home

poëzie

proza

essay

inzendingen

redactioneel

links

 

'De rechtvaardige rechters'

 


In de rubriek ' De Rechtvaardige Rechters ' wordt
door wisselende medewerkers ingezonden werk besproken. De redactie van DIGTHER eigent zich het recht toe dit te doen ook zonder het uitdrukkelijk verzoek van de auteur. Uiteraard kan werk ter recensie worden voorgelegd. Wij trachten deze rubriek met de nodige schroom te benaderen, vanuit het volle besef van het precaire en ook wel subjectieve karakter van deze vorm van literaire kritiek. Wij staan open voor tegenreacties en erkennen het belang van de wat in onbruik geraakte literaire polemiek.

HET PERSPECTIEF VAN DESCHOEMAEKER

 Alain Delmotte

_____

 Frans Deschoemaeker is terug. Na een lange vermeende afwezigheid. Dertien jaar na ‘Beginselen van de archeologie’, ligt hier voor mij het manuscript van ‘Perspectief met engel’. En laat u het mij maar meteen zeggen: het is een rijke, bijzonder gelaagde en geslaagde bundel die om verschillende herlezingen vraagt. Deze inleiding wil daar een klein voorzichtig stapje naar toe zijn. Ik kan u hooguit een eigen ‘perspectiefje’ bieden op wat voor mij een belangrijke bundel is.

Enkele jaren geleden had ik het genoegen een eerste versie van dit manuscript te mogen inkijken. In het licht van zijn vorige bundel schreef ik toen het volgende (het lijkt me nog best wel dienst te doen als eerste aanloop tot een introductie van ‘Perspectief met de engel’. En er wordt een link met vorig werk gelegd): "Met ‘Beginselen van archeologie’ komt Frans Deschoemaeker definitief tot rijpheid. Op het niveau van het vakmanschap ontwaren we een soort spanning tussen het incantorische en het implosieve. Er is die vloeiende, meeslepende, barokke toon waarin zich een voorkeur voor de anafoor als stijlfiguur laat aftekenen. (De anafoor is een dichtvorm bestaande uit de herhaling van dezelfde woorden aan het begin van opeenvolgende regels.) En er is dat ingeklonkene, de haast alchemistische fascinatie voor woorden - wat zich te kennen geeft in een bijzonder weelderig vocabularium met een terminologie die aan de positieve wetenschappen schatplichtig is.(Zijn wetenschappelijke interesses reflecteren zich wel eens in een terminologie die, naar zijn eigen zeggen, naar de kwantumtheorie verwijst.). Die spanning zorgt ervoor dat je deze bundel dan ook op verschillende manieren kunt lezen. Polysemie noemt men dat, meerduidigheid. Je kunt deze gedichten lezen als anekdotische poëzie, gedichten waarin herinneringen met een ingetogen, eerder stoïcijns/afstandelijk aandoende weemoedigheid worden geëvoceerd en gemystificeerd. Maar in een scheur van dit anekdotische behang, merk je nog een ander behang. De wijze waarop de dichter in het woord gaat houwen en daarin allerlei zowel geologische lagen als tijdslagen bloot legt. Hij roept in het woord onze eigen iconen, onze collectieve mythen en onze menselijkste archetypen op. Met deze gedichten laat Deschoemaeker zich situeren in de lijn van vormvaste dichters als Gilliams, De Haes en Pernath. En ja, hij komt zelfs dicht in de buurt van het 'structuralistisch formalisme' waarvan Hedwig Speliers in Vlaanderen de meest representatieve vertegenwoordiger is/was. De werktitel van de volgende ooit wel eens te verschijnen bundel luidt ‘Hard stof’. Uiterlijk zijn er formele gelijkenissen met de vorige bundel: een twaalfregelige versopbouw van vier terzinen. Maar hier waagt hij zich een stapje verder. De anekdotiek wordt nog meer naar de achtergrond verwezen. Het taalweefsel, het woordstaketsel komt op de voorgrond. Woorden vertonen hier zowaar de kracht van een orkaan en lijken haast onherkenbaar. Er wordt een sprong gemaakt van archeologie naar geologie.

