home

poëzie

proza

essay

inzendingen

redactioneel

links

 

  Beide gaat het om de lijn

  het is niet druk vandaag er zal
  iets te doen zijn ergens.
  of liever iets te
  doen alsof.
 

  in een boom: ‘hartje mathilde’.
  de ander is verdwenen.
  en: ‘parkinson was
  hier. hij rilde.'
 

  sommigen lopen met hun hond,
  anderen joggen. beide
  gaat het om
  de lijn. 

  op de grond ligt een pleister.
  ik denk aan de wond,
  waar ze hoorde.
  die schrijnt.
 

  in de vijvers zwemt dociel
  van brood naar brood
  een tweetal eenden.
  is dat genieten?
 

  het park heeft veel van vroeger.
  daar ben je achteraf.
  zolang het duurt is
  het zoeken.

  Neeltje Van Beveren

 

VADER 

Vaders zijn er altijd geweest met het
beheerste gebaar in de armen. Het broze
in elk van hun vingers. Het kind op schoot.
Onuitgepakt cadeau met verstrengelde
Beentjes. Als mastiek ontrold.

 Ze zijn van tel in het huiselijk bestaan. Ze
schuiven gordijnen open. Hun kijk op akkers
in bloei. Wrijven het dekentje glad en
smoren gevaren ondergronds. Een pluim op de hoed.
Ze denken dieper na hoe ze het armpje
of het hoofd moeten steunen.
Ze aarzelen bij elke stap. Gaan wijdbeens
op de voorplecht staan. In evenwicht.
Ze tellen ribben en
tenen en waken bij het gewicht in de wieg.
Geen wind mag in de zeilen slaan.
 

Het interval van de adem verschuift in hun
oor. Ze zoeken naar maat en volgen de
weg die de sluimer inslaat tot aan
de slaap.
Rust is aan vaders nooit besteed. Ze timmeren
een dak boven het hoofd van het kind : de herfst
wordt dramatisch dit jaar.
Ze springen in laarzen en dammen het land.
Geen watersnood binnen de oevers.
Liever eelt op de hand.
 

Vaders zijn tot alles in staat. Ze tekenen
hun zelfportret uit op het kind.

Het geringste voortbestaan.

Jo Gisekin

 

PENDULE

 

Alomtegenwoordig vol minachting hamerde
ze bescheidenheid in onze hoofden. Af en toe
nam grootmoeder een stoel, klom er op, opende
het patrijspoortje en zette de wijzers naar haar hand.
Lichtjes duizelig gleed ze terug naar beneden
alsof haar vingers daarboven in het kraaiennest
iets onwerkelijk hadden beroerd. 

Onder het slaan verstomden de gesprekken: dan
keken de vrouwen naar hun nagels of hun borsten
en dronken de vaders van hun bier.
Tante Bea was het meestal, die als eerste rechtstond,
ik ben weg mompelde, haar mantel van de kapstok
haakte en iedereen een hand gaf, altijd beginnend 
met de vrouw die haar had gebaard. 

Vanaf het donkere erf stroomden de vrieskou
en het rieken van de beek. Intussen wees
de bladgouden pijl verwijtend naar de man
die voor ons stierf en altijd in mijn richting keek.

Philip Hoorne

 

  WARM VERDRIET 

  I

  Er zit nog wat ochtend-

  nevel in je motoriek:

  krampachtig scheur je

  de bij voorkeur koude

  melk, zodat de vlokken

  knapperig blijven, breng

  je de koffie - "niet purper -

  zwart, neen, zwarter nog

  zag het water" - 

 

  aan de lippen,

  het gesprek

  te berde: 

 

  opnieuw de ochtend­

  nevel, nu in de gewrichten

  van de klanken die je lucht.

  ik luister niet, heb enkel oog

  voor je neus. je bent allergisch,

  volgens mij, verhoogd gevoelig

  voor stof x. ik knik en schuif je

  het doosje zakdoekjes toe.

II

er ligt nog wat herfst

in de zinken goten, sloten van door bomen

afgeworpen vacht. op een ladder scheur ik

een winterlaag nalatigheid, graai ik een bres

in de tot een koek geworden beeldspraak.

en het werkt: het huis slaakt weer

als vanouds haar continuïteit,

laat de regen van de vorige nacht

 

weer in de aarde,

weer in de weer

met zijn cirkelredenering.

 

opnieuw beneden sta ik plots oog in oog

met jou achter het dubbelglas van het keukenraam

met zicht op de goudenregen in de achtertuin.

hij regent nog een beetje

na, wanneer ik bij het verschuiven van

           de ladder zijn bladspiegel verstoor.

je lacht me of ik

nog van je huil.

 

  III

  er ligt nog wat nacht

  in de kreuken van het weggetrapte laken. zachtberaden

  scheuren de vingers van de dageraad

  de kleuren van je lijf, tot je helemaal

  en blank bent. er hangt nog wat droom

  in de hoeken van de ogen waarmee ik me op jou

  te barsten kijk. in de hoeken van mijn vingers

  trekt het handvlees zich gezwollen terug, stamelt het

  in sto-ten wit mijn lief-de.

 

  even val ik vijvervlak

  samen met de dingen,

  tot ze helemaal en glad,

 

  opnieuw kastanjes in mijn denkvuur zijn.

  het doosje zakdoekjes bv. het streelt

  weer rimpels in mijn hersenvacht: ik rijm weer

  met mijn afkeer van iets hebben moeten

  inspreken in een antwoordapparaat, met

  dat oude zeer van had ik me maar anders

  uitgedrukt. met een zakdoek in de hoeken

  van een wegwerpgebaar verwijder ik

  mijn signatuur.

Sven Cooremans