouge op haar lippen mompelde. Dat deed ze meer, terloopse dingen mompelen, haar gedachten schijnbaar bij enkele overbodige handelingen zoals pluisjes vlooien, kleren schikken, lippen tuiten voor een laatste vleugje rood. Stellig, alsof zij nooit een antwoord verwachtte. Ze bekeek de dingen graag vanuit een zakelijk gezichtspunt. Liet bredere opties en keuzes graag aan anderen over. Zelfs als het de wil van Hendrik betrof hier in dit gat te komen wonen. Zij was de stad gewoon en huiverde bij de gedachte hier geen winkels bij de hand te hebben. “Het stinkt hier naar modder,”  vond ze. Maar ze volgde hem. Zelfs hier. Het was bijgevolg met meer dan nieuwsgierige belangstelling dat zij het huis bezochten. Hendrik was er meteen voor gewonnen.

Geld was niet echt een probleem. Bij de dood van haar vader was Lizzy Ramaekers de enige erfgename. Hendrik noteerde onverschillig hoe voor hem en Lizzy in één klap alle financiële problemen van de baan waren. Want hij was rijk, de oude Ramakers. ‘Welstellend,’ deed Lizzy dunnetjes over. Daarmee meteen aangevend dat ze niet zou ophouden elke frank tweemaal om te draaien voor ze hem uitgaf. Eens de beslissing tot aankoop van het landhuis genomen nam Lizzy de zakelijke afwikkeling op zich. Want daar was ze zoals bekend goed in: in bedingen op prijs, het treffen van praktische schikkingen. Het zakeninstinct dat ze van haar vader had wist ze in haar voordeel te benutten.

Hendrik Leenders was nooit honkvast. Hij had in alle provincies gewoond. Zijn baan als vertegenwoordiger van een bedrijf dat handelt in boormachines bracht hem in alle hoeken van het land. Hij stelde zichzelf graag voor als een moderne nomade. Reisde van hot naar her. Verbleef in groezelige etablissementen zowel als in schreeuwerige, te duur betaalde hotels. Huurde  uit praktische overwegingen woningen die hem nooit bevielen. Te duur of te goedkoop, te groot of te klein en altijd bleken ze hun tekorten voor argeloze huurders te verbergen. Hij bleef er nooit lang, elk verblijf slechts een voorlopig oponthoud, het kortstondig opschorten van een reis die hij met groeiende tegenzin ondernam. Wanneer de oude Ramaekers  sterft kan Hendrik zich vestigen waar hij dat altijd wilde: de uitgevlakte polders in de uiterste Westhoek van het land.

 Ze deed een gewaagd bod en was door de geacteerde verbazing van de makelaar niet het minst uit haar lood geslagen.  Het statige landhuis lag binnen het bereik van de zee. Uit elk raam viel het landschap langgerekt en traag naar binnen. “Cottagestijl ,” probeerde de makelaar en het had als een rechtvaardiging geklonken voor de gedurfde koopsom die hij gespeeld vanzelfsprekend liet volgen. “Veel te hoog,” had Lizzy al klaar. Zij wees op de gevorderde staat van verwaarlozing en de oplopende restauratiekosten. Als aannemersdochter mocht zij met kennis van zaken spreken. Haar zelfverzekerd optreden liet zichtbaar verwarring bij de gehaaide verkoper achter. Hendrik Leenders wist zich een gelaten toeschouwer en kreeg het even te kwaad. Op het kalende voorhoofd van de makelaar parelden de eerste zweetdruppels. In Leenders blik hing een zweem van medelijden. Zijn vrouw was een meester in dit spel. Herhaalde haar bod en wist dat de misbaar makende zaakvoerder haar nog dezelfde avond zou bellen om een compromis in haar voordeel af te sluiten.

 

2

 Het is maandag en het regent. De polders hangen druipnat onder de loodzware lucht. Overal proberen wolken het land aan te raken. Het regent in het huis. De muziek klinkt moe. Niets verraadt de aanwezigheid van een man voor het raam. De langgerekte rondo’s van het strijkkwartet sterven in hem uit. “Wolven,”  denkt hij, “weer gaan de wolven huilen.” Hij probeert de stilte te lokaliseren die ondanks de muziek niet onderbroken wordt.