Scheikundige processen worden ontbloot, atomaire structuren wellen op. In een nota omschrijft Frans zijn eigen ontwikkeling als volgt: ‘Impliciet kan een dichter maar één thema hebben; zijn reflecties op de taal, zijn dialoog met de taal, zijn worsteling met de taal.’ Frans zegt hier iets heel raaks. Een hedendaags dichter kan er moeilijk onderuit. Hij moet reflecteren over de taalmaterie en de al dan niet dialectische wendingen en woelingen daarin. Hij moet vragen stellen en blijven bevragen.Hij is het prototype van wat je met enige ironie zou kunnen noemen ‘de Universeel dubbende mens’.Reflectie rond de taal (vooral in het kader van de linguïstische genocide van pakweg de laatste honderd jaar).

Hoe kan hij zo eigen mogelijk, met eigen retorische middelen, met eigen taalfiguren zijn verhouding tot de wereld, werkelijkheid, verantwoordelijkheid, maatschappij, spiritualiteit op een relatieve manier ‘authentiek’ verdichten."

Dit schreef ik dus - ik herhaal het - naar aanleiding van de lectuur van een eerdere versie die toen als titel ‘Hard stof’ meekreeg. (Een geslaagd oxymoron overigens - een stijlfiguur die een nauwe verbinding van twee tegenovergestelde begrippen bevat - die een van Deschoemaekers poëticale bezorgdheden definieert: het schrijven van een gedicht is een proces van taal die zich vangen laat, die zich tot een taalstructuur stollen laat. Versteende taal (een thematiek die opduikt vanaf zijn tweede bundel). En hoe die versteendetaal zich dan meteen weer oplost in de lectuur van het gedicht. In het geheugen van een lezer, het geheugen van de culturele context. Ook een steen bestaat maar uit atomaire losse deeltjes. En omgekeerd: ook in stof steken harde elementaire deeltjes. Het oxymoron is in de bundel blijven staan in het gedicht ‘sculptuur’. We vinden het thematisch terug in het Achterbergiaans klinkende gedicht ‘Kleine ode aan het stof’. De werkwijze van Frans kan overigens de vergelijking met die van Achterberg doorstaan.

Wezenlijk zijn de substanties die ik beschreef bij mijn eerste lectuur in deze versie aanwezig gebleven. Alleen zijn er andere intertekstuele draagwijdtes en gelaagdheden op een zeer organische (dus niet dwangmatige) manier aan toegevoegd. Dit wil zeggen zonder de levensvatbare spankracht van de gedichten neer te halen), onder meer enkele imponerende wetenschappelijke en cultuurhistorische elementen. De gedichten zijn gerijpt: ze werden bijgebeiteld, bijgeschaafd, uitgeloogd, afgerond. Tot: ‘Een kaal karkas. Een keienbed’. Het zijn de eerste woorden van een gedicht dat ‘Miles Davis’ heet (waarin we onder meer met een Mona-Lisa-achtige glimlach een knipoog naar Van Ostayen terug vinden). De gedichten zijn autonomer geworden en op een subtiele manier zijn er procesmatige reflecties in elk van die gedichten ingebouwd, die als het ware de ontstaansgeschiedenis van het gedicht zelf verhalen. Of hij het er zelf mee eens zal zijn, weet ik niet: maar ik durf te stellen dat -zonder zijn stilistische specificiteit en oorspronkelijke sensibiliteit te verliezen – Frans Deschoemaeker de weg van een maniëristische neoromanticus tot een synthetiserende formalist is gegaan.

