Pierre Hanon

   

Café Le Poep aan de Wolvenstraat op het Rad, lokaal van de Supportersclub Anderlecht Le Poep: in dat café bracht Pierre Hanon, die net zoals zijn vader Poep werd genoemd, heel zijn jeugd door. Het was een populair café, waar je best geen kwaad woord over Anderlecht liet horen. Elke zondagmorgen vertrokken er zo'n 200 keiharde supporters, voorzien van trommels en trompetten, naar het stadion. "Een echt voetbalcafé," herinnert Pierre, die nu midden in het groen van Alsemberg een mooi en rustig huisje betrekt, zich nog. "Ik weet nog hoe mijn vader mij dikwijls na school aanmoedigde om in het café te demonstreren wat ik allemaal kon met een tennisbal. Dan werden tafels en stoelen opzij geschoven, staakten de kaarters voor een paar minuten hun spel, en kon ik beginnen. Er sneuvelde al een keer een ruit maar dat was niet erg, toon ne keer wat je kan, menneke. We hadden het niet breed, en we aten vaak uit één grote pot, maar ik heb toch nooit iets tekort gehad in mijn jeugd. Ik sliep juist boven het café, als het erg koud was, hield ik gewoon mijn anorak aan, maar ik ging ook wel eens slapen bij mijn grootmoeder die zo'n 50 meter verder woonde, want in het café draaide het orgel soms tot drie uur 's ochtends."

"Mijn moeder was ook een heel fanatiek supporter van Anderlecht. Toen ik in het eerste elftal kwam stond ze met een grote Zwitserse bel in de tribune en dikwijls vroegen de supporters aan Maria ook nog om er bij te zingen. Dat deed ze dan, voor mijn menneke, zei ze dan."

In 1945, net op het einde van de oorlog, sloot de kleine Poep zich aan bij Sporting. "Ik was 7 jaar, en op een woensdagnamiddag stond ik met mijn vriendjes tussen zo'n 200 ander gamins op een voetbalveld van Anderlecht. Het terrein werd in vier gedeeld, het wemelde van de kleine sjotterkes. De goals waren twee palen, op een vrijschop kegelde ik een van die paaltjes weg. Dat was de afgevaardigde Polleke Huyghe, die alles in het oog hield, niet ontgaan en de volgende week moest ik me niet meer om halftwee maar om drie uur melden, dat betekende dat ik al met een hogere groep mocht meespelen. We waren toen ook maar met zo'n 40 veertig spelers en uit die groep werd ik weerhouden om de volgende zondagmorgen een wedstrijd te spelen."

"Ik weet nog dat we toen elke zondagmorgen uitkeken naar de spelers van het eerste elftal die om elf uur kwamen eten om dan 's namiddags te spelen. Laatst nog vertelde Marcel Decorte, die zo'n 12 jaar ouder was dan ik en die toen al een van de grote vedetten van Sporting was, dat hij soms speciaal een beetje vroeger kwam om mij nog te zien spelen. Ik heb trouwens altijd rechtsmidden gespeeld. Bijna altijd: op het einde van mijn carrière, eerst bij Anderlecht, en dan bij Cercle Brugge, speelde ik libero."

"Bij de jeugd had ik al voorsprong op mijn leeftijdsgenootjes, ik moest altijd meespelen met een hogere categorie. Zodat ik dus onder Noulle Deraeymaecker, geloof ik, op mijn veertiende op FC Luik al debuteerde bij de invallers. Ik raakte geen bal, ik voelde mij echt helemaal belachelijk."

Augustus '68: Feyenoord - RSCA 1-2: Hanon kopt weg, Heylens zoekt dekking tegen het geweld van Ove Kindvall

Tussen zijn veertiende en zestiende werd Pierre ook 3 keer geselecteerd voor het internationaal juniorestornooi van de FIFA, in '53 in België, in '54 in Duitsland en in '55 in Italië. Die nationale junioresploeg werd toen getraind door de Brit Dugall Livingstone, daarna door André Vandeweyer, die ook de nationale A-ploeg onder zijn bevoegdheid had. Pierre herinnert zich uit die lichting die in Montecatini, Italië, meespeelde zijn ploegmaat Jef Jurion, Raymond Best van Ukkel en Guillaume Raskin van Beerschot. Op zijn achttiende kwam hij voor het eerst in het eerste elftal van Sporting.

Hanon, lachend: "Ik debuteerde meer dan één keer. Die eerste keer had ik dat seizoen nauwelijks gespeeld met de invallers toen Bill Gormlie mij plots tegen Sporting Charleroi in het eerste elftal dropte. We verloren met 0-1, een goal van Mion. Ik was ongelooflijk nerveus, kreeg de gemakkelijkste ballen niet onder controle, liet alles onder mijn voet doorgaan. Vreselijk. Ik denk dat ik in die hele wedstrijd 2 keer fatsoenlijk heb ingeworpen, dat was het enige wat zo'n beetje lukte. De rest van dat seizoen kwam ik dan ook geenzins meer in aanmerking voor de eerste ploeg, pas het volgend jaar, toen men worstelde met een overtal aan blessures, kreeg ik nog een keer een kans. Lippens en Jurion stonden toen in de ploeg, we wonnen met 2-0 van Standard. Dan ben ik weer voor de rest van het seizoen teruggekeerd naar de invallers."