Lizzy is in de stad inkopen doen. Zij neemt er alle tijd voor. Hij mist haar. Zonder haar bedrijvigheid is het huis een lege schelp. Ook vandaag kan  muziek de kamer niet vullen. Straks komt ze thuis. Afgeladen met koopjes die haar prijsbewuste aanpak moeten onderstrepen. Hendrik registreert alles met een gegrom dat zowel voor weerzin als voor instemming moet doorgaan. Hendrik weet dat ze de stilte van het veel te grote huis moet vluchten. Elke gelegenheid neemt ze te baat om de leegte die ook in hem rondhangt te vluchten. Hendrik meent dat die leegte zichtbaar is. Eenzaamheid kan je ruiken. Daarom mijden de buren hem. Lizzy is bang voor die leegte. Zij praat er niet over. Doet enkel alsof.

Hendrik mompelt iets en het gegrom sterft uit in de namiddag. Hij zwerft door de kamers en keert altijd terug op hetzelfde punt. Een plaats van waaruit hij achter tegen de tuinmuur de late asters kan zien. Verregend, verkleurd. Altijd wachtend op de winter die nu snel moet komen.

 Het zuiderse acryl aan de muren verzadigt tegen het aandikkende grijs buiten. Het is een verloren maandag en het regent. Hendrik ontsteekt vroeger dan gewoonlijk enkele oordeelkundig geplaatste spots. De tongen van het licht likken enkele melkwitte tinten tegen de muren of leggen zich in enkele litho’s verloren. Het interieur laat de hand van een legertje dure binnenhuisarchitecten vermoeden, aangevoerd door Lizzy, die voor de aankleding van het huis zowat alle vindbare lifestyle – bladen  doorzocht. Zij gedroeg zich tiranniek tegenover de werklui en duldde op haar aanwijzingen geen tegenspraak. Design en antiek wisselden elkaar af. Hendrik stelde vast hoe handig intimiteit en luchtigheid werden nagebootst. Soms domineerde een nonchalante toets. Net iets te nadrukkelijk om te overtuigen.

 Soms leek het of het huis de nieuwe aankleding moeilijk kon dragen. Iemand leek zich uit de verte te verzetten. Soms leek het erop of het huis altijd van iemand anders was gebleven. Hendrik Leenders schoof als een vreemde door de gangen. Hij kwam in geen enkele kamer thuis. 

  

3

 Ze was net de vijfendertig voorbij. Onmerkbaar was het gegaan. Als een ziekte. Iedereen gaf haar jonger. Complimenteerde haar omdat zij de tijd had weten te misleiden. Maar met de miljoenen vrouwen in haar wist zij dat ze het point of no return had bereikt. Het punt van waar jaren in het nadeel gaan spelen. Eindeloos spiegels kijken. Fitness. Met wanhoop naar oude foto’s kijken. De gruwel van vrouwenblaadjes en het verhullen, altijd het verhullen. Versace. Givenchi. Max Mara. Esteé Lauder. Maskers, muren, schermen,  de  wrede blikken van mannen, de ontrouw in hun ogen.

Lizzy hield ervan nagekeken te worden, voelde de blikken strelen in haar hals, de handen op haar heupen. Zij haatte de mannen achter die blikken. Begerig als ze waren naar iets in haar dat zij niet was.

Uit haar houding spraken beheersing en reserve. Aantrekken en afstoten. Ze beheerste beide perfect. Al was het enkel pose. Achter het zelfzekere in haar bewegingen bewoog zich een afgrond van twijfel en verwijt. Altijd op zoek naar de vrouw die zij niet was. Zij kon zichzelf maar zien door de ogen van een ander.

Achter die pose, terug in zichzelf, berekende zij haar verlies. Twee op de klippen gelopen huwelijken. Een miskraam. Een buik die dicht was gebleven. Zij was het kind dat zij niet had.

 Op de één of andere manier gaf zij om Hendrik. Het was een huwelijk dat haar niet ontgoochelde en niet vervulde. Zij kende zijn grillen en nukken. Zijn buien van eindeloos zwijgen en staren naar iets wat zij niet zag. Op het eerste gezicht pasten zij niet bij elkaar. Hendrik flegmatiek, voorspelbaar. Zij dweperig, flamboyant. Er was iets wat hen heimelijk bond. Zij kon het zelf niet noemen. Misschien was het wel de aanvaarding van de leegte waarin hun leven zich voltrok. Zij ontmoette hem op een feest. Hij was de enige die niet naar haar had gekeken.

