Jef Mermans

   

In de jaren '70 had de onnavolgbare 'Slangenmens' Robbie Rensenbrink de grote verdienste om Anderlecht een grote stap vooruit te helpen op het Europese toneel. De hegemonie die paars-wit dertig jaar eerder op nationaal vlak uitbouwde, had de club echter te danken aan Antwerpse spits Joseph Mermans. Onder leiding van de 'Bombardier' die in het midden van de tweede wereld-oorlog naar de Brusselse club overstapte, begon de club, die voordien nog geen enkele trofee had gewonnen, plots te grossieren in prijzen. In de 15 jaar dat Jef de Anderlechtse aanval leidde, veroverde de club immers niet minder dan 7 landtitels. Mermans zelf droeg daar een meer dan aanzienlijk steentje toe bij, want in totaal vond hij in die periode 249 keer de weg naar de netten. Hij is dan ook tot op vandaag Anderlechts topscorer aller tijden met 13 goals meer op zijn naam dan Paul Van Himst, het andere historische boegbeeld van paars-wit.

Mermans werd op 16 februari 1922 geboren in Merksem an had in zijn kindertijd maar één echte speelkameraad: een bal. De legende wil dat het allemaal kwam omdat kleine Jef op zijn vierde verjaardag bij een fotograaf moest gaan om een 'Portret' van hem te laten maken. Hij werd zo zenuwachtig en onrustig dat de fotograaf uiteindelijk maar één oplossing vond om hem te kalmeren en dat was hem een rode bal in de handen stoppen. Na de fotosessie was Mermans zo in de ban van het ronde ding dat hij het niet meer wilde teruggeven. Voor zijn moeder zat er niets anders op dan nog eens in de portefeuille te tasten om het ronde kleinood voor 10 frank te kopen, een klein fortuin in die tijd. Ook de jaren daarna moesten de ouders van de kleine Jef nog vaak hun spaarpot aanspreken, want het aantal ruiten dat hij deed sneuvelen, was indrukwekkend. Maar het was de moeite waard, want zo ontwikkelde Jef een fenomenale traptechniek.

Michel Van Vaerenberg - Jef Mermans tegen La GantoiseMermans liep school bij de Broeders van Liefde en trapte balletjes op een braak liggend terrein aan de Eugène Meesstraat, niet ver van het sportpaleis van Deurne. Hij maakte er als kleine knaap deel uit van de lokale elite die zich de 'Jonge Leeuwen' noemden en die zich hulde in rood en wit, de kleuren van hun geliefde club Antwerp, waarbij ook hun idool Désiré 'Dis' Bastin speelde. Toen ze echter bij de 'Great Old' een aansluitingskaart wilden gaan tekenen, werden ze geweigerd omdat ze hun inschrijving niet konden betalen. Ze vonden dan onderdak bij Tubantia Borgerhout, waar Mermans zich aansloot in 1932. Enkele weken later debuteerde hij er center-half. Iedereen had snel door dat hij erg talentrijk was en hij mocht dan ook dadelijk een categorie hoger gaan spelen. Maar ook dat zette allerminste een rem op zijn trefkracht. Tijdens een derby tussen Tubantia Borgerhout en Olse Merksem bijvoorbeeld, die eindigde op 17-0 in het voordeel van Tubantia, scoorde Mermans maar liefst 10 keer. Het spreekt voor zich dat de tenoren uit het Belgische voetbal snel weet hadden van de ongelooflijke 'goalmachine'.

Beerschot en Antwerp zaten elkaar voortdurend in het haar om de jonge topscorer, die ondertussen ook was doorgedrongen tot de nationale selectie van de juniores en beloften, binnne te rijven. Het bestuur van het Kiel bood in ruil voor de diensten van Mermans zelfs 100.000 frank plus 4 spelers. Maar Anderlecht kreeg in de transferperikelen het laatste woord, nadat het een voor die tijd ongehoord hoog bedrag van 125.000 frank op tafel had gelegd. Niet enkel het geld beïnvloedde de keuze van de transfer: Tubantia, toen een tweedeklasser, vreesde ervoor dat hij bij een transfer naar Antwerp of Beerschot alle publiek met zich mee zou nemen. Hoewel het seizoen '41-'42 toen al ten einde liep, wilde Anderlecht niet wachten om de kwaliteiten van zijn nieuwe spits uit te testen. Eerst werd hij opgesteld bij de invallers en dan voor z'n eerste match bij de A-ploeg: tijdens de laatste thuiswedstrijd tegen La Gantoise trad Mermans voor het eerst aan met paars-wit aan en gaf meteen zijn visitekaartje af. Anderlecht won de partij met 6-1 en Mermans nam de helft van de paars-witte goals voor zijn rekening. Dat hij meegedaan had was echter niet reglementair en Anderlecht verloor die wedstrijd uiteindelijk met 5-0 voor de groene tafel.

In zijn boek "Mijn voetbal en ik" schrijft Mermans: "Mijn eerste optreden ging gepaard met een komiek incident. een paar Anderlecht-afgevaardigden weigerden mij doodeenvoudig de doorgang toen ik me aanbood."
 
Mermans werd in '48, '49 en '51 telkens nationaal topschutter met respectievelijk 38, 23, en 37 doelpunten. Hij wekte daardoor de interesse van enkele zeer grote Europese ploegen. Racing Paris, Arsenal, Torino, AS Roma, Lazio Roma, Atletico Madrid en Atalanta Bergamo deden verwoede pogingen om hem over de streep te halen, want ze beschouwden hem samen met de Zweed Gunnar Nordahl van AC Milan als de 'primus inter pares' van de Europese aanvalsleiders. Mermans zelf was wel te vinden voor een buitenlands avontuur en voor het vele geld dat ermee gepaard ging, maar het bestuur van Anderlecht, met voorzitter Albert Roosens op kop, heeft zich daar altijd heftig tegen verzet, ook al deed Torino op een gegeven ogenblik een bod van 20 miljoen lire. AS Roma deed daar in '51 nog een schepje boven op met een bod van 30 miljoen lire, een zevenkamerappartement en een Alfa Romeo die in juni '51 met een Corps Diplomatique-nummerplaat opeens voor het huis van Mermans stopte. Later kwam dan het ultieme bod van Real Madrid, die 700.000 frank wilden voorleggen. Mermans was wel wat ontgoocheld, maar bleef zich toch trouw voor paars-wit inzetten en doelpunten scoren aan de lopende band. Het dient gezegt dat hij daarvoor ook kon rekenen op uitstekende passes van de 2 buitenspelers die samen met hem de punt van de aanval bevolkten, namelijk 'Woltje' Dewael en 'Susse' Sermon.
 
Na 15 jaar trouwe dienst verliet Mermans op 15 augustus 1957 het Astridpark, ter gelegenheid van een vriendschappelijke partij tegen VUC Den Haag. Hij eindigde zijn carrière bij Olse Merksem, zijn geboortegemeente waar hij ondertussen ook gemeentebediende was geworden, eerste als speler en later als trainer. In totaal speelde hij 56 keer voor de nationale ploeg tussen 1945 en 1956 en scoorde daarbij 26 doelpunten.

Bron: 'De Goden van Anderlecht'