|
Varia &
links
Curiosa - Angelo
Soliman
Het
onwaarschijnlijke Verhaal van de opgevulde Schaakmeester
“Schacchi e Scienze Applicate” is een merkwaardige vereniging, gevestigd in de
Italiaanse regio Bologna. De vereniging heeft zich voorgenomen alles wat met
schaken en wetenschap te maken heeft, bij mekaar te brengen en al die gegevens
door middel van de publicatie van een tijdschrift onder zelfde naam bij het
schakend publiek te brengen. “Schacchi e Scienze applicate” (vertaald tot
Schaken en toegepaste Wetenschappen) publiceert geen partijen, vertelt zelden
iets over openingen of middelspel, maar verdiept zich vooral in de geschiedenis
en alle voorvalletjes, die van het saaie leven achter het bord toch een boeiende
zaak weten te maken.
Zo bracht de
Weense schaakjournalist Michael Ehn in het nummer 13 van 1993, bladzijden 10 en
11, de hoogst merkwaardige, vrijwel ongelooflijke geschiedenis van de schakende
Moor Angelo Soliman aan het licht. Onze lezers zullen vergeefs in hun al dan
niet uitgebreide schaakbibliotheek op zoek gaan naar deze merkwaardige figuur,
maar het zou ons niets verbazen mochten ze van een bijzonder kale reis
thuiskomen. Deze Soliman ontdekt men zomaar niet!

Angelo Soliman (1721-1796), slaaf en schaker.
Angelo Soliman werd in 1721 aan de Oostkust van Afrika geboren. Hij was Moor,
dat wil meer bepaald zeggen een lid van een gemengd volk, bruin tot zwart,
voornamelijk bestaande uit Arabieren en Berbers, welke menging ontstond na de
islamitische verovering van Noord-Afrika. De mohammedaanse legers, die rond 710
en volgende jaren Spanje veroverden bestonden hoofdzakelijk uit Moren en dat is
de reden, waarom de mohammedaanse overheersers in Spanje doorgaans Moren werden
genoemd.
Als
jongeman werd Angelo door een rivaliserende negerstam gevangen genomen en net
als vele andere lotgenoten aan Arabische slavenhandelaars verkocht. Na vele
jaren belandde hij in die “functie” in Oostenrijk en, nog steeds als slaaf, in
Wenen aan het hof van keizer Jozef II, in onze eigen vaderlandse geschiedenis
bekend als de keizer-koster.
Maar Angelo Soliman had inmiddels met vroegere heren honderden partijen schaak
gespeeld, of moeten spelen, en zich tot een te duchten tegenstander opgewerkt.
De slaaf beschikte over een natuurlijk talent en had onmiddellijk ingezien dat
hij meer kon worden dan gewoon maar een slaaf, als hij evengoed of beter nog de
houten schaakstukken over het geblokte bord kon bewegen. De verstandige Soliman
was van een slaafs doetje een zeer sterk speler geworden, die amper nog een
partij verloor. Aan het hof werd hij voortaan vaak genoeg opgetrommeld om als
“zwartspeler” op te treden, won bijna altijd en werd een gerespecteerd man.
Schaken stond in die tijd in Wenen hoog op het verlanglijstje van de elite. De
zwaai naar hogerop was te danken aan de “Duitse Philidor”, zoals de
Oostenrijkers hun schaakmeester Johann Baptist Allgaier (1763-1823) graag
noemden. De naam Allgaier zegt de lezer ongetwijfeld iets: inderdaad dezelfde
als die van de Allgaier-variant in het Koningsgambiet. Het is niet bekend of de
jonge Allgaier (stel 25 jaar) het ooit tegen de ouderwordende Soliman (dan 65
jaar) heeft opgenomen, maar mogelijk is het wel.
De
Moor Soliman leefde inmiddels een zacht en geacht leventje in het gezelschap van
de Weense high society. Hij huwde zelfs de weduwe van de graaf von Christiani,
maar of dit gemengde huwelijk op gejuich werd onthaald was zeer de vraag. Angelo
Soliman echter wijdde de rest van zijn leven helemaal aan de opvoeding van hun
dochter Josephine. Die zou later trouwens de echtgenote worden van een
keizerlijke raadgever aan het hof, Ernst von Feuchtersleben.
Toch is Angelo Soliman altijd een stuk slaaf gebleven en uiteindelijk heeft zijn
schaaktalent hem materieel weinig opgebracht. De Moor bleef arm en werd vaak
als Moor behandeld. De keizer verachtte hem, men zag hem nog altijd als een
kleurling, een zeldzaamheid in het witte Wenen. Toen Soliman in 1796 een
natuurlijke dood stierf, na een voor een slaaf ongewoon lang leven, vond men
zijn huidskleur nog altijd zo merkwaardig, dat men hem als curiosum wilde
bewaren en hem gewoon als een schoothond of een neergelegd hertejong heeft
opgezet! De man, die het bevel gaf tot deze – zeg maar – gruweldaad was niemand
minder dan keizer Franz II, die later door zijn verregaand conservatisme zijn
rijk weldra in verval zag geraken. Een tijdgenoot schreef: “Men trok de dode
Soliman letterlijk de huid over de oren, spande die over een houten geraamte en
vulde het omspansel derwijze op tot het een grote gelijkenis verkreeg met de
vroegere gestalte van de schaakmeester”. Alle bidden en smeken van dochter
Josephine, die haar vader wel erg racistische lot wilde besparen, waren
vruchteloos.
De
opgezette Soliman kreeg tenslotte een plaatsje in het zoölogisch museum van
Wenen en de gehele stad trok er dagen lang op uit om de oude, nu dode
schaakmeester te bezichtigen. Zijn stoffelijke overschot bleef er een halve eeuw
tentoongesteld.
Tot
op 31 oktober 1848 het toen opstandige Wenen een lesje kreeg van ene Alfred,
vorst van Windisch-Grätz. De vorst, die zo graag Franz-Josef op de
Oostenrijks-Hongaarse troon wilde zien, liet zijn kanonnen vuur en vlam braken
over die stadsgedeelten, waar de opstandingen het meest te vertellen hadden. Een
verdwaalde kanonskogel verzeilde daarbij door het dak van het zoölogisch museum
en ontplofte in de ruimte, waar de opgezette Angelo Soliman zijn plekje had.
Samen met de inhoud van de zaal ging ook Angelo Soliman in de vlammen op.
Dat
was het einde van de eerste zwarte schaakspeler van groot talent. Zijn
belevenissen werden tijdens zijn leven opgetekend en verzeilden ergens in een
verzameling manuscripten. Hier en daar zal een of andere schrijvelaar het nog
eens over Angelo Soliman gehad hebben, maar veel verder dan de grenzen van Wenen
is hij nooit gekomen.
ivan
|