Laten we nu even de bundel van naderbij bekijken. De bundel telt 35 gedichten. In de zesdelige opdeling van de bundel in cycli, neigt het een en ander tot het getal drie en zijn veelvouden. Frans is daarin gelukkig niet ‘neurotisch’ consequent. Het sluimert alleen maar. De meeste gedichten (op eigenlijk de laatste drie na die het zesde deel vormen) zijn opgedeeld in terzinen (drieledige versregels - de vorm waarin Dante zijn ‘Divina Commedia’ schreef). Terzinen van vier strofen, dus twaalfregelige gedichten. Het middenstuk bestaat uit drie opeenvolgende triptieken van gedichten uit dezelfde versopbouw. Ook de voorlaatste cyclus is mathematisch zuiver. Twaalf gedichten van twaafregelige, tot metriek neigende verzen. Is dit relevant? Verwijst dit naar een soort getallenmystiek? Is dit berekend? Ik zou het niet weten: ik stel het alleen vast. In ieder geval wijst het sterk op een streven naar ordening. Een ordening die ver gaat. Tot het kosmische toe. (Een gedicht in de bundel gaat daar over - ‘Perspectief van de reiziger onder Andromeda’). Misschien is dit wel het grote thema van de bundel: het zoeken naar ordening, harmonie, samenhang. Een streven naar architectuur, naar een mathematisch exact en apart perspectief. De link naar Piero della Francesca (waarover straks meer) is meteen gelegd. Della Francesca was niet alleen een geniaal schilder met een heel bijzonder perspectief, hij was ook een wetenschapper (een wiskundige) en een architect.

Het eerste gedicht van de eerste cyclus (die in het vijfde deel m.i. lineair doorloopt) zet de algemene teneur van de bundel. Ik wil er even bij stil staan. Het gedicht heet ‘Perspectief van de Pelgrim’. Daarin worden al heel wat themata en motieven aangereikt die in het boek verder ter sprake

komen. Even opsommen.

 - De topografie (een vertrouwd gegeven in het werk van Frans – het landschap en al de verschillende elementen daarin - het botanische bv.).

- Het motief van het oog, het optische (de ‘iris’ krijgt in de beginregel al een plaats - het oog ontwaart het perspectief).

- De ‘verstoffelijking’ (waarmee ik bedoel zowel het opgaan tot stof als de verstolling, de verstening. Zij het, dat in dit gedicht het stollingsproces meer een ‘bevriezen’ is).

- De reflectie op het schrijven (de verwijzing naar het filigraan) en de sensitieve onderkoeling die daarvan het gevolg is.

- Verder merk ik ook de dubbelzinnige woordkeuze op. Heel expliciet met het woord ‘delling’. Wat ‘kuil’ of ‘glooiing’ betekent. Maar het is ook een technische term uit de schilderkunst. De schilderkunst die in deze bundel een cruciale rol speelt. (Is dit toeval? Zou kunnen. Als een dichter twaalf jaar aan een bundel knutselt en blijft prutsen en prutsen, hoeveel toeval blijft er dan nog over? Hoeveel toeval laat je als dichter toe? Een vraag die ik onrustig openlaat met de laconieke opmerking dat het toeval ook wel eens zijn kuren heeft.).

- Een ander sleutelwoord wordt ons in dit gedicht overhandigd: de vernerving. De ‘nerf ‘. Het woord komt in de bundel vaak voor. Een woord dat vele kanten uit kan en vele valkuilen aangeeft. En dus vele lezingen mogelijk maakt.

- Tot slot steekt er in het gedicht de idee van de pelgrimage. Het schrijven van een gedicht is een zoek- en zwerftocht naar een mogelijk nieuw, vernieuwend perspectief. Houdt het ook een spirituele verwijzing in?

 Voor Frans is het gedicht dus geen vakantieverblijf. Het gedicht is niet zijn thuis of huis. Het gedicht is een doortocht vol inwijdingen. Een ‘Passage’ van ‘een reiziger onder Andromeda’. Wat verder staat inderdaad een gedicht dat ‘passage’ heet.

Tussen haakjes: wonen in de gedichten van Frans lijkt mij niet aangewezen. Herfst en winter zijn er de dominerende seizoenen. Zijn landschappen hebben iets desolaats. Je ontmoet weinig mensen (op hier en daar een engeltje na). En het is er zeer tochtig: ja, er wordt nogal wat afgewaaid in deze bundel.