 

4

 Het huis hield altijd iets verborgen. Slechts enkele dorpelingen zetten er ooit een voet binnen. Toch hadden de meesten verhalen vol van wat zich achter de gevel voltrok, in kamers die enkel in hun verbeelding bestonden. Een onzegbaar gevoel hing over het huis. Een lint van mistroostigheid. De lui uit het dorp vonden er geen woorden voor. Reden te meer om er allerlei onzinnigs over te bedenken. Het was geen huis om in te wonen, het was een huis dat zijn bewoners weigerde. De polders hadden zich enkel met tegenzin aan de bouwheer prijsgegeven. Met onvaste ondergrond van turf de werken vertraagd. Een protest van scheuren en barsten in de muren gekerfd. Vast stond dat een arts uit een verre stad het na de oorlog had laten optrekken. Een geschenk voor zijn vrouw die altijd een zakdoek voor haar mond had. Er zelden kwam omdat de kou en de vochtigheid haar hoestbuien opleverden waar ze ternauwernood doorkwam. Altijd spuwde ze dan bloed. Iemand haalde oude foto’s en wees op een vrouw die wegkeek uit het papier in een peilloze verte. Ze kon niet wennen aan het leven buiten de stad, meende er één. De zomerse feesten moesten de eenzaamheid verdrijven. Later zag men nog enkel de arts voor steeds kortere periodes. Tot ook de feesten uitbleven en het huis werd overgelaten aan de wind en de regen. Een man zijn grootvader had nog toezicht gehouden op het huis. Niemand wist precies hoe het toen verder ging. Het landhuis kwam in verschillende handen. Vreemden die het huis afwisselend en meestal voor korte tijd bewoonden. De laatste eigenaar een notaris uit Kortrijk. Die had al met al nog het langst de hand aan het goed. Al was niet duidelijk of de man er ooit echt had gewoond. Hij leed er een soort dubbelbestaan. Hij en een jonge vrouw bleken de enige constanten uit een zootje ongeregeld dat hoofdzakelijk tijdens de weekends in de buurt neerstreek. Soms waren er kinderen. Niet zeker of die bij één van hen hoorden. Het ging er vreemd aan toe. Vreemde nummerplaten en dure wagens. De nieuwste merken. De bewoners van het huis beperkten hun bezoeken aan het dorp tot de hoogstnodige. De vrouw was veel jonger dan de notaris. Wandelde vaak op haar eentje in de eindeloosheid van de Polders. De boeren die haar op hun tractoren passeerden vergaapten zich aan haar schoonheid die niet van hier was. “Poolse,” probeerde er één. Een ander had haar in de dorpswinkel gebrekkig Vlaams horen spreken. Een pianiste misschien. Pianomuziek kondigde altijd haar aanwezigheid aan. Schrijfster vond iemand. Een hoer fluisterde een vrouw op haar zachtst omdat in de deuropening één van haar kinderen was verschenen. De geruchten hielden met het gaan en komen van de bewoners van het huis gelijke tred.

Het was geen huis als al de andere. De mensen die er woonden waren altijd al wat speciaal. Er zat een kwade geest in het huis en minstens de helft van de aanwezigen waren bereid dat te geloven. ‘Het brengt ongeluk,’ vatte de vrouw samen vanachter de toog van het dorpscafé, “het is geen huis om er te wonen.” Zij woog haar woorden en dacht aan de gebeurtenissen van enkele jaren terug. De rijkswachtcombi’s en de aan- en afrijdende wagens met hoge omes van het parket deden geen poging onopgemerkt te blijven. Hielden het dorp tot diep in de nacht uit zijn slaap. Ze waren in de late namiddag gearriveerd, uren voor de gieren van de pers hier lucht van kregen. November was het, een dag als vandaag. Een hond sloeg aan. De meeste dorpelingen hadden op de vragen van de pers hoofdzakelijk gezwegen.

De volgende ochtend stonden de kranten er vol van. Een  man uit de kennissenkring van de vrouw had haar gevonden. Jonge Poolse snijdt polsen over. Onduidelijke levenswandel. Een liefdesaffaire bovendien. Tegen muren en spiegels vond men vluchtig gekraste berichten. In rode lipstick (of was het bloed?) Een wanhoopsdaad zo leek het.

Een vrouw uit het dorp had de troep schoongemaakt. De kreten op de muur nog met een speciaal detergent moeten verwijderen. Zo wreef zij een leven vol ontluistering en zelfverlies weer schoon. Er volgde nog een lang gerechtelijk onderzoek. En eindeloze speculaties en verdraaiingen van de feiten zodat niemand de ware toedracht nog kende.