De echte entree zou er pas komen met de eerste Europese wedstrijd van Anderlecht, in het seizoen '55-'56. Pierre was toen 19 jaar en volbracht als milicien zijn 6 weken durende opleiding in de kazerne van Sint-Niklaas. Op een dag was er een dringend telefoontje voor hem: Anderlecht had hem nodig voor de terugwedstrijd tegen Voros Lobogo, titularis Susse Degelas was plots ziek geworden en kon niet spelen. "Dat was de dag van de match zelf, ik kon mij dus helemaal niet voorbereiden. Overigens was er een tussenkomst van het Ministerie van Landsverdediging nodig geweest om mij vrij te krijgen, ik had niet eens verlof gevraagt om de voorwedstrijd met de juniores te spelen, en dan meldde zich plots de A-ploeg! Ik ben in de kazerne vertrokken zonder te eten en 's avonds speelde ik uiteindelijk nog een heel behoorlijke partij. We verloren wel met 1-4 maar in het Hongaarse doel keepte Arpad Fazekas uitermate sterk, later kwam die nog bij Sporting terecht. In elk geval heb ik die avond, in tegenstalling tot mijn 2 vorige debuten, bewezen dat de club vertrouwen in mij mocht hebben, dat ik zelfs op het hoogste niveau mijn mannetje kon staan. Het is ook zo dat Gormlie mij aanvankelijk meer voorin wilde doen voetballen, ik maakte als rechtsmidden nogal war goals. Maar dat lukte niet, in de zestien meter was ik te traag, daar moet je als spits explosiever zijn, in één beweging op een zakdoek drie tegenstanders in de wind zetten, zoals Gilles De Bilde dat kan. Ik was meer de man van de lange ballen, veranderen van vleugel, passes van veertig meter, door die kwaliteiten was ik ook in de ploeg geraakt."

In die periode, eerst met Gormlie, later met Sinibaldi, tekende zich het grote Anderlecht af, werd regelmatig gespeeld voor 30.000 toeschouwers en trok de ploeg bijna elk weekend in afzondering naar het provinciaal domein van Huizingen. Vooral onder Gormlie, buiten het voetbal een folkloristisch figuur, werden dat soms gedenkwaardige weekendjes, herinnert Pierre zich nog. Hij weet ook nog dat hij zich toen op het veld wel eens in een lastig parket bevond. "Het was het einde van het tijdperk Mermans en het begin van het tijdperk Jurion. Dat maakte het ons niet gemakkelijk: bij balbezit stond in de verte Mermans te zwaaien dat hij een lange, hoge bal wilde en vlak bij mij riep Jurion om het kort te houden, om lateraal te spelen."

In die periode waren de spelers nog geen profs, iedereen had buiten het voetbal een beroep. Pierre begon op het gemeentehuis van Anderlecht in 1956, en zoveel jaren later werkt hij er nog altijd, op de platsoendienst. Zijn vrouw Jenny werkt trouwens ook voor de gemeente. Hanon: "Zij was nu ongetwijfeld hoog opgeklommen, had ik er mij vroeger niet tegen gekant dat ze een driejarige administratieve opleiding volgde. Er was geen sprake van dat zij niet thuis zou zijn als ik van de training thuiskwam. Jenny heeft wel atlijd gewerkt, zodat we het geld dat ik verdiende met voetballen, en dat was meer dan wat ik op het gemeentehuis kreeg, zeker met die Europese matchen, konden opzij leggen. Zolang de trainingen pas 's avonds om halfzes begonnen was er ook geen enkel probleem om het voetbal te combineren met het werk, maar toen de club onder impuls van voorzitter Roosens semi-professionale allures kreeg en de trainingen werden verplaatst naar 's namiddags, om drie uur, heb ik een akkord moeten krijgen van mijn diensthoofd om tegen halfdrie al te stoppen. Dan begon ik 's morgens vroeger en sloeg ik het uurtje middagpauze over. Een uitstekende regeling, hoewel er toch kritiek kwam van de collega's. Bovendien was ik voor de Europese wedstrijden vaak drie dagen weg, en dat moest ik allemaal compenseren met verlofdagen. Van tijd tot tijd nam ik dan wel eens verlof zonder wedde."

Onder respectievelijk Sinibaldi, André Bérés, en Noulle Deraeymaecker werd Hanon 5 keer op rij kampioen, maar het was vooral onder Sinibaldi dat de technicien zich het best in zijn sas voelde. Sini kon uitstekend opschieten met Poep, van nature een elegante voetballer, iemand die met één mooie beweging heel het spel kon verleggen. "Het is niet zo dat het mij aan karakter ontbrak, maar ik was ook niet wat men noemt een vechtjas. En als typische spelverdeler voelde ik mij heel goed in het spelsysteem van Sinibaldi. Het huis van de artiesten, begrijp je?"

