Albert Mettens

   
Albert Mettens, geboren in 1912, is samen met voormalig voorzitter Constant Vanden Stock en Lucien Verbeeck, zoon van voormalig voorzitter Theo, één van de spelers die met het toenmalige Sporting in 1935 de promotie naar eerste klasse afdwong. En al die jaren zijn ze alle drie tesamen gebleven, als leden van de Raad van Beheer van de club. Mettens was erelid van de KBVB terwijl Lucien Verbeeck nog deel uitmaakte van de verzekeringscommisie van de Bond. Het voormalig erelid van Sporting, die zelf af en toe buitenlandse verplaatsingen mee volgde, tekende als veertienjarige een aansluitingskaart bij paars-wit. In de jeugdploeg kreeg hij de twee jaar jongere Vanden Stock bij zich, net als Robert Vermaelen en Joseph Dielemans. Alle vier zouden ze later samen spelen in het eerste elftal.
 
"Op het einde van dat seizoen '34-'35 waren wij kampioen in de A-reeks en Club Brugge in de B-reeks, waardoor we samen stegen naar de hoogste afdeling", grasduint hij in zijn herinneringen. "Er werd een prestigeduel gespeeld waarbij wij twee keer wonnen: één keer 5-0, één keer 0-2."
 
"Zelf had ik het in de jeugdrangen zo goed gedaan dat ik elke keer één jaar te vroeg naar een hogere categorie werd verwezen. Als junior stopte men me meteen bij de reserven en niet veel later bij het eerste. Zeventien jaar en drie maand was ik toen. De vedetten uit die tijd waren keeper Jean Caudron en midvoor Fernand 'Cassis' Adams, veelvoudig internationaal in de jaren '20 en '30. Cassis was mijn idool, een echte schutter. Omdat ik ook nogal snel was en een goed schot had, probeerde ik zijn stijl na te bootsen, zoals Gaston Dewael later met Jef Mermans zou proberen. Cassis was gene gemakkelijke, nogal veeleisend en hij bekeek mijn eerste matchen met een kritisch oog. Ik speelde toen in punt, hij schoof door naar binnen."
 
Albert Mettens herinnert zich nog een anekdote uit de uitmatch op Lierse in 1930. "Op hoekschop was hij naar voor opgerukt tot in het strafschopgebied, ik bleef zo'n beetje hangen. De bal kwam uit een pak spelers, ik neem 'm mee en loop recht vooruit, terwijl de twee centrale verdedigers terugplooien. Op dat moment duik ik vooruit, waardoor ik hen in snelheid neem en kom zo alleen voor de keeper, die uit zijn goal stormt en ik schiet, vanop vijfentwintig meter. Goal. Waarop Cassis me een schouderklopje geeft, zegt dat het goed is maar dat ik niet van zo ver had moeten schieten."
 
"Toch heeft hij me altijd goeie raad gegeven. Toen ik nog met de knapen trainde, de donderdagmiddag op terrein drie, fluisterde hij me regelmatig in het oor wat ik wel en niet moest doen. Later gaf hij als kapitein de nodige taktische richtlijnen op het veld. Hij speelde graag met driehoekjes op het veld, drie man rond de bal, zowel voor als achterin. Voor die tijd was dat niet slecht gezien."
 
"Caudron was een klassekeeper, een beetje speciaal. Hij had zijn kleine geheimpjes om positie te kiezen tegenover een aanvaller, wisten we. Hij zei dat hij in zijn hoofd ingebeelde lijnen trok tussen hem en de aanvaller waardoor hij beter de hoek kon verkleinen. Hij lette ook meer op zijn voeding dan de anderen. Doorgaans aten we voor een match roerei en een biefsteak met groenten. Alleen de donderdag na de training aten we de traditionele steak met frieten."
 
Albert Mettens, begin jaren '90Het eerste cadeau: een lederen koffer
 
"Toen ik in het eerste debuteerde, kregen we na afloop van het seizoen een klein cadeau, een premie van vijftig frank per competitiematch. Het eerste geschenk vanwege de club was een leren valies om onze uitrusting in op te bergen. Financieel werd voetballen pas interessant vanaf 1935 toen het statuut van de onafhankelijke speler werd opgericht en gestemd. Dat was het rechtstreekse gevolg van de transferpolitiek van voorzitter dr. Gianolla van Olympic, die een hele reeks Antwerpse internationalen naar Charleroi had gehaald: Stijnen, Verboven, Joacim, waardoor iedereen plots over geld begon te spreken. In die tijd kregen we 250 frank voor een thuiszege en 275 frank voor een overwinning op verplaatsing. De hoogste premie die ik ooit kreeg, was 300 frank voor een zege, 200 bij een gelijkspel en 100 of vijftig bij een nederlaag. Dat kwam vanzelf, als spelers stelden we geen eisen, maar die premies waren een leuk extraatje. In '35 verdiende ik als bediende maandelijks 1000 frank. Wanneer het ons op voetbalgebied wat meezat, kon ik mijn inkomen op het eind van de maand verdubbelen."
 