Het is in deze eerste cyclus dat we het titelgedicht ‘Perspectief met engel’ lezen. Het refereert naar een schilderij van Piero Della Francesca. Een annunciatie. Het is een gedicht waar alles op zijn plaats staat, waarin alles is, waarin alle gedwarrel wordt ontward en een helder uitzicht wordt geschetst. Een gedicht over het sublieme, waarin de anafoor voor de nodige dynamiek zorgt. Ik breng het in verband met het derde drieluik dat wat verder te lezen staat. Eer we daar aankomen, botsen we nog even tegen André Delvaux aan - berucht om zijn wijds omvattende perspectieven - en ook tegen de polifonische Monteverdi. Piero Della Francesca is een suite van drie gedichten - het klokhuis van de bundel.

Zoals ik al eerder zei waart de geest van deze schilder op een subtiele wijze in de hele bundel rond. Della Francesca is beroemd en berucht omwille van zijn perspectieven die niet mimetisch waren dwz niet realistisch. Zijn perspectief houdt een heel wereldbeeld, een levenshouding, een kosmische ordening in. Een beredeneerd en berekend perspectief. In een mailtje liet Frans me het volgend over della Francesca weten: ‘Pierro della Francesca, die in veel van zijn werken de niet meer zichtbare wereld (of is het de hemel) achter het verdwijnpunt van zijn perspectieflijnen dwingend suggereert’. In een andere nota (Frans houdt een hoog cultureel dagboek bij) lezen we het volgende: ‘De uomo universale van het Quattrocento bedreef met even grote gretigheid de wetenschap als de kunst en de wetenschappelijke verworvenheden werden in de kunst enthousiast geëtaleerd. Het perspectief en de toepassing van de optica rationaliseerden het waarnemingsveld. De godheid (...) kon bezwaarlijk gehandhaafd worden, want wie in die perspectivistische krijtlijnen gevat wordt, krijgt àl te menselijke trekjes.Voortaan scheidde de horizon de mens van God; de hemel verdween uit het gezichtsveld en werd het verdwijnpunt ingezogen.

Maar hij wàs er nog wel. Dat bleef eenieder vooralsnog geloven. Daarom werd de behoefte aan een boodschapper van gene zijde, aan een flits van het sublieme, een azuren vleugelslag in de bezwaarde menselijke ratio, prangender.’ En hiermee is voor een groot deel de bundel verklaard, meer helder. En is de lectuur tegelijkertijd toch ook wel wat gecompliceerder geworden. De engel is dus de engel van het sublieme. De annunciator van wat is. Het ‘zijn’ van de samenhang. De Engel van de analogie – de noodzakelijke engel, zoals de Amerikaanse dichter Wallace Stevens zijn engel noemde.

Met een hamerslag poneerde niet zo heel lang geleden (tijd is zo’n relatief begrip en daarom is het zo afschrikwekkend) iemand dat God dood is. Bon débarras. Maar wat met zijn klusjesmannen, zijn pluimvee? Wat met zijn globale en globaliserende internetverbindingen die Gods engelen waren?

Ze zijn in onze hoofden blijven hangen. Ze vonden een ongerepte plaats in onze nostalgie. Zij haakten zich vast in onze verlangens. Met veel gevoel voor ironie overigens. Ze hebben ons liggen door ons te vaak en te omvattend en te veel te laten verlangen. Ze doen zich als kwelduivels voor.

De engelen zijn wat wij niet zijn. Ze zijn al wat we willen, al wat we niet kunnen hebben (transparantie, ongrijpbaarheid, onstoffelijk- en onsterfelijkheid: al waar engelen postmoderne allegorieën voor zijn). Ze zijn al het verlangen dat zij als verlangen willen behouden. Want vervullingen zijn nooit interessant. Schroot van wat ooit onze gedrevenheid was.Total Loss. (Mooi om zich over te bezinnen.) Vervullingen hebben niet de minste relevantie. Zoals gedichten. Maar niet die van Frans.