Uiteindelijk trok iemand in het café de schouders op en verdween in onverstaanbaar gemompel. Mensen gaan en komen. Alleen het dorp bleef in de schaduw van zijn toren. Het was een schaduw van graniet.

 

5

 Sedert hij hier kwam was hij tot niets meer in staat. Zijn baan gaf hij op. De vrienden die hij uit een vorig leven had overgehouden bleven langzaam weg. Wanneer zij op verloren zomerdagen toch uit het binnenland kwamen overwaaien moesten zij het hebben over een werkelijkheid die zij steeds minder deelden. Er vielen lange eenzame stiltes. Enkel Lizzy telefoneerde vrijwel dagelijks met vrienden uit de stad. Die gesprekken waren vooral bedoeld om de stilte te verjagen. Zij sprak op een luchtige toon. Zoals ze vroeger deed toen ze op vakantie waren. Alles OK. Niets aan de hand. Het was merkbaar dat ze de weg openhield naar terug. Het leven dat ze in de stad had achtergelaten.

Hendrik verliet enkel het huis voor lange, doelloze wandelingen in de omgeving van het huis. Elke dag keerde hij wat eenzamer terug. Lizzy liet het gebeuren. Het was niet echt haar gedacht hier te komen wonen. Dit was een streek voor eenzaten en dromers. Haar wereld was er een van getallen en feiten. Een optelsom van onaantastbare werkelijkheid. Tussen haar en het leven gaapte geen kloof. Toen zij de kracht had gevoeld die Hendrik naar hier voerde nam zij de inrichting en aankleding van het huis op zich. Zij klampte zich vast aan praktische beslommeringen. Inkopen doen. Plannen maken voor de herinrichting van de tuin. De schoonmaak van de zolder.

Haar praatjes hielden de geesten uit het huis. Hendrik luisterde verstrooid naar de woorden die over de tafel heen uit de stilte kwamen vloeien. Lizzy hield de vaart in een wereld die voor Hendrik steeds meer was stilgevallen. Zij probeerde het lot te misleiden met haar lach. Hendrik Leenders keek naar haar en probeerde van haar te houden.

 

6

 Hij plaatste omzichtig zijn voet in het denkbeeldig spoor. De trap op. De hall langs. De kamer in, de kamer uit. Altijd hetzelfde tracé. Doelloos in een richting die muren en deuren hem dicteerden. Aan de horizon hing het landschap als natte was aan een draad. De winter moest komen.

Hij liep zijn weg terug. Aarzelde bij het raam van waaruit hij het uitzicht op de polders altijd anders vond. Rond hem gaven vier muren vorm aan de leegte waarin hij zich meer dan ooit bevond. De herfst lag zacht over het huis en achter hem hoorde hij in de kamer de stilte hijgen. Hij en Lizzy hadden de kamer nooit betrokken. Zij vonden er nooit een bestemming voor. Lizzy meed de kamer om een onzichtbare reden.

Hij wist waar de bloedvlekken zaten. In zijn koudste dromen drongen ze door het vast tapijt. Kropen langs zijn slaap naar de morgen.

Aanwijzingen. Hier had hij haar gevonden. Ver weg uit haar glimlach, een eind in de dood. Hier had het lafste in hem staan huilen. Kreeg rood de geur van oud bloed. De geur die hij nooit meer kwijtraakte. The first cut is the deepest. De laatste ook.

Hij kwam hier op gestolen dagen. Weg van boormachines, weg van de oude Ramakers en zijn geld. Sluipend langs de beelden die hij tegenkwam op weg naar haar. Altijd op de vlucht vond hij hier een onderkomen. Soms was ze er. Soms was er enkel die schaduw in haar. Soms liet hun passie niets heel. Twee jaar waren zij minnaars en koesterden zij de zachte waan dat het altijd zou duren. Daarna gingen zij langzaam dood. Aan elkaar.

Hendrik Leenders keek achterom en zag overal sporen. Een sonate van ingehouden woorden. Afdrukken van vingers. Ingebeeld haar.

 

7

 Het huis lag even buiten het dorp. Van de laagte waarin het lag kon het opkijken naar de huizen verderop. Het dorp leunde zwaar tegen de massieve kerktoren.

Het huis lag op een thuiskomst te wachten. Op licht dat moest aangestoken. Op een deur die open kon gaan. Op getik van eetgerei. Op stemmen die aan ramen fluisterden.

‘Te koop’ wist een verweerd plakkaat. Daarachter lag het huis oud te worden in de winter en in de regen.

 

 Hugo Verstraeten