In die periode speelde Anderlecht in het Brusselse in de schaduw van Daring en Union. "We hebben Daring ooit eens aan de titel geholpen door in '36 met 1-2 op Standard te gaan winnen. Daring had toen een goeie ploeg, met Herremans, Van Ingelgem, Torfs, Mondelé, Lamoot en Fernand Buyle. Standard was ook niet slecht, daar speelden toen Capelle, Brichaut, de gebroeders Petit en de twee Ledents. De verplaatsing waar wij het meest tegenop keken, was die naar Union. Het stadion ginder zat altijd eivol en je kreeg de rillingen al over je rug wanneer je de fanfare het clublied hoorde spelen, C'est l'Union qui sourit. In die tijd trok de massa toeschouwers vanuit Anderlecht naar Molenbeek en Sint-Gillis, vaak over velden en braakliggende gronden. Het was één langgerekte processie die van stadion naar stadion ging, een indrukwekkend zicht."
 
"In februari '36 speelde ik op de Heizel met de Rode Duivels tegen Sparta Praag dat Raymond Braine opstelde die het van Beerschot had overgenomen. In die tijd vormden de Rode Duivels het nationale B-team, terwijl de nationale ploeg gewoon 'België' werd genoemd. In Nederland had je ook het onderscheid tussen Nederland en de Zwaluwen, de B-ploeg. Maar goed: in die match tegen Praag speelde ik rechtsbuiten, ik werd een beetje gesaboteerd door Bernard Voorhoof van Lierse. Hij speelde het liefst samen met Versijp van Club Brugge en had er bij bondscoach Emile Hanse op aangedrongen om Versijp in de ploeg te halen."
 
"Bij Sporting kregen we voor het seizoen '36-'37 een Roemeen als trainer, eentje die van Sint-Niklaas kwam. Smilovici heette hij, hij zou maar twee jaar blijven. Hij was meer in politiek dan in voetbal geïnteresseerd en liep er op het veld niet altijd met zijn gedachten bij."
 
Ernest Smith: een beul op training
 
"In '37 eindigden we halverwege de rangschikking, zelf zag ik het niet meer zo zitten bij de club. De selectieheer, dokter Plasch, had het niet zo voor mij, in zijn ogen kon ik weinig goeds doen. Dat was één van de verklaringen voor mijn transfer. De andere was de aanpak van trainer Ernest Smith. Dat was een echte beul, hij liet ons rondjes rond het terrein lopen tot we duizelden. In die tijd trainden we twee keer per week, op dinsdag en donderdag. Toen ik eens een dag vrij had, vroeg hij me of ik me in de namiddag kon aanbieden voor een individuele training. Ik ging akkoord en zou me dat achteraf nog lang beklagen. Op handen en voeten kroop ik naar de kleedkamer en vertelde het gruwelverhaal aan mijn ploegmaats, die binnensijpelden voor de training van vijf tot zeven. Toen ik wilde buitenstrompelen en naar huis gaan, kwam Smith naar binnen en geboord me me opnieuw om te kleden en nog eens met de groep mee te trainen. Ik heb toen echt op de tanden moeten bijten, maar het was niet om uit te houden. Ook anderen vroegen in die periode hun transfer aan, Paduwat en Verschueren, bijvoorbeeld. Ik ga Smith hier niet compleet afbreken, hé, want zijn aanpak leverde wel resultaten op. Je zag de ploeg van week tot week sterker worden en je stak ook op technisch vlak één en ander van hem op. Ik heb het met de president af en toe nog eens over de beweging met het been waarmee je je als aanvaller in een flits kon losmaken van een verdediger in je rug. Voor een vleugelspits een nuttige truuk. Met wie Smith te vergelijken viel? Misschien met Kessler, die ik later aan het werk zag. Die was ook hard en veeleisend, maar ging bij de samenstelling van zijn trainingen wel beredeneerd te werk. De Fransman Perino, waarmee Sporting in '47 de eerste landstitel behaalde, werkte ook vooral aan de fysieke conditie, hij wist meer van atletiek dan van voetbal. Maar hij was tezelvertijd ook een goed psycholoog."
 