En wat de dichters engelen benijden: dat ze voor wat ze te zeggen hebben, geen woorden hoeven te zoeken. Engelen zijn verschijningen van onze sprakeloosheid, van onze verbijsteringen. Ze hebben iets van een blikseminslag - maar niet zo agressief. Ze hebben iets van de zwijgzaamheid van wolken maar niet zo efemeer.

Engelen zijn androgyne lichtekooien (die niet in seks maar in psyche zijn geïnteresseerd - spijtig vind ik dat). Wezens waarin we van alles projecteren en sublimeren. Hun vluchtigheid zorgt daarvoor. Een engel krijg je niet zomaar te pakken: is er en is er plots niet meer. Wat overblijft is een pluimpje, een veertje, een gedachte aan een wiekslag, vol verwarring, meewarigheid en nostalgie in plaats van analogie.

Let wel. Het is een aparte nostalgie. Een nostalgie die heeft niets te maken heeft met een gebrek aan verlangen. Het is een vitale nostalgie. Nostalgie ervaar ik eerder als een strategie om het verlangen dynamisch te houden: eens zijn we doorheen het sublieme gegaan (onze moeders kennen dat verhaal) En de verre, onwezenlijke en tot diep in onze zenuwbanen ingekerfde herinnering aan het sublieme doet ons bewegen, doet nog ons begeren. Vuur aan het lont van het verlangen:de nostalgie bracht de dichters tot de taal.

Of het lexicon (die altijd het laatste woord heeft) mij gelijk zal geven weet ik niet, maar naar mijn gevoel is er een verschil tussen weemoedigheid en nostalgie. Weemoedigheid is een toestand die zich het verlangen herinnert. Als er geen verlangen meer is, als verlangen uitblijft.

Hoe maakt de engel zich nu aanwezig in de bundel. Zij/hij (ik noem haar verder een zij) heeft een naam: Annabel. Ze speelt muziek. Basviool. Ze gaat schaatsen op haar ‘nieuwe noren’. Ze loopt langs een jaagpad met haar fiets aan de hand.Tweemaal komt ze even loeren in een muzikaal verband. Want echte engelen houden van muziek, ze spelen muziek, ze zingen. De laatste vleugelslag van de laatste engel die ons heeft bereikt, is misschien wel in de taal blijven hangen - de taal van de lyriek - waar betekenis muziek wordt - waar muziek woord wordt. Misschien is de poëzie het laatste kanaal waarmee de engel zijn tijding kan laten horen. Misschien is de poëzie de laatste overlevingskans van de tot eeuwigheid verdoemde engel. In echte gedichten, relevante gedichten, kan je een engel horen zingen. Luister maar naar Frans.

Frans schrijft gedichten waarvan je ook op een heel sensitieve manier kunt genieten. Zijn gedichten zijn inderdaad bijzonder muzikaal geconcipieerd. Met hun sonoriteit scheren ze in onderstroom langsheen onze zintuigen, zij nodigen uit tot een exquise sensualiteit waarin zowel het fysieke als het intellectuele worden aangesproken. De verwijzingen naar de muziek zijn weelderig. In de vorige bundels in potentie zeker aanwezig, gebeurt het in deze bundel toch wel erg expliciet. Met name in het zesde en laatste deel. Dit laatste deel ‘het eerste verhaal van de paden’ vertoont duidelijk een formele breuk met de vorige gedichten. De toon is anders. Met minder dwingende metriek. Associatiever. Het zeel wordt minder hard aangetrokken dan in de vorige cycli. Het narratieve klinkt er in door.

‘Op een overgroeid pad’, geïnspireerd op de titel van een pianostuk van Janacek, gaat over paden die in de tijd allerlei wegen gingen. De paden die de pelgrim volgde onder Andromeda? De verdwenen paden uit de kinderjaren? Het onderliggende thema van deze gedichten is de tijd (muziek is gestructureerde tijd.)

De tijd - zo lijkt Frans te suggereren - is maar een deelaspect van een tijd die nog gaande is. Er is een tijd die ons overlapt, waar alles wat al is gebeurd, nog aan het gebeuren is. Niets verdwijnt, lijkt Frans te zeggen, alles is er nog - maar het is aan ons zicht ontsnapt (de engel houdt dat zicht voor zich).