"Of dat Anderlecht van de jaren 60 zoveel sterker was dan de huidige lichtingen? Ach, dat is moeilijk te zeggen, elke periode heeft haar stijl. Nu krijgt men in elk geval niet meer de tijd om tien meter ver de bal bij te houden, nu word je meteen getackeld. Ik vind het spel toch wat te gewelddadig geworden, moet ik zeggen. Het is ook waar dat de zestigers er nooit in geslaagd zijn successen te halen in de Europabekers, hoewel ik wel weet dat onze ploeg, met op Jan Mulder na nauwelijks of geen buitenlanders, niet moest onderdoen voor Real Madrid, dat we trouwens in '63 hebben uitgeschakeld. Wat ik mij in elk geval nog goed herinner is die 10-0 tegen Manchester United ('56-'57), onder Gormlie was dat. Het had evengoed 20-0 kunnen worden, ik dacht dat we met een groepje juniores tegen profs voetbalden. Dat heb ik gelukkig toch nooit meer moeten meemaken. Onder Sinibaldi kregen we wel nog een keer 3-0 op Liverpool, maar daar hadden we ook best een paar goals kunnen maken. Sinibaldi was nu eenmaal een trainer die niet eens wilde praten over de sterke en zwakke punten van de tegenstanders, scouten deed hij nooit. Hij wilde altijd en overal zijn spel spelen. En waren we dan zwakker: jammer... dat hoorde bij het spel. Vandaag wordt er veel meer geschaakt, teveel misschien."

Ook bij de Rode Duivels zette Poep een indrukwekkende carrière neer. In '58 debuteerde hij als A-international en in '69 speelde hij tegen Joegoslavië zijn 48ste en laatste interland. Ook  bij de nationale ploeg maakte hij furore met zijn gevreesde afstandsschot. Zo versloeg hij  internationaal vermaarde keepers als de Hongaar Gukya Grosics en de Fransman Pierre Bernard met schoten van op dertig meter, waarbij de bal achter Bernard pal tussen de achterste doelpaal en het net gekneld bleef zitten, een enig mooi beeld.

Hanon, met felicitaties van basketspeler Jozef DieuIntussen kwam ook het einde van zijn carrière bij Anderlecht in zicht. Omwille van een dienststaat van tien jaar kreeg hij nog wen een jubileummatch, tegen AC Milan, maar de laatste 2 jaar kwam hij toch vaak op de bank terecht. Niettemin viste bondscoach Raymond Goethals de invaller nog op voor de nationale ploeg, en speelde hij met de aanvoerdersband libero in een WK-wedstrijd in Spanje (1-1). Een glorieus afscheid werd het dus niet, "maar wel meer spelers verlieten hun club niet in de beste omstandigheden: Jan Ceulemans bij Club, Rensenbrink en Vercauteren bij Anderlecht. Rensenbrink, met wie ik nooit heb gespeeld maar die ik nog wel bij Cercle als tegenstander heb gekend, vind ik trouwens de grootste die op Anderlecht ooit heeft rondgelopen. Daarna volgden Van Himst, Lozano en Vercauteren. Ja, ook Franky, niet alleen omwille van zijn talent maar ook omdat hij het zichzelf nooit gemakkelijk heeft gemaakt. Bij de laatste generaties zie ik eigenlijk alleen Marc Degryse."

Na Anderlecht volgde nog Cercle Brugge, eerst een jaartje in tweede klasse, daarna nog twee jaar in eerste klasse, als libero. Een libero die befaamd was om zijn schitternde vrijschoppen. Hij herinnert zich vooral die ene in de derby tegen Club Brugge. "De Steur die de bal even deed opwippen en ik dan die in volley overnam: het was de eerste keer in België dat een vrijschop zo werd genomen."

Na zijn spelerscarrière werd hij nog speler-trainer in Bergen, waar hij AEC voor het eerst in zijn geschiedenis naar tweede klasse leidde. Daarna keerde hij als jeugdtrainer terug naar Anderlecht. Hij nam er de miniemen, knapen en scholieren onder zijn hoede, maar omdat hij het moeilijk vond zijn zoon Serge bij de Uefa's verder te begeleiden, haakte hij af. Daarna werd hij dan toch nog, als opvolger van Van Himst, zeven jaar Uefa-trainer, en met de komst van Luka Peruzovic als hoofd-trainer werd hij aangesteld als scout voor het bekijken van de Europese tegenstanders. "Kiev was mijn eerste opdracht, maar in de tweede ronde al werd de ploeg uitgeschakeld door Paris St-Germain. Na het vertrek van Peruzovic, een gentleman trouwens, heb ik geen scouting-opdrachten meer gedaan. Maar Jenny en ik gaan nog steeds graag op reis, de laatste jaren zijn we al verschillende keren naar de Vs geweest."

Bron: 'De Goden van Anderlecht'