"Toen ik aan vicevoorzitter Jacquet op de hoogte bracht van mijn intentie om te vertrekken, vroeg hij me toch nog eens goed na te denken. Maar mijn beslissing stond vast, ik zou weg gaan. Racing Brussel betaalde 25.000 frank voor me. Zij speelden toen in bevordering met een ploeg eersteklassespelers, bijeengehaald door de genereuze voorzitter Fernand Halbart. Ik heb daar veel geld verdiend." Later speelde Albert Mettens nog voor Florennes, Ciney en tot '48 opnieuw voor Florennes vooraleer zich aan de Heizelschool in te schrijven voor de trainerscurcus. Daar was Bill Gormlie leraar, terwijl Bottu, een andere sterke persoonlijkheid, de fysiektrainingen verzorgde. Albert zou als trainer met Rode (St. Genesius Rode) en Schaarbeek werken, hg).
 
"Omwille van beroepsredenen stopte ik later met het geven van trainingen. Op vraag van Albert Roosens keerde ik terug naar Anderlecht in het Jeugdbestuur. In '60 werd ik bestuurder, vier jaar later voorzitter van het jeugdcomité tot '74. Daarnaast zetelde ik nog vijftien jaar in het Brabants Provinciaal Comité en tien jaar in de erejuty van de bond. Daardoor ben ik erelid van de bond geworden."
 
Ik hield van de stijl van de ploegen van Sinibaldi en Van Himst
 
"Als bestuurslid heb ik mee een aantal titels en bekers mogen vieren. Veel voldoening gaf mij ook de opbouw van een grote ploeg onder Sinibaldi en met Van Himst, in het begin van mijn bestuurlijke loopbaan. Ik hield van dat voetbal, gebaseerd op techniek en speldoorzicht. We hadden toen een hele jonge groep, met elf min of meer vaste spelers, af en toe aangevuld met één van de tweelingsbroers Vandereecken. De ploeg pakte uit met een 4-2-4-opstelling, dat is iets wat Albert Roosens ingevoerd heeft. In '58 woonde hij het WK in Zweden bij, daar trok hij met de Franse bondscoach Paul Nicolas op en ging hij na hoe de Braziliaanse wereldkampioenen hun veldbezetting uitwerkten. Twee jaar later toonde hij bij de komst van Sinibaldi aan hoe dat systeem ons van dienst kon zijn."
 
Voor welke spelers heeft Albert Mettens een zwak gehad? "Oeioei. Uit mijn tijd als speler onthoud ik Cassis en Caudron, twee echte clubmannen. Later waren er Mermans, Van Vaerenbergh en Meert, die ook een uitstekend kaatsspeler was. En dan zijn er Van Himst, Jurion, Verbiest en Puis, maar eigenlijk moet ik dan de hele ploeg van Sinibaldi opnoemen. Later bewonderde ik nog Rensenbrink, een echt genie, Lozano en Scifo. tegenwoordig vind ik wel dat jonge spelers te snel tot vedetten worden gekneed terwijl die jongens in feite nog veel te leren hebben."
 
Als jonge speler maakte Albert Mettens eerst kennis met Theo Verbeeck als voorzitter. Later leerde hij als bestuurder Albert Roosens kennen, terwijl hij en Constant Vanden Stock samen nog in korte broek liepen. "Theo Verbeeck was een streng man, een goeie voorzitter die ook het spel voldoende doorzag. Albert Roosens is een goeie vriend van me geworden, voetbal is zijn leven, hij is daar helemaal in opgegaan. Hij wist alles van de club, niets ontging hem, hij ging ook naar de jeugdtrainingen kijken. Met hem en Noulle Deraeymaeker gingen we op scoutingstocht om nieuwe talenten te ontdekken. Zo haalden we Verbiest, Puis, Stockman, Vandenboer en nog anderen binnen. Ik denk niet dat we ons vaak in een beoordeling vergist hebben."
 
"Constant Vanden Stock was indertijd een hele goeie speler, die door pech geremd werd. Twee keer raakte hij geblesseerd toen hij in volle ontwikkeling was, twee seizoenen moest hij missen wegens blessures. Later trok hij dan naar Union. Hij kent het voetbal door en door en heeft geld. Dat helpt wel eens. Hij kan al een suit eigen zak aan de club voorschieten om een speler aan te trekken."
 
Op 91-jarige leeftijd overleed Albert Mettens in mei 2003.

Bron: 'Anderlecht Uniek'