Landschappen weten alles over de tijd - alles over hun voorbije weidsheid en vergezichten (waarin een pelgrim zich te zoeken gooit): hun geologische lagen, hun archeologische vondsten bewijzen het. Al de levensverhalen die de bodem rijk is. Delfstof der kennis. Van alles blijft iets over, zoals Drummond de Andrade schrijft in dat prachtige gelijknamige gedicht.Uit de tijd waait stof aan. Niets verdwijnt, alles blijft - maar misschien niet altijd in de zelfde vorm. Een conclusie die zich al in de vorige bundel in de titel min of meer te kennen gaf.

Dit is een reeks die nieuwsgierig maakt naar komend werk. Het is de vraag of Frans zich in deze thematiek verder en dieper zal inwerken.

‘Perspectief met engel’ is geen bundel waar je gladjes en vlot overheen gaat. Ik hou te veel van poëzie om dat te doen. Ik eindig door er op te wijzen dat in de bundel een aantal krachtige, goed gebeitelde, goed in hun vel zittende, door en door fysiek doorvoelbare gedichten staan. Want wat is poëzie wezenlijk: onze lichamelijkheid aan taal. ‘God is dood’, het was dus Nietzsche die dat heeft gezegd, ‘de mens is dood’ wist Foucault, ‘de engel is gaan vliegen’ weten we met z’n allen. Wat ons overblijft? Lichamen, lichamen, lichamen en hun perspectieven aan gedichten, gedichten, gedichten.

  

PERSPECTIEF VAN DE PELGRIM

Frans Deschoemaeker

 

De wind een ijspriem op de iris.

De landerijen glad en glaciaal,

met enkel in de delling

wat puin, wat gammele emblemen.

Staf, sandaal en bedelnap, vuur

dat in takkenbossen knispert als de wind

in de rietkraag rond de Sint-Winoksbergen.

Ik moet mij in dit gaan verkloeken.

Zo gaan, zo vergaan, zo vér gaan

dat het warme merg vernerft, strak

als buntgras, als helder filigraan

in de voren van een koud gedicht.

 

 HANLO

 Ergens moeten woorden in de vaste reeksen,

roosters en constellaties altijd al bestaan

hebben, lang voor wij ze dooreenhaspelen,

lang voor de moleculen van speeksel, inkt

en papier ze annexeerden. Lang voor de

grote lijster en de stichting van de stad.

Het was half vijf ‘s morgens in April

Ik liep, en ik floot de St - Louis Blues.

Een vers onverhoeds uit de ether geplukt,

dat helder opwolkt uit het koffiedik

en, als een lentelijke fuga, de verwonderde

hersenmassa van de dichter doortrilt.

 

Uit: ‘EERSTE VERHAAL VAN DE PADEN’

 In een lege kamer speelt iemand Janacek.

Ik herinner mij een overgroeid pad

dat de donkere geur van hoefblad en klaverzuring

na een regenbui in juni vasthield,

ergens diep in de jaren zestig,

en dat nu niet meer bestaat.

Langs de scherp geurende gracht

ontrolt zich dat pad verder tijdinwaarts,

zich weldra een bedding gravend

tussen beboste bermen, in een luwe zomermiddagdroom-

als kind reeds

kon ik de vernietiging van Publius Quintilius Varus’

legioenen enkel dromen in de van pijlen, bijlen, zwaarden

zwangere groene schemer

van een Teutoburger holle weg.

Nog weinigen herinneren zich het pad in de sneeuw,

zwarte voetstappen van de schuur

naar de verstarde moestuin, dat verdween met de dooi.

Nog weinigen het pad dat werd ondergeploegd.

Een pad werd uitgewist mat het pad wist

dat tijdig en ging ondergronds, kromp ineen

tot een lijn in enkele geheugens, dook onder in de partituur.

 

(‘Perspectief met engel’. Poëziecentrum, Gent, 2003.)